3-450/13 | 3-450/13 |
23 FEBRUARI 2005
Art. 326
De §§ 2 en 3 van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
In dit amendement wordt rekening gehouden met het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 21 januari 1999 in de zaak Van Geyseghem versus België, waarin het Hof heeft geoordeeld dat een beschuldigde het recht om effectief te worden verdedigd door een advocaat niet verliest alleen vanwege zijn afwezigheid op de debatten. De wetgever moet ongerechtvaardigde afwezigheden wel kunnen ontmoedigen, maar hij mag ze niet bestraffen door af te wijken van het recht op bijstand van een raadsman.
Dit amendement neemt de bepalingen over van de wet van 12 februari 2003 die artikel 152 van het Wetboek van strafvordering heeft gewijzigd naar aanleiding van het arrest-Van Geyseghem.
Art. 326
Paragraaf 5 van dit artikel vervangen als volgt :
« § 5. Als de dagvaarding is geschied aan de persoon van de beklaagde of de beklaagde er kennis van heeft genomen en op ondubbelzinnige manier de wil heeft te kennen gegeven om niet te verschijnen en zich niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat, wordt het vonnis dat gewezen wordt geacht op tegenspraak te zijn en ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de beklaagde betekend. Ten aanzien van de beklaagde kan een bevel tot medebrenging worden uitgevaardigd. »
Verantwoording
Dit amendement neemt artikel 152, § 2, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering over, zoals gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, maar met een aantal belangrijke wijzigingen :
1º de sanctie van het « op tegenspraak geacht te zijn » en van het bevel tot medebrenging kan alleen worden opgelegd als het openbaar ministerie bewijst dat de dagvaarding aan de persoon van de beklaagde is geschied of dat de beklaagde er kennis van heeft genomen maar uitdrukkelijk of in elk geval op ondubbelzinnige manier de wil te kennen heeft gegeven om niet te verschijnen of zich niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dat betekent dat de sanctie niet wordt toegepast als de beklaagde door overmacht afwezig is of niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd;
2º de sanctie wordt toegepast ongeacht of de beklaagde op de inleidingszitting is verschenen overeenkomstig § 1 van artikel 152.
Deze aanpassingen bieden een oplossing voor de bezwaren die in de rechtsleer zijn geopperd tegen het huidige artikel 152, namelijk :
— Het bestaande systeem straft de persoon die is verschenen (persoonlijk of vertegenwoordigd) op de inleidingszitting strenger dan degene die afwezig is gebleven op de inleidingszitting en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen. Die laatste wordt namelijk niet gestraft als hij niet op de terechtzitting verschijnt hoewel de rechter zijn persoonlijke verschijning heeft bevolen.
— Het bestaande systeem kan de rechten van de verdediging schenden omdat er geen onderscheid gemaakt wordt naargelang de beklaagde vrijwillig dan wel om redenen buiten zijn wil verstek laat gaan op een latere terechtzitting. Als hij, in dit laatste geval, aanwezig was op de inleidingszitting maar onmogelijk aanwezig kan zijn of zich onmogelijk kan laten vertegenwoordigen op een latere zitting, verliest hij een aanleg en is hij verplicht om hoger beroep in te stellen. Voor een beklaagde die zonder enige bijzondere reden verstek heeft laten gaan en zich niet heeft laten vertegenwoordigen staat daarentegen nog altijd verzet open.
— Dit systeem kan net het tegenovergestelde gevolg hebben van wat men wil bereiken, namelijk dat advocaten hun cliënten zullen afraden om op de inleidingszitting te verschijnen.
— Het is bovendien niet zeker dat het Europees Hof zal vinden dat de sanctie die, na de goedkeuring van de wet van 12 februari 2003, in artikel 152 is opgenomen beter in verhouding staat tot het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk ongerechtvaardigde afwezigheden ontmoedigen.
Art. 328
In de eerste volzin van het eerste lid van dit artikel na de woorden « schadevergoeding » de woorden « van de burgerlijke partij » invoegen.
Verantwoording
Er moet worden verduidelijkt dat het gaat om vorderingen tot schadevergoeding van de burgerlijke partij en niet om tussenvorderingen tot schadevergoeding die de beklaagde instelt tegen de burgerlijke partij, tot schadeloosstelling van het nadeel dat hem door de vervolging veroorzaakt is. Deze vorderingen worden momenteel geregeld in artikel 159 van het Wetboek van strafvordering, waarvan de inhoud grotendeels wordt overgenomen in artikel 328.
Art. 328
In het eerste lid van dit artikel, tussen de eerste en de tweede volzin het volgende invoegen :
« In hetzelfde vonnis beslist zij over de vordering tot schadevergoeding van de beklaagde tegen de burgerlijke partij ».
Verantwoording
Dit amendement neemt de regeling over vervat in het huidige artikel 159 van het Wetboek van strafvordering, waarin bepaald wordt wat moet gebeuren met de tussenvorderingen tot schadevergoeding die de beklaagde instelt tegen de burgerlijke partij, tot schadeloosstelling van het nadeel dat hem door de vervolging veroorzaakt is (zie Advies van de Raad van State, blz. 83, waarin hij voorstelt om dit te preciseren in de memorie van toelichting).
Art. 329
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit artikel overlapt artikel 493 (Advies van de Raad van State, blz. 83). Het is daarom beter artikel 493 te behouden omdat dat betrekking heeft op alle gerechten (Advies van het Hof van Cassatie).
Art. 330
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit artikel overlapt artikel 494 (Advies van de Raad van State, blz. 83). Het is daarom beter artikel 494 te behouden omdat dat betrekking heeft op alle gerechten (Advies van het Hof van Cassatie).
Art. 331
Dit artikel aanvullen als volgt :
« De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst. »
Verantwoording
Artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering, dat in het voorliggende artikel 331 wordt overgenomen, is aangevuld door artikel 43 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (Advies Raad van State, blz. 83; advies Cassatie).
Art. 332
In dit artikel de woorden « In afwijking van artikel 318, wordt het afschrift van het vonnis niet toegezonden » vervangen door de woorden « De bepalingen van artikel 318 zijn niet van toepassing ».
Verantwoording
Dit amendement is een logisch gevolg van amendement nr. 33 op artikel 318, dat het systeem uit het voorstel, namelijk het versturen van een afschrift van het vonnis binnen vijf dagen, vervangt door een door de OBFG voorgesteld systeem dat qua menselijke en materiële middelen minder kost, namelijk het afgeven van een afschrift van het vonnis op het ogenblik van de uitspraak, waarbij eventueel een register of een zittingsblad voor ontvangst wordt getekend.
Deze oplossing zal de werklast van de griffies verlichten en verzendingskosten uitsparen.
Een afschrift wordt bewaard voor de partijen die niet aanwezig of vertegenwoordigd waren op de terechtzitting.
Dit alles geldt onder voorbehoud van artikel 332 wat de politierechtbank betreft.
Art. 333
In het 3º van dit artikel, in de Nederlandse tekst de woorden « artikel 222 » vervangen door de woorden « de artikelen 222 en 223 ».
Verantwoording
Technische aanpassing (Advies Cassatie; advies Raad van State, blz. 84.)
Art. 334
De woorden « laatste verblijfplaats van de beklaagde » vervangen door de woorden « plaats waar de beklaagde verblijft of zijn laatste gekende verblijfplaats heeft gehad ».
Verantwoording
De Raad van State stelt voor de gebruikte terminologie eenvormig te maken (met name in de artikelen 59, eerste lid, 135, tweede en derde lid).
Art. 336
De §§ 2 en 3 van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit amendement is de tegenhanger van het amendement op artikel 326 van het voorstel.
In dit amendement wordt rekening gehouden met het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 21 januari 1999 in de zaak Van Geyseghem versus België, waarin het Hof heeft geoordeeld dat een beschuldigde het recht om effectief te worden verdedigd door een advocaat niet verliest alleen vanwege zijn afwezigheid op de debatten. De wetgever moet ongerechtvaardigde afwezigheden wel kunnen ontmoedigen, maar hij mag ze niet bestraffen door af te wijken van het recht op bijstand van een raadsman.
Dit amendement neemt de bepalingen over van de wet van 12 februari 2003 die artikel 152 van het Wetboek van strafvordering heeft gewijzigd naar aanleiding van het arrest-Van Geyseghem.
Art. 336
Paragraaf 5 van dit artikel vervangen als volgt :
« Als de dagvaarding is geschied aan de persoon van de beklaagde of de beklaagde er kennis van heeft genomen en op ondubbelzinnige manier de wil heeft te kennen gegeven om niet te verschijnen en zich niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat, wordt het vonnis dat gewezen wordt geacht op tegenspraak te zijn en ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de beklaagde betekend. Ten aanzien van de beklaagde kan een bevel tot medebrenging worden uitgevaardigd. »
Verantwoording
Dit amendement is de tegenhanger van het amendement op artikel 326 van het voorstel.
Dit amendement neemt artikel 185, § 2, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering over, zoals gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, maar met een aantal belangrijke wijzigingen :
1º de sanctie van het « op tegenspraak geacht te zijn » en van het bevel tot medebrenging kan alleen worden opgelegd als het openbaar ministerie bewijst dat de dagvaarding aan de persoon van de beklaagde is geschied of dat de beklaagde er kennis van heeft genomen maar uitdrukkelijk of in elk geval op ondubbelzinnige manier de wil te kennen heeft gegeven om niet te verschijnen of zich niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dat betekent dat de sanctie niet wordt toegepast als de beklaagde door overmacht afwezig is of niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd;
2º de sanctie wordt toegepast ongeacht of de beklaagde op de inleidingszitting is verschenen overeenkomstig § 1 van artikel 185.
Deze aanpassingen bieden een oplossing voor de bezwaren die in de rechtsleer zijn geopperd tegen het huidige artikel 185, § 2, namelijk :
— Het bestaande systeem straft de persoon die is verschenen (persoonlijk of vertegenwoordigd) op de inleidingszitting strenger dan degene die afwezig is gebleven op de inleidingszitting en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen. Die laatste wordt namelijk niet gestraft als hij niet op de terechtzitting verschijnt hoewel de rechter zijn persoonlijke verschijning heeft bevolen.
— Het bestaande systeem kan de rechten van de verdediging schenden omdat er geen onderscheid gemaakt wordt naargelang de beklaagde vrijwillig dan wel om redenen buiten zijn wil verstek laat gaan op een latere terechtzitting. Als hij, in dit laatste geval, aanwezig was op de inleidingszitting maar onmogelijk aanwezig kan zijn of zich onmogelijk kan laten vertegenwoordigen op een latere zitting, verliest hij een aanleg en is hij verplicht om hoger beroep in te stellen. Voor een beklaagde die zonder enige bijzondere reden verstek heeft laten gaan en zich niet heeft laten vertegenwoordigen staat daarentegen nog altijd verzet open.
— Dit systeem kan net het tegenovergestelde gevolg hebben van wat men wil bereiken, namelijk dat advocaten hun cliënten zullen afraden om op de inleidingszitting te verschijnen.
— Het is bovendien niet zeker dat het Europees Hof zal vinden dat de sanctie die, na de goedkeuring van de wet van 12 februari 2003, is opgenomen in artikel 152, beter in verhouding staat tot het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk ongerechtvaardigde afwezigheden ontmoedigen.
Art. 342
Dit artikel aanvullen met een 4º, luidende :
« 4º krachtens een arrest tot verwijzing van de kamer van inbeschuldigingstelling voor de berechting van ministers. »
Verantwoording
Dit amendement betreft de manier waarop een zaak bij het hof van beroep aanhangig wordt gemaakt in geval van berechting van ministers overeenkomstig artikel 16 van de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en artikel 16 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering (advies Raad van State, blz. 85; advies Cassatie).
Art. 353
De woorden « in het eerste hoofdstuk van deze titel » vervangen door de woorden « in dit Wetboek ».
Verantwoording
Technische verbetering. Advies van de Raad van State, blz. 87.
Art. 365
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. De woorden « hebben het verlies van acht dagen wedde ten gevolge » vervangen door de woorden « kunnen het verlies van acht dagen wedde ten gevolge hebben »,
B. Het artikel aanvullen als volgt :
« De overheid neemt ter zake een met redenen omklede beslissing na de betrokken persoon te hebben gehoord ».
Verantwoording
Volgens de Belgische Vereniging van onderzoeksrechters moet worden gepreciseerd dat de overheid haar beslissing moet motiveren (het gaat immers om een eenzijdige administratieve handeling in het kader van een tuchtprocedure). Bovendien mag de maatregel, met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging, niet automatisch worden opgelegd. De maatregel moet facultatief blijven : de overheid moet de keuze hebben om de straf niet uit te spreken afhankelijk van de omstandigheden. De betrokken ambtenaar moet bovendien worden gehoord.
Art. 366
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. De woorden « , de onderzoeksrechter en de vrederechter » vervangen door de woorden « en de onderzoeksrechter »,
B. De woorden « de bevelen tot medebrenging, tot bewaring en tot aanhouding » vervangen door de woorden « de bevelen tot aanhouding ».
Verantwoording
A. Het voorstel maakt het niet mogelijk om de vrederechter een opdracht te geven en hij mag dan ook niet worden vermeld. Daarentegen moet wel worden verwezen naar de onderzoeksrechter als instantie waaraan de procureur des Konings en de voorzitter de ambtsverrichtingen waarmee zij onderscheidenlijk belast zijn, kunnen opdragen.
B. Het bevel tot bewaring bestaat niet meer. Bovendien moet de uitzondering die wordt gemaakt voor het bevel tot medebrenging geschrapt worden. In artikel 377 wordt immers alleen voor het bevel tot aanhouding een uitzondering gemaakt.
| Clotilde NYSSENS. |