3-1110/1 | 3-1110/1 |
24 MAART 2005
(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 128,
tweede uitgave, van 10 april 2003)
Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, zijn de Belgen op gelijke voet benoembaar tot de overheidsbetrekkingen. De voorwaarde van nationaliteit die hierin vervat zit — ongeacht de wijze waarop die nationaliteit verkregen werd — geldt volgens een vaste rechtsleer en rechtspraak voor alle overheidsbetrekkingen in de administratie en in het leger, zowel in de federale als in de lokale of gespecialiseerde overheidsdiensten, voor de hogere zowel als voor de uitvoerende functies.
Volgens die bepaling zijn de overheidsbetrekkingen gereserveerd voor de mensen die de Belgische nationaliteit hebben. Buitenlanders zijn in principe uitgesloten van overheidsbetrekkingen. Alleen bepaalde wetten, zoals de wet van 22 september 1831 betreffende de aanwerving van buitenlandse officieren, de wet van 31 december 1851 betreffende de consulaten en de consulaire rechtsmacht, of nog de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs, kunnen buitenlanders toestaan om bepaalde overheidsfuncties te vervullen.
Dezelfde bezorgdheid wordt uitgedrukt in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat stelt : « Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen, (...) c) op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land. » Zoals het Verdrag aangeeft, staat deze bepaling de burger niet toe een overheidsfunctie te betrekken in een ander land.
De voorwaarde van nationaliteit die aldus wordt gesteld, is niet in overeenstemming met artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (vroeger artikel 48, § 4, van het Verdrag van Rome). Er dringt zich dus een herziening van de Grondwet op, om tot een betere overeenstemming te komen tussen de internationale verbintenissen van België en de tekst van de Grondwet.
Volgens het arrest van 17 december 1980 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (Commissie van de Europese Gemeenschap vs. Koninkrijk België, zaak 149/79, Verzameling, blz. 3881), mogen alleen voor Belgen worden gereserveerd, functies die een « rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden en werkzaamheden omvatten ter bescherming van de algemene belangen van de Staat of van andere openbare lichamen ».
Door de geplande herziening van artikel 10, tweede lid, van de Grondwet wil men dan ook de overheidsbetrekkingen toegankelijk maken voor personen die niet de Belgische nationaliteit bezitten, ongeacht of zij al dan niet onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn. De herziening zal het mogelijk maken om, in bepaalde gevallen, voor overheidsbetrekkingen buitenlandse personen van een andere nationaliteit aan te werven die al dan niet onderdaan zijn van een Europese lidstaat.
Het voorstel houdt rekening met de bezorgdheid die tot uiting kwam in voorstel 3-81/1 — BZ 2003 van de dames De Roeck en Durant. Het tracht op een zo bondig mogelijke wijze te zorgen voor een betere overeenstemming tussen het gelijkheidsprincipe en de toegankelijkheid van de overheidsfuncties en een duidelijker onderscheid te maken tussen de functies de toegankelijk zijn voor Belgen en die welke toegankelijk zijn voor onderdanen van de Europese Unie en voor personen van buitenlandse nationaliteit die niet onder de Europese Unie ressorteren.
| Francis DELPÉRÉE. |
Enig artikel
Artikel 10, tweede lid, tweede zinsdeel, van de Grondwet wordt vervangen als volgt :
« zij zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar; de functies die verband houden met de soevereiniteit zijn gereserveerd voor Belgen, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld ».
22 februari 2005.
| Francis DELPÉRÉE. |