3-1128/4

3-1128/4

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

29 JUNI 2005


Wetsontwerp betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden


AMENDEMENTEN


Nr. 2 VAN MEVROUW de T'SERCLAES C.S.

Art. 2

Het 6º van dit artikel vervangen als volgt :

« 6º het slachtoffer : een natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering tegen de veroordeelde in de strafzaak die tot zijn veroordeling heeft geleid, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, alsook een natuurlijke persoon, of zijn rechthebbende als hij overleden is, van wie het openbaar ministerie, onder de voorwaarden vastgesteld in Titel IIbis, meent dat hij een legitiem en direct belang heeft. »

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe het begrip « slachtoffer » zoals het in dit wetsontwerp wordt gedefinieerd, te verruimen. In dit ontwerp slaat dat begrip alleen op de persoon die zich burgerlijke partij heeft gesteld en wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond is verklaard. Het vormt een aanzienlijke beperking op dat begrip zoals het nu wordt gebruikt in de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling. In die wet wordt het begrip legitiem en direct belang gebruikt zodat wie zich geen burgerlijke partij hebben gesteld ook aan bod komen tijdens de procedure van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het slachtoffer heeft er immers soms geen belang bij om zich burgerlijke partij te stellen als de dader van de feiten onvermogend is. Een andere mogelijkheid wordt aangekaart door de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies van 23 februari 2005, namelijk het geval van « kinderen die het slachtoffer waren van incest en hun broertjes en/of zusjes die door hun minderjarigheid geen burgerlijke vordering konden instellen of de ouder die zich, uit loyauteit ten opzichte van partner/dader evenmin burgerlijke partij stelde ».

In navolging van het bepaalde in het wetsontwerp van 22 november 2001 inzake de verscherping van de controle van veroordeelde gedetineerden die de gevangenis verlaten en het voorstel van Nathalie de T' Serclaes inzake de verbetering van de positie van het slachtoffer met betrekking tot de strafuitvoering, stelt dit amendement voor dat het openbaar ministerie als filter optreedt en het legitiem en direct belang beoordeelt. Zo geldt voor de slachtoffers als gedefinieerd in dit ontwerp eenzelfde regeling inzake de strafuitvoeringsvoorwaarden die zijn toegekend door respectievelijk de overheidsdiensten en de strafuitvoeringsrechter of rechtbank. Het openbaar ministerie beschikt nu al over een « slachtofferfiche » en houdt contact met de slachtoffers via de justitieassistenten.

Wij benadrukken dat dit amendement moet worden samengelezen met het amendement dat ertoe strekt een nieuwe Titel IIbis in te voegen. In dat amendement beperken wij het begrip « slachtoffer » tot een aantal goed afgebakende categorieën zoals dat nu al het geval is in de wetgeving op de voorwaardelijke invrijheidstelling (koninklijk besluit van 10 februari 1999). Door een regeling over te nemen die al jaren goed werkt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling, kan die maatregel onmiddellijk in de praktijk worden gebracht, zonder dat de justitieassistenten en het openbaar minister er al te veel werk bij krijgen.

Nr. 3 VAN MEVROUW de T'SERCLAES C.S.

Een titel IIbis (nieuw) invoegen, die de artikelen 2bis tot 2quater (nieuw) bevat, luidende :

« Titel IIbis

Bepalingen betreffende de slachtoffers

Artikel 2bis

§ 1. Behalve voor natuurlijke personen van wie de burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond is verklaard, beoordeelt het openbaar ministerie het legitiem en direct belang. Als het openbaar ministerie meent dat het slachtoffer geen legitiem en direct belang heeft, brengt het het slachtoffer daarvan per brief op de hoogte.

§ 2. Tenzij het slachtoffer duidelijk te kennen heeft gegeven dat het niet gecontacteerd wil worden, wint het openbaar ministerie via een ambtenaar van het ministerie van Justitie belast met de slachtofferopvang, ambtshalve alle nuttige inlichtingen in over het belang van het slachtoffer die zijn vastgesteld door de Koning, in de volgende gevallen :

1º de burgerlijke vordering tegen de veroordeelde in de strafzaak die tot zijn veroordeling heeft geleid, is ontvankelijk en gegrond verklaard;

2º de veroordeelde ondergaat een straf voor een feit bedoeld :

a) in de artikelen 347bis, 372 tot 378, 400 tot 404, 407 tot 410, 423 tot 432, 473 tot 476 van het Strafwetboek, of

b) in de artikelen 379 tot 388 van hetzelfde Wetboek indien de feiten zijn gepleegd op minderjarigen of met hun deelneming, of

c) in de artikelen 393 tot 397 van hetzelfde Wetboek of de strafbare poging tot deze feiten.

Hij doet dit ook op het schriftelijk verzoek van een slachtoffer van een misdrijf dat heeft geleid tot een veroordeling tot opsluiting, tot hechtenis of tot een gevangenisstraf waarvan het effectief gedeelte ten minste één jaar bedraagt. Deze schriftelijke verklaring kan worden gedaan door het slachtoffer zelf, of door bemiddeling van zijn advocaat, op het secretariaat van het openbaar ministerie of bij de ambtenaar van het ministerie van Justitie belast met de slachtofferopvang, vanaf het ogenblik dat de veroordeling op basis van de feiten waarvan betrokkene slachtoffer is, in kracht van gewijsde gaat.

§ 3. Volgens een procedure vastgesteld door de Koning, bezorgt het openbaar ministerie de inlichtingen aan de instanties die zich moeten uitspreken over de toekenning van een van de strafuitvoeringsregels vastgesteld in deze wet.

Artikel 2ter

Het in artikel 2bis, § 2, bedoelde slachtoffer, wordt in kennis gesteld van de toekenning van een strafuitvoeringsregel in de gevallen waarin deze wet voorziet alsook, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang worden opgelegd, als het slachtoffer dit heeft gevraagd terwijl de in het vorige artikel bedoelde inlichtingen werden ingewonnen.

Het slachtoffer kan zijn wens om geïnformeerd te worden, schriftelijk geheel of gedeeltelijk herroepen bij het openbaar ministerie.

Artikel 2quater

Het slachtoffer bedoeld in artikel 2bis, § 2, wordt gehoord volgens een door de Koning vastgestelde procedure in de gevallen waarin deze wet voorziet, als het slachtoffer daarom heeft gevraagd terwijl de inlichtingen bedoeld in artikel 2bis, § 2, werden ingewonnen.

Het slachtoffer kan zijn wens om geïnformeerd te worden schriftelijk herroepen bij het openbaar ministerie. »

Verantwoording

Met de invoering van een nieuwe titel IIbis wil dit amendement in het wetsontwerp zelf een samenhangende en eenvormige regeling invoeren die ervoor zorgt dat het slachtoffer in het kader van de strafuitvoering wordt geïnformeerd en dat met zijn belangen rekening wordt gehouden. Om dat doel te bereiken, hebben de indieners van dit amendement zich laten inspireren door het wetsontwerp inzake de verscherping van de controle van veroordeelde gedetineerden die de gevangenis verlaten, inzake de verbetering van de positie van het slachtoffer wanneer de dader de gevangenis verlaat en inzake de optimalisering van de penitentiaire capaciteit, ingediend in de Kamer op 22 november 2001 en door het wetsvoorstel inzake de verbetering van de positie van het slachtoffer met betrekking tot de strafuitvoering, ingediend door Nathalie de T' Serclaes in november 2004.

1. Definitie van het begrip « slachtoffer »

Bij het lezen van titel IIbis moet men de definitie van het slachtoffer voor ogen houden die wij hebben voorgesteld in artikel 2, 6º : de natuurlijke persoon die zich burgerlijke partij heeft gesteld of die een legitiem en direct belang kan aantonen (voor de verantwoording, zie amendement nr. 2). In die titel IIbis, beperken wij de categorieën van slachtoffers die aanspraak kunnen maken op de maatregelen die wij hierna toelichten met verwijzing naar de wetgeving inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling en de categorieën die daarin worden gehanteerd. Niet alle slachtoffers kunnen op de hoogte worden gebracht van de toekenning van een strafuitvoeringsmaatregel of nuttige informatie leveren, want dat zou het openbaar ministerie en de justitieassistenten overbelasten. Aangezien een aanzienlijke uitbreiding van de personeelsformatie niet onmiddellijk te verwachten valt, mag men die personen niet te veel extra werk geven. Het belangrijkste is dat ook andere personen dan die welke zich burgerlijke partij hebben gesteld, toegang krijgen tot die inlichtingen. Daarom vinden wij het onderscheid gebaseerd op de ernst van de feiten, dat wordt gehanteerd in de wetgeving over de voorwaardelijke invrijheidstelling, nuttiger dan de keuze die dit wetsontwerp maakt om alleen inlichtingen te verstrekken aan mensen die zich burgerlijke partij hebben gesteld. Zo kunnen slachtoffers van ernstige feiten, zoals een gijzeling, een aanranding van de eerbaarheid, een verkrachting, opzettelijke slagen en verwondingen ... aanspraak maken op de toepassing van de voorgestelde regeling, ongeacht of zij zich al dan niet burgerlijke partij hebben gesteld, maar op voorwaarde dat zij kunnen aantonen dat zij een legitiem en direct belang hebben. Net als in de wetgeving op de voorwaardelijke invrijheidstelling, wint het openbaar ministerie automatisch de nodige inlichtingen in bij de slachtoffers als gedefinieerd in het 1º, terwijl de slachtoffers als gedefinieerd in het 2º (slachtoffers van een misdrijf waarop een effectieve vrijheidsstraf van een jaar of minder staat) dat uitdrukkelijk aan het openbaar ministerie moeten vragen.

2. Welke inlichtingen ?

Er is voorzien in drie soorten inlichtingen wat de slachtoffers betreft :

— inwinnen van alle nuttige inlichtingen bij het slachtoffer. Momenteel winnen de justitieassistenten via de slachtofferfiches een groot aantal inlichtingen in, zoals de identiteit van het slachtoffer, de voorwaarden die het slachtoffer opgelegd wil zien om zijn belangen te vrijwaren in geval van vervroegde vrijlating van de dader van de feiten, de wens om op de hoogte te worden gebracht van de toekenning van een maatregel, de wens om gehoord te worden. Die regels kunnen het best worden overgenomen en de justitieassistent moet alle nuttige inlichtingen over het slachtoffer blijven verzamelen. Psychologisch is het voor het slachtoffer immers belangrijk dat hij éénmaal wordt gecontacteerd door één contactpersoon. Wanneer de informatie is ingewonnen, bezorgt het openbaar ministerie ze aan de verschillende instanties die een beslissing kunnen nemen met betrekking tot de toekenning van een strafuitvoeringsmaatregel. Het staat aan de Koning om vast te stellen welke concrete inlichtingen worden ingewonnen door de justitieassistenten en in welke vorm (slachtofferfiche of andere ...);

— informatie over het toekennen van een strafuitvoeringsmaatregel ten gunste van de veroordeelde in de door de wet vastgestelde gevallen alsook over de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd. Het slachtoffer wordt op de hoogte gebracht van de toekenning van een strafuitvoeringsmaatregel als het daarom heeft gevraagd terwijl de informatie werd ingewonnen; het slachtoffer kan zijn wens om geïnformeerd te worden ook altijd geheel of gedeeltelijk herroepen;

— in de door de wet vastgestelde gevallen en volgens een procedure die de Koning vaststelt, wordt het slachtoffer gehoord als het daarom heeft gevraagd terwijl de inlichtingen werden ingewonnen.

3. Wie wint de inlichtingen in ?

Het openbaar ministerie, via de justitieassistenten, lijkt ons de aangewezen instantie om inlichtingen in te winnen bij de slachtoffers. Het wetsontwerp draagt het openbaar ministerie nog wel andere zware taken op. Bovendien is die regeling voor het slachtoffer eenvoudiger omdat hij maar één gesprekspartner heeft : de justitieassistent.

Nathalie de T' SERCLAES.
Christine DEFRAIGNE.
Jean-Marie CHEFFERT.

Nr. 4 VAN MEVROUW de T'SERCLAES EN DE HEER CHEFFERT

Art. 9

Paragraaf 3 van dit artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :

« Na drie weigeringen in negen maanden om penitentiair verlof toe te kennen, kan de veroordeelde of zijn raadgever beroep instellen bij de strafuitvoeringsrechtbank. Indien de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat de opeenvolgende weigeringen om penitentiair verlof toe te kennen de voorbereiding van de sociale reïntegratie van de veroordeelde ernstig in gevaar brengt, kan hij beslissen over het toekennen van het penitentiair verlof. Aan dit verlof zijn verbonden de bijzondere voorwaarden die de directeur in voorkomend geval voorstelt met toepassing van § 1. ».

Verantwoording

Dit amendement wil de veroordeelde de mogelijkheid geven beroep in te stellen bij de strafuitvoeringsrechtbank in geval van opeenvolgende weigeringen om penitentiair verlof toe te kennen. Dat verlof bereidt de veroordeelde voor op zijn sociale reïntegratie en staat hem toe geleidelijk weer te wennen aan de wereld buiten de gevangenis. De veroordeelde moet naar de strafuitvoeringsrechtbank kunnen stappen wanneer het verlof hem meermaals wordt geweigerd. Om te voorkomen dat iedere veroordeelde systematisch beroep instelt na elke weigering, hebben wij een bijkomende eis gesteld betreffende het aantal weigeringen om penitentiair verlof toe te kennen (het moeten er drie zijn) en betreffende de termijn waarbinnen die weigeringen zijn uitgesproken. Bovendien kan de strafuitvoeringsrechtbank slechts een verlof toekennen indien hij oordeelt dat de weigeringen de voorbereiding van de sociale reïntegratie ernstig bemoeilijken.

Nr. 5 VAN MEVROUW de T'SERCLAES EN DE HEER CHEFFERT

Art. 65

Paragraaf 3, tweede lid, van dit artikel vervangen als volgt :

« De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, de justitieassistenten en in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht, worden op schrift gesteld en zijn toegankelijk voor het openbaar ministerie.

Wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kennis hebben van ernstige tekorten inzake de naleving van de voorwaarden, opgelegd in verband met een van de strafuitvoeringsregels uit titel IV, wordt hierover, voor zover dienstig, een proces-verbaal gezonden aan het openbaar ministerie. ».

Verantwoording

Het is de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank die moet zorgen voor de opvolging van de strafuitvoeringsvoorwaarden als bedoeld in titel IV. Het is niet realistisch om, zoals in het ontwerp, te eisen dat de strafuitvoeringsrechtbank of -rechter systematisch aan het openbaar ministerie een kopie bezorgt van alle schriftelijke mededelingen (of van de mondelinge mededelingen, die nadien op schrift zijn gesteld) tussen hen en de justitieassistenten of het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht. Veel mededelingen gaan over het beheer van het toezicht en vereisen geen optreden van het openbaar ministerie. Als over elke mededeling een proces-verbaal moet worden opgemaakt, zou men een duplicaat van het dossier maken en zou een persoon van het openbaar ministerie zich moeten bezighouden met het klasseren van al die informatie. Dat zou een onnodige verzwaring van de werklast betekenen. Om het beginsel van de tegenspraak in stand te houden, volstaat het dat het dossier toegankelijk blijft voor het openbaar ministerie. Dat streeft dit amendement na.

Nathalie de T' SERCLAES.
Jean-Marie CHEFFERT.