3-450/10 | 3-450/10 |
12 JANUARI 2005
Art. 211
In het vierde lid van dit artikel, de woorden « , behoudens het hoger beroep voorzien in § 4, » doen vervallen.
Verantwoording
Artikel 207, § 4, waarnaar artikel 211 verwijst, voorziet in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter die een verzoek afwijst om een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten.
Het vierde lid stelt voor die mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen dergelijke beslissing op het einde van het onderzoek op te heffen.
Hoewel dergelijke rechtsmiddelen de procedure kunnen verlengen, lijkt het ons nuttig dat recht te behouden (cf. het advies van de OBFG).
Art. 218
In § 2 van dit artikel, het tweede lid vervangen als volgt « Deze stukken kunnen enkel maar à decharge worden gebruikt ».
Verantwoording
Overeenkomstig het arrest van het Arbitragehof kunnen nietig verklaarde stukken alleen nog à decharge worden gebruikt. Het verwijderen van het nietig verklaarde stuk uit het dossier heeft tot doel te voorkomen dat de feitenrechter wordt beïnvloed door de inhoud van de nietig verklaarde stukken wanneer hij zich een mening vormt (Cass., 11 december 2001, Larc. Cass. 2002, nr. 493; Cass. 28 maart 2000, Pas. 200, I, blz. 658). Voorts heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens geoordeeld dat in het licht van de onafhankelijkheid van de balie het gedrag van de verdediging vooral een zaak is van de beschuldigde en zijn advocaat (EHRM. arrest Stanford versus Verenigd Koninkrijk, 23 februari 1994, eenparig uitgesproken, § 28). Het Hof meent dat alleen de partijen kunnen oordelen of ze commentaar moeten geven op een document of een gegeven dat wordt aangedragen door hun tegenstander of door een getuige, aangezien het vertrouwen van de rechtzoekenden in de rechtsbedeling op het spel staat. Dat vertrouwen stoelt onder andere op de zekerheid dat ze hun mening hebben kunnen geven over alle stukken van de zaak (EHRM. arrest Pellegrini versus Italië, 20 juli 2001, eenparig uitgesproken, § 45; EHRM. arrest Beer versus Oostenrijk, 6 februari 2001, eenparig uitgesproken, § 18). Het lijkt dus niet aangewezen dat de rechter zich mengt in de organisatie van de verdediging (cf. advies van de OBFG).
Art. 218
In § 2 van dit artikel het tweede lid vervangen als volgt :
« Deze stukken kunnen enkel worden geraadpleegd met toestemming van de rechter en mogen alleen à decharge worden gebruikt. ».
Verantwoording
Er mag in geen geval een toestemming worden geëist vóór een stuk à decharge wordt gebruikt. De toestemming van de rechter moet zich beperken tot het raadplegen van de stukken (Advies Cassatie).
Art. 234
In § 6 van dit artikel de laatste volzin doen luiden als volgt « Deze stukken kunnen enkel à decharge worden gebruikt ».
Verantwoording
Cf. amendement nr. 283 op artikel 218, § 2, tweede lid.
Overeenkomstig het arrest van het Arbitragehof kunnen nietig verklaarde stukken alleen nog à decharge worden gebruikt. Het verwijderen van het nietig verklaarde stuk uit het dossier heeft tot doel te voorkomen dat de feitenrechter ongewild wordt beïnvloed door de inhoud van de nietig verklaarde stukken wanneer hij zich een mening vormt (Cass., 11 december 2001, Larc. Cass. 2002, nr. 493; Cass. 28 maart 2000, Pas. 200, I, blz. 658). Voorts heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens geoordeeld dat in het licht van de onafhankelijkheid van de balie het gedrag van de verdediging vooral een zaak is van de beschuldigde en zijn advocaat (EHRM, arrest Stanford versus Verenigd Koninkrijk, 23 februari 1994, eenparig uitgesproken, § 28). Het Hof meent dat alleen de partijen kunnen oordelen of ze commentaar moeten geven op een document of een gegeven dat wordt aangedragen door hun tegenstander of door een getuige, aangezien het vertrouwen van de rechtzoekenden in de rechtsbedeling op het spel staat. Dat vertrouwen stoelt onder andere op de zekerheid dat ze hun mening hebben kunnen geven over alle stukken van de zaak (EHRM. arrest Pellegrini versus Italië, 20 juli 2001, eenparig uitgesproken, § 45; EHRM, arrest Beer versus Oostenrijk, 6 februari 2001, eenparig uitgesproken, § 18). Het lijkt dus niet aangewezen dat de rechter zich mengt in de organisatie van de verdediging (cf. advies van de OBFG).
Art. 234
In § 6 van dit artikel de laatste volzin vervangen als volgt :
« Die stukken kunnen enkel worden geraadpleegd met toestemming van de rechter en mogen alleen à decharge worden gebruikt. »
Verantwoording
Er mag in geen geval een toestemming worden geëist vóór een stuk à decharge wordt gebruikt. De toestemming van de rechter moet zich beperken tot het raadplegen van de stukken (Advies Cassatie).
Art. 196
In het tweede lid van dit artikel de woorden « en kan de inverdenkinggestelde aan een psychiatrische of psychologische expertise onderwerpen » doen vervallen.
Verantwoording
Volgens de Raad van State (advies blz. 58) en de indieners, maakt die aangelegenheid deel uit van het deskundigenonderzoek, dat aan bod komt in onderafdeling 17.
Art. 199
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « Op straffe van nietigheid van het deskundigenonderzoek en van het verlies van bewijswaarde » vervangen door de woorden « Op straffe van het verlies van bewijswaarde ».
Verantwoording
Dit artikel is de tegenhanger van artikel 102 op het niveau van het opsporingsonderzoek.
Dit amendement komt overeen met amendement nr. 185 op artikel 102.
De nietigheid van het deskundigenonderzoek lijkt een te zware sanctie. Men kan zich moeilijk voorstellen dat een rechter een volledig expertiseverslag buiten beschouwing moet laten, omdat de expert een hypothese heeft aangereikt die niets uit te staan heeft met de hem voorgelegde vragen. Bovendien kan het begrip « wetenschappelijke of technische vragen » een eindeloos debat op gang brengen.
Het verlies van bewijswaarde van het gedeelte van het verslag waarin de deskundige het heeft over zaken die buiten het bestek van de wetenschappelijke of technische vragen vallen, blijkt een voldoende maatregel die meer in verhouding staat tot de begane onregelmatigheid (Advies HRJ; Advies van het Hof van Cassatie).
Art. 199
In de Franse tekst, in het eerste lid van dit artikel, tussen het woord « et » en de woorden « de toute force probante » het woord « perte » invoegen.
Verantwoording
Dit artikel is de tegenhanger van artikel 102 op het niveau van het opsporingsonderzoek.
Dit amendement komt overeen met amendement nr. 185 op artikel 102. Het gaat om een technische correctie.
Art. 198
In het tweede lid van dit artikel na de woorden « de strafvordering » invoegen de woorden « en de belangen van de partijen ».
Verantwoording
Artikel 101 is de tegenhanger van artikel 198 op het niveau van het opsporingsonderzoek. Dit amendement is vergelijkbaar met amendement nr. 183 op artikel 101.
In zijn advies over het deskundigenonderzoek in sociale zaken en in strafzaken, onderstreept de HRJ dat de mogelijkheid voor de partijen om de verrichtingen van het deskundigenonderzoek bij te wonen, aan voorwaarden kan worden gekoppeld, niet alleen aan de eventuele vereisten van de strafvordering, maar ook van het feit dat de belangen van geen van de partijen zich hiertegen verzetten (het belang van het slachtoffer kan zich bijvoorbeeld ertegen verzetten dat de verdachte of verdachten aanwezig zou(den) zijn tijdens een klinisch onderzoek dat het slachtoffer dient te ondergaan; omgekeerd lijkt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zich ertegen te verzetten dat de andere partijen psychologische onderzoeken die de verdachte eventueel dient te ondergaan, zouden bijwonen) (Advies HRJ over het wetsvoorstel houdende het Wetboek van strafprocesrecht).
| Clotilde NYSSENS. |
Art. 170bis (nieuw). — Huiszoekingen en inbeslagnames
Een artikel 170bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Artikel 170bis. — § 1. Indien de onderzoeksrechter meent dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze maatregelen de mogelijkheid zullen bieden het bewijs van schuld vast te stellen van een inverdenkinggestelde of van een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, kan hij ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, of op verzoek van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij, beslissen een huiszoeking te verrichten in de lokalen die voor beroepsdoeleinden worden gebruikt door personen die krachtens artikel 458 van het Strafwetboek door het beroepsgeheim gebonden zijn.
Onder voorbehoud van de bij wet bepaalde uitzonderingen, is daartoe, op straffe van nietigheid, een door hem uitgevaardigd bevel tot huiszoeking vereist.
§ 2. Op straffe van nietigheid, vermeldt het bevel :
1) de naam van de onderzoeksrechter en de griffier;
2) de datum en de plaats van de te verrichten huiszoeking;
3) de nauwkeurige bepaling van de reden van de huiszoeking, zijnde het opschrift van het of de dossiers waarvoor de huiszoeking wordt verricht.
§ 3. Op straffe van nietigheid heeft de huiszoeking plaats in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de beroepsorde of de beroepsvereniging waartoe de persoon bij wie de huiszoeking wordt verricht, behoort. Die vertegenwoordiger moet vierentwintig uur voor de huiszoeking worden verwittigd. Voor de rechter of zijn afgevaardigde enig document leest, dient die vertegenwoordiger kennis te nemen van het of de dossiers waarvoor de huiszoeking wordt verricht en ze te selecteren, om te bepalen welke documenten onder het beroepsgeheim vallen en dus niet door de rechter of zijn afgevaardigde mogen worden ingekeken.
§ 4. De algemene bepalingen inzake huiszoekingen en inbeslagnemingen zoals vervat in de artikelen 169 tot 176 van dit Wetboek zijn eveneens van toepassing. ».
Verantwoording
De bescherming van het beroepsgeheim is een essentiële waarborg voor de bescherming van de privacy en de vertrouwensrelatie die bestaat tussen een individu en elke persoon die valt onder het voorschrift van artikel 458 van het Strafwetboek.
Het ligt dan ook voor de hand dat die noodzakelijke vertrouwensverband beschermd wordt.
Het is immers onvoorstelbaar dat door het delinquent gedrag van een cliënt van iemand die door het beroepsgeheim is gebonden, het privé-leven van diens andere cliënten wordt bekendgemaakt aan de onderzoeksrechter of zijn afgevaardigde, wanneer hij een huiszoeking verricht.
Het is dus wenselijk voor die huiszoekingen strenge voorwaarden op te leggen, die ertoe strekken het beroepsgeheim te beschermen.
Dat rechtvaardigt het feit dat het bevel tot huiszoeking, in een welbepaald geval, alleen mag gaan over het of de dossiers waarvoor de huiszoeking wordt verricht. Tevens blijkt voor het goede verloop van die huiszoeking de aanwezigheid vereist van een vertegenwoordiger van de beroepsorde of de beroepsvereniging van de persoon bij wie de huiszoeking wordt verricht. Dat is overigens in de praktijk reeds een gewoonte.
Die vertegenwoordiger zal er borg voor staan dat het beroepsgeheim beschermd wordt. Hij zal de dossiers waarvoor de huiszoeking wordt verricht, selecteren en alleen de stukken die werkelijk noodzakelijk zijn voor het onderzoek aan de onderzoeksrechter of zijn afgevaardigde overhandigen, er zorg voor dragend dat de identiteit of de inhoud van de dossiers van de andere cliënten, die niets met de zaak te maken hebben, niet wordt bekendgemaakt.
Art. 189bis (nieuw). — Het onderzoek in een informaticasysteem
Een artikel 189bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Artikel 189bis. — § 1. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de professionele informaticasystemen of een deel daarvan van personen die krachtens artikel 458 van het Strafwetboek door het beroepsgeheim gebonden zijn, indien die er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd, gebruik maken van hun lokalen, woonplaats of informaticasysteem.
§ 2. De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naargelang van het geval, de stafhouder, de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren of de beroepsvereniging waartoe de personen die krachtens artikel 458 van het Strafwetboek gebonden zijn door het beroepsgeheim behoren ervan op de hoogte is. Dezelfden worden door de onderzoeksrechter in kennis gesteld van de bij het onderzoek of bij de uitbreiding ervan ingezamelde gegevens die volgens hem onder het beroepsgeheim vallen en niet worden opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 183, derde lid.
§ 3. De algemene bepalingen over het onderzoek in een informaticasysteem, zoals vervat in de artikelen 188 en 189 van dit Wetboek zijn eveneens van toepassing. ».
Verantwoording
Het is de bedoeling hier de bescherming van het beroepsgeheim te herbevestigen voor al wie onder de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek valt en dit in naam van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van de vertrouwensband die vereist is tussen de in artikel 458 opgesomde personen en hun cliënten.
Art. 182
Dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. De onderzoeksrechter kan de uitwerking van zijn beschikking een of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn.
De bepalingen vervat in artikel 181, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging, bedoeld in het voorgaande lid. De beschikking vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen.
§ 2. Indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 180 noodzakelijk maken, kan de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 180 en 181; in dat geval moet de beschikking de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.
§ 3. Overeenkomstig artikel 185 van dit Wetboek mag de maatregel niet worden vernieuwd zonder dat, naargelang van het geval, de stafhouder, de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren of de beroepsvereniging waartoe de personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim krachtens artikel 458 van het Strafwetboek behoren, ervan op de hoogte is. Dezelfden zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet wordt opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 183, derde lid ».
Verantwoording
Het is de bedoeling hier de bescherming van het beroepsgeheim te herbevestigen voor al wie onder de toepassing valt van artikel 458 van het Strafwetboek en dit in naam van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van de vertrouwensband die vereist is tussen de in artikel 458 opgesomde personen en hun cliënten.
Art. 185
Dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. De maatregel kan alleen betrekking hebben op lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of op de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van de personen die door het beroepsgeheim zijn gebonden krachtens artikel 458 van het Strafwetboek indien deze er zelf van verdacht worden één van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd, gebruik maken van hun lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.
§ 2. De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naargelang van het geval, de stafhouder, de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren of de beroepsvereniging waartoe de personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim krachtens artikel 458 van het Strafwetboek, behoren, ervan op de hoogte is. Dezelfden worden door de onderzoeksrechter in kennis gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie- of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet wordt opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 183, derde lid.
§ 3. De algemene bepalingen met betrekking tot het opsporen en het lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, het kennis nemen en het opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie zoals vervat in de artikelen 179 tot 187 van dit Wetboek zijn eveneens van toepassing ».
Verantwoording
Het is de bedoeling hier de bescherming van het beroepsgeheim te herbevestigen voor al wie onder de toepassing valt van artikel 458 van het Strafwetboek en dit in naam van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van de vertrouwensband die vereist is tussen de in artikel 458 opgesomde personen en hun cliënten.
| Philippe MAHOUX. |
Art. 227
Het eerste lid van § 1 van dit artikel aanvullen als volgt : « of een werkstraf waarvan de duur 200 arbeidsuren niet te boven gaat ».
Verantwoording
Als gevolg van het debat in de commissie werd beslist de mogelijkheid voor de Raadkamer om, bij de minst ernstige zaken, over de zaak zelf te beslissen uit te breiden tot de feiten die met een werkstraf worden bestraft.
Dat is ook het standpunt van de vereniging van Belgische onderzoeksrechters, die voorstelt een bovengrens in uren te vermelden. Het is niet eenvoudig die bovengrens te bepalen, aangezien de wetgever geen tarifering of relatie tussen de werkstraf en de vervangende gevangenisstraf heeft vastgelegd. Het evaluatieverslag over de toepassing van de werkstraf geeft voor een vervangende gevangenisstraf van 12 maanden, een marge van 165 tot 205 uren werkstraf.
Art. 227
Paragraaf 1, achtste lid, van dit artikel vervangen als volgt :
« De raadkamer houdt ambtshalve de beslissing over de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is. ».
Verantwoording
Dit amendement is ontleend aan artikel 4, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering (art. 46, tweede lid, van het voorstel), dat in het raam van de procedure van oproeping bij proces-verbaal (art. 216quarter) en de procedure van onmiddellijke verschijning (art. 216quinquies) voorziet in het ambtshalve aanhouden van de civielrechtelijke belangen.
Wil men meer rekening houden met het recht van de slachtoffers, dan moet in het raam van de rechtspleging ten gronde die ons in dit artikel wordt voorgesteld, ook worden gezorgd voor het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen om de slachtoffers de gelegenheid te bieden zich voor te bereiden en zich burgerlijke partij te stellen (zie Advies OBFG).
Die praktijk wordt uitdrukkelijk vermeld in artikel 46, tweede lid, van het voorstel (geïnspireerd op artikel 4, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering) en in artikel 328, tweede lid, voor wat de beslissingen van de politierechtbank betreft.
Art. 227
In § 1, vierde lid, van dit artikel tussen het woord « leggen, » en het woord « twee », het woord « minstens » invoegen.
Verantwoording
Cf. advies van de Raad van State (blz. 67).
Art. 227
Paragraaf 2 van dit artikel aanvullen als volgt :
« Tegen haar beslissing staat geen rechtsmiddel open. ».
Verantwoording
Er moet worden vermeld dat tegen de beschikking van buitenvervolgingstelling of van verwijzing naar het bevoegde gerecht geen rechtsmiddel openstaat (Advies Cass.).
Art. 228
In de voorlaatste volzin van § 2 van dit artikel na het woord « raadkamer » de woorden « , behalve bij toepassing van artikel 7, § 2 » invoegen.
Verantwoording
Expliciete vermelding van de uitzondering betreffende de nietigheid van openbare orde, die overeenkomstig artikel 7, § 2, ambtshalve door de rechter kan worden uitgesproken en aangevoerd in elke stand van de rechtspleging, en zelfs voor de eerste keer voor het Hof van Cassatie (zie advies Belgische Vereniging van onderzoeksrechters).
Art. 228
In de tweede en de laatste volzin van § 2 van dit artikel na het woord « strafvordering » de woorden « en van de burgerlijke rechtsvordering » invoegen.
Verantwoording
Zie het debat in de commissie en het advies van de Raad van State (blz. 68).
Art. 228
In § 3 van dit artikel de woorden « de dag waarop de beschikking is gewezen » vervangen door de woorden « de eerstvolgende dag na de dag waarop de beschikking is gewezen ».
Verantwoording
Het aanvangstijdstip van de termijnen moet eenvormig worden gemaakt, overeenkomstig artikel 16, eerste lid (advies Cass.).
Art. 230
In het voorlaatste lid van dit artikel het woord « verdachte » vervangen door het woord « inverdenkinggestelde ».
Verantwoording
Zie advies Belgische Vereniging van onderzoeksrechters.
Art. 230
Het voorlaatste lid van dit artikel aanvullen als volgt : « onder de voorwaarden in artikel 267, § 1 en § 2 ».
Verantwoording
Het voorgestelde artikel 230 moet in overeenstemming worden gebracht met artikel 267, § 1 en § 2, van het voorstel (advies Cass., blz. 32 en advies Belgische Vereniging van onderzoeksrechters).
Art. 230
In het laatste lid van dit artikel, na het woord « gevangenneming », invoegen de woorden « al dan niet gepaard gaande met de voorlopige tenuitvoerlegging, ».
Verantwoording
Zie debat in de commissie (advies Raad van State, blz. 69).
Art. 232
In de Franse tekst van het laatste lid van dit artikel, de woorden « s'il l'estime utile » vervangen door de woorden « si elle l'estime utile ».
Verantwoording
Technische correctie. Het is de kamer van inbeschuldigingstelling die daarover moet oordelen.
Art. 234
In § 5 van dit artikel, de eerste volzin aanvullen als volgt : « , of indien ze verband houden met de openbare orde ».
Verantwoording
Waar het om gaat, is de uitzondering van de nietigheid van openbare orde te vermelden. Die kan overeenkomstig artikel 7, § 2, van het voorstel ambtshalve worden uitgesproken door de rechter en worden aangevoerd in elke stand van de rechtspleging, en zelfs voor de eerste keer voor het Hof van Cassatie (zie advies BVOR en advies van de Raad van State, blz. 70).
Het amendement neemt de formulering over van het huidige artikel 235bis, § 5, van het Wetboek van strafvordering.
Art. 237
In de Franse tekst van het laatste lid van dit artikel, de woorden « cette prononciation » vervangen door de woorden « ce prononcé ».
Verantwoording
Technische correctie.
Art. 241
In het voorlaatste lid van dit artikel, de woorden « de dag van » vervangen door de woorden « de dag na ».
Verantwoording
Het aanvangstijdstip van de termijnen moeten overeenkomstig artikel 16, eerste lid, eenvormig worden gemaakt (advies Cass.).
Art. 242
In het 6º van dit artikel, de eerste volzin aanvullen als volgt : « , onverminderd artikel 261, tweede lid ».
Verantwoording
Het amendement strekt ertoe te herinneren aan de uitzondering van de « opsluiting » van maximum drie dagen vanaf het eerste verhoor (advies BVOR).
Art. 242
Het 8º van dit artikel vervangen als volgt :
« Wanneer een persoon die van zijn vrijheid is beroofd voor de onderzoeksrechter moet verschijnen of gehoord moet worden door een magistraat van het openbaar ministerie, kan hij verzoeken het bezoek te krijgen van zijn advocaat of van een ambtshalve aangewezen advocaat, hetzij tussen 18 en 21 uur, hetzij de volgende morgen tussen 7 en 10 uur. De bezoektijd is beperkt tot een uur.
Binnen een uur na de kennisgeving van de aanhouding door de officier van gerechtelijke politie, licht de procureur des Konings de advocaat van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd of de ambtshalve aangewezen advocaat hierover in door middel van de snelste communicatiemiddelen. ».
Verantwoording
Dit amendement wordt door de OBFG voorgesteld. De bezoekuren waarin het artikel van het ontwerp voorziet, zijn te beperkt. Ze moeten dus worden uitgebreid, zodat de advocaat zich met spoed kan vrijmaken. Om het goede verloop van het onderzoek niet nodeloos te belemmeren, staat daar het voorstel tegenover de bezoektijd te beperken tot 60 minuten.
Aangezien de procureur des Konings voorts rechtstreeks door de officier van gerechtelijke politie verwittigd wordt van de aanhouding, hij het onderzoek leidt en vaak de maatregelen organiseert die aan de verschijning voor de onderzoeksrechter voorafgaan, lijkt het tevens opportuun hem ermee te belasten de advocaat die de persoon die van zijn vrijheid is beroofd heeft gekozen, of de ambtshalve aangewezen advocaat, binnen een uur na de aanhouding te verwittigen door middel van de snelste communicatiemiddelen, met name telefoon, e-mail of fax.
Bovendien is het recht het bezoek van een advocaat te vragen niet langer beperkt tot personen die « in een cel moeten overnachten » alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen :
— Het geldt zodra verschijning voor een onderzoeksrechter gepland is (advies Cass., advies BVOR, advies Raad van State, blz. 72);
— het geldt ook wanneer de beklaagde gehoord moet worden voor de magistraat van het openbaar ministerie (advies BVOR).
Art. 242
In het 9º, c) van dit artikel, het derde lid aanvullen als volgt : « onverminderd artikel 77, derde en vierde lid ».
Verantwoording
Artikel 242 dient te verwijzen naar de uitzonderingen vermeld in artikel 77, dat gaat over de ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, die het tijdstip van het bezorgen van het afschrift van het proces-verbaal van het verhoor kunnen uitstellen en over de specifieke procedure voor minderjarigen (zie ook advies BVOR).
Art. 243
In het 4º van dit artikel, de eerste volzin aanvullen als volgt : « , onverminderd artikel 261, tweede lid ».
Verantwoording
Het amendement strekt ertoe te herinneren aan de uitzondering van de « opsluiting » van maximum drie dagen na het eerste verhoor (advies BVOR).
Art. 243
Het 6º van dit artikel vervangen als volgt :
« Wanneer een persoon die van zijn vrijheid is beroofd voor de onderzoeksrechter moet verschijnen of gehoord moet worden door een magistraat van het openbaar ministerie, kan hij verzoeken het bezoek te krijgen van zijn advocaat of van een ambtshalve aangewezen advocaat, hetzij tussen 18 en 21 uur, hetzij de volgende morgen tussen 7 en 10 uur. De bezoektijd is beperkt tot een uur. Binnen een uur na de kennisgeving van de aanhouding door de officier van gerechtelijke politie, licht de procureur des Konings de advocaat van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd of de ambtshalve aangewezen advocaat hierover in met de snelste communicatiemiddelen. ».
Verantwoording
Dit amendement wordt door de OBFG voorgesteld. De bezoekuren waarin het artikel van het ontwerp voorziet, zijn te beperkt. Ze moeten dus worden uitgebreid, zodat de advocaat zich met spoed kan vrijmaken. Om het goede verloop van het onderzoek niet nodeloos te belemmeren, staat daar het voorstel tegenover de bezoektijd te beperken tot 60 minuten.
Aangezien de procureur des Konings voorts rechtstreeks door de officier van gerechtelijke politie verwittigd wordt van de aanhouding, hij het onderzoek leidt en vaak de maatregelen organiseert die aan de verschijning voor de onderzoeksrechter voorafgaan, lijkt het tevens opportuun hem ermee te belasten de advocaat die de persoon die van zijn vrijheid is beroofd heeft gekozen, of de ambtshalve aangewezen advocaat, binnen een uur na de aanhouding te verwittigen door middel van de snelste communicatiemiddelen, met name telefoon, e-mail of fax.
Daarenboven is het recht het bezoek te vragen van een advocaat niet langer beperkt tot personen die « in een cel moeten overnachten » alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen :
— het geldt zodra verschijning voor een onderzoeksrechter gepland is (advies Cass., advies BVOR, advies Raad van State, blz. 72);
— het geldt ook wanneer de beklaagde gehoord moet worden voor de magistraat van het openbaar ministerie (advies BVOR).
Art. 243
In het 7º, d) van dit artikel, het tweede lid aanvullen als volgt : « onverminderd artikel 77, derde en vierde lid ».
Verantwoording
Artikel 242 dient te verwijzen naar de uitzonderingen vermeld in artikel 77, dat gaat over de ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, die het tijdstip van het bezorgen van het afschrift van het proces-verbaal van het verhoor kunnen uitstellen en over de specifieke procedure voor minderjarigen (zie ook advies BVOR).
| Clotilde NYSSENS. |