3-450/6 | 3-450/6 |
10 NOVEMBER 2004
Boek I Hoofdstuk 3
Het opschrift van hoofdstuk 3 vervangen als volgt :
« De rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces ».
Verantwoording
De rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn nauw met elkaar verbonden. Om dat recht niet aan te tasten, moeten de meeste rechten van de verdediging worden geëerbiedigd, en andersom.
Art. 6
Dit artikel vervangen als volgt :
Art. 6. De vervolging moet niet ontvankelijk worden verklaard wanneer het recht op een eerlijk proces niet langer gewaarborgd kan worden.
Hetzelfde geldt bij een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging. De rechten van de verdediging zijn onherstelbaar geschonden wanneer de beklaagde de ontvankelijkheid van de vervolging of de gegrondheid van de tenlasteleggingen niet meer kan betwisten, enig ander verweermiddel aanvoeren, of bij de rechter enig verzoek indienen dat nuttig kan zijn bij de berechting van zijn zaak. ».
Verantwoording
De sanctie voor de schending van de rechten van de verdediging zoals voorgesteld in artikel 6 heeft veel weg van de absolute nietigheid. Het Hof van Cassatie meent evenwel dat alleen wanneer de rechten van de verdediging onherstelbaar geschonden zijn, de vervolging niet ontvankelijk is. Van die onherstelbare schending is er sprake wanneer de beklaagden voor de rechter hun recht op verdediging niet meer volledig kunnen uitoefenen, dat wil zeggen wanneer ze de ontvankelijkheid van de vervolging of de gegrondheid van de tenlasteleggingen niet meer kunnen betwisten, enig ander verweermiddel aanvoeren of bij de rechter enig verzoek indienen dat nuttig kan zijn bij de berechting van hun zaak » (Cass. (ver. K.), 16 september 1998, JLMB, 1998, blz. 1340).
Art. 8
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. De woorden « Onder voorbehoud van de nietigheid van openbare orde kan geen enkele proceshandeling nietig worden verklaard » vervangen door de woorden « Een proceshandeling kan alleen worden nietig verklaard ».
B. Na het eerste lid twee nieuwe leden invoegen, luidende :
« De nietigheid van bewijsmateriaal of van een proceshandeling brengt de nietigheid mee van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen.
Nietig verklaard bewijsmateriaal en procedurehandelingen worden uit de debatten geweerd. Nietig verklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is, op straffe van nietigheid van het vonnis. Deze stukken kunnen alleen nog ten ontlaste worden gebruikt. ».
Verantwoording
A. De woorden « onder voorbehoud van de nietigheid van openbare orde » behoren te vervallen omdat handelingen die een bepaling overtreden waarop de nietigheid van openbare orde staat, per definitie nietig zijn.
Overigens is het zo dat een aantal gevallen van nietigheid van openbare orde in de wet vastliggen.
B. Dit amendement bepaalt tot welke sanctie nietig verklaard bewijsmateriaal en handelingen leiden. De nietigheid ipso jure (nietigheid van openbare orde) of de door de rechter uitgesproken nietigheid (relatieve nietigheid) brengt de nietigheid mee van de procedurehandelingen die eruit voortvloeien. Dergelijk bewijsmateriaal en handelingen worden uit de debatten geweerd, uit het dossier gelicht en neergelegd ter griffie van de geadieerde rechter zonder dat hij zulks moet toestaan. Tevens bepaalt het amendement dat wanneer de rechter rekening houdt met nietig verklaard bewijsmateriaal of procedurehandeling om zijn innerlijke overtuiging te bepalen, zulks leidt tot een nietige uitspraak.
Art. 9
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. De woorden « of de billijkheid van de procedure » doen vervallen.
B. Dit artikel aanvullen met een nieuw lid, luidende :
« Onder voorbehoud van de nietigheden van openbare orde bedoeld in artikel 7, worden bewijsmateriaal verzameld of handelingen verricht in strijd met de wetsbepalingen, de loyauteit van het proces of de algemene rechtsbeginselen, alleen uit de debatten geweerd of nietig verklaard als de rechter vaststelt dat het verzuim of de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het aldus verzamelde bewijsmateriaal aantast of dat het gebruik ervan of de verrichte handeling het recht op een eerlijk proces schendt. ».
Verantwoording
Hoofdstuk 2 bepaalt de straf niet voor onrechtmatig verzameld bewijsmateriaal. Dat is de relatieve nietigheid. Dit amendement houdt op dat punt ook rekening met de arresten van het Hof van Cassatie van 14 oktober 2003 en van 23 maart 2003.
Dit amendement wil hier de gebruikelijke straf invoeren.
Art. 1
In het voorgestelde artikel 1 van het Wetboek van strafprocesrecht na het woord « verdediging » invoegen de woorden « het zwijgrecht, het verbod om een rechtzoekende tegen zijn wil af te houden van de rechter die de wet hem toewijst » en na het woord « levenssfeer » de woorden « en van het gezinsleven ».
Verantwoording
De opsomming in artikel 1 kan nog worden aangevuld met even fundamentele rechten, zoals het zwijgrecht, het verbod een rechtzoekende tegen zijn wil af te houden van de rechter die de wet hem toewijst en het recht op een gezinsleven (Advies RvS, Doc. 3-450/4, blz. 9).
| Clotilde NYSSENS. |
Art. 3
In dit artikel, eerste lid, de woorden, « het proces » vervangen door de woorden « de procedure ».
Verantwoording
Technische verbetering.
Art. 6
Dit artikel vervangen als volgt :
« Bewijselementen verzameld met schending van de rechten van verdediging worden uit de debatten geweerd, terwijl proceshandelingen welke die rechten schenden, nietig worden verklaard. »
Verantwoording
Zie verslag van het Hof van Cassatie 2003 over begrip « rechten van verdediging ».
Art. 7
In dit artikel, § 1, 1º, het woord « materiële » invoegen vóór het woord « bevoegdheden ».
Art. 8
In dit artikel, het tweede lid doen vervallen.
Verantwoording
Zie artikel 16.
Art. 16
Dit artikel aanvullen met een nieuw lid, luidende :
« De termijnen bepaald om een rechtsmiddel aan te wenden, worden voorgeschreven op straffe van verval. Andere termijnen worden slechts voorgeschreven op straffe van verval indien de wet daarin voorziet. »
Verantwoording
Zie artikel 8, tweede lid.
| Hugo VANDENBERGHE. |
Art. 8
Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zowel de Raad van State als de Hoge Raad voor de Justitie merken in hun respectieve adviezen op dat het tweede lid van artikel 8, betreffende de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, niet op zijn plaats is in hoofdstuk 4 betreffende de nietigheidsgronden. Dat lid, dat bepaalt dat die termijnen worden voorgeschreven op straffe van verval, lijkt ons beter op zijn plaats in hoofdstuk 7 betreffende de betekening, de kennisgeving en de termijnen.
Art. 11
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « definitief vonnis » vervangen door de woorden « in kracht van gewijsde gegane beslissing ».
Verantwoording
De Raad van State merkt in zijn advies terecht op dat de formulering van het eerste lid van artikel 11 nauwer zou moeten aansluiten bij het bepaalde in de toelichting. Volgens de toelichting en de rechtspraak van het Hof van Cassatie kunnen alleen de definitieve beslissingen die « in kracht van gewijsde » zijn gegaan, met andere woorden waartegen geen hoger beroep of verzet binnen de gewone termijn noch voorziening in cassatie meer kan worden ingesteld, aanleiding geven tot toepassing van het beginsel non bis in idem van artikel 11. Volgens artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst de uitdrukking « definitief vonnis » alleen naar de beslissing die de rechtsmacht van de rechter uitput, « behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald ».
Dit amendement wil bijgevolg een belangrijke verduidelijking aanbrengen in de tekst van het eerste lid.
Art. 11
Het tweede lid vervangen als volgt :
« Het gezag van het rechterlijk gewijsde van de beslissing betreffende de strafvordering heeft uitwerking voor de partijen in het strafgeding die er hun rechten vrij hebben kunnen laten gelden. Bij een later civielrechtelijk proces geldt het gezag van het rechterlijk gewijsde van de beslissing betreffende de strafvordering als vermoeden van waarheid en is vatbaar voor tegenbewijs door elke partij die geen partij was in de strafvordering of die er haar rechten niet vrij heeft kunnen laten gelden. »
Verantwoording
Zowel de Raad van State als de Hoge Raad voor de Justitie wijzen er in hun respectieve adviezen op dat het tweede lid van artikel 11 ertoe strekt de rechtsspraak te bekrachtigen van het Hof van Cassatie, die een einde heeft gemaakt aan het absolute gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken ten aanzien van latere civielrechtelijke vorderingen. Men stapt van dat principe af met als argument dat men het algemene rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging in acht wil nemen, dat ook bekrachtigd wordt door artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Beide beklemtonen dat de draagwijdte van het vermoeden moet worden genuanceerd voor de partijen die aanwezig waren bij het strafgeding en die er hun belangen vrij hebben kunnen laten gelden. Het moet met andere woorden nader worden bepaald in het licht van wat het afstappen van het gezag erga omnes heeft gerechtvaardigd.
In die zin lijkt het tekstvoorstel van de OBFG het beginsel en zijn nuances te omvatten.
Art. 13
In het derde lid van dit artikel, de woorden « en dit zonder dat het verband tussen die zaken het onderzoek van de ene zonder de andere verhindert » vervangen door de woorden :
« zelfs als de zaken, waartussen een verband is, afzonderlijk zouden kunnen worden onderzocht ».
Verantwoording
In zijn advies onderstreept de Raad van State dat de tekst van het derde lid van artikel 13 onduidelijk is en dat hij nauwer moet aansluiten bij wat in de toelichting staat.
Art. 16
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. Het eerste lid wordt § 1;
B. Na de woorden « geopend is », een § 2 invoegen, luidende :
« De termijnen bepaald om een rechtsmiddel aan te wenden, worden voorgeschreven op straffe van verval. Andere termijnen worden slechts voorgeschreven op straffe van verval indien de wet daarin voorziet. »
Verantwoording
Zowel de Raad van State als de Hoge Raad voor de Justitie merken in hun respectieve adviezen op dat het tweede lid van artikel 8, betreffende de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, niet op zijn plaats is in hoofdstuk 4 betreffende de nietigheidsgronden. Dat lid, volgens hetwelk die termijnen worden voorgeschreven op straffe van verval, lijkt ons beter op zijn plaats in hoofdstuk 7 betreffende de betekening, de kennisgeving en de termijnen.
Art. 46
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. het eerste lid wordt § 1.
B. het tweede lid wordt § 2.
Verantwoording
Het eerste lid legt de algemene regel vast. De andere betreffen de procedure. Zoals de Raad van State in zijn advies aangeeft, dient dit artikel om wetgevingstechnische redenen in twee paragrafen opgesplitst te worden.
| Nathalie de T' SERCLAES. |
Art. 38
Het eerste lid van dit artikel wijzigen als volgt :
« Personen die zich als slachtoffer van misdrijven aanmelden moeten als zodanig erkend worden. Die personen en hun verwanten dienen zorgvuldig en correct te worden bejegend, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie en, in voorkomend geval, het bewerkstelligen van contact met de gespecialiseerde diensten en met name justitieassistenten ».
Verantwoording
Deze toevoeging heeft een pedagogische strekking : zij wil een gedragsnorm invoeren voor wie slachtoffers van misdrijven moeten opvangen, bijstaan of helpen. Personen die zich als slachtoffers van misdrijven aanmelden, moeten als zodanig erkend worden en ernstig genomen worden. Ze worden geacht de waarheid te spreken zolang de feiten niet het tegendeel bewijzen. Dat « vermoeden van de staat van slachtoffer » is de tegenhanger van het « vermoeden van onschuld » van de beklaagde.
Art. 39
Dit artikel aanvullen met een nieuw lid, luidende :
« De verklaringen die leiden tot het verkrijgen van de hoedanigheid van benadeelde persoon, worden behandeld door een speciaal hiertoe aangewezen en opgeleid ambtenaar in het secretariaat van elk parket. »
Verantwoording
Men stelt vast dat er in de praktijk weinig verklaringen leiden tot het verkrijgen van de hoedanigheid van benadeelde persoon. Er zijn problemen op verscheidene niveaus : de hoedanigheid van benadeelde persoon en de stappen die moeten worden ondernomen om ze te verkrijgen zijn nog onvoldoende bekend. Bovendien wordt de verklaring die leidt tot het verkrijgen van die hoedanigheid vaak verward met het zich burgerlijke partij stellen. De politiediensten informeren de slachtoffers weinig of niet over die mogelijkheid en bezorgen hen niet systematisch een formulier voor de verklaring die leidt tot het verkrijgen van die hoedanigheid. Vaak hebben ze er zelfs geen. Het probleem bij het parket bestaat erin dat de verklaringen niet worden behandeld door een persoon die daartoe specifiek is aangesteld en dat de procedure niet identiek is in alle arrondissementen. In zijn laatste aanbevelingen (29 april 2004) pleit het Nationaal Forum voor slachtofferbeleid ervoor dat in het secretariaat van elk parket een persoon wordt aangewezen om zich uitsluitend bezig te houden met de verklaringen die leiden tot het verkrijgen van de hoedanigheid van benadeelde persoon.
Art. 40
In het derde lid van dit artikel na het woord « daarvan » invoegen de woorden « de mogelijkheid zich burgerlijke partij te stellen, ».
Verantwoording
Bij seponering behoort de benadeelde persoon geïnformeerd te worden over de mogelijkheid zich burgerlijke partij te stellen.
Art. 141
In § 2, 3º, van dit artikel het woord « omdat » vervangen door de woorden « om de uitzonderlijke reden dat ».
Verantwoording
Één van de innovaties van de « Grote Franchimont » is dat hij toestaat dat de raadkamer de burgerlijkepartijstelling controleert, zelfs wanneer die op het eerste gezicht volkomen ontvankelijk is. De bedoeling van die maatregel is de diensten van de onderzoeksrechters te ontlasten en paal en perk te stellen aan gevallen van kennelijk misbruik. De grootste omzichtigheid is evenwel geboden en het recht van de slachtoffers om zich burgerlijke partij te stellen moet zoveel als mogelijk worden gevrijwaard. Het is dus belangrijk dat de tekst duidelijker uitwijst dat die maatregel slechts bij wijze van uitzondering kan worden toegepast.
Art. 151
In het tweede lid van dit artikel, de woorden « en wanneer het gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 347bis, 368, 373, 375 en 392 tot 410 van het Strafwetboek » doen vervallen.
Verantwoording
Het amendement wil het in artikel 151 bepaalde recht van het slachtoffer om gehoord te worden door de onderzoeksrechter uitbreiden, door te bepalen dat het slachtoffer door de rechter gehoord moet worden zodra hij het vraagt, ongeacht het soort misdrijf.
Art. 206
Paragraaf 2 van dit artikel vervangen als volgt :
« De onderzoeksrechter raadpleegt onverwijld de procureur des Konings. In geval van instemming en indien een maand verlopen is sinds de inverdenkingstelling, wordt de toegang tot het dossier automatisch toegestaan. De griffier brengt dit op de dag zelf per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat. »
Verantwoording
Ook de toegang tot het dossier tijdens het onderzoek is voor de slachtoffers heel belangrijk. Thans verloopt de burgerlijkepartijstelling en de aanvraag om toegang tot het dossier te krijgen in twee verschillende stappen. Het slachtoffer moet zich eerst burgerlijke partij stellen en kan pas daarna een verzoek indienen bij de rechtbank om toegang tot het dossier te vragen. Vervolgens moet die persoon zich verplaatsen om het dossier ter griffie te raadplegen. Dit amendement wil die procedure vereenvoudigen. Een gewoon telefoontje naar de procureur des Konings zou moeten volstaan, en indien de onderzoeksrechter en de procureur des Konings het eens zijn, kan het slachtoffer het dossier meteen inzien. Dat kan binnen een termijn van 24 uur en bespaart het slachtoffer het doorlopen van een omslachtige procedure.
Art. 206
Tussen het eerste en het tweede lid van § 4 van dit artikel een nieuw lid invoegen, luidende :
« De burgerlijke partij heeft het recht zich te laten bijstaan door de meerderjarige persoon naar zijn keuze tijdens de raadpleging van zijn dossier, mits de onderzoeksrechter daarmee instemt ».
Verantwoording
Een van de moeilijkste aspecten van de toegang tot het dossier is het lezen ervan. Uiteraard kan het slachtoffer zich laten bijstaan door zijn advocaat of kan de advocaat het dossier in de plaats van het slachtoffer lezen. Het lezen van een omvangrijk dossier kan echter vele uren in beslag nemen. De meeste burgerlijke partijen komen dan ook zelf hun dossier raadplegen om geen advocaat te hoeven betalen voor al die uren. Waarom zou de burgerlijke partij zich niet kunnen laten bijstaan door een vertrouwenspersoon om het dossier te raadplegen ? Die persoon kan een afgevaardigde zijn van een dienst voor slachtofferhulp of werkzaam zijn bij een erkende vzw voor de begeleiding van slachtoffers van opzettelijke geweldpleging (wet van 25 april 2004). Voorzichtigheidshalve wordt de toestemming van de onderzoeksrechter gevraagd. De controle van de onderzoeksrechter op de keuze van de persoon is echter bedoeld als een louter aanvullende maatregel.
Art. 211
Tussen het derde en het vierde lid alsook tussen het zevende en het achtste lid van dit artikel, de volgende bepaling invoegen :
« De burgerlijke partij en de benadeelde partij hebben het recht zich te laten bijstaan door een meerderjarige persoon naar hun keuze tijdens de raadpleging van hun dossier, mits de onderzoeksrechter daarmee instemt ».
Verantwoording
Een van de moeilijkste aspecten van de toegang tot het dossier is het lezen ervan. Uiteraard kan het slachtoffer zich laten bijstaan door zijn advocaat of kan de advocaat het dossier in de plaats van het slachtoffer lezen. Het lezen van een omvangrijk dossier kan echter vele uren in beslag nemen. De meeste burgerlijke partijen komen dan ook zelf hun dossier raadplegen om geen advocaat te hoeven betalen voor al die uren. Waarom zou de burgerlijke partij zich niet kunnen laten bijstaan door een vertrouwenspersoon om het dossier te raadplegen ? Die persoon kan een afgevaardigde zijn van een dienst voor slachtofferhulp of werkzaam zijn bij een erkende vzw voor de begeleiding van slachtoffers van opzettelijke geweldpleging (wet van 25 april 2004). Voorzichtigheidshalve wordt de toestemming van de onderzoeksrechter gevraagd. De controle van de onderzoeksrechter op de keuze van de persoon is echter bedoeld als een louter aanvullende maatregel.
| Clotilde NYSSENS. |
Art. 15
In dit artikel de woorden « van dezelfde graad » invoegen voor de woorden « twee rechtbanken ».
| Hugo VANDENBERGHE. |