3-450/5 | 3-450/5 |
27 OKTOBER 2004
Art. 1
In het voorgestelde artikel 1 van het Wetboek van strafprocesrecht, tussen de woorden « de wettelijkheid » en de woorden « van de strafrechtspleging » invoegen de woorden « en de loyaliteit ».
Verantwoording
De werkgroep van de Ordre des barreaux francophones et germanophone (OBFG) stelt in zijn verslag voor het eerste artikel over de algemene beginselen aan te vullen met een verwijzing naar het beginsel van de loyaliteit van het strafprocesrecht.
Ons huidige Wetboek van strafvordering verwijst naar dat beginsel. De procureur des Konings en de onderzoeksrechter moeten, in het raam van respectievelijk het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, niet alleen instaan voor de wettigheid van de bewijsmiddelen, maar ook voor de loyaliteit waarmee ze worden verzameld (artikel 28bis, § 3, tweede lid, en artikel 56, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). In het voorstel zijn die bepalingen respectievelijk artikel 55, vijfde lid, en artikel 132, tweede lid, geworden.
Zoals de werkgroep wensen we in de voorafgaande bepaling te verduidelijken dat het nieuwe Wetboek moet worden toegepast met inachtneming van de wettigheid en de loyaliteit van het strafprocesrecht. Het gaat om een « nuttige verduidelijking » : niet alleen de wettigheid van de bewijsmiddelen moet in acht worden genomen, maar ook de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.
| Nathalie de T' SERCLAES. |
Art. 19
In het vierde lid van dit artikel, de woorden « de benadeelde partij » vervangen door de woorden « een benadeelde partij ».
Verantwoording
Indien we spreken over de benadeelde partij is het alsof we verwijzen naar het huidige artikel 5bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafprocesrecht. In het kader van artikel 19 van dit voorstel wordt de term « benadeelde partij » echter in een algemene context gebruikt en niet in de specifieke context van artikel 5bis van het Wetboek van strafprocesrecht. Om die reden lijkt het beter om te spreken van « een benadeelde partij ».
Art. 29
Paragraaf 1, tweede lid, van dit artikel vervangen als volgt :
« De procureur des Konings bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de betaling geschiedt. Die termijn is ten minste 15 dagen en ten hoogste zes maanden. »
Verantwoording
Om menselijke drama's te vermijden, lijkt het aangewezen, zoals tijdens de bespreking van dit voorstel is gebleken, om de termijn tot betalen uit te breiden tot ten hoogste zes maanden. Dit zal zeker nodig zijn voor mensen die moeilijk kunnen betalen wegens de veroordeling tot een hoge boete.
Art. 70
In dit artikel, de woorden « een aanslag » vervangen door de woorden « een misdaad of een wanbedrijf ».
Verantwoording
De term « aanslag » wordt in het Strafwetboek gehanteerd ter aanduiding van een aantal specifieke misdrijven. In dat verband kan bijvoorbeeld verwezen worden naar de artikelen 101, 102, 103, 104, 124, 125, ...
In het voorgestelde artikel 70 verwijst men evenwel niet naar deze specifieke context, maar wordt het begrip in een algemene context gebruikt. Om verwarring te vermijden lijkt het dan ook beter « aanslag » te vervangen door « misdaad of wanbedrijf ».
Art. 119
In het derde lid, 4º, van dit artikel, het woord « beroep » doen vervallen.
Verantwoording
De vereiste van het kennen van het beroep doet hier niets ter zake en is overbodig.
Art. 124
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « gedurende het afgelopen jaar » invoegen tussen het woord « malen » en het woord « is ».
Verantwoording
Om enerzijds de procedure niet al te veel te verzwaren en anderzijds ervoor te zorgen dat de procedure niet misbruikt zal worden, lijkt het beter dat er gekozen wordt voor de zinsnede « Eenieder die verschillende malen gedurende het afgelopen jaar is ondervraagd ... »
Art. 106
In het laatste lid van dit artikel, de woorden « bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing » invoegen tussen het woord « verzetten » en het woord « tegen ».
Verantwoording
Om te vermijden dat dit artikel 106 steeds een dode letter zou blijven, wordt er voorzien dat de procureur des Konings zich kan verzetten, maar dat dit wel gemotiveerd dient te worden, zodat dit laatste lid niet steeds ingeroepen wordt en uitgroeit tot een automatisme.
Art. 143
In het laatste lid van dit artikel, de woorden « de onderzoeksrechter » vervangen door de woorden « de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ».
Verantwoording
De onderzoeksrechter lijkt in eerste instantie niet meteen de juiste persoon te zijn om een lasthebber ad hoc aan te duiden om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. De onderzoeksrechter is met andere woorden niet meteen de meest objectieve persoon te noemen. Er kan gedacht worden aan de stafhouder, maar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg lijkt beter te zijn, omdat op die manier ook meer niet-advocaten als lasthebber kunnen aangeduid worden.
Art. 191
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « door een met reden omklede beslissing » invoegen tussen het woord « worden » en het woord « door ».
Verantwoording
Momenteel is het in principe enkel de raadkamer die een onderzoek aan het lichaam kan bevelen. In het voorstel zullen verschillende instanties bevoegd worden, zo bijvoorbeeld de onderzoeksrechter, de rechtbank, ...
Een bijzondere motivering lijkt dan ook hier gepast, enerzijds omdat er een uitbreiding is en anderzijds ter bescherming van de privacy. Omdat een beroepsmogelijkheid teveel vertraging zou kunnen teweegbrengen, wordt er best gekozen voor een bijzondere motiveringsplicht, waardoor het bevelen van een dergelijk onderzoek allerminst een gewoonte kan worden.
Art. 196
In het tweede lid van dit artikel, de woorden « en kan de inverdenkinggestelde aan een psychiatrische of psychologische expertise onderwerpen » doen vervallen.
Verantwoording
Het moraliteitsonderzoek en de maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsrapport grijpen minder in op de persoon van de inverdenkinggestelde dan een psychiatrische of psychologische expertise en zijn van een totaal andere orde, zeker als we opmerken dat een dergelijke expertise geen beperking stelt naar de aard van het misdrijf om al dan niet een expertise te voeren en er alvast moet opgepast worden voor de bescherming van de privacy.
Daarenboven spreken de voorgestelde artikelen 197 en volgende over het deskundigenonderzoek en worden er hier meer rechtswaarborgen voorzien om eventuele misbruiken tegen te gaan. Aangenomen mag worden dat een psychologische of een psychiatrische expertise onder de noemer kan vallen van een deskundigenonderzoek en dat deze woorden dus geschrapt kunnen worden in het voorgestelde artikel 196.
Art. 282
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « en de onderzoeksgerechten » invoegen tussen het woord « rechtbanken » en het woord « kunnen ».
Verantwoording
De vraag rijst hier met name waarom deze regeling niet van toepassing zou kunnen gemaakt worden op de onderzoeksgerechten. In het voorstel is er immers alleen sprake van de vonnisgerechten.
Evenwel zijn we er ons van bewust dat dit een beperking zal inhouden van het recht op vrije meningsuiting en garing zoals voorzien in artikel 10, 1, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens. Niettemin voorziet dit artikel 10 een punt 2 waar het volgende vermeld staat :
« 2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's land veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen. »
Het voorgestelde artikel 282, gepaard gaande met het amendement lijkt ons van die aard te zijn dat er een zeker evenwicht in het leven geroepen wordt, zodat alle bekommernissen kunnen opgevangen worden.
| Hugo COVELIERS. Luc WILLEMS. |