3-450/4 | 3-450/4 |
16 JULI 2004
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 10 maart 2004 door de voorzitter van de Senaat verzocht hem van advies te dienen over een voorstel van wet « houdende het Wetboek van strafprocesrecht » (stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004), heeft na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 21 april, 3 mei, 17 mei, 24 mei, 7 juni, 17 juni, 21 juni, 23 juni, 24 juni en 28 juni 2004, op laatstvermelde datum het volgende advies gegeven :
VOORAFGAANDE OPMERKING
De Raad van State is zich bewust van het enorme werk dat de redactie van het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht, dat ertoe strekt het geheel van de regels terzake grondig te actualiseren en te herstructureren, betekend heeft voor de commissie strafprocesrecht.
Gelet op de omvang van het voorstel en op het aantal adviesaanvragen dat de tweede kamer van de afdeling Wetgeving behandeld heeft binnen de tijdspanne waarin ze gevraagd is van advies te dienen (1), zijn de verschillende bepalingen van het wetsvoorstel die zich ertoe beperken huidige bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van autonome wetten over te nemen, in principe niet onderzocht in zoverre de afdeling Wetgeving voorheen adviezen had verstrekt over die bepalingen.
Bijgevolg wordt verwezen naar die adviezen, waarvan de referentie en het onderwerp vermeld worden als bijlage 1 bij dit advies. Indien omtrent de ene of de andere van die bepalingen geen opmerking is gemaakt, betekent dit bijgevolg niet dat de voorgestelde teksten niet aan kritiek onderhevig of voor verbetering vatbaar zijn. Indien de afdeling Wetgeving niets zegt omtrent die bepalingen, mag derhalve daaruit geen enkele interpretatie van die bepalingen van het ontworpen Wetboek in de ene of de andere zin worden afgeleid.
ALGEMENE OPMERKINGEN
1. Het voorstel bevat slechts twee artikelen. Het eerste bepaalt dat de wet aangelegenheden regelt als bedoeld in de artikelen 77 en 78 van de Grondwet; het tweede bepaalt het volgende :
« De hiernavolgende bepalingen vormen het Wetboek van strafprocesrecht. »
Het eigenlijke Wetboek van strafprocesrecht telt 509 artikelen.
Artikel 76 van de Grondwet bepaalt :
« Een wetsontwerp kan door een Kamer eerst worden aangenomen nadat daarover artikelsgewijs is gestemd.
De Kamers hebben het recht de artikelen en de voorgestelde amendementen te wijzigen en te splitsen. »
Daaruit volgt dat artikel 2 moet vervallen. Indien het door de wetgevende kamers wordt aangenomen, heeft zulks immers automatisch tot gevolg dat het voorgestelde Wetboek van strafprocesrecht in zijn geheel wordt aangenomen, waardoor het bepaalde in de Grondwet niet kan worden in acht genomen.
2. Het Wetboek van strafprocesrecht moet aanvangen met artikel 1 van het wetsvoorstel, dat de geregelde aangelegenheden betreft, zulks overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet, dat bepaalt :
« Elk wetsvoorstel en elk wetsontwerp vermeldt of het een aangelegenheid regelt bedoeld in artikel 74, in artikel 77 of in artikel 78. »
Daaruit volgt dat hoofdstuk 1 van boek I het opschrift « Voorafgaande bepalingen » moet dragen en artikel 1 van het wetsvoorstel moet bevatten.
De nummering van de artikelen van het Wetboek moet met één eenheid worden verhoogd.
Bovendien moet dat artikel 1 aangeven welke artikelen van het Wetboek vallen onder artikel 77 van de Grondwet, en welke onder artikel 78 ervan (2).
Met betrekking tot de criteria die in aanmerking moeten worden genomen om die verdeling te bewerkstelligen, heeft de dienst Wetsevaluatie van de Senaat een lijst met artikelen van het wetsvoorstel overgezonden die beschouwd moeten worden als artikelen die behoren tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Die lijst vermeldt de artikelen 13, 14, 15, 19, derde lid, 46, 47, §§ 1 en 2, 55, derde lid, 56, 57, 59, 60, 72, 131, 139, 209, 210, 229, 230, 241, eerste en tweede lid, 280, 323, 324, 333, 334, 341 en 348 van het voorstel.
De dienst Wetsevaluatie stelt in dit verband dat die lijst gebaseerd is op de draagwijdte die moet worden gegeven aan het begrip « organisatie van de hoven en rechtbanken » in de zin van artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet en dat de keuze van de artikelen bijgevolg op het volgende criterium berust : iedere opdracht van bevoegdheid aan een hof, een rechtbank of een rechtsprekende instantie, die een weerslag heeft op de organisatie ervan, wordt beschouwd als een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet; de bepalingen die zich ertoe beperken die opdrachten van bevoegdheden meer in detail te regelen, worden beschouwd als betrekking hebbend op een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Zoals de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt in haar voornoemd advies 24 111-24 594/AG (3) :
« (...) moet het begrip « organisatie » in artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet eerder in de totale samenhang van de regeling met betrekking tot het contentieux van de jurisdictie worden betrokken (...) moeten de procedures van het volledige bicamerisme zowel toepasselijk zijn op de organisatie van de hoven en rechtbanken als op de vaststelling van hun bevoegdheden (...) zijn niet alleen de « organisatie » maar ook de « bevoegdheid » van de hoven en rechtbanken integraal bicamerale aangelegenheden ».
Achteraf heeft de afdeling Wetgeving nog meermaals (4) beschouwd dat de bepalingen betreffende de « bevoegdheden » (of « prerogatieven ») van het openbaar ministerie, van de onderzoeksrechters, de onderzoeksgerechten en de feitenrechters, de rechterlijke organisatie betreffen en bijgevolg vallen onder de procedure van het volledige bicamerisme bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Ook al is het immers niet altijd eenvoudig de wetsbepalingen betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet duidelijk te onderscheiden van die welke een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet betreffen (5), wordt in dezelfde optiek als die welke de dienst Wetsevaluatie van de Senaat heeft aangenomen, voorgesteld de artikelen van het wetsvoorstel in te delen op basis van het volgende criterium (6) : alle bepalingen die een bevoegdheid of een prerogatief verlenen aan het openbaar ministerie, aan een onderzoeksrechter, aan een onderzoeksgerecht of aan een vonnisgerecht (7), kunnen een weerslag hebben op de « rechterlijke organisatie » in de zin van artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet; bijgevolg ressorteren ze onder de procedure van het volledige bicamerisme.
Daarentegen moeten de bepalingen die zich ertoe beperken te voorzien in de concrete toepassing van die bevoegdheden of prerogatieven, inzonderheid door de desbetreffende procedureregels vast te stellen, aldus beschouwd worden dat ze een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet betreffen; die bepalingen ressorteren bijgevolg onder de procedure van de optionele bicamerale procedure (8).
Gelet op het criterium dat aldus in aanmerking is genomen, is de Raad van State van oordeel dat de lijst opgemaakt door de dienst Wetsevaluatie van de Senaat op zijn minst moet worden aangevuld met de artikelen 21, 25, 27, 29, 30, 31, § 2, 41, 43, tweede lid, 50, eerste lid, 52, 61, § 1, eerste lid, 71, 75, 90, § 1, eerste lid, 91, 92, § 1, eerste lid, 93, §§ 1 en 2, 95, § 1, 96, § 4, 99, 100, 107, § 1, 108, 109, 110, 113, 114, 115, § 1, 123, §§ 1 en 4 tot 6, 125, § 1, 126, § 1, 128 en 129, 131, tweede lid, 132, eerste lid en derde tot vijfde lid, 133, § 1, eerste lid, 135, 136, §§ 2 en 4, 138, derde en vierde lid, 141, 142, 143, 144, 151, eerste lid, 152, 161, § 1, 165, 166, eerste lid, 167, eerste lid, 169, 175, 177, 178, 179, § 1, 180, §§ 1 en 5, 188, § 1, 189, §§ 1 en 2, 190, § 1, 191, eerste lid, 192, 197, 205, derde lid, 206, §§ 1, 5 en 6, 207, §§ 1, 4 en 5, 208, §§ 1 en 5 tot 7, 218, 221, 226, §§ 1 en 10, 227, § 1, 231, 234, 238, 239, 243, 1º en 9º, 244, 245, 257, § 1, 262, § 1, 263, eerste lid, 266, §§ 1 en 2, 267, §§ 3 tot 5, 268, 269, 271, § 1, 272, § 2, 274, § 2, 275, § 1, 276, §§ 1 en 5, 277, 280, 321 en 322, 458, eerste lid, 473, 475, 485 en 487.
Datzelfde criterium moet eveneens worden toegepast op de nieuwe bepalingen waarmee, zoals is aangegeven in de algemene opmerkingen 4, 6 en 7, het wetsvoorstel moet worden aangevuld.
3. Ter wille van de samenhang, de eenheid en de coördinatie herschrijft het voorstel het Wetboek van strafvordering en verwerkt het geheel of gedeeltelijk de inhoud erin van andere bestaande wetten, zoals de wet van 4 oktober 1867 betreffende de verzachtende omstandigheden, de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (9).
Die wetten of delen van wetten moeten, te beginnen met de bepalingen die uit het huidige Wetboek van strafvordering zijn overgeschreven, worden opgeheven. Derhalve moeten de bepalingen van het eigenlijke Wetboek gevolgd worden door opheffingsbepalingen.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van het Wetboek van strafvordering die niet zijn overgeschreven maar logischerwijs (10) beschouwd moeten worden als niet zijnde in stand gebleven (11).
4. Eveneens ter wille van de samenhang, de eenheid en de coördinatie moeten in dit nieuwe Wetboek van strafprocesrecht zoveel mogelijk bepalingen betreffende het strafprocesrecht worden verwerkt.
Dat is bijvoorbeeld het geval met bepaalde artikelen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (artikel 15, dat een begripsomschrijving geeft van de gerechtelijke politie; artikel 28, § 2, betreffende de gerechtelijke fouillering; artikel 29, betreffende het doorzoeken van voertuigen; artikel 32, betreffende de samenloop van een gerechtelijke aanhouding met een bestuurlijke aanhouding, ...) of met bepaalde recente wetten die zelf het Wetboek van strafvordering gewijzigd hebben zonder dat daarmee in de bepalingen van het voorstel rekening gehouden is of is kunnen worden gehouden.
Dit geldt inzonderheid voor :
de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media, waarover de Raad van State op 3 juli 2001 advies 31.411/4 heeft verstrekt. Die wet voegt in boek I van het Wetboek van strafvordering een hoofdstuk VIIquater in (dat de artikelen 112 tot 112ter bevat), alsmede de artikelen 158bis, 158ter, 158quater, 317quater en 317quinquies, en wijzigt artikel 189;
de artikelen 468 en 469 van de programmawet van 24 december 2002, waarover de Raad van State op 31 oktober 2002 advies 34.328/2 heeft verstrekt. Die artikelen vullen respectievelijk de artikelen 35 en 89 van het Wetboek van strafvordering aan;
de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, waarover de Raad van State op 19 december 2001 advies 32.673/2 heeft verstrekt. Deze wet vernummert de artikelen 47ter en 47quater van het Wetboek van strafvordering, wijzigt de artikelen 28septies, 90ter, 90quater en 90decies ervan en voegt in datzelfde Wetboek de artikelen 40bis, 46ter, 46quater, 47ter tot 47undecies, 56bis, 88sexies en 89ter in;
hoofdstuk VIII van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, waarover de Raad van State op 23 mei 2002 advies 33.420/4 heeft verstrekt. Dit hoofdstuk wijzigt de artikelen 138, 163 en 590 van het Wetboek van strafvordering;
de wet van 12 februari 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het verstek betreft en tot opheffing van artikel 421 van hetzelfde Wetboek (12). Deze wet wijzigt de artikelen 149 tot 153, 185 tot 188, 190, 208 en 210 van het Wetboek van strafvordering en heft artikel 421 van datzelfde Wetboek op;
hoofdstuk II van de wet van 19 maart 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, waarover de Raad van State op 18 maart 2002 advies 32.727/2 en op 28 augustus 2002 advies 33.848/2/V heeft verstrekt. Dit hoofdstuk wijzigt de artikelen 165, tweede lid, 197 en 376, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering en voegt in datzelfde Wetboek een artikel 197bis in;
de artikelen 7 en 8 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, waarover de Raad van State de twee voornoemde adviezen 32.727/2 en 33.848/2/V heeft verstrekt. Die artikelen voegen in het Wetboek van strafvordering respectievelijk een artikel 28octies en een artikel 61sexies in;
de wet van 4 april 2003 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van artikel 137 van het Wetboek van strafvordering, waarover de Raad van State op 25 maart 2002 advies 32.994/2 heeft verstrekt. Die wet vult artikel 137 van het Wetboek van strafvordering aan;
de artikelen 35 en 36 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd, waarover de Raad van State op 24 juni 2002 advies 32.900/2 heeft verstrekt. Die artikelen voegen in het Wetboek van strafvordering de artikelen 182bis en 184ter in;
de artikelen 83 tot 85 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd, waarover de Raad van State het voornoemde advies 32.900/2 heeft verstrekt. Die artikelen voegen een artikel 24bis in, vullen artikel 62bis aan en wijzigen artikel 216bis, § 3, alsmede de artikelen 479, 483 en 527 van het Wetboek van strafvordering;
de artikelen 6 en 7 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wat betreft de vertalingen van de mondelinge verklaringen. Die artikelen wijzigen de artikelen 332 en 333 van het Wetboek van strafvordering;
hoofdstuk IV van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, waarover de Raad van State op 17 juli 2003 advies 35.697/2/V heeft verstrekt. De bepalingen van dat hoofdstuk wijzigen de artikelen 86bis, 86quinquies, 90ter en 104 van het Wetboek van strafvordering. Voorts wijzigen de bepalingen van hoofdstuk III van die wet verscheidene bepalingen van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, waaronder artikel 21 van die titel, dat wordt overgenomen in artikel 32 van het wetsvoorstel;
artikel 15 van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, waarover de Raad van State op 20 en 27 januari 2003 advies 34.362/4 heeft verstrekt. Dit artikel wijzigt artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering.
5. Het toekomstige Wetboek van strafprocesrecht, dat het resultaat is van een lange en grondige denkoefening, zou bestendig van aard moeten zijn en zou beter niet op korte tijd tal van wijzigingen mogen ondergaan. Daarom ook moeten, zoals in de vorige opmerking is gesteld, kortelings goedgekeurde wetten nu reeds erin verwerkt worden.
Uit de toelichting volgt evenwel dat sommige bepalingen verwerkt zijn in het voorstel, terwijl de commissie strafprocesrecht er geen voorstander van was en terwijl sommige van die bepalingen pas waren opgeheven. Dat is bijvoorbeeld het geval met artikel 35 van het voorstel, dat artikel 24 van de voornoemde wet van 17 april 1878 overneemt zoals het is vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
In de toelichting wordt erop gewezen dat de commissie niet borg staat voor de door de voornoemde wet van 11 december 1998 aangenomen oplossing en dat ze met genoegen vaststelt dat artikel 24 van de voornoemde wet van 17 april 1878 wederom vervangen is bij de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen. Het voorstel moet bijgevolg aldus worden gewijzigd dat het in overeenstemming is indien zulks nog steeds de bedoeling is van de wetgever , niet alleen met het advies van de commissie Strafprocesrecht, maar ook met de laatste ontwikkelingen op het gebied van de wetgeving.
6. Verscheidene bepalingen van het wetsvoorstel zullen eventueel opnieuw onderzocht of aangepast moeten worden als gevolg van wijzigingen die eerlang kunnen worden aangebracht, inzonderheid in verscheidene bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van bijzondere wetten die zijn verwerkt in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht.
In dat verband kan worden opgemerkt :
artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering is in zijn huidige vorm opgenomen in het wetsvoorstel (artikel 25). De afdeling Wetgeving heeft op 28 april 2004 echter een advies (36.930/2) verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken », waarvan artikel 2 bepaaldelijk ertoe strekt de huidige tekst van dat artikel 216quater te vervangen;
artikel 2 van het voorontwerp van wet « betreffende het recht van minderjarigen op toegang tot de rechter » (13) strekt ertoe in de voornoemde wet van 17 april 1878 een artikel 3ter in te voegen dat betrekking heeft op de burgerlijkepartijstelling door een minderjarige;
een ontwerp van wet « tot wijziging van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering » is op 3 maart 2004 ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers en strekt ertoe paragraaf 1 van die bepaling (zie artikel 132 van het wetsvoorstel) aan te vullen (14);
een voorontwerp van wet « tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht » (15) bepaalt in zijn artikel 7 dat in de voorafgaande titel van het Wetboek [van strafvordering] een artikel 20bis wordt ingevoegd betreffende een nieuw geval van verval van de strafvordering;
een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkdadige voorlopige hechtenis, tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en tot wijziging van sommige artikelen van het Wetboek van strafvordering » (16) vervangt of wijzigt verscheidene bepalingen, zowel van het Wetboek van strafvordering als van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, die op hun beurt overgenomen zijn in verscheidene artikelen van het wetsvoorstel;
een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964 en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering » (17) strekt ertoe artikel 195 van het Wetboek van strafvordering aan te vullen;
een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 7 februari 2003 houdende diverse bepalingen inzake verkeersveiligheid » (18) strekt er eveneens toe de artikelen 590, 594 en 595 van het Wetboek van strafvordering te wijzigen, alsmede artikel 26 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
een voorontwerp van wet « betreffende de internationale rechtshulp in strafzaken » (19) strekt ertoe artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering te wijzigen en aan te vullen.
Indien de wetgever voornemens is al die bepalingen of een aantal ervan goed te keuren, moeten ze eveneens via amendementen worden verwerkt in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht (20).
Dezelfde opmerking kan worden gemaakt in verband met verscheidene wetsvoorstellen die thans zijn ingediend bij één van de wetgevende kamers (21) en die tot dusver niet zijn voorgelegd aan de afdeling Wetgeving.
7. In het voorstel is sprake van een aantal « voorbehouden materies », te weten boek III, titel IV (« Wijzen van voorziening tegen arresten en vonnissen »), boek IV (« Rechtsplegingen van bijzondere aard ») en boek V (« Internationaal strafrecht ») van het wetsvoorstel.
Een zodanige werkwijze is vatbaar voor kritiek. Ze zou de wetgever ertoe nopen het nieuwe Wetboek op vrij korte termijn aan te vullen. Intussen zal hij enkele zeldzame delen van het vroegere Wetboek van strafvordering in stand moeten houden en er zelfs uitdrukkelijk naar moeten verwijzen, zoals het geval is met de artikelen 29, § 3, 228, § 2, 369, 370, 497, eerste lid, 8º, en 500, eerste lid, 2º, van het voorstel. Ook artikel 1bis en hoofdstuk II van de voornoemde wet van 17 april 1878 zouden in stand moeten worden gehouden.
8. Verscheidene bijzondere wetten, zoals de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (22), bevatten eveneens artikelen die verwijzen naar huidige bepalingen van het Wetboek van strafvordering welke evenwel overgenomen zijn in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht, en dus bestemd zijn om te worden opgeheven, overeenkomstig algemene opmerking 3.
De voorgestelde bepalingen moeten bijgevolg eveneens worden aangevuld met bepalingen tot wijziging van die artikelen.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van bijzondere wetten waarnaar wordt verwezen in andere bijzondere wetten en die eveneens overgenomen zijn in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht. Dat is bijvoorbeeld het geval met de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, waarvan de bepalingen in hun geheel zijn overgenomen in het wetsvoorstel, en die bijgevolg zou moeten worden opgeheven, terwijl ernaar inzonderheid uitdrukkelijk wordt verwezen in :
artikel 7 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd;
artikel 1 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten.
Meer in het algemeen moeten de verschillende bepalingen van wetten die verwijzen naar artikelen van het Wetboek van strafvordering of van bijzondere wetten worden aangepast, terwijl die artikelen moeten worden opgeheven, daar ze zijn of zouden moeten worden overgenomen (23) in het Wetboek van strafprocesrecht.
De verschillende bepalingen van die wetten zouden dus eveneens gewijzigd moeten worden, waarbij ze voortaan verwijzen naar de nieuwe bepalingen van het Wetboek van strafprocesrecht. Ze moeten dienovereenkomstig worden aangepast.
9. Gelet op de omvang van de voorgenomen hervorming, alsmede op het grote aantal ontworpen artikelen waarbij huidige bepalingen worden overgeschreven, zou het inzonderheid met het oog op een behoorlijke voorlichting van de leden van de wetgevende kamers nuttig zijn een concordantietabel op te stellen (24) :
waarin de huidige bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van bijzondere wetten in verband worden gebracht met de bepalingen van het voorstel die ze overnemen;
die de bepalingen van het voorstel vermeldt welke nieuwe bepalingen zijn ten opzichte van het huidige wetgevend instrumentarium;
die de bepalingen van dat wetgevend instrumentarium opsommen die, niettegenstaande algemene opmerking 7, niet zouden zijn verwerkt in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht;
en die ten slotte de bepalingen van het Wetboek van strafvordering aangeeft die, doordat ze niet zijn overgeschreven, niet in stand zijn gebleven en logischerwijs eveneens beoogd worden door de opheffingsbepalingen (25).
10. De stellers van het voorstel worden erop gewezen dat verscheidene passages in de toelichting bij het voorstel verwijzen naar teksten, naar ontwerpen of naar voorstellen, alsmede naar parlementaire stukken die achteraf hun beloop hebben gehad. De toelichting bij het voorstel moet dus op dat gebied geactualiseerd worden tijdens de bespreking in het parlement.
11. Bij ontstentenis van overgangsmaatregelen waarmee de goedkeuring van het Wetboek van strafprocesrecht gepaard zou gaan, wijst de Raad van State erop dat wat betreft de toepassing van de bepalingen van dat Wetboek de beginselen gelden die zijn vastgelegd in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, te weten enerzijds de rechtstreekse toepasselijkheid van de wetten inzake de rechtspleging op de hangende rechtsgedingen, en anderzijds de onmogelijkheid om die rechtsgedingen te onttrekken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn.
BIJZONDERE OPMERKINGEN
Opschrift
Het opschrift moet als volgt luiden :
« Voorstel van wet tot invoering van het Wetboek van strafprocesrecht ».
Dispositief
Artikel 2 van het wetsvoorstel
Dit artikel moet vervallen, zoals is aangegeven in algemene opmerking 1.
Ontworpen Wetboek van strafprocesrecht
BOEK I
Algemene beginselen
HOOFDSTUK 1
Voorafgaande bepaling
Artikel 1 (26)
1. Dit artikel herinnert er allereerst aan dat het Wetboek van strafprocesrecht wordt toegepast met inachtneming van de fundamentele rechten gehuldigd in de Grondwet en in de internationale verdragen.
In de toelichting bij het voorstel staat te lezen :
« Deze tekst dient beschouwd te worden als een herhaling van de wettelijk toepasselijke bepalingen, of als een grondslag voor de uitlegging van de artikelen van het Wetboek van strafprocesrecht. » (27)
De Raad van State heeft er geregeld aan herinnerd dat het niet staat dat een rechtsregel bepalingen vervat in een hogere rechtsregel overneemt, parafraseert of er zelfs naar verwijst (28). Een zodanige werkwijze brengt inzonderheid het risico mee dat de hogere rechtsregel impliciet gewijzigd wordt in geval van wijziging van de lagere rechtsregel, wat niet kan worden aanvaard.
Bovendien moet een wetsbepaling geïnterpreteerd worden conform de Grondwet en de rechtstreeks toepasselijke internationale overeenkomsten (29), zoals inzonderheid blijkt uit de jurisprudentie van het Arbitragehof. Het is niet nodig zulks uitdrukkelijk te vermelden.
2. Het is hoe dan ook uit wetgevingstechnisch oogpunt niet raadzaam bepaalde grondrechten, vastgelegd in de Grondwet en in de rechtstreeks toepasselijke internationale overeenkomsten, « in het bijzonder » en dus niet limitatief te vermelden, daar zulks vragen zou kunnen doen rijzen omtrent de overige grondrechten die niet worden vermeld, ofschoon ze eveneens zijn vastgelegd in de Grondwet en in rechtstreeks toepasselijke internationale overeenkomsten. Het lijdt echter geen twijfel dat die overige grondrechten, zoals bijvoorbeeld in casu het recht op eerbiediging van het gezinsleven, het zwijgrecht of het verbod om een rechtzoekende tegen zijn wil af te houden van de rechter die de wet hem toewijst, evenzeer gelding hebben als die welke uitdrukkelijk worden vermeld.
Indien de stellers van het voorstel het nuttig achten te verwijzen naar bepaalde grondrechten, dient dit te geschieden tijdens de parlementaire voorbereiding.
3. Omtrent artikel 1 dienen twee opmerkingen te worden gemaakt in zoverre daarin uitdrukkelijk gerefereerd wordt aan de « beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit ».
Die beginselen lijken allereerst niet te slaan op alle bepalingen van het Wetboek van strafprocesrecht. Dat is onder meer het geval met de bepalingen betreffende de rechten van verdediging.
In zoverre die beginselen, die overigens zowel door het Europees Hof voor de rechten van de mens als door het Arbitragehof uitdrukkelijk zijn gehuldigd, effectief in acht moeten worden genomen, moeten ze niet pas bij de toepassing van de bepalingen van het Wetboek van strafprocesrecht worden nageleefd, doch, zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State bepaaldelijk reeds erop heeft gewezen (30), reeds bij het uitwerken van die bepalingen. De pertinente bepalingen van het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht, inzonderheid die betreffende het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, moeten met andere woorden met inachtneming van de voornoemde beginselen worden uitgewerkt.
Indien de wetgever het niettemin nuttig acht in overeenstemming daarmee aan de belangrijkheid van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, ondanks de rechtstreekse toepasselijkheid van die beginselen in het interne recht, te herinneren in de fase van toepassing van de bepalingen van het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht, dient dit te geschieden tijdens de parlementaire voorbereiding.
4. De conclusie is dan ook dat artikel 1 moet vervallen en dat de bepalingen die ernaar verwijzen dienovereenkomstig moeten worden aangepast (31).
BOEK I
HOOFDSTUK 3
De rechten van de verdediging
Artikel 5
1. Paragraaf 1 bepaalt dat « eenieder die deelneemt aan het (straf)proces » het recht heeft de vorderingen die er het voorwerp van zijn tijdens iedere fase van de rechtspleging te ondersteunen of te bestrijden.
Enerzijds dienen de woorden « eenieder die deelneemt aan het proces » vervangen te worden door de woorden « iedere partij », de term die overigens gebruikt wordt in paragraaf 2.
Anderzijds wordt voorgesteld aan het eind de woorden « volgens de nadere regels bepaald in dit Wetboek » toe te voegen.
De stadia van opsporingsonderzoek en gerechtelijk onderzoek zijn immers niet volkomen tegenstrijdig, zodat het in beginsel pas vóór het vonnisgerecht is dat de werkelijke mogelijkheid zich voordoet om alle elementen van het dossier tegen te spreken, zoals wordt gepreciseerd in paragraaf 2, 3º.
2. In verband met paragraaf 2 wordt met betrekking tot de woorden « Onverminderd de bepalingen voorzien in de internationale verdragen » verwezen naar opmerking 1 die onder artikel 1 is gemaakt.
Artikel 6
1. Artikel 6 van het voorstel bepaalt dat bewijzen verzameld met schending van de rechten van verdediging uit de debatten worden geweerd.
Dat artikel 6 uitdrukkelijk de sanctie vermeldt die verbonden is aan bewijsmateriaal verkregen in strijd met de rechten van verdediging, doet onvermijdelijk de vraag rijzen welke sanctie wordt toegepast op bewijzen die zouden zijn verkregen als gevolg van een onregelmatigheid die geen schending van de rechten van verdediging oplevert.
In boek I moet op algemene wijze het vraagstuk van de sanctie verbonden aan onregelmatig verkregen bewijzen worden geregeld, waarin het voorstel niet duidelijk voorziet, noch in artikel 3, dat de rechtens aanvaardbare bewijzen betreft, noch in hoofdstuk 4, dat de gronden van nietigheid betreft. Dit vraagstuk wordt vervolgens geregeld in de artikelen 218 en 234 van het voorstel, die zijn opgenomen in boek III, titel II, hoofdstuk 3, dat de regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten betreft.
2. De kwestie van de sanctie verbonden aan onregelmatig verkregen bewijzen zal op oordeelkundige wijze moeten worden in verband gebracht met de kwestie van de nietigheid van proceshandelingen. De beide kwestie zijn immers vaak doch niet altijd onderling verbonden : zo bijvoorbeeld hangt de regelmatigheid van het bewijs in de vorm van de opname van een telefoongesprek af van de regelmatigheid van de door de onderzoeksrechter toegestane telefoontap.
3. Een zo strikt mogelijke terminologie moet worden gehanteerd. Artikel 3 houdt immers in dat de sanctie verbonden aan een onregelmatig verkregen bewijs zou zijn dat het « niet mag worden geleverd ». Artikel 7 houdt in dat de sanctie verbonden aan een bewijs dat bijvoorbeeld verkregen is als gevolg van een onregelmatige huiszoeking, de « nietigheid » ervan is. In artikel 218, § 2, is sprake van de « nietigverklaarde stukken ». In artikel 102 wordt verwezen naar de « nietigheid van het deskundigenonderzoek en (...) het verlies van bewijswaarde ». In artikel 6 dan weer wordt bepaald dat bewijzen verzameld met schending van de rechten van verdediging « uit de debatten (worden) geweerd, terwijl proceshandelingen welke die rechten schenden, worden nietig verklaard ».
4. Het staat aan de wetgever te oordelen of een zekere beoordelingsvrijheid moet worden gelaten aan rechters die worden geconfronteerd met een onregelmatig verkregen bewijs (32).
5. Artikel 6 bepaalt dat proceshandelingen welke de rechten van de verdediging schenden, nietigverklaard worden, hetgeen de nietigheid meebrengt van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen.
Artikel 8 bepaalt dat
« (...) geen enkele proceshandeling kan worden nietigverklaard indien de wet terzake niet uitdrukkelijk in nietigheid voorziet ».
In zoverre artikel 6 bepaalt dat proceshandelingen die de rechten van verdediging schenden, nietig zijn, holt het artikel 8 uit door de algemeenheid en de onbepaaldheid van dat begrip « schending van de rechten van verdediging ».
Bijgevolg moet artikel 8 als volgt worden gesteld :
« Een proceshandeling kan alleen worden nietigverklaard indien de wet uitdrukkelijk de nietigheid voorschrijft of indien de handeling strijdig is met de rechten van verdediging. »
Artikel 6 moet dienovereenkomstig worden aangepast.
6. Bovendien is de precisering dat de nietigheid van een handeling de nietigheid van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen meebrengt, een algemene regel die niet in artikel 6 thuishoort, doch in hoofdstuk 4, dat de nietigheidsgronden betreft.
BOEK I
HOOFDSTUK 4
De nietigheidsgronden
Voorafgaande opmerking
Het gevolg van de nietigheid van een proceshandeling voor het verdere verloop van de procedure wordt in dit hoofdstuk niet geregeld.
In dat verband wordt verwezen naar opmerking 6, gemaakt onder artikel 6.
Artikel 7
1. Artikel 7, § 1, 2º, bepaalt dat de nietigheid van openbare orde is wanneer er een schending is van de bepalingen betreffende « de huisvredebreuk (33), de huiszoeking, het afluisteren en de onderzoeksmaatregelen die een schending van de lichamelijke integriteit meebrengen ».
De Raad van State vraagt zich af of het voorstel, in zoverre het niet naar precieze regels verwijst, maar naar materies, niet strijdig is met het in artikel 1 genoemde proportionaliteitsbeginsel. Het staat aan de wetgever om te oordelen of de verschillende bepalingen betreffende die materies even belangrijk zijn en derhalve alle de nietigheid van openbare orde als straf moeten stellen.
De schending van een zuiver vormelijke regel, bijvoorbeeld de vermelding van de naam van de griffier op het bevel tot huiszoeking (artikel 170, tweede lid, van het voorstel), zou normalerwijs een minder verregaande sanctie moeten opleveren dan een huisbezoek zonder een bevel tot huiszoeking.
Zo ook kan worden aanvaard dat een DNA-afname tegen de wil van de betrokkene, zonder een bevel daartoe van een onderzoeksrechter, nietig van openbare orde is, maar het zou buitensporig zijn die sanctie toe te passen op de niet-naleving van andere bepalingen terzake, zoals bijvoorbeeld de termijn waarin de deskundige zijn verslag moet overzenden aan de onderzoeksrechter (artikel 190, § 3, zevende lid).
Bovendien rijst de vraag of het wel nodig is alle regels betreffende de ondertekening van de handeling te bestraffen met nietigheid van openbare orde. Hoeft het proces-verbaal van verhoor, ondertekend door de onderzoeksrechter en door de verhoorde persoon, maar waarop de handtekening van de griffier ontbreekt, werkelijk nietigheid van openbare orde mee te brengen ?
2. In de toelichting bij het voorstel lezen we :
« Wanneer in de toekomst wetten betreffende nieuwe onderzoekstechnieken zullen aangenomen worden, zal men in dit artikel hiervan melding moeten maken. » (34)
Zoals is gesteld in algemene opmerking 4 en onder voorbehoud van de vorige opmerking, moet rekening worden gehouden met de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden. Die wet heeft in het Wetboek van strafvordering onder meer een artikel 47quater ingevoegd, dat voorziet in de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering in geval van politionele uitlokking.
Artikel 8
1. Wat het eerste lid betreft, wordt verwezen naar opmerking 5, gemaakt onder artikel 6.
2. Ofschoon de redactie van de beide leden van artikel 8 gebaseerd is op artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, is het niet wenselijk de kwestie van de gevallen van nietigheid samen te behandelen met de kwestie van de termijnen, ongeacht of het de termijnen voor het instellen van een beroep betreft, dan wel andere termijnen.
Het zou beter zijn de regels betreffende de termijnen voorgeschreven voor het instellen van een beroep en betreffende de overige termijnen op te nemen in artikel 16.
Artikel 9
De Raad van State stelt zich vragen omtrent de toevoeging « of de billijkheid van de procedure ». Ofwel gaat men ervan uit dat een proceshandeling waarvan de onregelmatigheid de belangen van één van de partijen schaadt, strijdig is met de billijkheid van de procedure, met andere woorden dat het gemis van billijkheid er precies in bestaat dat de belangen van een partij worden geschaad doordat de procedure niet in acht is genomen, en in dat geval is de toevoeging overbodig. Ofwel wordt beschouwd dat de niet-inachtneming van een bepaling voorgeschreven op straffe van nietigheid op zich onbillijk is, en in dat geval maakt die toevoeging artikel 9 volkomen doelloos.
Het staat aan de wetgever om de voorgestelde tekst nader te preciseren of, op zijn minst, om tijdens de parlementaire voorbereiding uit te leggen welk specifiek geval bedoeld wordt met de verwijzing naar het begrip billijkheid.
Artikel 10
1. In de toelichting staat te lezen dat het voorstel een algemene theorie over de nietigheden huldigt die vergeleken kan worden met het systeem bepaald in het Gerechtelijk Wetboek (35). Artikel 867 van dat Wetboek bepaalt echter :
« Het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen, of van de vermelding van een vorm kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen. »
De Raad van State vraagt zich af waarom die bepaling slechts gedeeltelijk is overgenomen in artikel 10, in die zin dat het voorstel geen gewag maakt van het bereiken van het doel dat de wet beoogde met die formaliteit en de gevallen van nietigheid van openbare orde bedoeld in artikel 7, § 1, 2º tot 4º, uitsluit, terwijl artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek de gevallen van nietigheid van openbare orde betreft, zoals wordt gepreciseerd in artikel 862, § 2, van datzelfde Wetboek.
2. De tekst van artikel 10, 2º, schrijft voor dat de nietigheid gedekt is :
« (...) indien een vonnis of arrest van een feitenrechter dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, op tegenspraak is gewezen zonder dat zij werden voorgedragen, onverminderd het bepaalde in artikel 234, § 5 ».
Die tekst sluit uit dat ook de nietigheid van openbare orde gedekt wordt, terwijl artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop het voorstel geïnspireerd is, toepasselijk is op de gevallen van nietigheid van openbare orde.
Het staat aan de wetgever om te verklaren waarom de gevallen van nietigheid van openbare orde aldus op een verschillende manier behandeld worden, naargelang het om het Wetboek van Strafprocesrecht gaat, dan wel om het Gerechtelijk Wetboek.
BOEK I
HOOFDSTUK 5
Het rechterlijk gewijsde
Artikel 11
1. Het eerste lid bepaalt dat onder voorbehoud van herziening van veroordelingen, de beklaagde die « door een definitief vonnis » is vrijgesproken of veroordeeld, niet meer wegens dezelfde feiten kan worden vervolgd.
In de toelichting bij het voorstel wordt niet van een definitief vonnis gewag gemaakt, maar van een « in kracht van gewijsde gegane beslissing » (36). In de toelichting wordt voorts gepreciseerd dat het om een « beslissing ten gronde » moet gaan.
De tekst van het voorstel moet nauwer aansluiten bij het bepaalde in de toelichting.
Artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers :
« Het vonnis is een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. »
Een vonnis in strafzaken is daarentegen in kracht van gewijsde gegaan indien daartegen geen hoger beroep, verzet binnen de gewone termijn of voorziening in cassatie meer kan worden ingesteld.
Krachtens de jurisprudentie van het Hof van Cassatie echter geven alleen definitieve beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan aanleiding tot toepassing van het beginsel non bis in idem.
2. Het tweede lid bepaalt :
« Het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken ten aanzien van latere burgerlijke rechtsvorderingen geldt als vermoeden van waarheid en is vatbaar voor tegenbewijs. »
In de toelichting staat daaromtrent te lezen :
« Uit het tweede lid vloeit voort dat het absolute gezag van het rechterlijk gewijsde niet langer bestaat, aangezien het beginsel is vervangen door een vermoeden van waarheid dat geldt behoudens bewijs van het tegendeel. » (37)
Volgens de hoogleraren Franchimont en Traest beoogt het tweede lid de jurisprudentie van het Hof van Cassatie vast te leggen waarbij een eind gemaakt is aan de omstandigheid dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde « erga omnes » geldt, door te beslissen dat dat gezag « er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden » (38).
De tekst moet worden aangepast, waarbij die uitleg beter wordt weergegeven, in het bijzonder wat betreft de partijen aanwezig op het strafgeding en die er vrij hun belangen hebben kunnen doen gelden.
BOEK I
HOOFDSTUK 6
De samenhang, de ondeelbaarheid
en de aanhangigheid
Artikel 13
1. De huidige artikelen 482bis en 503bis van het Wetboek van strafvordering, die de prorogatie van bevoegdheid ten voordele van het hogere rechtscollege regelen (39) wanneer een persoon samen met anderen wordt vervolgd die het voorrecht van rechtsmacht genieten, zijn niet opgenomen in het voorstel. Boek IV, dat de rechtsplegingen van bijzondere aard betreft, regelt immers een « voorbehouden materie ».
Derhalve moeten die bepalingen van het Wetboek van strafvordering in stand worden gehouden. In dat verband wordt verwezen naar algemene opmerking 7.
2. In het derde lid zijn de woorden « en dit zonder dat het verband tussen die zaken het onderzoek van de ene zonder de andere verhindert » onduidelijk. Een redactie moet worden aangenomen die nader aansluit bij de duidelijker formulering vervat in de toelichting bij het voorstel, te weten dat samenvoeging kan worden bevolen « zelfs als de zaken, waartussen een verband is, afzonderlijk zouden kunnen worden onderzocht » (40).
Artikel 14
1. In de toelichting bij het voorstel wordt gepreciseerd dat de definitie van de ondeelbaarheid conform de rechtsleer en de jurisprudentie is (41).
H.-D. Bosly en D. Vandermeersch (42), en vooral R. Declercq (43), beklemtonen echter dat strafbare deelneming en medeplichtigheid ten onrechte als gevallen van ondeelbaarheid worden aangezien. Die gevallen lijken overigens reeds begrepen te zijn in de gevallen van samenhang vermeld in artikel 13 van het voorstel.
Noch R. Declercq, noch C. Van den Wyngaert (44) vermeldt het collectieve delict door eenheid van opzet; het wordt door H.-D. Bosly en D. Vandermeersch bekritiseerd op de grond dat aldus de rechter zijn beoordelingsbevoegdheid terzake wordt ontnomen.
Voor die rechtsauteurs betreft de ondeelbaarheid de zogenaamde complexe delicten, dat wil zeggen de gevallen waarin eenzelfde feit verscheidene strafbare feiten oplevert.
Het staat aan het Parlement om te oordelen of men zich niet dient af te stemmen op het standpunt van die rechtsauteurs.
2. In de tweede zin wordt voorgeschreven dat samenvoeging verplicht is « wanneer zulks mogelijk is ». Het zou wellicht nuttig zijn dat tijdens de parlementaire voorbereiding voorbeelden worden gegeven die deze precisering nader toelichten.
3. Aan het eind van de tweede zin moet de Franse versie worden aangepast aan de Nederlandse, waarbij « le lieu de l'infraction principale qui détermine la compétence » moet worden geschreven.
BOEK I
HOOFDSTUK 7
De betekening, de kennisgeving
en de termijnen
Artikel 16
In het eerste lid wordt verwezen naar bepaalde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek. Die verwijzing kan echter vragen doen rijzen. Zo bijvoorbeeld vermelden de artikelen 43 en 45 van het Gerechtelijk Wetboek vormvereisten voorgeschreven op straffe van nietigheid. Moet dan de regeling inzake nietigheid worden toegepast die wordt voorgeschreven bij het Gerechtelijk Wetboek, ofwel de regeling voorgeschreven bij het voorstel, die weliswaar eerder aanleunt bij de regels inzake de burgerlijk procesrecht, maar er niet identiek aan is ?
Het staat aan het Parlement om een duidelijker standpunt in te nemen omtrent deze kwestie, die van fundamenteel belang is in het kader van de theorie van de gevallen van nietigheid.
BOEK I
HOOFDSTUK 8
Rechtsbijstand en afschrift
van stukken in strafzaken
Artikel 18
1. De verwijzing naar artikel 318 van het voorstel, dat op zijn beurt voorbehoud maakt voor de uitzondering gesteld in artikel 332 (45), houdt in dat het onmogelijk is een kosteloos afschrift te verkrijgen indien het vonnis uitgesproken door een politierechtbank uitsluitend verkeersdelicten betreft en er geen burgerlijkepartijstelling is geschied.
De Raad van State vraagt zich af om welke reden die aanvaardbaar is in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de partij die bij de griffie verzocht heeft om een afschrift van een vonnis in verkeerszaken gewezen door de politierechtbank en bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, dat afschrift niet kosteloos kan verkrijgen. De aangelegenheid van het automatisch opsturen van een afschrift van het vonnis of van het arrest mag niet worden verward met de aangelegenheid van de kosteloosheid ervan.
2. Het zou beter zijn te schrijven : « aan de partijen en aan hun raadslieden ».
BOEK II
De rechtsvorderingen
TITEL I
« De strafvordering »
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 21
In het eerste lid dient eveneens geschreven te worden dat het openbaar ministerie geen schikking kan voorstellen, behoudens de gevallen bepaald in de wet.
Uit het oogpunt van de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst zou het beter zijn de Franse versie van het tweede lid als volgt te stellen :
« Le ministère public juge de l'opportunité des poursuites en tenant compte des directives criminelles ... ».
BOEK II
TITEL I
HOOFDSTUK 2
De uitoefening van de strafvordering
Artikel 22
Het derde lid luidt als volgt :
« (...) de strafvordering (wordt ingesteld) door een vordering tot onderzoek, door een aanhangigmaking bij de strafgerechten door rechtstreekse dagvaarding of door een oproeping bij proces-verbaal. »
Men schrijve :
« (...) door een vordering tot onderzoek ofwel door aanhangigmaking bij de strafgerechten bij wege van rechtstreekse dagvaarding, dan wel bij wege van oproeping bij proces-verbaal, volgens de regels bepaald in dit Wetboek. »
Er bestaan namelijk twee manieren om de strafvordering in te stellen, waarvan de tweede manier in twee mogelijkheden wordt opgesplitst.
Artikel 23
Uit de gezamenlijke lezing van artikel 23 en artikel 7, § 1, volgt dat de dagtekening en de ondertekening van de vordering tot onderzoek voorgeschreven worden op straffe van nietigheid van openbare orde. In dat verband wordt verwezen naar opmerking 1 gemaakt onder artikel 7.
Artikelen 24 en 25
De Raad van State ziet niet in waarom de stellers van het wetsvoorstel een verschillende formulering hanteren, doordat artikel 24 bepaalt dat de dagvaarding onder meer « de nauwkeurige uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten » moet bevatten, terwijl artikel 25, tweede lid, bepaalt dat de procureur des Konings de betrokkene « in kennis stelt van de feiten die hem ten laste worden gelegd ».
Mocht de term « nauwkeurig » gehandhaafd blijven, dan zou het op zijn minst nuttig zijn tijdens de parlementaire voorbereiding te preciseren wat verstaan moet worden onder een « nauwkeurige uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten ».
Artikel 285 bepaalt zijnerzijds dat de akte van rechtsingang « nauwkeurig » de feiten moet omschrijven die de beklaagde ten laste worden gelegd. Dit artikel preciseert, wat de artikelen 24 en 25 niet doen, dat diezelfde akten de datum van de feiten en de aan de rechtbank voorgestelde omschrijving moeten vermelden, dat alles op straffe van nietigheid.
Artikel 26
1. Het tweede lid is gebaseerd op het huidige artikel 2 van de voornoemde wet van 17 april 1878.
De voorgestelde tekst preciseert echter niet meer, in tegenstelling tot het voornoemde artikel 2, dat de rechtspleging slechts geen voortgang kan vinden wanneer de klacht wordt ingetrokken « vóór elke daad van vervolging ». Tijdens de parlementaire voorbereiding dient te worden gepreciseerd dat het wel degelijk de bedoeling van de wetgever is om het mogelijk te maken dat de voortgang van de strafvordering in alle stadia van de procedure kan worden belet.
2. In de Franse tekst vervange men de woorden « toute action pénale » door de woorden « la poursuite de l'action publique ».
Artikelen 27 en 28
Ter aanduiding van eenzelfde rechtscollege worden in de artikelen 27 en 28 onderscheidenlijk de woorden « de rechtbanken » en de woorden « de strafrechter » gebruikt. Voorgesteld wordt in de beide artikelen de woorden « de strafrechter » te gebruiken.
Artikel 29
Dit artikel neemt artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering over.
Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat in paragraaf 3 de woorden « aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het militair gerecht » geschrapt zijn bij de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd.
Artikel 30
1. Paragraaf 1, tweede lid, bepaalt dat een « justitieassistent » ermee belast wordt de bemiddeling tussen dader en slachtoffer te organiseren.
Er moet worden gepreciseerd dat onder justitieassistent diegene wordt verstaan die wordt gedefinieerd in artikel 38, tweede lid (dat wil zeggen één van « de [ambtenaren] van de dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie die de bevoegde magistraten bijstaan bij de begeleiding van personen die betrokken zijn bij gerechtelijke procedures »).
Dezelfde opmerking geldt voor paragraaf 4, derde lid, en voor de artikelen 77, vijfde lid, 148, vijfde lid, 157, vijfde lid, en 196, tweede lid.
Zo ook dienen in de paragrafen 1 en 7 de woorden « het ministerie van Justitie » vervangen te worden door de woorden « de federale overheidsdienst Justitie ».
Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 38, 77, 90 (eveneens wat betreft de verwijzing naar het ministerie van Binnenlandse Zaken), 279, § 1, eerste lid, 496, 498, 502 en 503.
2. Krachtens paragraaf 1, vierde lid, kan het openbaar ministerie als alternatief voor vervolging het verrichten van dienstverlening voorstellen.
Sedert de inwerkingtreding van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken is het verrichten van dienstverlening echter een volwaardige straf geworden.
De vraag rijst dan ook of het openbaar ministerie alsnog dienstverlening kan voorstellen als een alternatief voor vervolging, dan wel of dienstverlening, aangezien het een straf betreft, alleen door een rechter kan worden opgelegd. Het is de laatste mogelijkheid waarvoor in de voornoemde wet van 17 april 2002 is gekozen, nadat de regering daaromtrent een amendement had ingediend waardoor de vermelding van dienstverlening uit artikel 216ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van strafvordering is geschrapt.
Evenwel kan worden betoogd dat in het kader van artikel 30, § 1, vierde lid, van het voorstel het verrichten van dienstverlening geen straf zou zijn, vooral gelet op het feit dat ze ten aanzien van de dader van de feiten vrijwillig van aard zou zijn. Zo ook is de minnelijke schikking voorgeschreven bij artikel 29 van het voorstel verschillend van de geldboete, die de rechter bij wijze van straf kan uitspreken, ook al gaat het in de beide gevallen om de betaling van een geldsom bestemd voor de Staat.
De conclusie is dan ook dat de vermelding van dienstverlening in artikel 30, § 1, vierde lid, niet aan kritiek onderhevig lijkt.
3. In paragraaf 4, derde lid, is het woord « ongunstig » onduidelijk. Het dient te vervallen.
BOEK II
TITEL I
HOOFDSTUK 3
Het verval van de strafvordering
Artikel 31
1. Voorbehoud moet worden gemaakt voor de gevallen van verval van de strafvordering die bij bijzondere wetten zouden zijn voorgeschreven.
Zo bijvoorbeeld heeft de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid in titel V van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer een hoofdstuk IIbis ingevoegd, met als opschrift « Bevel tot betaling opgelegd door de procureur des Konings wegens bepaalde overtredingen door een persoon die in België een vaste woonplaats of een vaste verblijfplaats heeft ».
Krachtens artikel 65bis, § 1, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten sluit een zodanige betaling strafvervolging uit. Op te merken valt dat die onmiddellijke inning verschilt van de vrijwillige schikking waarvan sprake is in artikel 29 van het voorstel.
De wetgever wordt er eveneens op gewezen dat een voorontwerp van wet « tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht » (46) onder meer ertoe strekt in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering een nieuw artikel 20bis in te voegen, dat voorziet in een nieuw geval van verval van de strafvordering indien het openbaar ministerie een burgerlijke rechtsvordering instelt vóór de arbeidsgerechten. Het wetsvoorstel moet in voorkomend geval in die zin worden aangevuld en artikel 31, § 1, moet dan dienovereenkomstig worden aangepast.
2. Paragraaf 2 neemt de tekst over van het huidige artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wat betreft het overschrijden van de redelijke termijn. Die bepaling schrijft voor dat de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring kan uitspreken of een straf kan uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf (47).
Aangezien de sanctie voor het overschrijden van de redelijke termijn niet het verval van de strafvordering is, hoort paragraaf 2 niet thuis in boek II, titel I, hoofdstuk 3, met als opschrift « Het verval van de strafvordering ». Voorgesteld wordt deze aangelegenheid te behandelen in een afzonderlijk hoofdstuk, dat ofwel vóór het huidige hoofdstuk 3 komt te staan, ofwel in de bepalingen van het voorstel die het vonnis betreffen, ofwel in de artikelen 7 en 7bis van het Strafwetboek.
Artikel 32
1. In het derde lid staat te lezen :
« In geval van samenloop van misdrijven, wordt de verjaring voor ieder misdrijf, afzonderlijk beschouwd, geregeld overeenkomstig de termijnen eigen aan ieder misdrijf. »
De Raad van State veronderstelt dat die regel zowel in geval van een materiële samenloop van strafbare feiten geldt, zoals thans reeds zo is, als in het geval van een eendaadse samenloop van strafbare feiten [collectieve misdrijven of een enig feit, bestaande uit verscheidene strafbare feiten (48)].
Zulks moet op zijn minst in de parlementaire voorbereiding worden gepreciseerd.
2. Het komt de afdeling Wetgeving van de Raad van State niet toe zich uit te spreken over de wenselijkheid om af te stappen van de eensluidende jurisprudentie over de vraag wat het aanvangspunt is van de termijn van verjaring van collectieve misdrijven. Ze wenst nochtans de aandacht te vestigen op de moeilijkheden die het afstappen van die jurisprudentie zou kunnen opleveren, inzonderheid wat betreft de dossiers die een zeer groot aantal feiten bevatten waarop artikel 65 van het Strafwetboek van toepassing is.
3. In zijn huidige lezing houdt de tekst in dat wordt afgestapt van de verjaringstermijn van vijftien jaar voor niet-correctionaliseerbare misdaden (49).
4. In het eerste lid, dat het eerste lid overneemt van artikel 21 van de voornoemde wet van 17 april 1878, wordt evenmin rekening gehouden met de wijziging die artikel 19 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht aanbrengt in dat lid.
Artikel 35
Artikel 35 van het voorstel neemt de bepalingen inzake de schorsing van de verjaring over die in artikel 24 van de voornoemde wet van 17 april 1878 zijn ingevoerd bij de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, terwijl in de toelichting verklaard wordt dat de commissie niet borg staat voor de door de wet aangenomen oplossing (50). Zoals overigens in de toelichting te lezen staat, is de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen echter teruggekomen op wat de voornoemde wet van 11 december 1998 had voorgeschreven.
Zoals is aangegeven in algemene opmerking 5, staat het aan de wetgever om eens en voor altijd de coherente regels vast te stellen die hij wenst toegepast te zien inzake de verjaring van de strafvordering.
Artikel 36
1. In het eerste lid moeten « de voorgaande bepalingen » nauwkeuriger worden aangegeven.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 37.
2. Het zou beter zijn het tweede lid op te nemen in artikel 34, dat het stuiten van de verjaring betreft.
BOEK II
TITEL II
HOOFDSTUK 1
De benadeelde persoon
Artikel 39
De verklaring die leidt tot het verkrijgen van de hoedanigheid van benadeelde persoon moet bij de procureur des Konings worden gedaan. Het zou verkieslijk zijn, zoals het geval is in het huidige artikel 5bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, te verwijzen naar « het openbaar ministerie », wat zowel de arbeidsauditeur, als de federale procureur en de procureur-generaal (in het geval van vervolging tegen personen die voorrecht van rechtsmacht genieten) omvat.
Artikel 40
Uit de artikelen 125, 126, 130 en 211 van het voorstel volgt dat de benadeelde persoon andere rechten bezit dan die welke zijn vermeld in artikel 40. Derhalve wordt voorgesteld voorbehoud te maken voor het geval van de « overige rechten voorgeschreven bij dit Wetboek » of van de « overige rechten bepaald in de wet ».
BOEK II
TITEL II
HOOFDSTUK 2
De burgerlijke partij
Artikel 44
1. Voorzover artikel 44 gaat over de bekwaamheid als voorwaarde om de burgerlijke rechtsvordering te kunnen instellen, moet het in verband worden gebracht met algemene opmerking 6 en meer in het bijzonder, met de ontworpen nieuwe bepalingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafprocesrecht betreffende de burgerlijkepartijstelling van minderjarigen.
2. Het tweede lid bepaalt dat iedere burgerlijke partij in België woonplaats moet kiezen indien zij er haar woonplaats niet heeft.
In het voorstel wordt echter niet gezegd welke consequentie aan niet-naleving van dat vormvoorschrift verbonden is, zoals wel geschiedt in het huidige artikel 68, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering (51). Die leemte moet worden verholpen.
Dezelfde opmerking geldt ook voor de overige bepalingen van het voorstel die voorzien in een woonplaatskeuze.
Artikel 45
Er is geen verschil tussen een dader en een mededader. Om symmetrie met artikel 20 te bereiken, moet de vermelding mededader vervallen.
Artikel 46
Het zou beter zijn dit artikel op te splitsen in twee paragrafen, waarbij de ene het eerste lid omvat, dat gaat over de algemene regel, en de andere de overige leden, die gaan over de procedure bij oproeping.
Artikel 47
1. Ter wille van de duidelijkheid dient paragraaf 1, 1º, als volgt te worden gesteld : « bij de onderzoeksrechter bij wie het gerechtelijk vooronderzoek reeds aanhangig is ».
2. Paragraaf 2, 2º, bepaalt dat rechtstreekse dagvaarding mogelijk is « behalve indien het misdrijf tot de bevoegdheid van het Hof van Assisen behoort ». Het zou beter zijn daaraan toe te voegen « en behalve de uitzonderingen waarin de wet voorziet ».
Artikel 47, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en artikel 4 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd bepalen immers dat rechtstreekse dagvaarding niet toegestaan is. Rechtstreekse dagvaarding is evenmin mogelijk voor wie voorrecht van rechtsmacht geniet (52).
3. Het zou beter zijn dat het voorstel de vermeldingen die in de burgerlijkepartijstelling en die welke in de rechtstreekse dagvaarding moeten staan, afzonderlijk zou behandelen.
Wat de eerste betreft, zou het wenselijk zijn dat ze afgestemd worden op artikel 39, derde lid, van het voorstel.
In de beide gevallen dient het voorstel te worden aangepast, zodat rekening wordt gehouden met de burgerlijkepartijstelling door of tegen een rechtspersoon.
4. De Raad van State plaatst vraagtekens bij de uitdrukking « indien mogelijk » in paragraaf 3, tweede lid.
Het is de Raad immers niet duidelijk hoe een rechtstreekse dagvaarding kan geschieden zonder dat de naam van de gedagvaarde persoon bekend is.
In de rechtstreekse dagvaarding moet overigens ook worden vermeld, zoals bepaald is in artikel 702, 4º en 5º, van het Gerechtelijk Wetboek, bij welke rechter de vordering is ingesteld alsook de plaats, de dag en het tijdstip van de terechtzitting. Zonder die vermeldingen kan de rechtstreeks gedagvaarde partij zich uiteraard niet verdedigen.
Artikel 49
Het zou beter zijn aan het einde van het eerste lid het volgende te schrijven : « en ze heeft de overige rechten die haar tijdens het onderzoek zijn toegekend ».
Tijdens het opsporingsonderzoek bestaat er immers geen burgerlijke partij (aangezien de burgerlijkepartijstelling moet plaatsvinden in handen van de onderzoeksrechter).
BOEK II
TITEL II
HOOFDSTUK 3
De tussenkomende partij
Artikelen 50 en 51
1. Artikel 50, eerste lid, bepaalt :
« De vrijwillige of (53) de gedwongen tussenkomst kan geschieden voor de strafgerechten, overeenkomstig de artikelen 811 tot 813 van het Gerechtelijk Wetboek. »
De vermelding « strafgerechten » in het algemeen en de verwijzing naar artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan het eerste lid begint met de woorden « Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten », zouden de indruk kunnen wekken dat tussenkomst kan plaatsvinden vóór alle strafgerechten. Zoals blijkt uit artikel 51, in fine, van het wetsvoorstel, echter, gaat het enkel om de rechtscolleges die een uitspraak doen ten gronde (54).
Dat dient uitdrukkelijk vermeld te worden.
2. Krachtens artikel 50 van het voorstel geschiedt de tussenkomst overeenkomstig de artikelen 811 tot 813 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 51 bepaalt dat de vrijwillige tussenkomst geschiedt bij een verzoekschrift dat, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1026 en 1027 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt gericht aan de vonnisgerechten.
A. Fettweis heeft echter het volgende geschreven :
« L'intervention volontaire est formée par requête qui contient, à peine de nullité, les moyens et conclusions (article 813). On notera qu'il ne s'agit point d'une requête unilatérale soumise aux règles des articles 1025 à 1034. » (55)
Het wetsvoorstel moet dienovereenkomstig gewijzigd worden.
3. Tijdens de parlementaire voorbereiding moet men zich tevens ervan vergewissen dat de gevolgen van de erkenning, in het nieuwe Wetboek van Strafprocesrecht, van het begrip « vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij » vóór de strafgerechten deugdelijk zijn omgezet, waar zulks nodig blijkt, in de onderscheiden artikelen van het wetsvoorstel.
Zo verwijzen sommige bepalingen van boek III, titel III, met betrekking tot het vonnis en de vonnisgerechten uitdrukkelijk naar de interveniënt als partij (zie bijvoorbeeld de artikelen 289, 302 [een artikel dat echter alleen verwijst naar de vrijwillig tussenkomende partij], 315, 326, 330, 336, 465, 467 en 468). Andere bepalingen, die zeer algemeen geformuleerd zijn (« de partijen betrokken bij het proces », « de partijen die in het geding betrokken zijn », « de partijen in het geding »), kunnen eveneens alluderen op de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij. Andere ten slotte vermelden alleen de burgerlijke partij, doch niet de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, zonder dat de Raad van State kan nagaan of die omissie opzettelijk is of te wijten is aan een onachtzaamheid.
In die aangelegenheid moet klaarheid worden gebracht.
De Raad van State vraagt zich ook af of bij wijze van voorbeeld in de artikelen 282, 337, derde lid, 458, vierde lid, 466, 473, tweede lid, 493 en 494 niet eveneens uitdrukkelijk moet worden verwezen naar de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij.
Tot slot rijst de vraag of de vrijwillige of gedwongen tussenkomst mogelijk is in het kader van de rechtspleging vóór het hof van assisen, terwijl de artikelen van het voorstel die deze rechtspleging betreffen, alleen verwijzen naar de burgerlijke partij.
In bepaalde opzichten kan een soortgelijke opmerking worden gemaakt wat betreft de burgerlijk aansprakelijke partij in de zin van artikel 52 van het voorstel.
BOEK II
TITEL II
HOOFDSTUK 4
De burgerlijk aansprakelijke partij
Artikel 52
1. Men schrijve :
« De burgerlijk aansprakelijke persoon kan, met de bedoeling ... of de kosten, vrijwillig handelen of gedagvaard of opgeroepen worden door ... ».
2. Aan het einde van de zin behoort te worden toegevoegd : « of door de inverdenkinggestelde ».
BOEK II
TITEL II
HOOFDSTUK 5
Het verval van de burgerlijke rechtsvordering
Artikel 53
Uit artikel 66 van het Wetboek van strafvordering en uit de rechtsleer blijkt dat alleen binnen 24 uur na de burgerlijkepartijstelling afstand kan worden gedaan. Zodra die termijn verstreken is, moet de afstand aanvaard worden door de verdachte en blijven de kosten ten laste van de burgerlijke partij.
In het voorstel worden die regels niet overgenomen. Moet daaruit worden afgeleid dat daarvan wordt afgestapt ?
BOEK III
Het strafproces
TITEL 1
Het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie
Voorafgaande opmerking
Met uitzondering van artikel 55, tweede lid, is er in de artikelen van deze titel enkel sprake van de procureur des Konings en niet van de arbeidsauditeur en de federale procureur.
Er dient een nieuw artikel te worden ingevoerd, waarin staat dat wat bepaald is voor de procureur des Konings, ook geldt voor de arbeidsauditeur en de federale procureur, binnen de perken van hun bevoegdheden (56).
Dezelfde opmerking geldt voor sommige andere gedeelten van het voorstel.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 1
Het opsporingsonderzoek
Artikel 56
1. Het eerste lid bepaalt : « De procureur des Konings heeft een algemene opsporingsplicht en een algemene opsporingsbevoegdheid », terwijl artikel 57, tweede lid, het heeft over « de opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings. »
Deze twee bepalingen dienen met elkaar in overeenstemming te worden gebracht.
2. Het tweede lid bepaalt :
« Behoudens de wettelijke uitzonderingen mogen de opsporingshandelingen, op straffe van nietigheid, geen enkele dwangmaatregel inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 110 en 114, § 2, inhouden. »
Aangezien de artikelen 110 en 114, § 2, « wettelijke uitzonderingen » zijn, is het de Raad van State niet duidelijk waarom ze nog eens uitdrukkelijk worden vermeld. Ofwel bepaalt de wetgever zich tot de uitdrukking « behoudens de wettelijke uitzonderingen », in welk geval de verwijzing naar de artikelen 110 en 114, § 2, moet vervallen, ofwel geeft de wetgever een opsomming van de in het Wetboek voorgeschreven uitzonderingen en verwijst hij voor het overige naar de overige uitzonderingen waarin specifieke wetten voorzien. In dat geval moet ook melding wordt gemaakt van de dwang ten aanzien van onwillige getuigen (artikel 75), de gerechtelijke fouillering, het doorzoeken van voertuigen en andere vervoermiddelen (artikel 99, 3º en 4º), de autopsie (artikel 99, 6º), de inbeslagneming van computermateriaal (artikel 108), de verrichtingen die gedaan kunnen worden in geval van betrapping op heterdaad (artikel 128) en de aanhouding (artikelen 242 en 243).
3. Krachtens het tweede lid zijn opsporingshandelingen waarbij dwangmaatregelen worden genomen of individuele rechten en vrijheden geschonden worden, nietig.
Om te weten of de nietigheid al dan niet van openbare orde is, zij verwezen naar artikel 7, § 1, van het voorstel.
In tegenstelling tot wat in de toelichting staat (57), kan het in sommige gevallen gaan om absolute nietigheid, inzonderheid wanneer sprake is van aantasting van de lichamelijke integriteit.
Artikel 57
1. Het tweede lid bepaalt dat de opsporingsplicht en het opsporingsrecht ophouden te bestaan voor de feiten die bij de onderzoeksrechter zijn aangebracht
« (...) onverminderd de vordering bedoeld in artikel 138, tweede lid, en voor zover de met de zaak belaste onderzoeksrechter niet zou beslissen het gehele onderzoek zelf voort te zetten ».
Onder voorbehoud van de opmerking gemaakt bij artikel 138, dient verwezen te worden naar artikel 138, derde lid, dat betrekking heeft op de « mini-instructie », in plaats van naar artikel 138, tweede lid.
2. Artikel 57, eerste lid, moet zo worden aangevuld dat bevoegdheid wordt toebedeeld aan de arbeidsauditeur.
Artikel 58
Het tweede lid bepaalt dat de onderzoeksrechter een beslissing kan nemen die niet overeenstemt met de algemene richtlijnen van de procureur des Konings. Daartoe moeten die richtlijnen hem eerst worden meegedeeld. Zulks dient te worden gepreciseerd in de parlementaire voorbereiding.
Artikel 59
Het tweede lid gaat over het vraagstuk van de opsporingshandelingen die gesteld moeten worden buiten het arrondissement van de procureur des Konings.
Er wordt niets gezegd over de opsporingshandelingen die gesteld moeten worden in het buitenland. Het komt echter vaak voor dat het, in het kader van een opsporingsonderzoek, nodig is om bijvoorbeeld iemand die in het buitenland woont, te horen.
Volgens de professoren Franchimont en Traest moeten die preciseringen worden opgenomen in de bepalingen betreffende het internationaal strafrecht, meer in het bijzonder in de bepalingen aangaande de internationale strafrechtelijke samenwerking.
Artikel 60
Dit artikel is ingegeven door artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering.
De wetgever wordt erop gewezen dat artikel 83 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd in het Wetboek van strafvordering een artikel 24bis heeft ingevoegd met betrekking tot de bevoegdheid van de magistraten die gemachtigd zijn om in vredestijd Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen.
Er moet rekening worden gehouden met dat nieuwe artikel.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
De modaliteiten van het opsporingsonderzoek
AFDELING 1
Algemene bepalingen
Artikel 66
Artikel 65 bepaalt dat in de aangifte niet noodzakelijk de dader van het misdrijf moet worden aangewezen.
Ofwel moet diezelfde precisering worden opgenomen in artikel 66, ofwel moet laatstgenoemd artikel als volgt worden gesteld :
« De klacht is de aangifte gedaan door de persoon die zich door het misdrijf benadeeld acht ».
Artikel 68
1. In de tweede zin van dit artikel staat het volgende :
« Ingeval de aangifte of de klacht gericht is aan de procureur-generaal, doet deze laatste ze aan de procureur des Konings toekomen. »
Het spreekt vanzelf dat wanneer het gaat om iemand die voorrecht van rechtsmacht geniet, de procureur-generaal de klacht zelf behandelt.
2. Naar het voorbeeld van wat bepaald is in artikel 69, eerste lid, en onder voorbehoud van de opmerking gemaakt bij dat artikel, zou het dienstig zijn uitdrukkelijk voorbehoud te maken voor het geval waarin artikel 120 voorziet, welk artikel blijkbaar de mogelijkheid biedt sommige processen-verbaal niet over te zenden aan de procureur des Konings, maar daarvan enkel melding te maken in een register, waarvan de inhoud periodiek aan het openbaar ministerie wordt bezorgd.
Artikel 69
1. In verband met de woorden « Onverminderd het bepaalde in artikel 120 », vooraan in het eerste lid, wordt verwezen naar de opmerking die bij dat artikel wordt gemaakt.
2. In het eerste lid zou men in plaats van te verwijzen naar « de procureur des Konings bij de rechtbank ... » melding moeten maken van « de procureur des Konings, bevoegd krachtens artikel 59 ».
Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 70.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
De gerechtelijke politie
Voorafgaande opmerkingen
1. De volgorde van de artikelen dient te worden gewijzigd. Artikel 72, waarin een definitie van de gerechtelijke politie wordt gegeven, dient vooraf te gaan aan artikel 71, waarin vermeld wordt door wie de gerechtelijke politie wordt uitgeoefend.
2. De gerechtelijk politie is een functie en geen orgaan (58). De uitdrukkingen die gebruikt worden in artikel 72 (« De gerechtelijke politie is ... belast ») en in artikel 73 (« De gerechtelijke politie bestaat uit ») (59) zijn evenwel nauwelijks aangepast aan het feit dat die politie een functie is.
Men zou er beter aan doen in artikel 72 te schrijven dat de gerechtelijke politie « erin bestaat » en in artikel 73, onder voorbehoud van de hiernavolgende opmerking, te bepalen dat ze « wordt uitgeoefend door ».
3. In artikel 71, 1º, worden onder degenen die de gerechtelijke politie uitoefenen « de leden van de federale politie en van de lokale politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie » vermeld.
In artikel 73 van het voorstel staat evenwel dat de gerechtelijke politie « bestaat uit »:
« (...)
3º de personen aan wie de wet, overeenkomstig artikel 3, punt vier, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, uitdrukkelijk de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie toekent;
4º de ambtenaren en agenten van een openbare dienst die door de wet belast worden het ambt van gerechtelijke politie uit te oefenen en de personen die zij machtigt dat ambt uit te oefenen ».
Artikel 61, § 1, eerste lid, luidt als volgt :
« De procureur des Konings heeft het recht de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet (lees : van 5 augustus 1992) op het politieambt, en alle andere officieren van gerechtelijke politie te vorderen om, met uitzondering van de door de wet ingestelde beperkingen, alle voor het opsporingsonderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen. »
Krachtens artikel 110, ten slotte, kan beslag worden gelegd door « de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die door de wet gemachtigd zijn hen te vervangen ».
Het voorstel wordt moeilijk te begrijpen als men die artikelen naast elkaar legt. De Raad van State wijst er inzonderheid op dat krachtens de artikelen 61, § 1, eerste lid, en 71, 1º, alleen officieren van gerechtelijke politie handelingen van gerechtelijke politie kunnen verrichten, terwijl die handelingen krachtens artikel 73, 3º en 4º, eveneens kunnen worden verricht door agenten van gerechtelijke politie of door agenten die ermee belast worden « het ambt van gerechtelijke politie uit te oefenen ».
Overigens ziet de Raad van State niet in waarom op zijn minst twee verschillende artikelen (71, 1º, en 73) besteed worden aan iets wat slechts één aangelegenheid lijkt.
Kortom, er dient duidelijker te worden aangegeven door wie de functie van gerechtelijke politie wordt uitgeoefend, hoe het onderscheid wordt gemaakt tussen een officier van gerechtelijke politie « hulpofficier van de procureur des Konings », een officier van gerechtelijke politie en een agent van gerechtelijke politie (60) (61) alsook welke handelingen van gerechtelijke politie kunnen worden uitgevoerd door deze of gene categorie (62).
Hoe dan ook dient te worden gezorgd voor het onderling op elkaar afstemmen van enerzijds de definitie van gerechtelijke politie en die van personen welke haar uitoefenen en anderzijds de bepalingen van andere bijzondere wetten die geheel of gedeeltelijk aan dezelfde kwesties gewijd zijn (63).
Artikel 71
1. Dit artikel steunt op artikel 9 van het Wetboek van strafvordering, waarvan de versies elkaar sedert enkele jaren in snel tempo opvolgen. In de toelichting wordt verwezen naar de versie die ingevoerd is bij artikel 24 van de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings. Sedertdien is dat artikel 9 vervangen bij artikel 55 van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket en is het gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen.
In de thans geldende versie van artikel 9, 1º, van het Wetboek van strafvordering wordt geen melding meer gemaakt van burgemeesters en schepenen (64). De Arbeidsauditeurs en hun substituten, daarentegen, worden daarin terecht wel vermeld.
De tekst behoort dienovereenkomstig te worden aangepast.
2. Artikel 71 luidt als volgt :
« De gerechtelijke politie wordt, onder het gezag van de hoven van beroep en, binnen zijn bevoegdheden onder het gezag van de federale procureur, uitgeoefend volgens de hierna gemaakte onderscheidingen : ... ».
Artikel 361 van het voorstel (het huidige artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering), dat deel uitmaakt van Boek III, titel III, Hoofdstuk 2, afdeling 4, betreffende het hof van assisen, luidt als volgt :
« Alle officieren van gerechtelijke politie staan onder toezicht van, al naar gelang van het door de wet gemaakte onderscheid, de procureur-generaal bij het hof van beroep of de federale procureur.
Al degenen die, volgens artikel 73 van dit wetboek, uit hoofde van een ambt, zelfs van een bestuursambt, door de wet belast zijn met het verrichten van sommige daden van gerechtelijke politie, staan, doch alleen in dit verband, onder hetzelfde toezicht. »
Het zou nuttig zijn om tijdens de parlementaire voorbereiding te verduidelijken wat het verschil is tussen het « gezag » dat door het hof van beroep en de federale procureur wordt uitgeoefend op de gerechtelijke politie en het « toezicht » dat door de procureur-generaal en de federale procureur op diezelfde gerechtelijke politie wordt uitgeoefend.
3. In onderdeel 2º zijn de woorden « onder zijn gezag » overbodig.
Ofwel zijn ze alleen van toepassing op federale magistraten, in welk geval ze een duplicering zijn van artikel 144bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, waarin met grotere nauwkeurigheid wordt bepaald :
« De federale procureur is belast met de leiding van het federaal parket, dat is samengesteld uit federale magistraten, die onder zijn rechtstreekse leiding en toezicht staan. »
Ofwel zijn ze eveneens van toepassing op de leden van de parketten-generaal en de arbeidsauditoraten-generaal binnen het kader van de opdrachten die aan hen worden toevertrouwd overeenkomstig artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in welk geval ze een duplicering vormen van artikel 144bis, § 3, derde lid, naar luid waarvan de magistraten vermeld in de vorige leden « deze taak uit(oefenen) onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur ».
Hoe dan ook staat reeds in de inleidende zin vermeld dat de federale procureur de leiding in handen heeft.
4. In onderdeel 2º wordt inzonderheid verwezen naar :
« (...) de leden van de parketten-generaal en de arbeidsauditoraten-generaal binnen het kader van de hun overeenkomstig artikel 144bis, § 1, tweede en derde lid van de wet van 22 december 1998, betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings, toevertrouwde opdrachten ».
Zoals in het huidige artikel 9, 2º, van het Wetboek van Strafvordering, dient evenwel te worden verwezen naar artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (65).
5. In onderdeel 2º zou eveneens melding moeten worden gemaakt van de andere magistraten bedoeld in artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de leden van de parketten van de procureur des Konings en van de arbeidsauditoraten. Het feit dat de procureur des Konings en zijn substituten reeds vermeld worden in artikel 71, 1º, kan geen grond opleveren om ze niet in onderdeel 2º op te nemen, aangezien ze in dat geval hun functie onder een ander gezag uitoefenen.
Artikelen 72 en 73
Er wordt verwezen naar de voorafgaande opmerkingen die gemaakt zijn bij afdeling 2 (« De gerechtelijke politie »).
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 1
De ondervraging en het verhoor
Artikel 75
In de toelichting bij het voorstel staat dat de schriftelijk verleende machtiging van de procureur des Konings om een dwangmiddel te gebruiken bij het dossier moet worden gevoegd (66).
Die regel is evenwel niet overgenomen in het voorstel. Dat verzuim moet worden goedgemaakt.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 1
Paragraaf 1
Het verhoor in het algemeen
Artikel 76
1. In de Franse tekst van onderdeel 1º, e) en f), behoort te worden geschreven « qu'elle peut produire ... » en « qu'elle peut s'abstenir ... ».
2. In onderdeel 2º dient te worden bepaald dat het proces-verbaal bovendien het tijdstip dient te vermelden waarop de persoon van zijn vrijheid is beroofd, a fortiori wanneer gebruik wordt gemaakt van dwang zoals bepaald in artikel 75.
3. In onderdeel 3º dient, zoals in artikel 149 van het voorstel, te worden bepaald dat het proces-verbaal van het verhoor door de ondervraagde persoon wordt ondertekend en dat als die niet wil of niet kan tekenen, daarvan melding wordt gemaakt, alsook van de reden van de weigering.
4. Er wordt verwezen naar algemene opmerking 4, inzonderheid wat artikel 76, 5º, betreft. De regels betreffende de opname van verhoren zijn immers vastgelegd bij de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media. De artikelen die bij die wet in het Wetboek van strafvordering zijn ingevoegd, dienen in het voorstel te worden overgenomen.
De Raad van State ziet hoe dan ook niet in waarom bepaalde vormvereisten die voorgeschreven zijn voor de audiovisuele opname van het verhoor van minderjarigen in het stadium van het opsporingsonderzoek, niet eveneens gelden voor het verhoor van meerderjarigen, terwijl diezelfde vormvereisten wel van toepassing zijn in het stadium van het gerechtelijk onderzoek (67). Meer in het algemeen zouden in de bepalingen betreffende de opname van het verhoor eerst de regels moeten komen die gelden voor meerderjarigen zowel als voor minderjarigen en zouden de regels die alleen voor minderjarigen gelden daarop moeten volgen.
Subsidiair dienen in onderdeel 5º de woorden « in de gevallen omschreven in de wet » vooraf te gaan aan de woorden « in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden ». De laatstgenoemde categorie kan immers niets anders zijn dan een restcategorie, wanneer zich een geval voordoet waarin de voormelde wet van 2 augustus 2002 niet voorziet.
Tijdens de parlementaire voorbereiding zouden voorbeelden moeten worden gegeven van « ernstige en uitzonderlijke omstandigheden ».
Artikel 77
In het vijfde lid dient overeenkomstig opmerking 1 gemaakt onder artikel 30 te worden geschreven : « van een justitieassistent, als bedoeld in artikel 38, tweede lid ».
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 1
PARAGRAAF 2
Het verhoor van minderjarigen
De artikelen van deze paragraaf zijn algemeen gesteld en betreffen zowel het opsporingsonderzoek als het gerechtelijk onderzoek.
Er wordt derhalve verwezen naar de voorafgaande opmerking over titel II, hoofdstuk I : Het gerechtelijk onderzoek.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 2
De bescherming van bedreigde getuigen
Artikel 91
Deze bepaling neemt artikel 104 van het Wetboek van strafvordering over. In verband met paragraaf 2 moet worden opgemerkt dat de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht opgeheven is bij artikel 27 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.
Voorts moet rekening worden gehouden met de wijziging die artikel 23 van de voornoemde wet van 5 augustus 2003 heeft aangebracht in artikel 104, § 2, van het Wetboek van strafvordering.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 3
De opsporing van aanwijzingen en de materiële vaststelling
van misdrijven
Artikel 99
1. Het voorgestelde artikel betreft hoofdzakelijk de opsporingsmaatregelen die op eigen gezag kunnen worden genomen door de magistraat van het parket. Het spreekt vanzelf dat met de toestemming van de betrokkene andere maatregelen kunnen worden getroffen, zoals bijvoorbeeld een onderzoek aan het lichaam.
2. Overeenkomstig algemene opmerking 4, in verband met de gerechtelijke fouillering en het doorzoeken van een voertuig, dienen in de onderdelen 3º en 4º de bepalingen van de artikelen 28, § 2, en 29, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt te worden overgenomen, die bijgevolg moeten worden opgeheven en vervangen door een verwijzing naar het Wetboek van Strafprocesrecht.
Dezelfde opmerking geldt voor onderdeel 5º wat betreft de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden.
De gerechtelijke fouillering, het doorzoeken van voertuigen en de toepassing van bijzondere onderzoeksmethoden dienen bijgevolg ook te worden geregeld door afzonderlijke paragrafen (die onderafdelingen worden) (68).
3. Hoewel dit niet uitdrukkelijk wordt gepreciseerd in het voorstel (69), kan het openbaar ministerie vanzelfsprekend in het stadium van het opsporingsonderzoek een moraliteitsonderzoek door de politie en een maatschappelijke enquête laten uitvoeren of een beknopt voorlichtingsrapport laten opmaken door een justitieassistent, waarin trouwens reeds voorzien is door sommige bijzondere bepalingen (70).
4. Wat betreft de autopsie, dient artikel 192 van het voorstel te worden verplaatst om er een paragraaf van te maken (die een onderafdeling wordt) van boek III, titel I, hoofdstuk 2 afdeling 3 (« De handelingen van het opsporingsonderzoek »). Deze bepaling zal op de onderzoeksrechter van toepassing zijn krachtens artikel 132, derde lid.
Overigens zou een officier van gerechtelijke politie, in tegenstelling tot wat de inleidende zin zou kunnen doen geloven, zelf geenszins kunnen besluiten tot een autopsie. Ongeacht of het gaat om een echte autopsie dan wel om een uitwendig onderzoek van het lichaam, vormt autopsie immers een deskundigenonderzoek waartoe moet worden besloten door (artikel 101) of waarvoor de toestemming vereist is van (artikel 100) de procureur des Konings.
5. De techniek van de confrontatie wordt niet vermeld bij de verschillende handelingen van het opsporingsonderzoek, terwijl artikel 166 van het voorstel in het stadium van het gerechtelijk onderzoek er betrekking op heeft.
Zoals H.-D. Bosly en D. Vandermeersch er overigens op wijzen (71), was bij de besprekingen van het wetsontwerp-Franchimont een amendement ingediend om voor confrontaties minimumregels vast te stellen met het oog op de identificatie van de verdachte, maar is besloten deze aangelegenheid aan te pakken in de tweede fase van de hervorming.
Indien het de bedoeling van de wetgever is voor deze techniek regels vast te stellen, dient dat te worden gedaan bij de bespreking van het onderhavige wetsvoorstel.
6. Meer algemeen, ten slotte, dient in het voorstel bovendien een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen handelingen waartoe alleen de procureur des Konings kan besluiten, handelingen waartoe kan worden besloten door de procureur des Konings of door degenen die een functie van gerechtelijke politie uitoefenen en, wat deze laatsten betreft, de hoedanigheid waarin zij deze handelingen mogen uitoefenen (officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings, officier van gerechtelijke politie of agent van gerechtelijke politie), alsmede de bijzondere omstandigheden waarin sommige van deze handelingen kunnen worden verricht, onder meer in geval van betrapping op heterdaad. Er wordt verwezen naar opmerking 2 over dit punt in verband met boek III, titel I, hoofdstuk 2 afdeling 2 (« De gerechtelijke politie »).
7. De slotsom is dat de redactie van artikel 99 volledig dient te worden herzien.
Artikel 101
Het Europees Hof voor de rechten van de mens is van oordeel dat wanneer de vraag waarop de gerechtelijk deskundige moet antwoorden bepalend blijkt te zijn voor de oplossing van het geschil dat door de rechter moet worden beslecht en valt binnen een technisch domein waarvan de rechters geen kennis kunnen nemen, de mogelijkheid die aan de partijen wordt geboden om het deskundigenverslag voor de rechtbank te betwisten, niet zou kunnen volstaan om hun een eerlijk proces te bezorgen (72) (73).
De geldigheid van een niet op tegenspraak uitgevoerd deskundigenonderzoek in het stadium van het opsporingsonderzoek zal dus, in het licht van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, afhangen van de analyse van het geval.
Artikel 102
1. Er wordt verwezen naar opmerking 2 over artikel 6, wat betreft de sanctie die verbonden is aan onregelmatig verkregen bewijzen en het verband met de sanctie verbonden aan de proceshandelingen waardoor ze konden worden verkregen.
2. In het eerste lid van de Franse tekst dient in overeenstemming met de Nederlandse tekst te worden gelezen : « À peine de nullité de l'expertise et de perte de toute force probante ».
Artikel 103
1. In 1º (eerste streepje) dienen eveneens de arbeidsauditeurs te worden vermeld bij de geraadpleegde personen.
2. Het is de Raad van State niet duidelijk of de twee voorwaarden in het tweede lid namelijk in spoedeisende gevallen en indien geen van de personen bedoeld in het vorige lid de opdracht van deskundige kan uitoefenen cumulatief zijn, dan wel als alternatief gelden.
Er wordt voorgesteld te schrijven :
« Indien geen van de personen bedoeld in het vorige lid de opdracht van deskundige kan uitoefenen binnen de gestelde termijn ... ».
Artikel 104
1. In het voorstel wordt niet gepreciseerd wat het juridische gevolg is van het overschrijden van de termijn door de deskundige.
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bepaalt in dit verband het volgende :
« Ieder onverantwoord uitstel bij de uitvoering van de opdracht of bij de nederlegging van het verslag brengt een vermindering mede van de honoraria van de deskundige. »
In artikel 8 van een ontwerp van koninklijk besluit « houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken » (74) was bovendien uitdrukkelijk voorzien in een vermindering met 10 % van de erelonen van de deskundige, behoudens een andersluidend gemotiveerd bevel van de magistraat. In zijn voormelde advies heeft de Raad van State evenwel opgemerkt dat dit artikel, alsook artikel 7 van het ontwerp van koninklijk besluit, die betrekking hebben op de termijn waarbinnen de deskundige zijn opdracht moet uitvoeren en zijn verslag moet indienen, veel verder gaan dan gewone uitvoeringsmaatregelen voor de terugbetaling van kosten gemaakt op verzoek van de rechterlijke instanties en echte regels van strafprocesrecht vormen (die in het Wetboek van strafprocesrecht moeten worden opgenomen).
Het voorstel dient derhalve in deze zin te worden aangevuld.
2. In het eerste lid is sprake van « de gevallen van verhindering bepaald in de wet ». Het is echter beter deze gevallen van verhindering rechtstreeks in artikel 104 op te sommen.
Immers, in tegenstelling tot wat bedekt te kennen gegeven wordt in de toelichting bij de artikelen 104 en 201, vormen de gevallen van verhindering geen wrakingsgronden.
3. Indien dit de bedoeling van de wetgever is, dient in het tweede lid te worden gepreciseerd dat tegen de gemotiveerde beslissing van de procureur des Konings geen beroep kan worden ingesteld. In het tegenovergestelde geval dienen de beroepsmogelijkheden te worden bepaald.
Artikel 105
In dit artikel wordt blijkbaar aan de verdachte en aan de persoon die een verklaring van benadeelde « partij » (lees : « persoon » zie artikel 39, eerste lid, van het voorstel) heeft afgelegd, de mogelijkheid toegekend om aan de procureur des Konings de stukken te overhandigen die voor de deskundige bestemd zijn en die volgens hen noodzakelijk zijn, en om alle dienstige opmerkingen te maken.
Te dien einde is het noodzakelijk dat deze partijen in kennis gesteld zijn van het bestaan van een deskundigenonderzoek. Hoewel artikel 106, 1º, in principe een dergelijke kennisgeving vereist, staat in de inleidende zin van het artikel dat daarvan slechts sprake is « als de vereisten van de strafvordering zich daartegen niet verzetten ».
Van tweeën een : ofwel is artikel 105 alleen van toepassing in het geval waarvan sprake is in artikel 106, 1º. In dat geval zou artikel 105 onderdeel 2º van artikel 106 moeten vormen. Ofwel heeft artikel 105 een algemene strekking en is het niet beperkt tot het geval waarin artikel 106 voorziet. In dat geval zou onderdeel 1º van artikel 106 moeten worden weggelaten en zou het eerste lid van artikel 105 moeten vormen.
Artikel 106
De inleidende zin van het eerste lid bepaalt :
« Als de vereisten van de strafvordering zich daartegen niet verzetten ».
Het tweede lid bepaalt :
« De procureur des Konings kan zich verzetten tegen de toepassing van huidig artikel indien de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vereisen of indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privé-leven zou inhouden. »
Deze twee bepalingen overlappen gedeeltelijk elkaar en zouden moeten worden samengebracht.
2. Het is de Raad van State niet duidelijk hoe de toepassing van het tweede lid ertoe zou kunnen leiden dat sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar het eerste lid, 3º, verwijst, niet in acht worden genomen.
Dit is bijvoorbeeld het geval met artikel 979, derde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek.
3. Bovendien hebben de artikelen 981, tweede lid, 982 en 985, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek betrekking op het ereloon en de kosten van het deskundigenonderzoek. Bij de huidige stand van de regelgeving wordt deze aangelegenheid evenwel reeds gedeeltelijk geregeld door de artikelen 1 tot 4 van het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1950.
4. Ten slotte lijken de artikelen 981, eerste lid, en 983 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing op het deskundigenonderzoek in strafzaken, waarvoor alle documenten via de procureur des Konings ter kennis worden gebracht, zoals blijkt uit artikel 106, eerste lid, 2º.
5. De slotsom is dat het verwijzen naar de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zeer ongeschikt is. Het zou beter zijn heel de aangelegenheid van het deskundigenonderzoek te regelen in het stadium van het opsporingsonderzoek in het Wetboek van strafprocesrecht, met dien verstande dat moet worden voorzien in machtigingen aan de Koning voor de bijkomende maatregelen, zoals bijvoorbeeld het ereloon en de kosten van het deskundigenonderzoek.
Artikel 108
Deze bepaling neemt artikel 39bis van het Wetboek van strafvordering over. Gelet op de structuur van het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht, dient evenwel in paragraaf 6, derde lid, in fine, de verwijzing « overeenkomstig de vorige artikelen » te worden aangepast. In werkelijkheid worden de artikelen betreffende het beslag bedoeld, die niet meer voor artikel 108 van het voorstel opgenomen zijn.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 4
De bewarende maatregelen
Voorafgaande opmerkingen
1. Verscheidene bepalingen (zie inzonderheid de artikelen 114 en 115) vermelden de onderzoeksrechter, terwijl onderafdeling 4 opgenomen is is in het gedeelte van het voorstel gewijd aan het opsporingsonderzoek en artikel 110 alleen de procureur des Konings vermeldt, de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die bij de wet gemachtigd zijn hen te vervangen (75).
Wat betreft de samenhang tussen de bepalingen toepasselijk op het opsporingsonderzoek en die met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek, wordt verwezen naar de voorafgaande opmerking gemaakt onder boek III, titel II, hoofdstuk 1 : Het gerechtelijk onderzoek.
2. Verscheidene bepalingen van onderafdeling 4 zijn gebaseerd op de artikelen 32 en volgende van het Wetboek van strafvordering.
Sommige bepalingen zijn echter niet overgenomen; dat is inzonderheid het geval met artikel 35, § 2, dat de terbeschikkingstelling van de federale politie betreft van voertuigen die eigendom zijn van de verdachte of van de inverdenkinggestelde.
3. De onderafdeling moet anders worden gestructureerd, waarbij eerst wordt vermeld wat in beslag kan worden genomen, en vervolgens welke procedures moeten worden gevolgd.
Artikel 110
1. Artikel 110, eerste lid, lijkt te voorzien in de mogelijkheid voor de procureur des Konings, de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die bij de wet gemachtigd zijn hen te vervangen, om een goed in beslag te nemen, zelfs indien degene die het in zijn bezit heeft er zich niet vrijwillig van ontdoet. Die mogelijkheid stemt overigens overeen met artikel 56, tweede lid, van het voorstel, naar luid waarvan opsporingshandelingen op straffe van nietigheid geen enkele dwangmaatregel of een schending van individuele rechten en vrijheden mogen inhouden, met uitzondering van de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 110 en 114, § 2. In dezelfde gedachtegang veronderstelt het bestaan van het strafrechtelijk kortgeding, waarin artikel 123 voorziet, dat de procureur des Konings opsporingshandelingen kan verrichten die een persoon in zijn goederen treffen
Volgens het derde lid echter kan een goed dat niet vrijwillig is overhandigd alleen in beslag worden genomen bij wege van een bevel tot inbeslagneming of van een huiszoekingsbevel. Het voorstel regelt het bevel tot inbeslagneming evenwel niet in het gedeelte gewijd aan het opsporingsonderzoek, noch in het gedeelte gewijd aan het (gerechtelijk) onderzoek. Er moet worden voorzien in die belangrijke leemte, die verband houdt met een begrip dat nieuw is ten aanzien van de huidige bepalingen van het Wetboek van strafvordering.
Indien het bevel tot inbeslagneming alleen door de onderzoeksrechter kan worden afgegeven, zou daaruit volgen dat, behoudens heterdaad en in tegenstelling tot wat de artikelen 56, tweede lid, 110, eerste lid, en 123, § 1, inhouden, het parket alleen de zaken in beslag zou kunnen nemen die vrijwillig aan het parket zijn overhandigd.
2. Volgens het eerste lid van artikel 110 kunnen inzonderheid officieren van gerechtelijke politie en politieambtenaren die bij de wet gemachtigd zijn hen te vervangen de zaken in beslag nemen die zijn aangetroffen op de plaats waar de beslagleggers wettelijk hun ambt uitoefenen of die hen vrijwillig zijn overhandigd door de personen die ze in hun bezit hebben.
Uit het derde lid volgt evenwel dat bij ontstentenis van vrijwillige overhandiging de officier van gerechtelijke politie een bewaarder voor de in beslag te nemen voorwerpen zal moeten aanwijzen totdat een bevel tot inbeslagneming of, zo daartoe grond bestaat, een huiszoekingsbevel wordt afgegeven.
De samenhang tussen die twee leden moet beter blijken uit de ontworpen tekst of moet op zijn minst worden uitgelegd in de parlementaire voorbereiding.
Tevens rijst de vraag wat in het eerste lid moet worden verstaan onder de woorden « politieambtenaren die door de wet gemachtigd zijn hen te vervangen », die niet voorkomen in het derde lid.
3. Artikel 110, eerste lid, voorziet in de inbeslagneming van « de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek ». De Raad van State vraagt zich af waarom ook niet de zaken bedoeld in artikel 43quater van het Strafwetboek worden vermeld, dat wil zeggen de verdere vermogensvoordelen waarvan wordt vermoed dat ze uit identieke feiten voortspruiten of het vermogen van een criminele organisatie, terwijl die zaken wel worden vermeld in artikel 114, § 2, dat de inbeslagneming bij equivalent betreft. H.-D. Bosly en D. Vandermeersch schrijven in dat verband :
« De façon paradoxale, la loi autorise uniquement la saisie par équivalent des avantages supplémentaires présumés provenir de « faits identiques » ou du patrimoine de l'organisation criminelle et non la saisie directe de tels avoirs.
Il semble que cela résulte d'une inadvertance du législateur ... » (76)
Bijgevolg dient artikel 110, eerste lid, aangevuld te worden met een verwijzing naar artikel 43quater van het Strafwetboek.
4. Het eerste lid bepaalt :
« De procureur des Konings, de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die door de wet gemachtigd zijn hen te vervangen, nemen alles in beslag wat een van de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek schijnt uit te maken, alsook alles wat ertoe kan bijdragen de waarheid aan het licht te brengen (...). »
De zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek zijn die welke het voorwerp van inbeslagneming kunnen zijn.
Het tweede lid bepaalt :
« De procureur kan het bewarend beslag bevelen van goederen die in aanmerking komen voor teruggave of verbeurdverklaring. »
Het is de Raad van State niet duidelijk :
1º wat het onderscheid is tussen enerzijds « de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek, alsook alles wat ertoe kan bijdragen de waarheid aan het licht te brengen » en anderzijds « goederen die in aanmerking komen voor teruggave of verbeurdverklaring »;
2º wat het verschil is tussen een « gewone » inbeslagneming en een bewarend beslag; is niet iedere inbeslagneming een bewarende maatregel, zoals wordt aangegeven in het opschrift van onderafdeling 4 ?
3º waarom alleen de procureur des Konings het bewarend beslag kan bevelen van goederen die in aanmerking komen voor teruggave of verbeurdverklaring, terwijl beslag zonder nadere precisering van de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek en van alles wat ertoe kan bijdragen de waarheid aan het licht te brengen kan worden bevolen door de procureur des Konings, de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die door de wet gemachtigd zijn hen te vervangen.
5. De conclusie is dan ook dat artikel 110 grondig moet worden herzien.
Artikel 111
In het eerste lid moet worden gewerkt met de uitdrukking « de voorwerpen, papieren en documenten die in beslag zijn genomen » en moeten de woorden « of die vrijwillig zijn overhandigd » vervallen. Krachtens artikel 110, eerste lid, blijft een vrijwillig overhandigd voorwerp immers niettemin een in beslag genomen voorwerp. De vrijwillige overhandiging ervan is een gebeurtenis die voorafgaat aan de inbeslagneming.
Zo ook schrijve men in het tweede lid « De in beslag genomen voorwerpen, papieren en documenten », waarbij de woorden « of overhandigde » moeten vervallen.
Artikel 112
Dit artikel bepaalt :
« De officieren van gerechtelijke politie die voorwerpen, papieren en documenten in beslag nemen ingevolge een bevel tot huiszoeking en (lees : of) een bevel tot inbeslagneming zijn gehouden zich, op straffe van nietigheid, te gedragen overeenkomstig de bepalingen van het vorige artikel. »
Aangezien het « vorige artikel » reeds « op straffe van nietigheid » een bepaald aantal verplichtingen ten laste van de officieren van gerechtelijke politie voorschrijft met betrekking tot « voorwerpen, papieren en documenten die in beslag zijn genomen of die vrijwillig zijn overhandigd », lijkt artikel 112 op het eerste gezicht tautologisch.
Artikel 113
1. Onderafdeling 4 bevat artikelen in verband met het beslag. Te midden van die artikelen bevindt zich artikel 113, dat de huiszoeking betreft; dit artikel hoort bijgevolg niet thuis in deze onderafdeling.
2. In het tweede lid is het verkieslijk de woorden « de persoon bij wie zij wordt verricht » te vervangen door de woorden « de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats » (77).
Artikel 114
Artikel 114, § 1, betreft de inbeslagneming van onroerende goederen. Het zou evenwel beter zijn het beslag op onroerend goed te behandelen in een onderscheiden artikel, dat komt na de artikelen inzake het beslag op roerend goed.
Artikel 115
1. De Raad van State ziet het nut niet in van paragraaf 1, eerste lid. Hij ziet met name niet in waarom een specifieke bepaling dient te worden gewijd aan inbeslagneming « in de woning van de verdachte », terwijl artikel 110 een algemene draagwijdte heeft en toepasselijk is op alle vormen van beslag. Bovendien verschillen de bewoordingen van artikel 115, § 1, eerste lid, van die van artikel 110, § 1, eerste lid. De twee teksten zouden beter op elkaar moeten worden afgestemd, of zouden zelfs moeten worden samengevoegd.
2. Artikel 111 moet worden samengevoegd en in overeenstemming worden gebracht met artikel 115, § 1, tweede lid. De regels inzake beslag onder derden moeten in een afzonderlijk artikel worden opgenomen.
3. In de Franse tekst van paragraaf 2, derde lid, is sprake van een « reproduction littérale du texte du § 4 de l'article 1452 du Code judiciaire ». Artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek is echter niet in paragrafen onderverdeeld. Zoals H.-D. Bosly en D. Vandermeersch (78) beklemtonen, berust dit op een vergissing, daar met paragraaf 4 die van artikel 115 bedoeld wordt. Daarom moet in de Franse tekst een komma worden geplaatst na de woorden « § 4 », zoals in de Nederlandse versie het geval is.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 5
De maatregelen met betrekking tot personen
Artikel 116
De opgaaf van de gevallen waarin een persoon van zijn vrijheid kan worden beroofd, is onvolledig. Het geval bedoeld in artikel 75, te weten de dwang uitgeoefend tegen een persoon die geen gevolg geeft aan een oproeping door een officier van gerechtelijke politie, moet daaraan worden toegevoegd.
Artikelen 117 en 118
1. De uitdrukking « leden van de gerechtelijke politie » zou de indruk kunnen wekken dat er nog een politiekorps bestaat dat « gerechtelijke politie » heet, wat niet het geval is.
2. De artikelen 117 en 118 zijn alleen dienstig indien de wetgever voornemens is de toepassing van de artikelen 35, 37 en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt uit te breiden tot andere personen dan de leden van de federale politie en van de lokale politie.
Die personen zouden blijkbaar al diegenen zijn die een ambt van gerechtelijke politie uitoefenen en die bedoeld worden in de artikelen 61, § 1, eerste lid, en 73. Zulks dient te worden gepreciseerd.
Artikel 117
De wetgever wordt erop gewezen dat artikel 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, dat het gebruik van vuurwapens betreft, logischerwijs alleen toepassing kan vinden op agenten van het openbaar gezag of van de openbare macht « die een wapen dat tot hun voorgeschreven uitrusting behoort, in dienst bij zich hebben of voor de dienst voorhanden hebben. De diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht waartoe deze ambtenaren behoren worden aangeduid door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit » (79).
Artikel 118
In de toelichting bij het voorstel wordt gepreciseerd dat de strafrechtelijke sanctie moet worden ingeschreven in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (80). Met die suggestie moet rekening worden gehouden.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 6
De verslagen en de processen-verbaal
Artikel 119
Krachtens het derde lid, 5º, eerste zin, moet in het proces-verbaal vermeld worden « dat aan de comparanten lezing is gegeven van hun verklaring ».
Uit artikel 76, 3º, eerste zin, blijkt echter het volgende :
« Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. »
De twee bepalingen moeten in overeenstemming worden gebracht met elkaar.
Artikel 120
In de toelichting staat te lezen :
« Deze bepaling is nieuw, in zoverre het openbaar ministerie de officier van gerechtelijke politie kan toestaan om een proces-verbaal niet over te zenden als het misdrijf weinig ernstig schijnt te zijn. Er zullen derhalve richtlijnen moeten uitgevaardigd worden teneinde te bepalen welke processen-verbaal niet moeten worden overgezonden. » (81)
Uit die commentaar volgt dat de strekking van die bepaling erin bestaat de officieren van gerechtelijke politie in staat te stellen zelf, op basis van richtlijnen die in die zin door het openbaar ministerie worden uitgewerkt, de ernst te bepalen van een strafbaar feit, waarvan ze het desbetreffende vereenvoudigde proces-verbaal eventueel niet hoeven over te zenden.
Artikel 120, zoals het in de toelichting wordt uitgelegd, maakt het niet mogelijk te bepalen hoe het openbaar ministerie vervolgens met kennis van zaken zijn sepotrecht kan uitoefenen, dat deel uitmaakt van de uitoefening van de strafvordering. Volgens artikel 151, § 1, van de Grondwet kan echter alleen het openbaar ministerie dat recht uitoefenen (82).
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
De rechten van iedere persoon benadeeld door
een opsporingshandeling, van de persoon die een verklaring van
benadeelde persoon heeft afgelegd en de rechten van de verdachte
Artikel 123
In dit artikel wordt artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering overgenomen.
De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat een artikel 28octies ingevoegd is bij artikel 7 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties.
Er dient rekening te worden gehouden met dit nieuwe artikel.
Artikel 124
1. Volgens de toelichting (83) moet die bepaling, die een definitie geeft van wat verstaan moet worden onder een persoon « die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd », in verband worden gebracht met de artikelen 125 en 126 van het voorstel, die reeds in het stadium van het opsporingsonderzoek zowel voor de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar, als voor de persoon die overeenkomstig artikel 39 van het voorstel een verklaring van benadeelde persoon heeft gedaan, het recht openstellen om inzage te hebben in het dossier en om te vragen dat een bijkomende opsporingshandeling wordt verricht.
Het opzet van de indieners van het voorstel bestaat erin reeds vanaf het stadium van het opsporingsonderzoek ten behoeve van de verdachte persoon en van de benadeelde persoon rechten te scheppen die identiek zijn met die welke de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij nu reeds genieten in het kader van het (gerechtelijk) onderzoek (84).
Die artikelen 125 en 126, die in de toelichting belangrijke nieuwigheden worden genoemd gelet op het grote aantal strafzaken die in het stadium van het opsporingsonderzoek in staat van wijzen worden gebracht, worden voorgesteld als een antwoord op de kritiek die is uitgebracht bij de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, volgens welke de rechten van de benadeelde partijen alleen in het kader van het gerechtelijk onderzoek waren versterkt (85).
De tenuitvoerlegging van die nieuwe rechten doet geen praktische moeilijkheden rijzen ten aanzien van de benadeelde persoon; in de toelichting lezen we echter het volgende :
« Anders is de toestand van de persoon die door de procureur des Konings rechtstreeks zou kunnen worden gedagvaard voor de feitenrechter en voordien over geen enkel recht beschikt, soms zelfs gedurende jaren, hoewel zij meermaals is ondervraagd. » (86)
Teneinde het begrip « verdachte persoon » te objectiveren en teneinde aldus het openstellen van de rechten voorgeschreven bij de artikelen 125 en 126 mogelijk te maken, voert artikel 124 van het voorstel derhalve het volgende mechanisme in :
eenieder die verschillende malen is ondervraagd door de gerechtelijke of politionele instanties, kan door een verzoekschrift gericht aan de procureur des Konings vragen of hij « ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd »;
de procureur des Konings moet binnen twee maanden na ontvangst van dat verzoekschrift daarop antwoorden;
indien het antwoord van de procureur des Konings negatief is, gebeurt er niets;
indien de procureur des Konings binnen de gestelde termijn bevestigend antwoordt, moet hij de aard van het strafbare feit aangeven waarvan de persoon wordt verdacht, en dan kan de verdachte persoon, hoewel zulks niet uitdrukkelijk wordt aangegeven in het voorstel of in de toelichting erbij, gebruik maken van de rechten voorgeschreven bij de artikelen 125 en 126;
indien de procureur des Konings niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, kan de verdachte persoon eveneens de rechten genieten die zijn voorgeschreven bij de artikelen 125 en 126.
Aldus opgevat dienen omtrent het mechanisme ingevoerd bij het voorstel de volgende opmerkingen te worden gemaakt :
1º gelet op de betekenis van de woorden « verschillende malen » kan een persoon zich beroepen op artikel 124 zodra hij tweemaal is ondervraagd door de politionele instanties, zelfs indien de verhoren hebben plaatsgehad binnen een korte tijdspanne en de gerechtelijke instanties mogelijkerwijs nog niet zijn ingelicht over die verhoren. Is dit wel de bedoeling van de indieners van het voorstel, terwijl in de toelichting de klemtoon wordt gelegd op de situatie van de persoon die soms over vele jaren beschouwd verscheidene malen is ondervraagd (87) ?
2º gelet op het grote aantal dossiers die ieder jaar worden behandeld in het stadium van het opsporingsonderzoek, rijst de vraag of de termijn van twee maanden waarover de procureur des Konings volgens artikel 124 beschikt om te antwoorden op het verzoekschrift, toereikend is. Dat geldt des te meer daar tal van dossiers nog niet bekend zullen zijn door de gerechtelijke instanties of hen nog niet zullen zijn overgezonden (88) op het tijdstip van ontvangst van het verzoekschrift;
3º in artikel 124 wordt eenvoudigweg verwezen naar het begrip « persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd », terwijl de artikelen 125 en 126 nauwkeuriger zijn doordat ze verwijzen naar het begrip « eenieder die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar ». Derhalve moet worden verondersteld dat het antwoord van de procureur des Konings alleen bevestigend hoeft te zijn indien de persoon effectief ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar. Iedere andersluidende interpretatie zou meebrengen dat een persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd dat niet strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar, dezelfde rechten zou krijgen als de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar. Dit lijkt evenwel niet het opzet te zijn van de indieners van het voorstel. De tekst van artikel 124 moet op zijn minst worden aangepast, zodat die bedoeling duidelijker tot uiting komt;
4º indien het antwoord bevestigend is, moet de procureur des Konings tevens « de aard van het strafbaar feit » aangeven. In de toelichting wordt echter niets gezegd over de draagwijdte van die woorden. Moet daaronder de enkele opgaaf worden verstaan van de feiten waarvan de ondervraagde persoon wordt verdacht, ofwel de kwalificatie van het strafbaar feit ? In verband met deze laatste mogelijkheid moet men zich ervan bewust zijn dat het in het algemeen pas wanneer het dossier in staat van wijzen is dat het openbaar ministerie, bij de lezing van alle processen-verbaal, zich een duidelijke mening vormt over wie verdacht wordt en wie niet, alsmede over de kwalificatie van het strafbaar feit;
5º ofschoon noch de tekst van artikel 124, noch de toelichting enige precisering daaromtrent bevat, moet worden verondersteld dat een negatief antwoord van de procureur des Konings binnen de daartoe gestelde termijn deze laatste niet bindt voor de toekomst. Wat moet de procureur des Konings dan doen wanneer hij van mening verandert ? Moet worden beschouwd dat hij nog steeds op geldige wijze geadieerd is terzake van het verzoekschrift van die persoon en dat hij, zelfs indien de termijn van twee maanden is overschreden, uit eigen beweging die persoon moet meedelen dat hij van mening is veranderd en dat die persoon effectief ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd (« strafbaar met een gevangenisstraf van ten minste een jaar ») ?
Kortom, de vraag rijst of het mogelijk is de rechten die de inverdenkinggestelde op basis van de artikelen 206 en 207 van het voorstel geniet in het stadium van het gerechtelijk onderzoek, zonder meer door te trekken naar het stadium van het opsporingsonderzoek, zulks op basis van criteria in aanmerking genomen door de indieners van het voorstel (89). De deugdelijkheid van het mechanisme dat de indieners van het voorstel hebben uitgewerkt, moet in ieder geval worden herzien in het licht van de voorgaande opmerkingen (90).
2. Subsidiair schrijve men in het eerste lid « op het secretariaat van het parket » (91) en in het tweede lid « binnen twee maanden na het ontvangen van het verzoekschrift ».
Artikel 125
In paragraaf 2, eerste lid, wordt wat betreft de sanctie verbonden aan de ontstentenis van keuze van woonplaats verwezen naar opmerking 2, gemaakt onder artikel 44.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 126, § 2, eerste lid.
Artikel 126
De Raad van State vraagt zich af wat in paragraaf 2, tweede lid, de zin is van de sanctie van de nietigheid ingeval de beslissing van de procureur des Konings te laat komt.
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 3
De modaliteiten van het onderzoek bij ontdekking op heterdaad
Artikel 127
1. In het eerste lid is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Franse versie, waarin de begrippen « infraction » en « flagrant délit » worden gebruikt, en de Nederlandse versie, waar sprake is van de begrippen « misdrijf » en « op heterdaad ontdekt misdrijf ».
2. De Raad van State vraagt zich af of het in het tweede lid niet eenvoudiger zou zijn de uitdrukking « binnen vierentwintig uur te rekenen van het feit » te vervangen door de woorden « binnen vierentwintig uur na de feiten ».
3. Er wordt verwezen naar opmerking 2, gemaakt onder artikel 129.
Gelet op die opmerking is het derde lid doelloos, zodat het moet vervallen.
Artikel 128
1. Volgens de toelichting, waarin wordt verwezen naar de werkzaamheden van koninklijk commissaris Bekaert (92), is de procureur des Konings, van wie in geval van misdaden of wanbedrijven ontdekt op heterdaad de bevoegdheden worden uitgebreid,
« (...) zodra de omstandigheden het toelaten (...) gehouden het onderzoek aan de onderzoeksrechter over te dragen met het verzoek dit voort te zetten ».
In dat verband stelt C. Van den Wyngaert het volgende (93) :
« In de praktijk heeft zich, naast het opsporingsonderzoek volgens de regels van de heterdaadprocedure, een « gewoon » opsporingsonderzoek ontwikkeld, waarbij de procureur en zijn hulpofficieren onderzoeksverrichtingen mogen stellen, ook al is er geen betrapping op heterdaad. Als de procureur zijn bijzondere bevoegdheden uitoefent op grond van de regels inzake heterdaad (bijvoorbeeld een huiszoeking) dan moet hij daarna niet noodzakelijk een gerechtelijk onderzoek vorderen. De procureur des Konings kan, na het stellen van de onderzoeksdaad, zijn onderzoek gewoon voortzetten bij wijze van eenvoudig opsporingsonderzoek (94). Bovendien kan de procureur des Konings aan de onderzoeksrechter specifieke dwangmaatregelen vragen zonder hem met het volledige onderzoek te belasten (artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering) (95). Deze vorm van opsporingsonderzoek is pas in 1998 in de wet omschreven (artikel 28bis en volgende van het Wetboek van strafvordering). »
H.-D. Bosly en D. Vandermeersch merken tevens op (96) :
« La procédure de flagrant délit prend fin :
quand le juge d'instruction, auquel le procureur du Roi doit donner avis de son transport (article 32 du Code d'instruction criminelle), arrive sur place;
en toute hypothèse, dès que le transport est terminé et qu'il y a interruption dans l'accomplissement des actes (article 45 du Code d'instruction criminelle).
Dès lors, la procédure reprend son cours normal et le procureur du Roi et les OPJ ne disposent plus que de leurs pouvoirs habituels. »
Indien het wel de bedoeling van de indieners van het voorstel is om die optiek te volgen (97), moet artikel 128 van het voorstel preciezer worden geformuleerd (98).
Indien dat niet hun bedoeling is, moet de draagwijdte van die bepaling duidelijk worden uiteengezet in de loop van de parlementaire voorbereiding.
2. Hoe dan ook moet worden gezorgd voor overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse versie. In de Nederlandse versie lezen we « overeenkomstig de vormen voorgeschreven in de bepalingen van dit wetboek », en in de Franse versie « dans les formes (et ?) suivant les règles déterminées dans le présent Code ».
Artikel 129
1. Overeenkomstig het huidige artikel 46 van het Wetboek van Strafvordering schrijve men :
« Art. 129. De bevoegdheden, hierboven aan de procureur des Konings toegekend voor de gevallen van ontdekking op heterdaad, bestaan ook in alle gevallen waarin een misdaad of een wanbedrijf, zelfs al is het niet op heterdaad ontdekt, gepleegd is binnen een huis, en de procureur des Konings verzocht wordt het misdrijf vast te stellen ... »
2. In artikel 129, 1º, is sprake van « de eigenaar van dit huis », terwijl in artikel 127, derde lid, waarvan de Raad van State voorstelt dat die bepaling zou vervallen, de uitdrukking « de persoon die het recht heeft toegang tot een woning te verlenen » wordt gebruikt.
Indien die twee begrippen niet overeenstemmen, moet in artikel 129 een onderdeel 3º worden toegevoegd waarin sprake is van « de persoon die het recht heeft toegang tot een woning te verlenen ».
BOEK III
TITEL I
HOOFDSTUK 4
De afsluiting van het opsporingsonderzoek
Artikel 130
1. In het eerste lid schrijve men « of door het instellen van de strafvordering bij wege van een rechtstreekse dagvaarding ».
Ook in het geval genoemd in artikel 25 is er immers sprake van het in gang zetten van de strafvordering.
2. De Raad van State ziet niet in wat het nut ervan is om in het tweede lid te verwijzen naar de « bedoeling » van de procureur des Konings. Wat telt, is het feit dat de rechtstreekse dagvaarding effectief gelanceerd wordt. Daarom wordt voorgesteld te schrijven : « Alvorens de persoon die ervan wordt verdacht het strafbaar feit te hebben gepleegd, rechtstreeks voor de correctionele rechtbank te dagvaarden, stelt de procureur des Konings deze laatste, alsook de persoon die een verklaring van benadeelde persoon (99) heeft afgelegd ... ».
BOEK III
TITEL II
Het gerechtelijk onderzoek (100) en de onderzoeksgerechten
HOOFDSTUK 1
Het gerechtelijk onderzoek
Voorafgaande opmerking
Een aantal handelingen kunnen zowel door de procureur des Konings in het stadium van het opsporingsonderzoek, als door de onderzoeksrechter in het stadium van het gerechtelijk onderzoek worden gesteld. Dwangmaatregelen daarentegen, of maatregelen die afbreuk doen aan individuele rechten en vrijheden, kunnen alleen door de onderzoeksrechter worden genomen, met uitzondering van onder meer inbeslagnemingen (artikel 56, tweede lid), dwang ten aanzien van onwillige getuigen (artikel 75), of maatregelen in geval van ontdekking op heterdaad (artikel 128) (101).
Omgekeerd gelden sommige regels specifiek voor het opsporingsonderzoek, bijvoorbeeld al wat de proactieve recherche betreft (artikel 55, tweede lid). Bovendien zijn, in het geval dat een handeling zowel door de procureur des Konings kan worden gesteld als door de onderzoeksrechter, sommige termen (102) of sommige werkwijzen soms verschillend, gezien de verschillende aard van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, en het verschil tussen de status van procureur des Konings en die van onderzoeksrechter.
Daaruit volgt, wat de structuur van het Wetboek betreft, dat bij de regelgeving op vier wijzen te werk kan worden gegaan :
a) in de hoofdstukken die gewijd zijn aan het gerechtelijk onderzoek, alle bepalingen van boek III, titel I, betreffende het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie die tevens van toepassing zijn op de onderzoeksrechter, volledig en als op zichzelf staande bepalingen overnemen, en daaraan de wijzigingen toevoegen die verantwoord zijn wegens de eigenheden van het gerechtelijk onderzoek;
b) in de hoofdstukken die gewijd zijn aan het gerechtelijk onderzoek, verwijzen naar de bepalingen van boek III, titel I, betreffende het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie en, voor het overige, enkel de regels vermelden die specifiek gelden voor het gerechtelijk onderzoek;
c) de aangelegenheid regelen in de hoofdstukken die gewijd zijn aan het gerechtelijk onderzoek en daarnaar verwijzen in boek III, titel I, betreffende het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie, dat bijgevolg enkel de regels zal bevatten die specifiek gelden voor het opsporingsonderzoek;
d) een titel wijden aan de regels die zowel voor het opsporingsonderzoek als voor het gerechtelijk onderzoek gelden, gevolgd door twee titels die respectievelijk gewijd zijn aan de eigenheden van het opsporingsonderzoek en aan die van het gerechtelijk onderzoek.
In artikel 132, derde lid, hebben de stellers van het voorstel gekozen voor de tweede oplossing. In die bepaling staat immers dat de onderzoeksrechter zelf de handelingen mag verrichten die behoren tot de gerechtelijke politie, het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.
Het voorstel bevat echter bepalingen die volgens een andere logica zijn opgemaakt.
a) In sommige artikelen van de titel betreffende het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie worden zowel de procureur des Konings als de onderzoeksrechter vermeld; zij zijn bijgevolg opgemaakt volgens de vierde van de genoemde technieken. Dat geldt voor de bepalingen betreffende het verhoor van minderjarigen (artikelen 78 tot 88), de bedreigde getuigen (artikelen 89 tot 98), het bewarend beslag op onroerend goed (artikel 114, § 1, derde lid), het derdenbeslag (artikel 115, § 2, derde lid, en § 4, tweede lid), de processen-verbaal (artikel 119, tweede lid).
b) Sommige artikelen die betrekking hebben op het gerechtelijk onderzoek stemmen, in verschillende mate, overeen met artikelen die betrekking hebben op het opsporingsonderzoek; ze zijn dus opgemaakt volgens de eerste van de genoemde technieken. Dat is het geval met artikel 133 betreffende de vorderingen (vergelijk met artikel 61), de artikelen 148 en 157 betreffende de ondervragingen (vergelijk met artikel 77), artikel 159 betreffende het verhoor van minderjarigen (vergelijk met de artikelen 78, 79, § 1, en 85), artikel 175 betreffende de inbeslagnemingen (vergelijk met artikel 110), artikel 177 betreffende het beslag op onroerend goed (vergelijk met artikel 114, § 1), artikel 190 betreffende de DNA-analyses (vergelijk met artikel 109), de artikelen 197 tot 203 betreffende het deskundigenonderzoek (vergelijk met de artikelen 100 tot 106), de artikelen 206 en 207 betreffende de inzage van het dossier en de bijkomende onderzoekshandelingen (vergelijk met de artikelen 125 en 126), en artikel 208 betreffende het beroep tegen onderzoekshandelingen (vergelijk met artikel 123).
c) Sommige artikelen die betrekking hebben op het gerechtelijk onderzoek verwijzen uitdrukkelijk naar bepaalde artikelen betreffende het opsporingsonderzoek, terwijl met de algemene verwijzing in artikel 132, derde lid, in principe volstaan zou moeten kunnen worden. Dat is het geval met de artikelen 147, tweede lid, en 154, derde lid, bij welke artikelen artikel 76 van toepassing wordt verklaard op de ondervragingen die plaatsvinden in het kader van het gerechtelijk onderzoek; met artikel 159, vijfde lid, dat bepaalt dat de artikelen 79, § 2, 80, 81, 82, 83, 84, eerste en tweede lid, 86, 87 en 88 van toepassing zijn op het verhoor van een minderjarige in het stadium van het gerechtelijk onderzoek; met artikel 165, waarbij de artikelen 89 tot 98 van toepassing worden verklaard op de bescherming die in het kader van het gerechtelijk onderzoek aan bedreigde getuigen wordt geboden; met artikel 175, tweede lid, waarbij de artikelen 110 en 115 van toepassing worden verklaard op de inbeslagnemingen die verricht worden door de onderzoeksrechter.
d) Sommige bepalingen die betrekking hebben op de procureur des Konings staan in het gedeelte van het voorstel dat gewijd is aan het gerechtelijk onderzoek. Dat is het geval met artikel 179, § 1, vijfde en zesde lid.
Het voorstel moet bijgevolg herzien worden zodat de manier van verdeling van de materie tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, zoveel mogelijk harmonischer verloopt.
Artikel 132
In artikel 132 wordt artikel 56, § 1, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen. De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat op 3 maart 2004 een ontwerp van wet « tot wijziging van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering » (103) ingediend is bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, om paragraaf 1 van artikel 56 aan te vullen met het volgende lid :
« De onderzoeksrechter stelt de procureur des Konings en de federale procureur, of in de gevallen waarin hij de strafvordering uitoefent uitsluitend de federale procureur, onmiddellijk in kennis van de informatie en inlichtingen die hij in de loop van het gerechtelijk onderzoek heeft verkregen en die wijzen op een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de openbare veiligheid en de volksgezondheid. »
Verwezen wordt naar algemene opmerking 6.
Artikel 133
Paragraaf 1, derde lid, bepaalt dat wanneer een politiedienst aan de onderzoeksrechter niet het vereiste personeel en de nodige middelen kan geven, laatstgenoemde bij beschikking het hoofd van de politie kan « verzoeken op te treden na hem over de toestand te hebben ingelicht ».
In de toelichting staat dat het gaat om het « hoofd van de lokale politie » (104). Het zou dan ook beter zijn, overeenkomstig artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, te schrijven « korpschef van de lokale politie ».
Ook dient te worden gepreciseerd tot welke overheid de onderzoeksrechter zich moet wenden wanneer de vorderingen niet naar de lokale politie zijn gestuurd, maar naar de federale politie of naar personen genoemd in artikel 73, die onder andere diensten ressorteren.
Artikel 135
1. In het tweede lid is er een discrepantie tussen de Franse en de Nederlandse versie. In de eerste regel van de Nederlandse versie staat « de een bij gebrek aan de andere », wat niet zo is in de Franse versie.
Die discrepantie moet verholpen worden.
2. Het vijfde lid bepaalt dat de onderzoeksrechter, ingeval hij territoriaal niet bevoegd is, alvorens enige onderzoekshandeling te verrichten de zaak naar de onderzoeksrechter verwijst die er kennis van zou kunnen nemen.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 69 van het Wetboek van Strafvordering, dat nochtans enkel betrekking heeft op het geval van een burgerlijkepartijstelling.
Er zijn echter verschillende gevallen mogelijk.
a) Wanneer een burgerlijkepartijstelling is ingediend bij een onderzoeksrechter die territoriaal onbevoegd is, zijn er twee oplossingen :
ofwel verwijst de onderzoeksrechter de burgerlijkepartijstelling rechtstreeks naar de rechter die territoriaal bevoegd is, zonder dat hij die overeenkomstig artikel 140 meedeelt aan de procureur des Konings;
ofwel deelt de onderzoeksrechter bijvoorbeeld omdat hij niet gemerkt heeft dat hij niet bevoegd is de burgerlijkepartijstelling mee aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 140. In dat geval staat het, overeenkomstig artikel 141, § 2, 2º, aan de procureur des Konings de zaak bij de raadkamer aanhangig te maken.
b) De onderzoeksrechter wordt door de procureur des Konings, geadieerd omtrent een vordering tot onderzoek, al dan niet naar aanleiding van een burgerlijkepartijstelling. In dat geval kan alleen de raadkamer hem overeenkomstig artikel 220 de zaak onttrekken ten voordele van de territoriaal bevoegde onderzoeksrechter.
In het vijfde lid, dat zeer algemeen is, wordt geen rekening gehouden met die verschillende gevallen. Het moet worden herzien.
3. Het tweede en het vierde lid zijn gebaseerd op artikel 62bis van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel is echter aangevuld bij artikel 84 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd. Er is immers een nieuw lid ingevoegd betreffende de bevoegdheid van de onderzoeksrechter wanneer hij in vredestijd kennis krijgt van in het buitenland gepleegde feiten waarvoor de dader in België kan worden vervolgd krachtens artikel 10bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafprocesrecht.
Er dient rekening te worden gehouden met dit nieuwe lid.
Artikel 136
Paragraaf 4 van deze bepaling en paragraaf 4 van artikel 63 dienen met elkaar in overeenstemming te worden gebracht. In de eerste staat het volgende : « De procureur des Konings kan evenwel (...) aan een derde ... toestemming verlenen ... », terwijl in de tweede het volgende staat : « De procureur des Konings kan tevens aan een persoon ... toestemming verlenen ... ».
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
De modaliteiten van het gerechtelijk onderzoek
AFDELING 1
De aanhangigmaking bij de onderzoeksrechter
Artikel 138
1. De mini-instructie, geregeld in het derde en het vierde lid, leidt niet noodzakelijk tot een gerechtelijk onderzoek. Na de uitvoering van de onderzoekshandeling zendt de onderzoeksrechter het strafdossier immers terug aan de procureur des Konings, die verantwoordelijk is voor het verdere opsporingsonderzoek. De onderzoeksrechter kan echter beslissen om het onderzoek zelf voort te zetten. In dat geval gaat het om een klassiek gerechtelijk onderzoek.
In het Wetboek van strafvordering wordt de mini-instructie geregeld in een afdeling over het opsporingsonderzoek. In het wetsvoorstel wordt ze daarentegen geregeld in een afdeling over de aanhangigmaking bij de onderzoeksrechter. Gelet op het hybridische karakter van de mini-instructie vraagt de Raad van State zich af of ze niet beter zou worden opgenomen in een specifieke titel die tussen de bepalingen over het opsporingsonderzoek en die over het gerechtelijk onderzoek zou worden ingevoegd.
Op zijn minst zou de mini-instructie in een afzonderlijk artikel van het Wetboek moeten komen.
2. In de voorgestelde tekst wordt in ieder geval geen rekening gehouden met de wijziging die aangebracht is in artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, dat in artikel 138 van het voorstel wordt overgenomen, bij artikel 14 van de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden. Er wordt verwezen naar algemene opmerking 4.
Artikel 139
De Raad van State vraagt zich af hoe het werk zal worden verdeeld wanneer twee onderzoeksrechters worden aangesteld en hoe hun eventuele verschillen zullen worden geregeld. Dat moet tijdens de parlementaire voorbereiding worden verduidelijkt.
Artikel 141
In paragraaf 2, 2º, schrijve men « de burgerlijkepartijstelling » en niet « de klacht ».
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
De onderzoekshandelingen
1. In het huidige Wetboek van strafvordering regelt een artikel 44bis de bloedmonsters, met uitzondering van die welke genomen worden in het kader van het verkeer en die onder de artikelen 63 en 64 van de gecoördineerde wetten op het wegverkeer vallen.
Het voorstel bevat echter geen enkele bepaling daaromtrent, noch in het hoofdstuk over de modaliteiten van het gerechtelijk onderzoek, noch in dat over de modaliteiten van het opsporingsonderzoek.
Die leemte moet worden aangevuld.
2. De voorschriften vervat in de artikelen 147, 148 en 149 over de ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd, stemmen in grote mate overeen met die vervat in de artikelen 154, tweede en derde lid, 157 en 158 betreffende het verhoor van slachtoffers en getuigen.
Bijgevolg rijst de vraag of het niet nodig zou zijn dat de bepalingen die voor alle verhoren gelden worden samengebracht in een afzonderlijke onderafdeling, waarin ook artikel 160 zou moeten worden ondergebracht : dat artikel heeft een algemene strekking en het is de Raad van State niet duidelijk waarom het in het voorstel alleen van toepassing is op getuigen.
In verband met de ordening van de regels betreffende het verhoor van minderjarigen ten opzichte van die betreffende alle verhoren, met inbegrip van het verhoor van meerderjarigen, wordt verwezen naar opmerking 4 onder artikel 76.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 2
De ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd
Artikel 144
Artikel 144, tweede lid, stelt nietigheid op een heel gerechtelijk onderzoek dat theoretisch gezien perfect rechtsgeldig is louter omdat de inverdenkinggestelde of de persoon die krachtens artikel 143, derde lid, over dezelfde rechten beschikt als de inverdenkingsgestelde, niet is gehoord door de onderzoeksrechter.
In de toelichting bij het voorstel (105) staat echter :
« Het gaat evenwel niet om een nietigheid van openbare orde. Deze verplichting voor de onderzoeksrechter geldt niet wanneer het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd ten laste van een persoon die voortvluchtig is of zich verbergt of wanneer de persoon zich in de onmogelijkheid bevindt de ondervraging bij te wonen. Bovendien wordt de nietigheid niet uitgesproken wanneer de inverdenkinggestelde geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping. De onderzoeksgerechten zouden door middel van een beschikking van niet-instaatverklaring, de zaak kunnen verwijzen naar de onderzoeksrechter opdat hij die ondervraging vooralsnog zou verrichten. »
In het licht van die commentaar vraagt de Raad van State zich af of de sanctie wel in verhouding staat tot het beoogde doel.
Artikel 149
1. In verband met de nietigheid in geval van schending van de regels betreffende de ondertekening wordt verwezen naar opmerking 1 onder artikel 7.
2. Het vierde lid bepaalt dat de onderzoeksrechter het verhoor kan laten opnemen na de verhoorde persoon daarvan in kennis te hebben gesteld. In dat geval zijn de artikelen 83, 84, eerste en tweede lid, 85, 86 en 88 van toepassing (namelijk de bepalingen over de opname van het verhoor van minderjarigen).
Artikel 76, 5º, bepaalt in het kader van het opsporingsonderzoek dat de audiovisuele opname van het verhoor alleen in ernstige en uitzonderlijke omstandigheden en in de gevallen omschreven in de wet ambtshalve of op verzoek van de ondervraagde persoon gelast kan worden.
Tijdens de parlementaire voorbereiding moet worden uitgelegd waarom dat onderscheid tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek wordt gemaakt.
3. Wat meer specifiek de grond van de zaak betreft, wordt verwezen naar opmerking 4 onder artikel 76.
Artikel 150
1. In de toelichting bij die bepaling wordt verduidelijkt dat de samenvattende ondervraging op tegenspraak geschiedt en voor de inverdenkinggestelde een recht is (106). In die toelichting staat voorts :
« De inverdenkinggestelde, zijn raadsman en de procureur des Konings worden opgeroepen ten laatste vijf werkdagen voor de verschijning. » (107)
Het dispositief van artikel 150 stemt echter niet overeen met de aldus geuite bedoeling. Enerzijds wordt daarin niet bevestigd dat de samenvattende ondervraging op tegenspraak geschiedt en anderzijds wordt aan de procureur des Konings daarin louter de mogelijkheid gegeven om de ondervraging bij te wonen.
De tekst moet dienovereenkomstig worden herzien.
2. Het derde lid bepaalt dat de griffier de oproeping ter kennis brengt van de raadsman van de inverdenkinggestelde en van de procureur des Konings. Er moet ook worden bepaald dat de oproeping ter kennis wordt gebracht van de inverdenkinggestelde zelf.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 3
Het verhoor van slachtoffers en van getuigen
Artikel 151
1. In de tweede zin van het tweede lid wordt bepaald :
« Het verhoor is verplicht wanneer het slachtoffer daarom verzoekt en wanneer het gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 347bis, 368, 373, 375 en 392 tot 410 van het Strafwetboek. »
In het licht van het gelijkheidsbeginsel vraagt de Raad van State zich af waarom het verhoor alleen verplicht is voor de voormelde strafbare feiten, terwijl het niet verplicht is voor andere strafbare feiten die even ernstig kunnen zijn.
2. In het tweede lid wordt artikel 368 vermeld. Dat artikel is echter opgeheven bij de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen. In feite moet worden verwezen naar de artikelen 428 tot 430 van het Strafwetboek.
Artikel 152
Tijdens de parlementaire voorbereiding moet worden gewettigd waarom de onderzoeksrechter, voordat hij een bevel tot medebrenging kan uitvaardigen, een niet-verschenen getuige moet dagvaarden, terwijl dat vormvereiste niet wordt opgelegd in het stadium van het opsporingsonderzoek (artikel 75) en evenmin voor de ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd (artikel 145).
Artikel 158
Zie de opmerkingen onder artikel 149.
Artikel 159
In het tweede tot het vierde lid worden de artikelen 78, 79, § 1, en 85 van het voorstel overgenomen. Ze zijn dus overbodig, niet alleen wegens artikel 132, derde lid, maar ook omdat in de voormelde artikelen zowel de procureur des Konings als de onderzoeksrechter worden vermeld.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 4
De anonieme getuigenissen
Deze onderafdeling bevat de bepalingen van de artikelen 86bis tot 86quinquies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen (108).
De artikelen 161, § 2, en 164, eerste lid, moeten echter zo worden aangepast dat rekening wordt gehouden met het feit dat de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht opgeheven is bij de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en dat de artikelen 86bis, § 2, en 86quinquies van het Wetboek van strafvordering bijgevolg ook gewijzigd zijn bij die wet.
Een soortgelijke opmerking geldt ook voor de artikelen 91 en 180 van het voorstel.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 5
De bescherming van bedreigde getuigen
Bij artikel 165 worden de artikelen 89 tot 98 van toepassing verklaard op de bescherming die in het kader van het gerechtelijk onderzoek wordt verleend aan bedreigde getuigen.
Het heeft dus geen nut wegens het bepaalde in artikel 132, derde lid, maar eveneens omdat in de voormelde artikelen zowel van de procureur des Konings als van de onderzoeksrechter gewag wordt gemaakt.
Er wordt meer in het algemeen verwezen naar de voorafgaande opmerking bij boek III, titel II, hoofdstuk 1 (« Het gerechtelijk onderzoek ») betreffende de onderlinge samenhang die de wetgever in acht moet nemen bij de redactie van het nieuwe Wetboek van Strafprocesrecht.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 6
De confrontaties
Artikelen 166 en 167
Deze artikelen verwijzen uitdrukkelijk naar artikel 207, dat de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij toestaat de onderzoeksrechter te verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten.
Doordat artikel 207 betrekking heeft op alle onderzoekshandelingen, is er geen reden om er speciaal gewag van te maken in de artikelen 166 en 167, en bijvoorbeeld niet in artikel 175 (de inbeslagneming) of in artikel 197 (deskundigenonderzoek).
De verwijzing naar artikel 207 lijkt te moeten vervallen.
Artikel 166
1. Volgens het tweede lid verloopt de confrontatie op tegenspraak, behalve in spoedeisende gevallen, wat inhoudt dat de raadsman van de inverdenkinggestelde en (109) die van de betrokken burgerlijke partijen worden opgeroepen.
De Raad van State vraagt zich af of het voor de vereisten van het gerechtelijk onderzoek niet opportuun zou zijn de onderzoeksrechter de mogelijkheid te bieden de confrontatie niet op tegenspraak te laten verlopen.
De vraag rijst of de inverdenkinggestelde en zijn raadsman noodzakelijkerwijs aanwezig hoeven te zijn bij een confrontatie tussen getuigen of tussen een getuige en de burgerlijke partij. Omgekeerd doet de vraag zich voor of de burgerlijke partij noodzakelijkerwijze aanwezig hoeft te zijn bij een confrontatie tussen verschillende inverdenkinggestelden of tussen de inverdenkinggestelde en een getuige.
Zoals in het wetsvoorstel, betreffende het verloop van het deskundigenonderzoek op tegenspraak, en eveneens in de Nederlandse tekst van artikel 167, derde lid, van het voorstel, aangaande de plaatsopnemingen en « wedersamenstellingen » (lees « reconstructies » zie vormopmerkingen), moet aan de onderzoeksrechter de mogelijkheid worden geboden om een plaatsopneming of een « wedersamenstelling » niet op tegenspraak te laten verlopen indien de vereisten van het onderzoek dit wettigen, of het verloop op tegenspraak te beperken.
2. Meer in het algemeen is het de Raad van State niet duidelijk om welke reden de techniek van de confrontatie niet voorgeschreven (en geregeld) is vanaf het stadium van het opsporingsonderzoek. Er wordt verwezen naar opmerking 5 bij artikel 99.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 7
De plaatsopnemingen en de wedersamenstellingen
Artikel 167
1. Volgens de Franse versie verloopt de plaatsopneming en de « wedersamenstelling » op tegenspraak, « behalve in spoedeisende gevallen ». In de Nederlandse versie staat dat de plaatsopneming en de « wedersamenstelling » op tegenspraak verlopen, « behalve in spoedeisende gevallen of (110) indien de onderzoeksrechter het noodzakelijk acht ».
De voorkeur dient te worden gegeven aan de Nederlandse tekst. Zoals immers wordt bepaald in het voorstel in verband met deskundigenonderzoeken, dient aan de onderzoeksrechter de mogelijkheid te worden geboden om een plaatsopneming of een « wedersamenstelling » niet op tegenspraak te laten verlopen of het verloop op tegenspraak te beperken, indien de vereisten van het gerechtelijk onderzoek dit wettigen.
Zoals het huidige artikel 62 van het Wetboek van strafvordering daarentegen bepaalt, kan het openbaar ministerie altijd aanwezig zijn (111).
2. Artikel 34 van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings :
« (...) kan verbieden dat om het even wie het huis verlaat of zich van de plaats verwijdert zolang zijn proces-verbaal niet gesloten is.
Iedere overtreder van dat verbod wordt, indien hij kan worden gevat, naar het huis van arrest gebracht (...) ».
Het is niet zonder nut deze bepaling over te nemen in het voorstel wat de onderzoeksrechter betreft. Gelet op artikel 128, zal deze bepaling ook van toepassing zijn op de procureur des Konings in geval van ontdekking op heterdaad.
Artikel 168
In tegenstelling tot het tweede lid, geldt het eerste lid van deze bepaling uitdrukkelijk op straffe van nietigheid. Moet hieruit worden afgeleid dat het tweede lid niet als zodanig geldt (112) ?
Uit de toelichting blijkt bovendien dat de nietigheid in geval van overtreding van deze bepaling een relatieve nietigheid is. Deze opmerking is in ieder geval onjuist wat betreft de ondertekeningen en de vermeldingen van data, die van openbare orde zijn krachtens artikel 7, § 1, 3º en 4º, van het voorstel.
De bepaling van artikel 168, alsmede de toelichting in verband ermee, dienen explicieter te worden gesteld om volledige duidelijkheid te verkrijgen in deze fundamentele aangelegenheid die de theorie van de nietigheden is.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 8
De huiszoekingen en inbeslagnemingen
De gevallen waarin een beroep kan worden gedaan op huiszoeking en de plaatsen waar deze kan worden verricht, worden vermeld in de artikelen 169, 171 en 172.
Het is beter deze artikelen samen te brengen in een enkele bepaling, waarin wordt gepreciseerd :
1º dat de huiszoeking niet alleen tot doel heeft het bewijs van schuld vast te stellen van een inverdenkinggestelde of van een persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd, maar ook meer in het algemeen alle gegevens te verzamelen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen; er mag immers niet uit het oog verloren worden dat het gerechtelijk onderzoek à charge en à décharge wordt gevoerd en dat een huiszoeking nuttig zou kunnen zijn om de onschuld van iemand aan te tonen;
2º dat de huiszoeking niet tot doel kan hebben strafbare feiten vast te stellen die niet aan de onderzoeksrechter voorgelegd zijn;
3º dat de huiszoeking niet alleen kan plaatshebben in de woonplaats of de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd, maar meer in het algemeen in alle plaatsen waar gegevens kunnen worden ontdekt die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen;
4º dat in alle gevallen (113) een beroep kan worden gedaan op de openbare macht om zich te verzetten tegen de weigering van de bewoner of ingeval deze afwezig is.
Artikel 172
Het is de Raad van State niet duidelijk om welke reden in fine sprake is van het « langdurig afwezig » zijn van de bewoner. Wanneer de bewoner niet aanwezig is, kan de onderzoeksrechter doorgaans niet het risico nemen om de huiszoeking uit te stellen, om evidente redenen. Dit is trouwens wat artikel 173 duidelijk impliceert.
Artikel 173
Het is de Raad van State niet duidelijk om welke reden deze bepaling, in tegenstelling tot de artikelen 169 en 171, niet ook betrekking heeft op de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd.
Artikel 175
Er wordt verwezen naar opmerking 3 bij artikel 110.
Artikel 176
Het is zonder nut te bepalen dat de onderzoeksrechter opdracht tot huiszoeking en inbeslagneming kan geven aan een officier van gerechtelijke politie.
Deze regel is immers reeds op algemene wijze voor alle onderzoekshandelingen vervat in artikel 195, eerste lid, eerste zin.
Het is zo dat artikel 176, eerste lid, bepaalt dat de opdracht kan worden gegeven aan een officier van gerechtelijke politie « van (het) arrondissement (van de onderzoeksrechter) of van het arrondissement waar de handelingen moeten plaatshebben ». De Raad van State vraagt zich evenwel af of deze mogelijkheid, hoewel ze niet uitdrukkelijk is bepaald, niet geldt voor alle handelingen die de onderzoeksrechter laat uitvoeren buiten zijn arrondissement, overeenkomstig artikel 135, vierde lid (114).
Meer in het algemeen plaatst de Raad van State vraagtekens bij het nut van ambtelijke opdrachten, gelet op de mogelijkheden geboden bij artikel 135, vierde lid (115).
Ten slotte stemmen de regels vervat in artikel 176, tweede lid (de opdracht moet worden gegeven bij een met redenen omklede beschikking) en derde lid (verbod om de opdracht over te dragen) niet overeen met die waarin artikel 195, eerste lid, voorziet, en kan de Raad van State niet vaststellen of het gaat om een gebrek aan coördinatie van de bepalingen, dan wel om een voornemen om striktere regels voor huiszoekingen en inbeslagnemingen te bepalen. In de parlementaire voorbereiding zou hierover een standpunt moeten worden ingenomen.
Hieruit volgt dat de artikelen 135, vierde lid, 176 en 195 moeten worden geharmoniseerd met het oog op een expliciete, duidelijke en samenhangende regeling van de aangelegenheid van de opdrachten en van het optreden buiten het arrondissement.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 9
De voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen
Artikel 177
Dit artikel, dat betrekking heeft op het beslag op onroerend goed, heeft geen nut en dient te vervallen. Het is immers identiek aan artikel 114, § 1, dat van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek, niet alleen krachtens artikel 132, tweede lid, maar eveneens krachtens artikel 175, tweede lid, dat uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 110 tot 115.
In ieder geval hoort artikel 177, dat betrekking heeft op het beslag op onroerend goed, niet thuis in onderafdeling 9, die handelt over de voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 10
Het opsporen en het lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, het kennisnemen en het opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie
Artikel 179
Het zesde en zevende lid van paragraaf 1 bepalen dat in geval van ontdekking op heterdaad de procureur des Konings de bij artikel 179 bepaalde maatregel kan bevelen voor de strafbare feiten die opgesomd worden in artikel 180, §§ 2, 3 en 4. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter.
Uit artikel 179 dient evenwel te blijken dat deze regel een afwijking vormt van artikel 128 (116).
Artikel 180
1. In paragraaf 2, 10º, is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Franse tekst, waarin melding wordt gemaakt van artikel 380 van het Strafwetboek, en de Nederlandse tekst, waar artikel 380bis van hetzelfde Wetboek wordt vermeld.
Er dient verwezen te worden naar artikel 380 van het Strafwetboek.
2. De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering, dat in artikel 180 wordt overgenomen, gewijzigd of aangevuld is :
bij de artikelen 9 en 10 van de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden;
bij artikel 22 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, bij welke wet tevens de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht is opgeheven;
bij artikel 15 van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven.
Evenzo is het opschrift van de wet van 24 februari 1921 gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica. Er dient te worden geschreven : « de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ».
Artikel 180 moet dienovereenkomstig worden aangepast.
Artikel 181
Het eerste lid van paragraaf 3 van artikel 90quater van het Wetboek van strafvordering, dat overgenomen wordt in artikel 181, is ook gewijzigd bij artikel 11 van de genoemde wet van 6 januari 2003.
De bepaling moet dienovereenkomstig worden aangepast.
Artikel 187
Dit artikel bepaalt dat de minister van Justitie jaarlijks niet alleen over de toepassing van de artikelen 180 tot 186, maar ook over de toepassing van de artikelen 108 en 114, en van de artikelen 89 tot 98 en 388, verslag moet uitbrengen aan het Parlement.
De tekst van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering, die in artikel 187 wordt overgenomen, is bovendien bij artikel 15 van de genoemde wet van 6 januari 2003 aangevuld, om te bepalen dat de minister tegelijkertijd verslag moet uitbrengen over de toepassing van de artikelen 40bis, 46ter, 46quater, 47ter tot 47decies, 56bis, 86bis, 86ter, 88sexies en 89ter van het Wetboek van strafvordering.
Daaruit volgt dat artikel 187 aangevuld moet worden, en niet thuishoort in onderafdeling 10, die alleen betrekking heeft op telecommunicatie.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 11
Het onderzoek in een informaticasysteem
Artikel 189
In paragraaf 2, tweede lid, wordt verwezen naar de personen bedoeld in artikel 294.
Duidelijkheidshalve zouden de personen genoemd in artikel 294, tweede lid, moeten worden vermeld.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 12
De DNA-analyse
Artikel 190
De Franse versie van paragraaf 4, eerste lid, bepaalt dat het verzoek om een tegenonderzoek gericht moet worden aan de procureur des Konings. Dat moet de onderzoeksrechter zijn, zoals zowel in de Nederlandse versie van de voorgestelde bepaling staat als in artikel 90undecies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, dat in de voorgestelde bepaling wordt overgenomen.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 15
Ambtelijke opdrachten en delegaties
Artikel 193
Zoals opgemerkt wordt door H.-D. Bosly en D. Vandermeersch (117), heeft de ambtelijke opdracht, door de mogelijkheden die geboden worden door artikel 69bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (118) veel aan praktisch nut ingeboet. Het zou wenselijk zijn dat in de parlementaire voorbereiding uiteengezet wordt waarom het nuttig is deze nog te behouden.
Artikel 194
In het tweede lid staat dat de onderzoeksrechter gevolg « kan » geven aan ambtelijke opdrachten die aan hem worden gericht door buitenlandse collega's.
Voor burgerlijke zaken bepaalt artikel 873, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek evenwel het volgende :
« De rechtbank of de rechter aan wie een ambtelijke opdracht wordt gericht, is verplicht die te doen uitvoeren. »
In de parlementaire voorbereiding dient vermeld te worden waarom het Gerechtelijk Wetboek op dat punt verschilt van het Wetboek van strafprocesrecht.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 16
Het persoonlijkheidsdossier
Artikel 196
In het tweede lid dient, zoals opgemerkt door de professoren Franchimont en Traest, de psychiatrische of psychologische expertise te worden geschrapt. Die materie valt immers onder het deskundigenonderzoek dat aan bod komt in onderafdeling 17.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 17
Het deskundigenonderzoek
Artikel 197
1. Artikel 101, eerste lid, komt, volgens de bespreking ervan in de toelichting (119), overeen met artikel 197. Er wordt dan ook voorgesteld artikel 197, eerste lid, zo te stellen dat het meer aansluit bij de bewoordingen van artikel 101, eerste lid.
2. Wat het contradictoire karakter van het deskundigenonderzoek betreft, lijkt er geen verschil te bestaan tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. In de beide gevallen bepaalt de magistraat « de modaliteiten van het deskundigenonderzoek rekening houdend met de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering ». De Raad van State vraagt zich dan ook af waarom in artikel 198, eerste lid, veel nadrukkelijker gewezen wordt op het contradictoire karakter van het deskundigenonderzoek in het stadium van het gerechtelijk onderzoek, dan in artikel 101 geschiedt in de fase van het opsporingsonderzoek.
3. Verwezen wordt naar de opmerking gemaakt bij artikel 101.
Artikel 199
Verwezen wordt naar de opmerkingen gemaakt bij artikel 102.
Artikel 200
Verwezen wordt naar de opmerkingen gemaakt bij artikel 103.
Artikel 201
Verwezen wordt naar de opmerkingen gemaakt bij artikel 104.
Artikel 202
Verwezen wordt naar de opmerking gemaakt bij artikel 105.
Artikel 203
1. Verwezen wordt naar de opmerkingen gemaakt bij artikel 106.
2. In het tweede lid staat dat de onderzoeksrechter kan voorbijgaan aan de toepassing van het eerste lid, meer bepaald « indien de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk lijkt of indien de burgerlijke partij van geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken ».
Uit die bepaling blijkt dat de onderzoeksrechter dus ambtshalve, in het kader van een deskundigenonderzoek, kan beslissen dat een bepaalde burgerlijkepartijstelling hem niet ontvankelijk lijkt.
Zulk een bevoegdheid lijkt volkomen in tegenspraak met de bepalingen van de artikelen 141 en 142, waarbij het recht om daartoe vorderingen te doen uitsluitend in handen van de procureur des Konings wordt gelegd, en het recht om over die vorderingen uitspraak te doen uitsluitend de raadkamer wordt toegekend (onder voorbehoud van hoger beroep).
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 206, § 3.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
De rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van ieder persoon geschaad door een onderzoekshandeling en de rechtsmiddelen
Artikel 205
Krachtens het derde lid kan het openbaar ministerie, wanneer de onderzoeksrechter afwijzend beschikt op de vorderingen die het heeft gedaan, binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat op het tijdstip waarop de afwijzende beschikking aan het openbaar ministerie is meegedeeld, hoger beroep aantekenen bij de kamer van inbeschuldigingstelling.
Uit de artikelen 211 en 232 blijkt evenwel dat de procureur des Konings zijn vorderingen steeds opnieuw kan doen en dat de kamer van inbeschuldigingstelling de betwiste maatregel altijd kan bevelen, ook al zou het openbaar ministerie niet binnen de gestelde termijn hoger beroep hebben aangetekend. Het is raadzaam dat zulks gepreciseerd wordt in de parlementaire voorbereiding.
Artikelen 206 en 207
Er dient gewettigd te worden waarom iemand die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd niet kan vragen om het dossier in te mogen zien (artikel 206, § 1) of dat een extra onderzoekshandeling wordt verricht (artikel 207, § 1) (120).
Artikel 207
Artikel 207, paragraaf 2, tweede lid, bepaalt niet, in tegenstelling tot artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering, dat daarin trouwens wordt overgenomen, dat de beschikking die de onderzoeksrechter neemt na de termijn van één maand waarover hij beschikt, van rechtswege nietig is.
De wetgever heeft die sanctie, die ingevoerd is bij artikel 5, B), van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, echter uitdrukkelijk gewild om terzake geen onduidelijkheid te laten bestaan (121).
In de parlementaire voorbereiding dient bijgevolg expliciet te worden uitgelegd waarom het niet meer nodig is geacht die sanctie te behouden in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht.
Artikel 208
1. Dit artikel neemt artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering over. In de Franse versie van paragraaf 6 dient, evenals in de Nederlandse versie, na de eerste zin het volgende te worden toegevoegd :
« La requête est inscrite dans un registre ouvert à cet effet. »
2. De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat een artikel 61sexies ingevoegd is bij artikel 8 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties.
Met dit nieuwe artikel dient rekening te worden gehouden.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
De regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten
AFDELING 1
De raadkamer
ONDERAFDELING 1
Organisatie en bevoegdheid
Artikel 209
De tweede zin van dat artikel bepaalt dat de volstrekte bevoegdheid (of materiële bevoegdheid of bevoegdheid ratione materiae) van de raadkamer « die van de onderzoeksrechter (is) (onverminderd de bijzondere wetten) ».
Die precisering is misleidend. Ook al neemt de raadkamer inderdaad kennis van dezelfde misdaden, wanbedrijven en overtredingen als de onderzoeksrechter (122), ze oefent wel andere taken uit dan de onderzoeksrechter, zoals blijkt uit artikel 210.
Bijgevolg wordt voorgesteld te schrijven :
« Art. 209. De raadkamer komt bijeen volgens het reglement van de rechtbank. Haar territoriale bevoegdheid is die van de onderzoeksrechter. Ze neemt kennis van dezelfde strafbare feiten als hij. »
Artikel 210
1. Volgens het tweede lid, tweede en derde streepje, heeft de raadkamer tot taak de ontvankelijkheid van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering na te gaan, alsook de middelen van niet-ontvankelijkheid te beoordelen.
In boek II, titel I, wordt echter niet ingegaan op de ontvankelijkheid van de strafvordering en de middelen van niet-ontvankelijkheid.
Volgens de toelichting (123) lijkt de onontvankelijkheid van de strafvordering betrekking te hebben op de redenen waarom een strafvordering kan vervallen. In artikel 228, § 2, wordt evenwel een onderscheid gemaakt tussen de gronden van niet-ontvankelijkheid en de gronden van verval van de strafvordering. Artikel 47quater van het Wetboek van strafvordering (124) dan weer voorziet in de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de strafvordering in geval van politionele uitlokking.
Het voorstel moet zo worden aangevuld dat duidelijk wordt vermeld wat de begrippen « ontvankelijkheid van de strafvordering » en « middelen van niet-ontvankelijkheid » precies inhouden.
2. Wat het tweede lid, zevende en achtste streepje, betreft, stemmen de Nederlandse en de Franse versie niet met elkaar overeen.
In de Franse versie staat dat de raadkamer bepaalt « s'il y a des charges suffisantes de culpabilité » (zevende streepje) en dat ze een beschikking tot buitenvervolgingstelling kan wijzen « s'il n'y a pas de charge suffisante » (achtste streepje).
In de Franse versie worden dus twee keer de woorden « charge(s) suffisante(s) » gebruikt. In de Nederlandse versie daarentegen is in het zevende streepje sprake van « voldoende aanwijzingen van schuld » en wordt in het achtste streepje bepaald dat een beschikking tot buitenvervolgingstelling kan worden gewezen « indien er geen voldoende bezwaren voorhanden zijn ».
De Nederlandse versie moet in overeenstemming worden gebracht met de Franse versie.
3. Het laatste streepje moet worden aangepast op basis van opmerking 3 onder artikel 1, in verband met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4. De indiener van het voorstel moet oordelen of de commentaar op het gezag van gewijsde van de beschikkingen van de raadkamer (125) niet in het dispositief zou moeten worden opgenomen.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 1
ONDERAFDELING 2
Het verslag van de onderzoeksrechter en de rechtspleging
Artikel 211
1. In het derde en het zevende lid staat dat het dossier, in origineel of in kopie, gedurende ten minste een maand op de griffie ligt ter inzage van de partijen.
In de eerste zin van artikel 137, derde lid, staat echter het volgende :
« Het origineel van het dossier blijft permanent ter beschikking van de rechter tot de regeling van de rechtspleging. »
Er dient te worden verduidelijkt wat onder « tot de regeling van de rechtspleging » moet worden verstaan. Als het om de beschikking van de raadkamer zou gaan, zou er immers een tegenstrijdigheid bestaan tussen artikel 211, derde en zevende lid, en artikel 137, derde lid.
2. In de Franse versie van het derde lid, alsook in artikel 227, § 1, zesde lid, is sprake van « la personne qui a fait une déclaration de partie lésée », terwijl in het zevende lid, evenals in artikel 236, sprake is van « la personne lésée ».
Dezelfde opmerking geldt voor het derde lid van de Nederlandse versie, alsmede voor de artikelen 130, tweede lid, en 227, § 1, zesde lid, waar sprake is van « de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd », terwijl in het zevende lid, alsmede in artikel 236, « de benadeelde persoon » wordt vermeld.
Er moet een eenvormige terminologie (126) worden gebruikt voor alle bepalingen (127).
3. Wat het vierde lid betreft, moet worden vermeld waarom de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en die het dossier met toepassing van het derde lid kan inzien, de onderzoeksrechter evenwel niet kan verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten (128).
4. Het zesde lid bepaalt dat de termijn van ten minste één maand en de termijn van acht dagen « kunnen verlengd worden op verzoek van de verdediging ».
Volgens de professoren Franchimont en Traest moet worden geschreven :
« Die termijnen kunnen door de onderzoeksrechter worden verlengd op verzoek van de personen genoemd in het derde lid. »
5. Het vijfde en het zesde lid zouden beter vóór het vierde lid komen. In het vierde lid (dat het zesde lid zou worden) schrijve men dan « binnen die termijnen » in plaats van « binnen deze termijn ».
6. Wanneer bijkomende onderzoekshandelingen zijn bevolen, hetzij overeenkomstig het vierde lid (dat het zesde lid zou worden), hetzij overeenkomstig artikel 217, vraagt de Raad van State zich af hoe de rechtspleging dan verder verloopt. Moet, in alle of in bepaalde gevallen (129), de hele, in artikel 211 beschreven rechtspleging worden hervat of moet men zich beperken tot de tweede fase (zevende lid) (130) ?
Het voorstel moet zodanig worden aangevuld dat een antwoord wordt gegeven op die vraag.
7. Wat het zevende lid betreft, is er een tegenstrijdigheid tussen de Franse versie, waarin sprake is van een termijn van ten minste één maand, en de Nederlandse versie, waarin sprake is van een termijn van « ten minste vijftien dagen vooraf ».
De Nederlandse versie moet worden aangepast.
8. In de Nederlandse versie van het elfde lid moet het woord « arrest » vervangen worden door het woord « beschikking », wat overeenstemt met het woord « ordonnance », dat in de Franse versie wordt gebruikt.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 1
ONDERAFDELING 3
De beschikkingen van de raadkamer
Voorafgaande opmerkingen
1. De regels betreffende de beoordeling van verzachtende omstandigheden en verschoningsgronden (artikelen 221 tot 225) zouden moeten worden samengevoegd met de bepalingen inzake verwijzing. Als verzachtende omstandigheden en verschoningsgronden in aanmerking worden genomen, is het immers mogelijk om een misdaad te correctionaliseren of een wanbedrijf in een overtreding om te zetten en is bijgevolg verwijzing naar de correctionele rechtbank of de politierechtbank mogelijk.
2. De artikelen 221, eerste lid, in fine (131), 222, tweede en derde lid (132), 223, tweede lid, 224, tweede lid, en 225, tweede lid, hebben betrekking op de omzetting, door het openbaar ministerie, van een als misdaad gekwalificeerd strafbaar feit in een wanbedrijf of van een als wanbedrijf gekwalificeerd strafbaar feit in een overtreding, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd.
Die bepalingen horen bijgevolg niet thuis in een hoofdstuk over de regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten. Ze moeten worden opgenomen in boek III, titel I, hoofdstuk 4 over de afsluiting van het opsporingsonderzoek.
Artikel 212
Artikel 212, eerste lid, bepaalt dat er geen reden tot vervolging is indien « tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar (lees : « tenlastelegging » ?) bestaat », terwijl artikel 210, tweede lid, achtste streepje, bepaalt dat een beschikking tot buitenvervolgingstelling wordt gewezen « indien er geen voldoende bezwaren voorhanden zijn » en in artikel 212, tweede lid, ook gewag wordt gemaakt van een « beschikking tot buitenvervolgingstelling, wegens ontoereikende bezwaren ».
Het eerste lid moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Doordat de onderafdeling handelt over « de beschikkingen van de raadkamer », vraagt de Raad van State zich af of bovendien niet uitdrukkelijk sprake zou moeten zijn van een beschikking, ofwel van een beschikking tot buitenvervolgingstelling, ofwel van een beschikking van een andere aard, voor de gevallen vermeld in artikel 210, tweede lid, tweede, derde en vijfde streepje (133).
Artikelen 213 tot 216
Zie voorafgaande opmerking 1 onder onderafdeling 3.
Artikel 218
1. Paragraaf 1 bepaalt dat de raadkamer, als daartoe grond bestaat, de nietigheid van de handeling uitspreekt wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt.
Zoals die bepaling gesteld is, zou ze zo kunnen worden opgevat dat de raadkamer de nietigheid van een handeling mag uitspreken, niet alleen als die handeling een nietigheidsgrond bevat, maar ook als ze een gewone onregelmatigheid of een verzuim inhoudt. Gelet op het in artikel 8 gehuldigde principe dat er geen nietigheid is zonder dat een regeling daarin voorziet, kan een verzuim of een onregelmatigheid alleen worden bestraft als uitdrukkelijk in nietigheid is voorzien of als het gaat om een aangelegenheid van openbare orde, genoemd in artikel 7, § 1.
Er moet dus duidelijker worden vermeld dat de raadkamer, indien daartoe grond bestaat, de nietigheid van een handeling uitspreekt wegens een verzuim of een andere onregelmatigheid, overeenkomstig de artikelen 7 tot 10.
Voor het overige wordt in dat verband verwezen naar de opmerkingen 1 en 2 onder artikel 6.
Deze opmerkingen gelden ook voor artikel 219.
2. Paragraaf 2, tweede lid, bepaalt dat nietig verklaarde stukken alleen nog ter ontlasting kunnen worden gebruikt en mits de rechter daartoe toestemming geeft.
Het zou beter zijn dat in het nieuwe Wetboek wordt geregeld hoe om die toestemming moet worden verzocht.
Deze opmerking geldt ook voor artikel 234, § 6.
3. Omwille van de terminologische eenvormigheid met andere bepalingen van het wetsvoorstel, dienen in de Nederlandse versie van artikel 208, § 1, 1º, de woorden « een onderzoekshandeling » te worden gebezigd in plaats van de woorden « een handeling van het onderzoek ».
Dezelfde opmerking geldt inzonderheid voor de artikelen 301, eerste lid, 309 en 377, eerste lid.
Artikelen 218 en 219
In de Franse versie van de toelichting bij artikel 219 (134) wordt gepreciseerd dat middelen betreffende onregelmatigheden, gevallen van verzuim of nietigheidsgronden niet meer voor de feitenrechter opgeworpen kunnen worden (135), indien zij reeds voor de kamer van inbeschuldigingstelling werden opgeworpen.
Die toelichting, zoals die in het Frans luidt (136), lijkt een voortijdige en slecht geformuleerde commentaar op de zuivering van nietigheden die geregeld wordt in artikel 234, § 5, van het voorstel. In die toelichting wordt immers niets gezegd over hetgeen verband houdt met enerzijds de bewijswaardering (137) (138) en anderzijds de openbare orde (139).
Als het de bedoeling is van de wetgever om een zuivering van nietigheden te organiseren wanneer de zaak in behandeling is bij de raadkamer (zoals de Nederlandse versie zou kunnen doen vermoeden en aangezien een dergelijke regeling dienstig zou kunnen zijn wanneer geen hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer), dan moet dat mechanisme nauwkeurig worden geregeld in het dispositief en in perfecte overeenstemming met de principes genoemd in artikel 234, § 5.
Het besluit is dan ook dat het nodig is om hetzij de toelichting bij artikel 219 fundamenteel te herzien teneinde deze in overeenstemming te brengen met artikel 234, § 5, en aansluitend het dispositief van artikel 219 (140) aan te passen, hetzij om duidelijk een afzonderlijk dispositief uit te werken met betrekking tot de zuivering van nietigheden wanneer de zaak in behandeling is bij de raadkamer.
Artikel 220
1. Artikel 220 heeft betrekking op de gevallen van ontslag van onderzoek wegens onbevoegdheid of samenhang.
Ook al wordt dit niet expliciet gezegd in het voorstel, het kan zowel om onbevoegdheid ratione loci als om onbevoegdheid ratione personae gaan (de inverdenkinggestelde is een minderjarige, een minister of geniet een voorrecht van rechtsmacht).
Zulk een ontslag van onderzoek zou ook moeten plaatshebben in geval van aanhangigheid.
In het voorstel wordt niets gezegd over het ontslag van onderzoek met het oog op het aanhangig maken van de zaak bij de buitenlandse overheid. De Raad van State gaat ervan uit dat deze kwestie geregeld zal worden in de toekomstige bepalingen met betrekking tot het internationaal strafrecht. Wat dit punt betreft, wordt verwezen naar algemene opmerking 7.
2. In artikel 220 wordt bepaald dat de raadkamer een beschikking van ontslag van onderzoek uitvaardigt wanneer bij de onderzoeksrechter of (141) bij haarzelf een zaak aanhangig is gemaakt terwijl zij onbevoegd waren of wanneer de feiten samenhangend zijn met feiten die voor een ander gerecht worden vervolgd, na de procureur des Konings, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij gehoord te hebben overeenkomstig artikel 211.
De verwijzing naar dat artikel maakt dat de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij heel het strafdossier kunnen bestuderen en aan de onderzoeksrechter aanvullende onderzoekshandelingen kunnen vragen.
De vragen betreffende de inzage in het dossier en de aanvullende onderzoekshandelingen moeten afzonderlijk geregeld worden, zonder dat verwezen wordt naar artikel 211, dat betrekking heeft op het andere geval, waarbij het onderzoek door de onderzoeksrechter beschouwd wordt als voltooid.
Artikel 221
Volgens de professoren Franchimont en Traest behoort in het eerste lid het volgende te worden geschreven :
« De beoordeling van de verzachtende omstandigheden en van de verschoningsgronden ... ».
Bijgevolg moet niet alleen verwezen worden naar hoofdstuk IX van het Eerste Boek van het Strafwetboek (en niet van Titel I, waarnaar ten onrechte in de Franse versie verwezen wordt), maar eveneens naar hoofdstuk VIII (142) van hetzelfde boek, dat betrekking heeft op de rechtvaardigings- en verschoningsgronden.
Er behoort eveneens verwezen te worden naar de verschoningsgronden in al de bepalingen van het voorstel die overgenomen zijn uit de artikelen van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.
2. In de Nederlandse versie dienen de woorden « rechtsmachten belast met het onderzoek », overeenkomstig de Franse versie, te worden vervangen door de woorden « de onderzoeksgerechten ».
3. Omwille van de terminologische eenvormigheid met geheel het wetsvoorstel dienen in de Nederlandse versie van de artikelen 222, 223, 224, 226 en 227 eveneens de woorden « de verdachte » te worden vervangen door de woorden « de inverdenkinggestelde ».
Dezelfde opmerking geldt voor geheel het wetsvoorstel (zie inzonderheid de artikelen 230, 240, 253, 257, 271, § 3, tweede lid, 286, 366 en 472).
4. Artikel 221 is ondergebracht in een onderafdeling die handelt over de beschikkingen van de raadkamer. In het tweede lid dient derhalve sprake te zijn van de beschikkingen (van de raadkamer) en van de arresten (van de kamer van inbeschuldigingstelling), veeleer dan van « de arresten en vonnissen ».
Artikel 223
In de Nederlandse versie van het tweede lid dienen de woorden « grond van verschoning » te worden vervangen door de woorden « reden van verschoning » (of door het woord « verschoningsgrond ») (143).
Artikel 226
1. Zoals gesteld wordt in de toelichting (144) steunt dit artikel op de artikelen 3 en 4 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.
Er behoort te worden gezorgd voor een perfecte overeenstemming tussen dit artikel en de voornoemde wet van 29 juni 1964. Er dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de volgende punten :
wat dient er te gebeuren met de artikelen 3 en 4 van deze wet, in zoverre zij verwijzen naar de onderzoeksgerechten en om die reden overgenomen worden in artikel 226 van het voorstel ? Die artikelen moeten dus gedeeltelijk gewijzigd en gedeeltelijk opgeheven worden, zodat daarin alleen nog naar de vonnisgerechten verwezen wordt (145);
hoewel noch in de tekst van artikel 226, noch in de toelichting die daarop betrekking heeft, daarover iets wordt bepaald, zullen verschillende bepalingen van de voornoemde wet van 29 juni 1964 toepasselijk zijn op de raadkamer wanneer deze gebruik zal maken van artikel 226. Dat geldt inzonderheid voor het begrip « probatie-opschorting van de uitspraak van de veroordeling » (artikel 1, § 2, van de wet), voor de mogelijkheid om te voorzien in de verplichting een bepaalde opleiding te volgen (artikel 1, § 3, van de wet), voor de mogelijkheid om een probatieassistent de opdracht te geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren (artikel 2 van de wet), alsook voor al de bepalingen van de wet die betrekking hebben op de probatie (artikelen 9 en volgende), op de herroeping van de opschorting en op de verjaring (artikelen 13 en volgende). Dit alles zou duidelijk moeten worden bepaald;
wat dient er te gebeuren met bepaalde artikelen van deze wet die ook betrekking hebben op het gerechtelijk onderzoek, terwijl ze niet overgenomen worden in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht ?
wat gedaan met de bepalingen van de voornoemde wet van 29 juni 1964, die van toepassing blijven op de vonnisgerechten en die ofwel verwijzen naar huidige bepalingen van het Wetboek van strafvordering die niet meer overeenstemmen met de nieuwe relevante bepalingen van het Wetboek van strafprocesrecht, ofwel naar het Wetboek van strafvordering in zijn geheel, dat niet meer zal bestaan (146) ?
Op die verschillende vragen moet een antwoord worden gegeven tijdens de parlementaire voorbereiding.
2. Volgens de professoren Franchimont en Traest, moet aan het slot van paragraaf 8 het volgende worden toegevoegd : « De raadkamer kan de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering aanhouden ».
Een soortgelijke bepaling vindt men overigens terug in artikel 227, paragraaf 1, achtste lid.
3. Er behoort tijdens de parlementaire voorbereiding te worden verduidelijkt waarom in artikel 226 het tweede lid van artikel 3 van de voornoemde wet van 29 juni 1964 niet wordt overgenomen. Dat tweede lid luidt als volgt :
« De opschorting kan eveneens worden gelast door de onderzoeksgerechten wanneer zij van oordeel zijn dat de openbaarheid van de debatten de declassering van de verdachte (lees : « inverdenkinggestelde ») zou kunnen veroorzaken of zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen. »
Artikel 227
1. Het is de Raad van State niet duidelijk waarom in paragraaf 1, eerste lid, de opschorting van de uitspraak weer aan de orde wordt gesteld, door te verwijzen naar artikel 226.
Indien het de bedoeling van de wetgever is om te verduidelijken dat, wanneer de raadkamer de opschorting beveelt van de uitspraak van de veroordeling, zij een uitspraak ten gronde doet, moet hij dit duidelijk vermelden in artikel 226 zelf.
2. Volgens de professoren Franchimont en Traest moet in paragraaf 1, eerste lid, eveneens melding worden gemaakt van de werkstraf en van de schuldigverklaring.
3. In paragraaf 1, vierde lid, dient te worden geschreven : « ten minste twee dagen ».
4. In zoverre met deze bepaling aan de raadkamer een nieuwe bevoegdheid wordt toegekend, namelijk die waarbij zij uitspraak ten gronde kan doen, zoals een vonnisgerecht, door « een geldboete op (te) leggen of een gevangenisstraf uit (te) spreken waarvan de duur een jaar niet te boven gaat », rijst de vraag of het onderzoeksgerecht net als een vonnisgerecht bij een gemotiveerde beslissing uitstel (in voorkomend geval het probatie-uitstel) van de tenuitvoerlegging van de straf kan bevelen.
Deze kwestie wordt noch in het artikel zelf, noch in de toelichting bij dat artikel besproken (147).
Wat dit punt betreft, behoort er ook gezorgd te worden voor een perfecte overeenstemming tussen dat artikel en de relevante bepalingen van de voornoemde wet van 29 juni 1964, die betrekking hebben op het uitstel.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 1
ONDERAFDELING 4
Rechtsmiddelen tegen de beschikkingen van de raadkamer
Artikel 228 (148)
1. In paragraaf 3, tweede zin, wordt bepaald dat de termijn voor hoger beroep ingaat op de dag waarop de beschikking is gewezen.
Gelet op artikel 16, eerste lid, van het voorstel is het wenselijk om niets vast te leggen met betrekking tot het bepalen van de termijn, dat bijgevolg gedaan zal worden zonder rekening te houden met de dies a quo (149).
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 241, derde lid.
2. Volgens de professoren Franchimont en Traest moet in de tweede en vierde zin van paragraaf 2 het volgende worden geschreven : « Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. »
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 2
De kamer van inbeschuldigingstelling
ONDERAFDELING 1
Organisatie en bevoegdheid
Artikel 229
1. Er behoort te worden geschreven : « een of meer kamers van het hof van beroep ». Het vervolg van het artikel moet dienovereenkomstig worden aangepast.
2. In het tweede lid wordt bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling « het centrum (vormt) van het gerechtelijk onderzoek voor criminele en correctionele zaken ».
Het is de Raad van State niet duidelijk wat de juridische draagwijdte is van deze bepaling. Zij behoort derhalve te vervallen, aangezien de opsomming van de bevoegdheden van de kamer van inbeschuldigingstelling, gedaan in artikel 230, afdoende is.
3. Volgens de professoren Franchimont en Traest behoort in het tweede lid, tweede zin, het volgende te worden geschreven : « Haar territoriale bevoegdheid omvat het rechtsgebied van het hof van beroep. »
Artikel 230
1. In het eerste lid wordt bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling « het gerecht in hoger beroep (is) inzake het gerechtelijk onderzoek » en « in die hoedanigheid (...) kennis (neemt) van het hoger beroep ingesteld tegen de rechterlijke beschikkingen van de onderzoeksrechter ».
Met deze regel lijkt men enkel te willen herinneren aan de rol die de kamer van inbeschuldigingstelling heeft te spelen in de gevallen dat, krachtens de bepalingen van boek III, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 3 (150), een rechtsmiddel geboden wordt tegen een beslissing van de onderzoeksrechter. Dit zou uitdrukkelijk moeten worden bepaald in de parlementaire voorbereiding.
2. In het derde lid wordt gesteld dat wanneer de verdachte (lees : « de beklaagde ») verwezen wordt naar een politierechtbank, hij in vrijheid wordt gesteld.
Deze bepaling dient te vervallen, aangezien de weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen geregeld wordt in afdeling 6 van hoofdstuk 4 van titel II van boek III (151) en wel op een andere manier. Het derde lid is namelijk strijdig met artikel 267, § 1, dat luidt als volgt :
« Ingeval van beschikking tot buitenvervolgingstelling of van beschikking tot verwijzing naar de politierechtbank, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld tenzij hij werd verwezen wegens een feit dat een inbreuk uitmaakt op de artikelen 418 en 419 van het Strafwetboek of op de artikelen 33, § 2, en 36 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. »
Zo ook voorziet paragraaf 2 van dat artikel alleen in vrijheidstelling als het feit waarvoor de inverdenkinggestelde verwezen wordt, geen gevangenisstraf van een jaar of meer tot gevolg kan hebben.
3. Volgens de professoren Franchimont en Traest behoort in het vierde lid het volgende geschreven te worden : « De beschikking tot gevangenneming, al dan niet gepaard gaande met de voorlopige tenuitvoerlegging, ... ».
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 2
ONDERAFDELING 2
Toezicht op het gerechtelijk onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling
Artikel 233
De Franse tekst van artikel 233 luidt als volgt : « ... la chambre des mises en accusation ... peut ... informer ou se faire informer ».
Het zou beter zijn het woord « informer » te vervangen door het woord « instruire », zoals trouwens het geval is in de Nederlandse tekst, waarin het woord « onderzoeken » wordt gebezigd. Het gaat hier immers om een verwijzing naar het gerechtelijk onderzoek, zoals blijkt uit artikel 236 van het Wetboek van strafvordering, dat als volgt luidt :
« In het geval van artikel 235 (233 van het voorstel) treedt een van de leden van de kamer, waarvan sprake in artikel 218 (229 van het voorstel), als onderzoeksrechter op. »
Dat artikel wordt gepreciseerd door de artikelen 237 en 238 van het Wetboek van Strafvordering.
De Raad van State vraagt zich overigens af waarom artikel 236 en eventueel de artikelen 237 en 238 van het Wetboek van strafvordering niet in het voorstel worden overgenomen. In artikel 231, eerste lid, waarbij artikel 136, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering wordt overgenomen, wordt weliswaar bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling « een van haar leden (kan) machtigen ». De vraag rijst evenwel of die machtiging betrekking heeft op de verdeling van het werk binnen de kamer van inbeschuldigingstelling voor het verrichten van het « administratieve » toezicht op de gerechtelijke onderzoeken, inzonderheid voor het lezen van de verslagen over de stand van de lopende zaken, dan wel of op grond van die machtiging een lid van de kamer van inbeschuldigingstelling kan worden aangewezen voor het uitoefenen van de functie van onderzoeksrechter, wat een handeling van een heel andere aard is.
In het dispositief moet deze kwestie worden opgehelderd.
Artikel 234
1. Krachtens paragraaf 5 is de zuivering van nietigheden niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn « behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 218, § 2 ».
In feite zal, in het stadium van de kamer van inbeschuldigingstelling, geen enkel stuk ooit uit het dossier verwijderd zijn « overeenkomstig artikel 218, § 2 », aangezien in dat artikel wordt bepaald dat de stukken uit het dossier worden verwijderd en ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd « indien er geen hoger beroep is ingesteld binnen de bij artikel 228 bepaalde termijn ».
Zoals vermeld is in de opmerkingen die bij de artikelen 218 en 219 zijn gemaakt, dient de kwestie van de zuivering van nietigheden op het niveau van de raadkamer in voorkomend geval in artikel 218 te worden geregeld.
2. Volgens de toelichting (152), zijn « de middelen die verband houden met de bewijswaardering » niet de enige uitzondering op het principe van de zuivering van nietigheden. Daaraan dienen te worden toegevoegd « de in artikel 7 opgesomde nietigheden », dat wil zeggen die welke verband houden met de openbare orde.
In tegenstelling tot hetgeen in diezelfde toelichting wordt uiteengezet (153), behoort die uitzondering te worden vermeld in de tekst van het nieuwe Wetboek, zoals trouwens geschiedt in artikel 235bis, § 5, van het Wetboek van strafvordering.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 3
AFDELING 2
ONDERAFDELING 3
De rechtspleging
Artikel 237
Uit het laatste lid volgt dat de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling worden uitgesproken op een vastgestelde dag en dat ze niet worden betekend.
Teneinde te zorgen voor overeenstemming tussen enerzijds artikel 237 en anderzijds de artikelen 241 en 272 van het voorstel, behoort artikel 237 evenwel te worden aangevuld met een lid waarin wordt bepaald dat wanneer de inverdenkinggestelde gedetineerd is, het arrest aan hem betekend dient te worden.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 4
De voorlopige hechtenis
AFDELING 1
De aanhouding
Voorafgaande opmerking
In de artikelen 242 en volgende van het voorstel worden de artikelen 1 tot 38 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis overgenomen. Die wet dient bijgevolg te worden opgeheven (154).
De indieners van het voorstel worden er evenwel opmerkzaam op gemaakt dat er rekening gehouden dient te worden met de wijzigingen die in verscheidene artikelen van deze wet zijn aangebracht bij de artikelen 48 en volgende van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd.
De Raad van State ziet overigens niet in waarom artikel 47 van de voormelde wet van 20 juli 1990, dat een zinledige bepaling zou zijn als het een autonoom bestaan zou krijgen, niet eveneens in het voorstel wordt overgenomen (155).
Artikel 242
1. De onderdelen 6º tot 8º bevatten drie nieuwe bepalingen ten opzichte van de voormelde wet van 20 juli 1990, namelijk :
1º het recht van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd om een naaste of een derde van zijn keuze in te lichten of te laten inlichten over zijn aanhouding door middel van een kort telefoongesprek;
2º het recht van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd om een onderzoek door een arts van zijn keuze te vragen;
3º het recht van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd om in bepaalde gevallen te verzoeken het bezoek te krijgen van een advocaat.
In verband met de informatie die door de persoon, die zijn vrijheid is benomen, aan een naaste of een derde van zijn keuze wordt gegeven, vraagt de Raad van State zich af of de mogelijkheid waarover de onderzoeksrechter krachtens artikel 261, tweede lid, beschikt om het vrije verkeer met andere personen dan de advocaat te verbieden door deze tekst niet volledig of ten dele nutteloos wordt.
2. Onderdeel 8º, betreffende het recht om te verzoeken het bezoek van een advocaat te krijgen, heeft alleen betrekking op personen die « in een cel moeten overnachten alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen ».
a) De Raad van State ziet niet in hoe in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan worden verantwoord dat alleen personen die moeten « overnachten » in een cel om het bezoek van een advocaat mogen verzoeken.
b) De Raad van State ziet evenmin de relevantie in van het criterium dat gekozen is om dat recht op het bezoek van een advocaat te doen ontstaan; hoe immers kan vóór acht uur 's avonds met zekerheid worden bepaald dat een persoon die in een cel moet overnachten 's anderendaags hoe dan ook voor de onderzoeksrechter zal moeten verschijnen ?
3. In het derde lid moet de kopie van het proces-verbaal worden vermeld en niet het proces-verbaal zelf.
Artikel 243
1. Wat de onderdelen 4º, 5º en 6º betreft, wordt verwezen naar de opmerkingen die bij artikel 242 zijn gemaakt.
2. De Raad van State ziet niet in waarom in artikel 243, betreffende de aanhoudingen « buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf », niet de bepaling van artikel 242, betreffende de aanhoudingen « bij op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf », wordt overgenomen naar luid waarvan aan de aangehouden persoon kennis wordt gegeven dat hij, binnen vierentwintig uren na zijn vrijheidsbeneming, voor een onderzoeksrechter zal verschijnen, tenzij hij in tussentijd weer in vrijheid wordt gesteld.
3. In de Franse versie van het eerste lid, 3º, dienen de woorden « au paragraphe 7 » te worden vervangen door de woorden « au 7º ».
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 4
AFDELING 2
Het bevel tot medebrenging
Artikel 244
Om elke controverse te voorkomen, is het beter in het tweede lid de woorden « derde lid » te laten vervallen.
Artikel 245
Dit artikel moet worden gelezen in onderlinge samenhang met artikel 75, krachtens hetwelk de procureur des Konings de getuigen kan dwingen te verschijnen.
Artikel 255
De Raad van State vraagt zich af of het nog nodig is melding te maken van de burgemeester en de schepen, aangezien deze personen geen officier van gerechtelijke politie meer zijn (156).
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 4
AFDELING 4
De handhaving van de voorlopige hechtenis
Artikel 262
Krachtens paragraaf 3, tweede lid, « kan » de terbeschikkingstelling van het dossier aan de inverdenkinggestelde « gebeuren in de vorm van afschriften die door de griffier ... eensluidend zijn verklaard ».
Gelet op artikel 137, derde lid, waarin bepaald wordt dat « het origineel van het dossier ... permanent ter beschikking van de rechter (blijft) tot de regeling van de rechtspleging », is het woord « kan » in paragraaf 3, tweede lid, niet geschikt (157).
Voorts dient volgens de professoren Franchimont en Traest de eensluidendverklaring door de griffier te worden geschrapt. Paragraaf 3, tweede lid, dient bijgevolg als volgt te worden gesteld :
« Deze terbeschikkingstelling geschiedt in de vorm van afschriften. »
Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 263, vierde lid, en 271, § 2, zesde lid.
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 4
AFDELING 6
De weerslag van de regeling van de rechtspleging
op de vrijheidsbenemende maatregelen
Artikel 267
1. Artikel 267 heeft zowel betrekking op de beschikkingen van de raadkamer als op de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling.
Bijgevolg wordt voorgesteld om in paragraaf 1 te verwijzen naar de « beschikkingen of arresten » tot buitenvervolgingstelling of tot verwijzing en om in paragraaf 2 « de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling » te vermelden.
2. In paragraaf 1 behoort eveneens te worden verwezen naar de artikelen 419bis en 420bis van het Strafwetboek, ingevoegd bij de artikelen 34 en 35 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (158), alsook naar artikel 37bis, § 2, van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gewijzigd bij artikel 17 van de voormelde wet van 7 februari 2003.
3. In de Franse tekst van paragraaf 3, derde lid, in fine, behoort zoals in de Nederlandse tekst te worden geschreven « elle agit conformément à l'alinéa 1er » en niet « elle agit conformément à l'alinéa précédent ».
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 4
AFDELING 10
De vrijheid onder voorwaarden en
de invrijheidstelling onder voorwaarden
Artikel 279
Er behoort te worden verwezen naar de federale overheidsdienst Justitie en niet naar het « ministerie van Justitie ».
BOEK III
TITEL III
Het vonnis en de vonnisgerechten
HOOFDSTUK 1
Het vonnis
AFDELING 1
Algemene bepalingen
Artikel 280
1. De vraag rijst of de bepalingen vervat in de artikelen 280 en volgende eveneens toepasselijk zijn op de onderzoeksgerechten, die met toepassing van de artikelen 226 en 227 ten gronde uitspraak doen.
In dit verband dient ervoor te worden gezorgd dat de terminologie die in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht wordt gebezigd daaromtrent geen enkele twijfel laat bestaan (159). Meer in het algemeen is het raadzaam om in deze aangelegenheid een in grotere mate uniforme terminologie te bezigen in het gehele nieuwe Wetboek van strafprocesrecht (160).
2. Het zou beter zijn in de Franse tekst « les garants des droits des citoyens » te schrijven, naar het voorbeeld van de Nederlandse tekst.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 2
De kenmerken van de rechtspleging
Artikel 284
De wetgever wordt erop gewezen dat krachtens de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden sommige stukken bewaard worden in een « afzonderlijk en vertrouwelijk dossier », waartoe alleen de procureur des Konings en de onderzoeksrechter toegang hebben. Die stukken vallen dus buiten de toepassing van artikel 284.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 3
De rechtspleging ter terechtzitting
ONDERAFDELING 1
De aanhangigmaking, het dossier en de stukken
Artikel 285
1. Er wordt verwezen naar de opmerking gemaakt onder de artikelen 24 en 25.
2. Het zou beter zijn in de Franse tekst, naar analogie van de Nederlandse tekst en van artikel 288, « l'acte introductif de la procédure » te schrijven in plaats van « les actes introductifs de la procédure » (of « de la poursuite »).
Artikel 286
Wat het vierde lid betreft, moet in het voorstel of op zijn minst in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd worden hoe de aanvraag tot verkorting van de termijn van dagvaarding moet worden gedaan.
Artikel 287
In het eerste lid is alleen sprake van het geval van dagvaarding door het openbaar ministerie. De vraag rijst op welk tijdstip het strafdossier moet worden neergelegd ter griffie van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt in andere gevallen, zoals inzonderheid de oproeping om te verschijnen die door de procureur des Konings ter kennis wordt gebracht met toepassing van artikel 25.
Een soortgelijke opmerking moet worden gemaakt in verband met artikel 289, waarin ook alleen sprake is van de dagvaarding.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 3
ONDERAFDELING 2
De behandeling ter terechtzitting van de vonnisgerechten
met uitzondering van het hof van assisen
Voorafgaande opmerking
De kwestie van de tolken wordt alleen behandeld in artikel 406, dat de rechtspleging vóór het hof van assisen betreft (161).
Die aangelegenheid moet ook worden geregeld in de bepalingen die gemeenschappelijk zijn aan alle overige rechtscolleges.
Artikel 288
1. Artikel 143, vierde lid, en artikel 288, vierde lid, nemen respectievelijk met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek en tot de vonnisgerechten artikel 2bis van de voornoemde wet van 17 april 1878 over wat betreft vervolging tegen een rechtspersoon en tegen de persoon die bevoegd is om die rechtspersoon te vertegenwoordigen.
De vraag rijst of geen soortgelijke bepaling hoeft te worden ingevoegd in de bepalingen betreffende het opsporingsonderzoek.
2. In het tweede en het derde lid behoort niet te worden verwezen naar het ambachtsregister. De wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister is immers opgeheven bij artikel 72 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modemisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. Overigens wordt in artikel 2, 8º, van diezelfde wet de volgende definitie gegeven van het handelsregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van ondernemingen omvattende de gegevens van de in de Kruispuntbank van ondernemingen geregistreerde handels- en ambachtsondernemingen.
Met andere woorden : alleen het handelsregister blijft nog over als elektronisch repertorium van de Kruispuntbank van ondernemingen en het is in dat repertorium dat de ambachtelijke bedrijven voortaan geregistreerd worden.
Artikel 290, derde lid
Wat de uitsluiting betreft, moet voorbehoud worden gemaakt voor de in artikel 7 van het voorstel bepaalde gronden van absolute nietigheid.
Er moet eveneens, zoals in de toelichting is gedaan (162), uitdrukkelijk voorbehoud worden gemaakt voor de in artikel 234 behandelde zuivering van nietigheden.
Artikel 293
In verband met het vijfde lid, dat de weergave is van artikel 317, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, ziet de Raad van State niet in naar welk ander lid van dat artikel het woord « Niettemin » verwijst.
Artikel 294
1. De Raad van State vraagt zich af waarom in het tweede lid niet alle personen vermeld in artikel 395 wat betreft de rechtspleging vóór het hof van assisen worden opgesomd en waarom dat tweede lid inzonderheid nalaat de kwestie te regelen van de minderjarigen jonger dan vijftien jaar en van de onbekwaamverklaarden, zoals in artikel 395 het geval is. Die aangelegenheid wordt weliswaar geregeld door de verwijzing, in artikel 297, zevende lid, van het voorstel naar artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, maar het zou beter zijn dat onderwerp te behandelen in artikel 294 zelf, in plaats van naar het Gerechtelijk Wetboek te verwijzen.
2. In tegenstelling tot artikel 395 voorziet artikel 294 niet in de mogelijkheid om personen ten aanzien van wie het openbaar ministerie of een partij in het geding zich ertegen heeft verzet dat ze worden gehoord, buiten ede te horen, louter bij wijze van informatie (163).
Die mogelijkheid lijkt evenwel niet uitgesloten, daar artikel 307, eerste lid, bepaalt :
« De griffier moet de belangrijkste verklaringen van de beklaagden, van de getuigen en van de personen die louter ter informatie werden gehoord optekenen (...). »
Die aangelegenheid moet dus duidelijker worden geregeld in de loop van de parlementaire voorbereiding.
3. Veeleer dan zich ertoe te beperken voor te schrijven dat de getuigen ter terechtzitting de eed doen dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen, zou het beter zijn indien de tekst uitdrukkelijk de eedformule in de drie landstalen opgeeft (164).
Een soortgelijke opmerking moet worden gemaakt over artikel 388, eerste lid.
Artikel 297
1. Het vijfde lid bepaalt :
« De partijen kunnen elkaar, door tussenkomst van de voorzitter, ondervragen. »
Het zou beter zijn die bepaling, welke niet de getuigen betreft, in een onderscheiden artikel op te nemen.
2. Het zesde lid, eerste zin, bepaalt :
« De raadslieden beschikken over dezelfde rechten als de partij die zij bijstaan of vertegenwoordigen. »
De Raad van State vraagt zich af waarom een zodanige precisering niet eveneens voorkomt in artikel 292, tweede lid.
3. Het zevende lid stelt dat een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn op de strafrechtspleging.
Zoals reeds is vermeld in opmerking 5 gemaakt onder artikel 106, zou het beter zijn de kwesties die specifiek de strafrechtspleging betreffen, in casu het horen van getuigen [en van deskundigen (165)], rechtstreeks te regelen, veeleer dan te verwijzen naar het Gerechtelijk Wetboek. Die oplossing is des te evidenter omdat de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar wordt verwezen aangelegenheden regelen die onderling nauw verbonden zijn of die zelfs al zijn geregeld in het wetsvoorstel, en omdat sommige verwijzingen onbestaanbaar zijn met een aantal artikelen van het voorstel (166). Het voorstel moet dus worden aangevuld, veeleer dan dat sommige artikelen van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk worden verklaard.
Artikel 298
Het zesde lid bepaalt dat indien het gerecht een deskundigenonderzoek beveelt, de artikelen 197 tot 202 (167) van toepassing zijn.
Artikel 198 van het voorstel legt echter eerst het principe vast dat het deskundigenonderzoek op tegenspraak verricht wordt, en bepaalt vervolgens dat de onderzoeksrechter in dat verband kan voorzien in nadere regels en uitzonderingen « rekening houdend met de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering ». Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 60/98 van 27 mei 1998 evenwel beschouwd dat voor het deskundigenonderzoek bevolen door de feitenrechter de regels van de tegenspraak moeten gelden zoals ze zijn vervat in het Gerechtelijk Wetboek, ongeacht of het deskundigenonderzoek een strafrechtelijk geding of een civielrechtelijk geding betreft. Het laatste lid van artikel 298 moet grondig worden herzien, zodat rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Arbitragehof.
Artikel 299
In de voorgestelde bepaling, die nieuw is vergeleken met de bepalingen van het Wetboek van strafvordering, wordt verwezen naar artikel 952 van het Gerechtelijk Wetboek; die verwijzing heeft om te beginnen geen praktisch nut. De Koning heeft immers tot dusver niet de macht uitgeoefend die die tekst Hem verleent met het oog op het vaststellen van de regels inzake de erkenning van de personen belast met de woordelijke opname, alsook van de toegestane methodes van woordelijke opname.
Er wordt eveneens verwezen naar algemene opmerking 4. Er moet immers worden gezorgd voor samenhang tussen enerzijds artikel 299 en bij wijze van gevolg artikel 952, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat « ieder stenografisch, mechanisch of ander procédé voor opname van het gesprokene mag worden aangewend, op voorwaarde dat aldus een getrouwe en zekere weergave wordt verkregen » en anderzijds de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media (videoconferentie; telefonische conferentie; audiovisuele opname; audio-opname).
Ten slotte ziet de Raad van State niet in hoe artikel 299 bestaanbaar kan worden gemaakt met artikel 307 van het voorstel, dat in verband met het proces-verbaal van verhoor het volgende bepaalt :
« De griffier moet de belangrijkste verklaringen van de beklaagden, van de getuigen en van de personen die louter ter informatie werden gehoord optekenen, tenzij de rechtbank, met instemming van het openbaar ministerie en de partijen, hem daarvan uitdrukkelijk heeft vrijgesteld.
De griffier beoordeelt, onder het toezicht van de voorzitter, welke de belangrijkste elementen van de verklaringen zijn, teneinde daarvan slechts een samenvatting op te schrijven. De partijen mogen evenwel vragen dat bepaalde verklaringen woordelijk worden opgetekend. »
De conclusie is dan ook dat in de loop van de parlementaire voorbereiding de mogelijkheid wordt onderzocht om artikel 299 te behouden en dat, indien het antwoord op die vraag bevestigend is, de samenhang zowel met andere voorgestelde bepalingen als met de voornoemde wet van 2 augustus 2002 moet worden gehandhaafd. Een fundamentelere vraag is of in dat verband verwezen moet worden naar een bepaling van het Gerechtelijk Wetboek, veeleer dan de aangelegenheid rechtstreeks te regelen in het Wetboek van strafprocesrecht.
Artikel 301
1. Met het oog op de eenheid van terminologie zou het beter zijn om in het eerste lid de woorden « nieuwe onderzoeksmaatregelen » te vervangen door de woorden « nieuwe onderzoekshandelingen ».
2. Het zou beter zijn in het tweede lid voor te schrijven dat de onderzoeksrechter het dossier verwijst naar de procureur des Konings, daar hij krachtens het eerste lid door de procureur des Konings geadieerd is.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 3
ONDERAFDELING 4
De splitsing van het geding
Artikel 303
1. De Raad van State vraagt zich af waarom in het vierde lid hoeft te worden gepreciseerd dat de rechtbank door middel van slechts één enkele beslissing ten gronde uitspraak doet, een beslissing die « betrekking heeft op alle beklaagden die op tegenspraak worden gevonnist ».
Er bestaat geen grond om de mogelijkheid voor de rechter uit te sluiten om ook de partijen te berechten die niet ter terechtzitting zijn verschenen.
Hoe kan bovendien het vijfde lid voorzien in « verzet ingesteld door een niet verschenen partij » indien de rechter zich alleen uitspreekt ten aanzien van de aanwezige partijen ?
2. Het zou beter zijn in het vierde en het vijfde lid de woorden « ten gronde » te vervangen door de woorden « omtrent de straf en omtrent burgerrechtelijk herstel ».
3. In het vierde lid, laatste zin, van de toelichting (168) staat te lezen :
« In de mate van het mogelijke zal de rechter die over de schuldvraag geoordeeld heeft tevens over het vervolg oordelen. »
De woorden « In de mate van het mogelijke » zijn onduidelijk. De Raad van State veronderstelt dat, althans wat de uitspraak van de straf betreft, die woorden slaan op de gevallen van overmacht.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 3
ONDERAFDELING 5
De sluiting van de debatten
Artikel 304
Het derde lid verwijst naar de artikelen 772 tot 776 van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de heropening van de debatten.
Zoals reeds is gesteld in opmerking 5 gemaakt onder artikel 106 en in opmerking 3 gemaakt onder artikel 297, zou het beter zijn de kwesties die specifiek de strafrechtspleging betreffen, in casu de heropening van de debatten, rechtstreeks te regelen, veeleer dan te verwijzen naar het Gerechtelijk Wetboek. Dit geldt des te meer daar het Hof van Cassatie geoordeeld heeft dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de heropening van de debatten niet als zodanig toepasselijk zijn in strafzaken (169).
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 3
ONDERAFDELING 6
Het proces-verbaal van de terechtzitting
Artikel 305
In de Franse tekst dienen de woorden « Le procès-verbal » te worden aangevuld met het woord « d'audience ».
Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 309.
Artikel 309
De laatste zin bepaalt het volgende :
« Doorhalingen en overschrijvingen moeten worden goedgekeurd. »
De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat de artikelen 149, derde lid, en 158, derde lid, van het voorstel, betreffende het gerechtelijk onderzoek, in dit verband belangrijker verduidelijkingen bevatten.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 4
De uitspraak van de beslissing
Artikel 319
1. Dit artikel handelt over het gezag van gewijsde.
Deze aangelegenheid wordt evenwel reeds geregeld bij de artikelen 11 en 12 van het voorstel. Hieruit volgt dat artikel 319 dient te vervallen, des te meer daar er tegenstrijdigheid bestaat tussen artikel 319 en artikel 12. Het eerste bepaalt immers op algemene wijze dat de artikelen 23 tot 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn, terwijl het tweede terecht bepaalt dat de artikelen 23 tot 28 van hetzelfde Wetboek slechts van toepassing zijn op beslissingen die verband houden met de burgerlijke rechtsvordering.
2. Voor het overige wordt erop gewezen dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het gezag van gewijsde in burgerlijke zaken niet van toepassing zijn op het gezag van gewijsde in strafzaken (170).
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 1
AFDELING 5
Bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen
Artikel 321
In de Nederlandse tekst van paragraaf 5, tweede lid, dient het woord « onderzoek » te worden vervangen door het woord « verzoek ».
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
De vonnisgerechten
AFDELING 1
De politierechtbank
ONDERAFDELING 1
De bevoegdheid
Artikel 323
1. De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat artikel 137 van het Wetboek van strafvordering, dat in artikel 323, eerste lid, van het voorstel wordt overgenomen, gewijzigd is bij artikel 3 van de wet van 4 april 2003 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van artikel 137 van het Wetboek van strafvordering.
2. In het tweede lid, 6º, dient te worden verwezen naar de artikelen 418 tot 420bis van het Strafwetboek. Artikel 138, 6ºbis, van het Wetboek van strafvordering, dat in het voorstel wordt overgenomen, is in die zin gewijzigd bij artikel 42 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 1
ONDERAFDELING 2
De vormen van aanhangigmaking
Artikel 325
In verband met de meeste vormen van aanhangigmaking bij de politierechtbank vraagt de Raad van State zich af hoe de partijen in het geding, behalve de beklaagde (de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke, de benadeelde persoon, de tussenkomende partij) in kennis worden gesteld van de datum van de terechtzitting.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 1
ONDERAFDELING 3
De rechtspleging
Artikel 326
Volgens de toelichting (171) is deze bepaling gebaseerd op artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, vóór de wijziging ervan door een wetsvoorstel dat de wet van 12 februari 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het verstek betreft en tot opheffing van artikel 421 van hetzelfde Wetboek geworden is. In de toelichting wordt voorts gepreciseerd dat de commissie Strafprocesrecht de paragrafen 2 en 4 van het oorspronkelijke artikel 152 evenwel niet heeft aangepast, daar zij niet kon instemmen met het wetsvoorstel betreffende deze twee punten. Aangezien dit voorstel de voormelde wet van 12 februari 2003 geworden is, dient de tekst te worden aangepast op basis van deze nieuwe wet, die uitdrukkelijk uitgevaardigd is overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (172).
Artikel 328
Artikel 159 van het Wetboek van strafvordering, dat model heeft gestaan voor artikel 328, bepaalt dat indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, de rechtbank de dagvaarding vernietigt en alles wat erop gevolgd is, « en (...) bij hetzelfde vonnis beslist over de vorderingen tot schadevergoeding ».
De « vorderingen tot schadevergoeding », waarvan sprake is in artikel 159, zijn vanzelfsprekend niet de vorderingen van de burgerlijke partij, maar de tussenvorderingen die de beklaagde instelt tegen de burgerlijke partij tot schadeloosstelling van het nadeel dat hem door de vervolging veroorzaakt is.
In het voorstel staat nu dat de rechtbank « (...) zich onbevoegd (verklaart) om kennis te nemen van de vorderingen tot schadevergoeding ». Ditmaal gaat het om de vorderingen tot schadevergoeding van de burgerlijke partij.
Het is niet zonder nut in de parlementaire voorbereiding te preciseren wat er gebeurt met het geval dat bedoeld wordt in artikel 159 van het Wetboek van strafvordering, namelijk de schadevergoeding die van de burgerlijke partij wordt geëist door de beklaagde die ontslagen is van rechtsvervolging.
Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 338, eerste lid, en 344 van het voorstel, waarbij de artikelen 191 en 212 van het Wetboek van strafvordering worden overgenomen.
Artikel 329
Dit artikel, dat in ruime mate steunt op artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, overlapt artikel 493 van het voorstel. Het dient derhalve te vervallen.
Artikel 330
Dit artikel is een overlapping van artikel 494 en moet vervallen. Deze regeling geldt des te meer daar artikel 494 evenals artikel 162, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering waarop artikel 330 gebaseerd is bepaalt dat de burgerlijke partij moet worden veroordeeld in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De tweede zin van artikel 330 voorziet evenwel in een facultatieve veroordeling, wat lijkt te berusten op een vergissing, aangezien de eerste zin van diezelfde bepaling reeds een facultatieve veroordeling behelst.
Artikel 331
De aandacht van de wetgever wordt erop gevestigd dat artikel 163 van het Wetboek van strafvordering, aangevuld door artikel 43 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, bovendien bepaalt dat
« De rechter (...) een geldboete (kan) uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst. »
Indien het de bedoeling van de wetgever is deze bijzondere bepaling te handhaven, dient ze te worden ingevoegd in artikel 331 van het voorstel.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
De correctionele rechtbank
ONDERAFDELING 1
De bevoegdheid
Artikel 333
In de Franse versie van onderdeel 3º van artikel 333 wordt artikel 221 vermeld en in de Nederlandse versie artikel 222. Het zijn de artikelen 222 en 223 waarnaar dient te worden verwezen.
Artikel 334
In artikel 324 is meer bepaald sprake van de « verblijfplaats van de beklaagde ».
In de artikelen 59, eerste lid, 135, tweede en derde lid, en 334 is dan weer sprake van de plaats waar de betrokken persoon « zijn laatste verblijfplaats heeft gehad ».
De terminologie in de vier artikelen dient eenvormig te worden gemaakt.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 2
De vormen van aanhangigmaking
Artikel 335
Er wordt verwezen naar de opmerking in verband met artikel 325.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 3
De rechtspleging
Artikel 336
Volgens de toelichting (173) is deze bepaling gebaseerd op artikel 185 van het Wetboek van strafvordering, vóór de wijziging ervan door een wetsvoorstel. Aangezien dit voorstel de voormelde wet van 12 februari 2003 geworden is, dient zoals reeds opgemerkt is bij artikel 326, de bepaling te worden aangepast op basis van deze nieuwe wet, die uitdrukkelijk uitgevaardigd is overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (174).
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
Het hof van beroep
ONDERAFDELING 2
De vormen van aanhangigmaking
Artikel 342
1. In onderdeel 3º is bij de vormen van aanhangigmaking bij het hof van beroep sprake van, « naargelang het geval, (...) rechtstreekse dagvaarding gedaan door de procureur-generaal of krachtens een arrest tot verwijzing van het Hof van Cassatie voor de berechting van personen die voorrang van rechtsmacht genieten ».
Er dient te worden opgemerkt dat wat de veroordeling van ministers betreft, een zaak bij het hof van beroep aanhangig wordt gemaakt door het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, overeenkomstig artikel 16 van de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en artikel 16 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering.
Deze vorm van aanhangigmaking dient derhalve te worden vermeld of op zijn minst dienen de andere bij de wet bepaalde wijzen van aanhangigmaking in stand te worden gelaten.
2. Er wordt verwezen naar de opmerking bij artikel 325.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 3
ONDERAFDELING 3
De rechtspleging
Artikel 346
Volgens de toelichting is deze tekst gebaseerd op artikel 214 van het Wetboek van strafvordering. In de parlementaire voorbereiding zou moeten worden uitgelegd om welke reden de voorgestelde bepaling niet meer voorziet in de mogelijkheid voor het hof van beroep om in voorkomend geval een bevel tot aanhouding uit te vaardigen, zoals wordt bepaald in de huidige tekst van artikel 214.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 339, dat steunt op artikel 193 van het Wetboek van strafvordering.
Artikel 347
De tekst van deze bepaling is onduidelijk in zoverre er sprake in is van het tenietdoen van het vonnis « wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid ».
Indien de bepaling betrekking heeft op het tenietdoen van het vonnis wegens vormgebreken die proceshandelingen aantasten, valt ze moeilijk te rijmen met de bepalingen van de artikelen 6 en 7, § 1, van het voorstel, waarin gevallen van nietigheid van handelingen die niet uitdrukkelijk door de wet bepaald zijn, worden vermeld.
Als de bepaling verwijst naar de vernietiging van het vonnis wegens schending van vormvereisten die de rechter zelf in acht dient te nemen, breekt de tekst met de algemeen aanvaarde lering dat de regels betreffende de nietigheid van proceshandelingen niet gelden voor vonnissen (175).
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
Het hof van assisen
Voorafgaande opmerking
Er behoort rekening te worden gehouden met de artikelen 317quater en 317quinquies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
ONDERAFDELING 1
De bevoegdheid, de ambtsverrichtingen van de voorzitter en de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep
§ 1. De bevoegdheid
Artikel 348
Zoals in de toelichting (176) wordt vermeld, wordt in dit artikel de tekst van artikel 150 van de Grondwet overgenomen (177).
Zoals er wederom op gewezen is in opmerking 1 die bij artikel 1 is gemaakt, mag in een rechtsregel de inhoud van een hogere rechtsregel evenwel niet worden overgenomen.
Artikel 348 dient bijgevolg te vervallen.
§ 3. De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep
Artikel 353
In de Franse tekst staat : « Le procureur général poursuivra ... toute personne mise en accusation suivant les formes prescrites à la sous-section première de la présente section ». In de Nederlandse tekst is sprake van de vormen voorgeschreven « in het eerste hoofdstuk van deze titel ».
Artikel 271 van het Wetboek van strafvordering, dat voor de voorgestelde bepaling model heeft gestaan, verwijst naar het « eerste hoofdstuk van deze titel », betreffende de « inbeschuldigingstelling ».
In de toelichting (178) wordt evenwel het volgende onderstreept :
« Sommige artikelen werden evenwel niet overgenomen (bijvoorbeeld de inbeschuldigingstelling), vermits zij dubbel gebruik zouden uitmaken met andere artikelen van het voorontwerp. »
In feite is een aantal artikelen uit het hoofdstuk betreffende de inbeschuldigingstelling geschrapt zonder elders overgenomen te zijn.
Zoals de professoren Franchimont en Traest voorstellen, dient te worden vermeld « in de vorm voorgeschreven in dit Wetboek ».
Artikelen 356 tot 366
Deze artikelen hebben betrekking op de procureur-generaal, zijn opdrachten, zijn vorderingen, zijn verhouding tot het hof van beroep en de procureur des Konings en het toezicht dat hij op officieren van gerechtelijke politie uitoefent.
Hoewel deze artikelen deel uitmaken van de afdeling betreffende het hof van assisen, hebben sommige ervan een algemene strekking. De Raad van State stelt voorts vast dat de regel vermeld in artikel 357, tweede lid (overzending van de klachten aan de procureur des Konings) reeds vervat is in artikel 68, in fine, van het voorstel. Bovendien wordt in artikel 361, betreffende het toezicht op de officieren van gerechtelijke politie, uitdrukkelijk verwezen naar artikel 73 van het voorstel, terwijl het eerstgenoemde artikel eveneens verband houdt met artikel 71, waarin het volgende wordt bepaald :
« De gerechtelijke politie wordt, onder het gezag van de hoven van beroep en, binnen zijn bevoegdheden onder het gezag van de federale procureur, uitgeoefend volgens de hierna gemaakte (onderscheiden) ... »
Die artikelen horen dan ook thuis in boek III, titel I, dat gewijd is aan het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie, en, meer in het bijzonder, in hoofdstuk 1 ervan, gewijd aan het opsporingsonderzoek, en in hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2, die respectievelijk gewijd zijn aan de algemene bepalingen betreffende het opsporingsonderzoek en de gerechtelijk politie.
Artikel 365
In dit artikel is sprake van de « commissaris voor gerechtelijke opdrachten », het « lid van de gemeentepolitie » en de « officier van de rijkswacht » (179).
De redactie van dit artikel behoort te worden aangepast aan de terminologie die gebruikt wordt in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Artikel 366
De vermelding vrederechter behoort blijkbaar te vervallen. Het voorstel voorziet immers niet in de mogelijkheid dat een onderzoeksrechter een vrederechter ermee belast een verklaring van een getuige af te nemen. In de Franse tekst dient daarentegen, zoals in de Nederlandse tekst, eveneens te worden verwezen naar de onderzoeksrechter.
Voorts bestaat het bevel tot bewaring niet meer.
Bovendien vraagt de Raad van State zich af of de uitzondering die gemaakt wordt voor het bevel tot medebrenging niet in tegenspraak is met artikel 377, waarin alleen voor het bevel tot aanhouding een uitzondering wordt gemaakt.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
ONDERAFDELING 2
De aanhangingmakingen
ONDERAFDELING 3
De rechtspleging
Artikelen 367 en 369
In deze beide artikelen is sprake van de betekening van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de zaak naar het hof van assisen wordt verwezen.
Uit het voorgestelde artikel 237, zesde lid, volgt evenwel dat de kamer van inbeschuldigingstelling haar arrest uitspreekt op een vastgestelde datum en dat dit arrest niet langer aan de partijen wordt betekend.
Er moet worden gezorgd voor samenhang tussen de onderscheiden onderdelen van het voorstel. In dit verband wordt verwezen naar de opmerking die bij artikel 237 is gemaakt.
Artikel 373
Er wordt verwezen naar de opmerking die bij artikel 325 is gemaakt.
Artikel 374
In het tweede lid wordt verwezen naar de wet van 25 juli 1893 betreffende de verklaringen van hoger beroep of van voorziening in verbreking van de gedetineerde of geïnterneerde personen. Men zou er beter aan doen de nog dienstige artikelen van die wet in het nieuwe Wetboek over te nemen en die wet zelf op te heffen.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
ONDERAFDELING 4
Het onderzoek, het arrest en de tenuitvoerlegging
§ 1. Het onderzoek
Artikelen 405 en 406
In artikel 405 wordt artikel 332 van het Wetboek van strafvordering overgenomen.
Er is evenwel geen rekening gehouden met de wijzigingen die in dat artikel zijn aangebracht bij artikel 6 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wat betreft de vertalingen van de mondelinge verklaringen, teneinde eveneens naar de burgerlijke partij te verwijzen.
Deze leemte moet worden aangevuld.
Deze opmerking geldt ook voor artikel 406 van het voorstel, waarin artikel 333 van het Wetboek van strafvordering wordt overgenomen, welk artikel eveneens gewijzigd is, en wel bij artikel 7 van de voormelde wet van 3 mei 2003.
Artikel 414
Zoals in de artikelen 382, eerste lid, en 419, derde lid, dient in artikel 414, derde lid, in beide kolommen van het voorstel in de drie landstalen de aanwijzingen te worden opgenomen die door de hoofdman van de jury moeten worden voorgelezen.
Artikel 423
De Raad van State ziet het nut niet in van de verwijzing naar artikel 118 van de wet van 18 juni 1869 op de rechterlijke organisatie (lees : inrichting). Die verwijzing komt immers niet voor in artikel 352 van het Wetboek van strafvordering, dat in de voorgestelde bepaling wordt overgenomen. Overigens is de wet van 18 juni 1869 op de rechterlijke inrichting in haar geheel opgeheven bij artikel 2 van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.
De inhoud van dat artikel 118 stemt weliswaar overeen met die van artikel 351 van het Wetboek van strafvordering, welk artikel zelf wordt overgenomen in artikel 422 van het voorstel. Bijgevolg zou naar dat laatstgenoemde artikel moeten worden verwezen in artikel 423. De Raad van State ziet het nut van zulk een verwijzing evenwel niet in. De artikelen 422 en 423 van het voorstel hebben immers betrekking op totaal verschillende gevallen, zodat het niet nodig is die artikelen met elkaar in verband te brengen.
Kortom, de woorden « buiten het geval van artikel 118 van de wet van 18 juni 1969 op de rechterlijke organisatie » dienen te vervallen.
Artikel 425
Er behoort te worden verwezen naar artikel 351, eerste lid, en niet naar artikel 336, eerste lid, welke bepaling geen verband houdt met de kwestie van de getuigenissen.
§ 2. Het arrest en de tenuitvoerlegging
Artikel 432
Er behoort niet te worden verwezen naar « de onderscheidingen in artikel 91 van het Wetboek van strafvordering gemaakt », aangezien dat artikel, dat in artikel 178 van het voorstel overgenomen wordt, betrekking heeft op de voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen.
De Raad van State vraagt zich tevens af waarom het bevel tot aanhouding wordt vermeld, terwijl het blijkbaar de onderzoeksrechter naar wie de zaak zal worden teruggezonden, is die daarover zal moeten oordelen.
Is het ten slotte niet beter de zaak terug te zenden aan de territoriaal bevoegde onderzoeksrechter in plaats van aan de onderzoeksrechter van het arrondissement waar het hof zitting houdt ?
Artikel 437
Deze bepaling zou moeten worden ingevoegd in artikel 493 van het voorstel.
Artikel 440
De Raad van State ziet de relevantie van de verwijzing naar artikel 429 van het voorstel niet in.
Artikel 441
Deze bepaling zou beter opgenomen worden in hoofdstuk 6 (artikelen 492 tot 495), dat over de gerechtskosten handelt.
Artikel 447
In deze bepaling wordt artikel 376 van het Wetboek van strafvordering overgenomen. Er dient evenwel rekening te worden gehouden met de wijziging die in het tweede lid van dat artikel is aangebracht bij de wet van 19 maart 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 2
AFDELING 4
ONDERAFDELING 5
De verstekprocedure en het verzet
Artikel 452
In het tweede lid behoort te worden verwezen naar « onderafdeling 4 van deze afdeling » en niet naar « onderafdeling 3 ».
Deze opmerking geldt ook voor artikel 456.
Artikel 453
In het tweede lid dient te worden verwezen naar de artikelen 458 en volgende.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 3
De gewone rechtsmiddelen
AFDELING 1
Het verzet
Artikel 457
1. Krachtens artikel 289 van het voorstel is er sprake van een vonnis bij verstek wanneer de partij of haar raadsman niet verschenen is op de dag en het tijdstip bepaald in de dagvaarding.
Ingevolge artikel 457 van het voorstel wordt een vonnis « geacht bij verstek te zijn gewezen » (180)
« indien de partij, of de advocaat die haar vertegenwoordigt, afwezig was bij de vordering van het openbaar ministerie en geen tegenspraak heeft kunnen voeren omtrent de feiten die tot de vervolging aanleiding hebben gegeven, of indien zij haar vordering niet heeft kunnen stellen of zich niet heeft kunnen verdedigen met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering ».
Deze twee bepalingen, die dus samen moeten worden gelezen, zouden moeten worden afgestemd op elkaar.
Bovendien laat het zich aanzien dat in de toelichting bij artikel 457 (181), waarin gepreciseerd wordt dat « het criterium (...) niet gewijzigd (werd) », verwezen wordt naar gevallen waarin het dispositief niet voorziet, te weten dat er eveneens sprake zou zijn van een vonnis bij verstek wanneer de partij of de advocaat die haar vertegenwoordigt niet is ondervraagd door de voorzitter of indien na een eerste terechtzitting, waarbij een partij aanwezig was, in haar afwezigheid aan het dossier nieuwe stukken zijn toegevoegd.
Bijgevolg dient het dispositief te worden aangevuld om rekening te houden met de gevallen van verstek waarvan sprake is in de toelichting.
Artikel 459
1. Het eerste lid neemt de tekst over van artikel 187, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering.
Evenwel dient rekening te worden gehouden met de wijziging van dat lid bij artikel 9 van de voormelde wet van 12 februari 2003.
2. Het tweede lid is gebaseerd op het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936.
In het voorstel behoren alle nog dienstige bepalingen van dat koninklijk besluit te worden overgenomen en het koninklijk besluit dient te worden opgeheven.
3. Artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 bepaalt dat het verzet tegen de veroordelingen in strafzaken door de eiser in verzet die zich in hechtenis bevindt, gedaan kan worden door middel van een verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting of aan zijn gemachtigde. De toelichting (182) preciseert dat deze regel alleen geldt voor strafrechtelijke veroordelingen (183) en dat dientengevolge « de vaak talrijke dagvaardingen van burgerlijke partijen niet door de griffie moeten worden verricht ».
Bijgevolg zou in de parlementaire voorbereiding moeten worden bepaald wie de « betrokken partijen » zijn waarvan sprake is in het tweede lid, in fine.
Bovendien zou het beter zijn in het dispositief uitdrukkelijk te vermelden dat de eiser in verzet die zich in hechtenis bevindt, wat betreft het verzet tegen veroordelingen op burgerlijk gebied, gebruik moet maken van een deurwaardersexploot.
Artikelen 460 tot 463
Voorgesteld wordt deze artikelen te herstructureren om de tijdsorde in acht te nemen, dit wil zeggen achtereenvolgens de kwesties te regelen met betrekking tot de gevolgen van de akte van verzet, de ontvankelijkheid van het verzet, de gevolgen van het ontvankelijk verklaarde verzet en de gevolgen van het op verzet gewezen vonnis.
Artikel 462
1. Het eerste lid bepaalt dat het verzet « in de regel » geen aanleiding mag geven tot een verergering van de situatie van de eiser in verzet.
De woorden « in de regel » laten veronderstellen dat er uitzonderingen bestaan. Indien zulks het geval is, dient het uitdrukkelijk te worden vermeld. Als dit niet het geval is, moeten de woorden « in de regel » vervallen.
2. Het zou nuttig zijn in de parlementaire voorbereiding erop te wijzen dat de schorsende kracht die het voorstel verleent aan elk verzet, ongeacht of het binnen de gewone of de buitengewone termijn wordt gedaan, een noviteit is vergeleken bij het huidige recht, waarin de schorsende kracht slechts wordt aanvaard wanneer het verzet gedaan is binnen de gewone termijn (184).
3. In het vierde lid wordt artikel 187, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering gedeeltelijk weergegeven. De Raad van State stelt vast dat het slot van dat lid niet wordt weergegeven; het verdient aanbeveling in de parlementaire voorbereiding uitleg te verschaffen omtrent die weglating.
Artikel 463
Het is de Raad van State niet duidelijk wat de strekking is van het woord « evenwel ».
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 3
AFDELING 2
Het hoger beroep
Artikel 465
Indien zulks in de bedoeling ligt van de stellers van het voorstel, dient onderdeel 2º te worden geredigeerd als volgt :
« 2º aan de burgerlijke partij alsmede aan de tussenkomende partij, wat hun burgerlijke belangen betreft; ».
Artikel 466
1. De Raad van State vraagt zich af of in paragraaf 1, overeenkomstig de onder artikel 457 gemaakte opmerking (185) aan het begrip vonnis « bij verstek gewezen », al dan niet dat van vonnis « geacht bij verstek te zijn gewezen » dient te worden toegevoegd.
2. Paragraaf 1 voorziet bovendien niet in het geval van betekening wanneer het gewezen vonnis « geacht (wordt) op tegenspraak te zijn », krachtens de huidige artikelen 152, § 2, tweede lid, en 185, § 2, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarvan de inhoud zou moeten worden overgenomen in de artikelen 326 en 336 van het voorstel. Op dat punt wordt verwezen naar de onder die twee artikelen gemaakte opmerkingen.
Artikel 469
1. Het eerste lid bepaalt dat hoger beroep openstaat tegen alle definitieve vonnissen gewezen in eerste aanleg.
Deze bepaling moet vervallen. Het bedoelde geval wordt immers geregeld in het tweede lid (186).
2. Het zou beter zijn artikel 469 samen te voegen met artikel 464, aangezien ze dezelfde aangelegenheid regelen.
Artikel 472 (187)
In zoverre deze bepaling handelt over de beschikking tot buitenvervolgingstelling en over de verwijzing, is ze een overlapping van het bepaalde in artikel 240 en dient ze te vervallen.
Het zou beter zijn de herziening (in het voorstel het « wijzigen » genoemd) van een voor de inverdenkinggestelde (in dit artikel van het voorstel een « beklaagde » genoemd) gunstige beschikking inzake voorlopige hechtenis te behandelen in boek III, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 7.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 4
De tenuitvoerlegging van vonnissen
Artikel 473
1. Het eerste lid moet vervallen, daar het zich ertoe beperkt te herinneren aan artikel 40, tweede lid, van de Grondwet. Zoals er weer op is gewezen in opmerking 1 gemaakt onder artikel 1, kan een rechtsregel immers de inhoud van een hogere rechtsregel niet overnemen.
2. Artikel 473 is in ruime mate gebaseerd op onder meer de artikelen 165 en 197 van het Wetboek van strafvordering.
Die artikelen zijn echter in aanzienlijke mate gewijzigd bij de wet van 19 maart 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Die wet heeft tevens een artikel 197bis ingevoegd in het Wetboek van strafvordering.
Met die wijzigingen moet rekening worden gehouden.
3. In het tweede lid moet eveneens worden verwezen naar de tussenkomende partij.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 5
De uitwissing en het herstel in eer en rechten
AFDELING 2
Het herstel in eer en rechten
Artikel 484
De vraag rijst of de lijst met de artikelen vermeld in het eerste streepje niet dient te worden aangevuld met de artikelen 419bis en 420bis van het Strafwetboek, die in het Strafwetboek zijn ingevoegd bij de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid.
Artikel 487
Het negende en het tiende lid bepalen dat de verzoeker in persoon moet verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken, en dat indien hij niet verschijnt zonder een wettige reden van verschoning aan te voeren, het hof zijn aanvraag afwijst.
Een zodanige regel is niet bestaanbaar met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (188), en evenmin met de artikelen 289, 326, 336 en 452 van het voorstel, die de vertegenwoordiging van de beklaagde door een advocaat regelen.
Artikel 487, negende en tiende lid, moet dienovereenkomstig worden aangepast.
Artikel 489
Het eerste lid bepaalt dat indien de verzoeker nog dienstplichtig is, een afschrift (in het voorstel een « uittreksel » genoemd) van het arrest houdende herstel in eer en rechten gezonden wordt aan de auditeur-generaal.
De wetgever wordt erop gewezen dat er geen auditeur-generaal meer is sedert de inwerkingtreding van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd.
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 6
De gerechtskosten
Artikel 492
Met het oog op een beter begrip van de machtiging die artikel 495 aan de Koning verleent, zou het wenselijk zijn in de parlementaire voorbereiding het begrip gerechtskosten gemaakt « met het oog op de opsporing en de vervolging van misdrijven » nauwkeuriger te omschrijven, daar die termen zeer ruim kunnen worden geïnterpreteerd.
Artikel 493
De woorden « de rechtspersoon » zijn overbodig, omdat ze reeds vervat zijn in het begrip « beklaagde ». Ze dienen dus te vervallen.
Artikel 494
Er moet eveneens worden verwezen naar de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, zoals geschiedt in artikel 330, dat de Raad van State overigens voorgesteld heeft te schrappen.
Artikel 495
De Raad van State heeft in zijn advies 29.780/2, uitgebracht op 23 oktober 2000 over een ontwerp van koninklijk besluit « houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken », opgemerkt dat sommige bepalingen van het ontwerp-besluit veel verder gingen dan gewone uitvoeringsmaatregelen voor de terugbetaling van kosten gemaakt op verzoek van de rechterlijke instanties (189), en echte regels van strafprocesrecht vormden, die thuishoren in het Wetboek van strafvordering. In bepaalde opzichten dienen dezelfde opmerkingen te worden gemaakt bij de algemene machtiging die bij artikel 495 aan de Koning wordt verleend om de gerechtskosten in strafzaken te bepalen (190).
BOEK III
TITEL III
HOOFDSTUK 7
Het Centraal Strafregister
Artikel 496
In het derde lid schrijve men « (...) door de dienst van het Strafregister van de federale overheidsdienst Justitie ».
Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 498, eerste lid, 502, derde lid, en 503, derde lid.
Artikel 497
Er moet rekening worden gehouden met het feit dat artikel 590 van het Wetboek van Strafvordering, dat wordt overgenomen door artikel 497, is aangevuld bij artikel 44 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid.
Artikel 500
Er moet rekening worden gehouden met de wijziging van artikel 593 van het Wetboek van Strafvordering een artikel dat door artikel 500 wordt overgenomen bij artikel 12 van het ontwerp van wet « tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken ». Die tekst is thans aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd.
SLOTOPMERKINGEN BETREFFENDE DE VORM
1. Sommige onderafdelingen zijn onderverdeeld in paragrafen.
Volgens de circulaire wetgevingstechniek (191) dienen paragrafen evenwel om een artikel in te delen en niet om artikelen te groeperen.
De artikelen van het wetsvoorstel moeten dus in beginsel gegroepeerd worden in onderafdelingen, afdelingen, hoofdstukken, titels, boeken en delen (192). De indeling in paragrafen kan dus worden vervangen door een indeling in onderafdelingen.
2. Nog steeds volgens de circulaire wetgevingstechniek (193) worden onderafdelingen, afdelingen, hoofdstukken, titels, boeken en delen genummerd met hoofdtelwoorden in Romeinse cijfers, behalve enkel wat het Frans betreft « Sous-section première », « Section première », « Chapitre premier », « Titre premier », « Livre premier » en « Partie première ».
3. Sommige bepalingen van het wetsvoorstel hebben betrekking op verscheidene overheidsdiensten waarvan de naam in voorkomend geval aangepast moet worden ingevolge de Copernicushervorming.
4. De Franse en de Nederlandse tekst van het wetsvoorstel stemmen niet altijd met elkaar overeen.
Zo dient, naast de problemen waarop reeds is gewezen tijdens het onderzoek van de verschillende artikelen van het wetsvoorstel, bij wijze van voorbeeld op het volgende te worden gewezen :
in artikel 53, derde lid, worden in de Franse versie de woorden « les prescriptions spécifiques » gebruikt, terwijl in de Nederlandse versie sprake is van « de bijzondere verjaringstermijnen »;
in artikel 72 begint de Franse versie met de woorden « Elle est chargée », terwijl de Nederlandse versie begint met de woorden « De gerechtelijke politie is (...) belast »;
in artikel 89 staat in de inleidende zin van de Franse versie de verwijzing « la présente sous-section », terwijl in de Nederlandse versie verwezen wordt naar « dit hoofdstuk »;
in artikel 112 schrijve men in de Franse versie « d'un mandat de perquisition et d'un mandat de saisie », overeenkomstig de Nederlandse versie;
in artikel 115, § 1, tweede lid, worden de woorden « of op basis van het eerste lid » van de Nederlandse versie, niet weergegeven in de Franse versie;
in artikel 172 is er in de Franse versie sprake van « recourir à la force », terwijl in de Nederlandse versie het begrip « openbare macht » wordt gebezigd;
in artikel 226, § 2, verwijzen de woorden « ce dernier » in de Franse versie naar het begrip « inculpé », terwijl er in de Nederlandse versie de ene keer sprake is van « verdachte », en de andere keer van « beklaagde », terwijl de term « inverdenkinggestelde » dient te worden gebruikt;
in paragraaf 10 van hetzelfde artikel is er, net zoals in artikel 227, § 1, laatste lid, sprake van « délais » in de Franse versie en van « termijn » in de Nederlandse versie;
in artikel 243, derde lid, eerste zin, dient in de Franse versie het woord « préventive » toegevoegd te worden na het woord « détention »;
in artikel 281, eerste en tweede lid, is er in de Franse versie sprake van « procédure de jugement » en van « tribunal » terwijl er in de Nederlandse versie sprake is van « de rechtspleging voor de vonnisgerechten » en van « rechter »;
in de Nederlandse versie van artikel 294, tweede lid, dient, zoals in de Franse versie, « echtgenoot » te worden geschreven in plaats van « echtgenoten »;
in artikel 300, vierde lid, is er in de Franse versie sprake van « juge », en in de Nederlandse versie van « rechtbank »;
een soortgelijke opmerking kan worden gemaakt voor artikel 321, § 7, eerste lid, waar er deze keer sprake is van « jugement » en van « rechter ».
5. In de Franse versie bevatten een aantal bepalingen verschrijvingen die rechtgezet moeten worden voordat ze worden aangenomen (zie de voorbeelden gegeven in bijlage 2 bij dit advies).
6. Verscheidene bepalingen van de Nederlandse tekst van het voorstel behoeven eveneens verbetering uit een oogpunt van correct taalgebruik, zowel op het gebied van het woordgebruik als op het stuk van de zinsbouw, alsook uit een oogpunt van consistente terminologie. Onder voorbehoud van de vorenstaande inhoudelijke opmerkingen worden in dat verband en bij wijze van voorbeeld de hierna volgende tekstvoorstellen gedaan of opmerkingen gemaakt :
Artikel 20
In dit artikel staat in de Franse versie : « L'action publique peut être exercée ... », en in de Nederlandse : « De strafvordering kan worden ingesteld... » In het opschrift van boek II, titel I, hoofdstuk 2, staat echter in de Franse lezing : « L'exercice de l'action publique » en in de Nederlandse : « De uitoefening van de strafvordering ».
Artikel 22
In het eerste lid staat in de Franse versie : « Le ministère public exerce l'action publique ... »; in de Nederlandse : « Het openbaar ministerie oefent de strafvordering uit ... »
In het derde lid van de Nederlandse versie is weer sprake van het « instellen » van de strafvordering, waar in het Frans ditmaal niet « exercer » aan beantwoordt, zoals in het voornoemde artikel 20, doch « mettre en mouvement ».
Artikel 47
In de inleidende zin van paragraaf 2 schrijve men : « Indien geen enkele rechter geadieerd is omtrent het misdrijf ... »
Artikel 101
In het tweede lid, tweede volzin, schrijve men : « Wanneer de verdachte of de persoon ... heeft afgelegd, bekend is, wordt hij ... waarbij hij zich kan laten bijstaan ... ».
Artikel 103
In het eerste lid, tweede streepje, schrijve men : « ... met uitzondering van degenen die deelnemen ... »
Artikel 106
In paragraaf 2, laatste lid, schrijve men : « ... zich verzetten tegen de toepassing van dit artikel indien de behoeften van het opsporingsonderzoek ... »
Artikel 114
In paragraaf 1, vijfde lid, schrijve men : « ... door de voormelde procureur, of in voorkomend geval door de begunstigde ... »
In paragraaf 2, eerste lid, laatste zin, schrijve men : « Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal ... »
Artikel 119
In het derde lid, 5º, schrijve men : « dat aan de comparanten voorlezing is gedaan van hun verklaring ... »
Artikel 128
Men schrijve : « In geval van ontdekking ... maar is hij gehouden, zodra de omstandigheden het toelaten ... »
Artikel 150
In het eerste lid schrijve men : « Vooraleer de onderzoeksrechter het dossier aan de procureur des Konings overzendt ... »
BOEK III
TITEL II
HOOFDSTUK 2
AFDELING 2
ONDERAFDELING 7
Men schrijve : « De plaatsopnemingen en reconstructies ». In Van Dale, GWNT, wordt « wedersamenstelling » gelabeld als (Belg N, niet alg.) en omschreven als « reconstructie van een delict of een (verkeers)ongeval en dergelijk als onderdeel van een gerechtelijk onderzoek ».
De term wordt afgekeurd in Correct Taalgebruik, van W. Penninckx, P. Buyse, VW. Smedts, uitgeverij UGA.
Cf. ook arrest 53/2001 van het Arbitragehof van 18 april 2001, overweging B 6.1., waar sprake is van « reconstructie van de feiten ».
Artikel 167
In het eerste lid, tweede zin, schrijve men : « Hij kan eveneens, tegelijkertijd of later, een reconstructie houden van de feiten. »
Artikel 197
In het eerste lid schrijve men : « ... kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, of op verzoek van de partijen, ... »
Artikel 203
In het tweede lid schrijve men : « De onderzoeksrechter kan zich tegen de toepassing van dit artikel verzetten indien de behoeften van het onderzoek ... »
Artikel 210
In het tweede lid, voorlaatste streepje, schrijve men : « indien er ... tenlastelegging is, een beschikking ... »
Artikel 212
De term « bezwaar », onderscheidenlijk « bezwaren » zou telkens vervangen moeten worden door de term « tenlastelegging », respectievelijk « tenlasteleggingen ».
Artikel 217
Men schrijve : « ... en dat de rechtspleging niet in zoverre gereed is dat ze geregeld kan worden, geeft ze een beschikking van uitstel van de uitspraak totdat er meer informatie beschikbaar is. »
Artikel 218
In paragraaf 2, tweede lid, schrijve men : « Die stukken kunnen alleen nog ter verdediging worden gebruikt en met toestemming van de rechter. »
Artikel 227
In paragraaf 1, voorlaatste lid, schrijve men : « ... de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering ... »
Artikel 230
In het tweede lid schrijve men : « Indien ze oordeelt dat de inverdenkinggestelde ... »
Artikel 234
In paragraaf 4,tweede zin, schrijve men : « Ze kan, op verzoek van een van de partijen ... »
In paragraaf 6, laatste zin, schrijve men : « Die stukken kunnen alleen nog ter verdediging worden gebruikt en met toestemming van de rechter. »
Artikel 240
Men schrijve : « Indien het hof ... dat de toestand van de inverdenkinggestelde verergert, doet het uitspraak ... »
Artikel 242
In het eerste lid, de onderdelen 6º tot en met 8º, wordt gewerkt met het begrip « vrijheidsberoving », terwijl in onderdeel 1º sprake is van « vrijheidsbeneming ». Ook in de onderdelen 6º tot en met 8º zou met het begrip « vrijheidsbeneming » gewerkt moeten worden. Vgl. Fockema Andreae's Juridisch Woordenboek, lemma's « vrijheidsbeneming » en « vrijheidsberoving ».
In het tweede lid schrijve men : « ... dat hij, binnen vierentwintig uur na zijn vrijheidsbeneming ... verschijnen, tenzij hij intussen weer in vrijheid is gesteld. »
Artikel 249
In het tweede lid schrijve men : « ... niet betekend is binnen vierentwintig uur ... weer in vrijheid gesteld. »
Artikel 262
In paragraaf 3, tweede lid, schrijve men : « ... kan geschieden in de vorm van afschriften die door de griffier eensluidend zijn verklaard. »
Artikel 280
In de tweede zin schrijve men : « Ze waken ... over de rechten van de burgers en over de rechten van de partijen ... »
Artikel 376
Men schrijve : « Ter griffie wordt aan ».
Artikel 395
In paragraaf 2, tweede lid, eerste zin, schrijve men : « ... kan de voorzitter die personen buiten ede horen ». In paragraaf 3 schrijve men : « ... wettelijk onbekwamen mogen nooit onder ede worden gehoord. »
Artikel 462
In het eerste lid schrijve men : « Het verzet kan ... en mag ... geen aanleiding geven tot een verergering van haar toestand.
In het vierde lid schrijve men : « ... kan worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging ... ».
De kamer was samengesteld uit :
De heer Y. KREINS, kamervoorzitter;
De heer J. JAUMOTTE en mevrouw BAGUET, staatsraden;
De heren J. VAN COMPERNOLLE en B. GLANSDORFF, assessoren van de afdeling wetgeving;
De dames B. VIGNERON en A.-C. VAN GEERSDAELE, griffiers.
Het verslag werd uitgebracht door de heer A. LEFEBVRE, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. JAUMOTTE.
| De griffier, | De eerste voorzitter, |
| B. VIGNERON. | Y. KREINS. |
(1) De tweede kamer van de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft sedert 10 maart 2004, de datum waarop de adviesaanvraag is ingediend, immers 150 adviesaanvragen ontvangen en 156 adviezen verstrekt.
(2) Zie in die zin advies 36.738/2, door de afdeling Wetgeving van de Raad van State op 16 maart 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging, betreffende insolventieprocedures, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (stuk Kamer, nr. 1157/1, 2003-2004). Zie ook advies 24.111-24.594/AV, op 10 oktober 1995 verstrekt over een voorontwerp van wet dat de wet van 15 juli 1996 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (stuk Kamer, nr. 364, 1995-1996) is geworden.
(3) Zie eveneens advies 24.512/8, op 15 oktober 1996 verstrekt over een voorontwerp van wet dat de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (stuk Kamer, nr. 857/1, 1996-1997) is geworden, en advies 25.877/2, op 12 februari 1997 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, is geworden (stuk Kamer, nr. 1070/1, 1996-1997).
(4) Advies 24.707/2, op 15 januari 1996 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen (stuk Kamer, nr. 427/1, 1995-1996) is geworden; advies 25.344/2, op 5 maart 1997 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie (stuk Kamer, nr. 1075/1, 1996-1997) is geworden; advies 28.029/2, op 31 mei 1999 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit (stuk Kamer, nr. 213/1, 1999-2000) is geworden; advies 31.367/2, op 11 juni 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken (stuk Kamer, nr. 1601/1, 2001-2002) is geworden; advies 31.410/2, op 25 juni 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen (stuk Kamer, nr. 1483/1, 2001-2002) is geworden; advies 31.411/4 [en de in noot (1) geciteerde verwijzingen], op 3 juli 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media (stuk Kamer, nr. 1590/1, 2001-2002) is geworden; advies 37.019/2, op 21 april 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers ».
(5) Zie bij wijze van voorbeeld, ter illustratie van die moeilijkheid, inzonderheid : stuk Kamer, nr. 1075/1, 1996-1997, blz. 7 en 8; stuk Kamer, DOC 51-0863/2 tot 4.
(6) Zie in die zin advies 37.018/2, op 18 mei 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkdadige voorlopige hechtenis, tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en tot wijziging van sommige artikelen van het Wetboek van strafvordering ».
(7) Wat de vonnisgerechten betreft, kan op basis van de algemene bevoegdheid die artikel 280 van het voorstel hen toekent om aan de vervolgde personen straffen of maatregelen op te leggen waarin de strafwetten voorzien en om garant te staan voor de rechten van de burgers en de partijen in het geding, beschouwd worden dat dat artikel slaat op het geheel van de preciseringen die achteraf bij tal van artikelen van het wetsvoorstel worden aangebracht inzake de concrete draagwijdte van die algemene bevoegdheid. Die onderscheiden bepalingen dienen, op enkele uitzonderingen na, niet te worden aangenomen volgens de procedure van het volledige bicamerisme.
(8) Zoals de dienst Wetsevaluatie van de Senaat opmerkt, heeft het aannemen van een zodanig criterium tot gevolg dat een aantal bepalingen van het wetsvoorstel behandeld zullen worden volgens de optionele bicamerale procedure, terwijl de artikelen van het Wetboek van strafvordering of van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, die door de bedoelde bepalingen worden overgenomen of waarop ze gebaseerd zijn, zelf zijn ingevoegd of gewijzigd volgens de procedure van het volledige bicamerisme.
(9) De lijst van de wetten verwerkt in het voorstel van Wetboek van strafprocesrecht wordt vermeld in de toelichting. Die wetten zijn echter bijna alle wetten tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, zodat ze reeds erin zijn verwerkt.
(10) Zie evenwel algemene opmerking 7 en opmerking 1 onder artikel 13.
(11) Zie bijvoorbeeld de artikelen 603 tot 614 van het Wetboek van strafvordering, die de gevangenissen en de huizen van arrest betreffen.
(12) Deze wet is ontstaan uit een voorstel van wet dat niet om advies is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Deze laatste had evenwel op 26 november 2001 een advies 32.287/2 verstrekt over een voorontwerp van wet met een soortgelijke draagwijdte (stuk Kamer, nr. 50-1600/001).
(13) Waarover de Raad van State op 1 maart 2004 advies 36.516/2 heeft verstrekt.
(14) Waarover de Raad van State op 17 maart 2003 advies 34.784/2 heeft verstrekt (stuk Kamer, nr. 51-0863/001).
(15) Waarover de Raad van State op 13 mei 2004 advies 36.931/VR heeft verstrekt.
(16) Waarover de Raad van State op 18 mei 2004 advies 37.018/2 heeft verstrekt.
(17) Waarover de Raad van State op 18 mei 2004 advies 37.019/2 heeft verstrekt.
(18) Waarover de Raad van State op 1 maart 2004 advies 36.669/4 heeft verstrekt.
(19) Waarover de Raad van State op 11 mei 2004 advies 37.017/3 heeft verstrekt.
(20) De Raad van State merkt in zijn voornoemde adviezen 37.018/2 en 37.019/2 op : « Door het indienen van amendementen zal de wetgever ab initio de samenhang van de ontworpen bepalingen met die vervat in het voornoemde wetsvoorstel (het voorstel van wet betreffende het Wetboek van strafprocesrecht) kunnen onderzoeken. Bovendien kan aldus worden voorkomen dat belangrijke bestanddelen van de strafrechtspleging op korte tijd tot tweemaal toe worden gewijzigd. »
(21) Zie inzonderheid :
het voorstel van wet, ingediend door de heer A. Courtois, « tot wijziging van de artikelen 172, 203 en 373 van het Wetboek van strafvordering, ter bepaling van het ogenblik waarop de termijn ingaat waarbinnen hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissingen die geacht worden op tegenspraak te zijn » (stuk
Kamer, nr. 51-1028/001);
het voorstel van wet, ingediend door de heren A. Courtois en D. Bacquelaine, « tot wijziging, wat de betekening betreft, van de artikelen 37 en 38 van het Gerechtelijk Wetboek alsook de artikelen 172, 203 en 373 van het Wetboek van strafvordering » (stuk Kamer, nr. 51-0978/001);
het voorstel van wet, ingediend door de heren G. Bourgeois c.s., « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering » (stuk Kamer, nr. 51-1099/001);
het voorstel van wet, ingediend door de heer M. Wathelet en mevrouw J. Milquet, « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het verstek betreft » (stuk Kamer, nr. 51-1104/001);
het voorstel van wet « gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden », ingediend door de heren T. Van Parys c.s. (stuk Kamer, nr. 51-0231/001);
het voorstel van wet, ingediend door de heren Y. Mayeur c.s., « tot wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering met het oog op burgerlijkepartijstelling van de Staat tot herstel van de schade veroorzaakt door de niet-inning van belastingen en toebehoren ten gevolge van strafbare wanprestaties » (stuk Kamer, nr. 51-1113/001).
(22) Zie eveneens, bij wijze van voorbeeld :
artikel 10 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties;
artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 op de rechtbanken van eenvoudige en van correctionele politie;
artikel 65bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, zoals het is ingevoegd bij artikel 31 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid.
(23) Zie in dat verband algemene opmerking 4.
(24) De concordantietabel gevoegd bij de Handelingen van het colloquium gehouden in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 31 januari 2003 (stuk Kamer, nr. 50-2043/002; stuk Senaat, nr. 2-1288/2) moet in die zin dus worden aangevuld.
(25) Zie algemene opmerking 3.
(26) Er wordt verwezen naar de huidige nummering van de artikelen, die als gevolg van algemene opmerking 2 zal moeten worden aangepast.
(27) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 18.
(28) Door bijvoorbeeld te vermelden dat een rechtsregel « onverminderd » een andere rechtsregel toepassing vindt.
(29) P. Vandernoot, « Le principe d'égalité dans la jurisprudence de la Cour d'Arbitrage », APT, 1997, blz. 105 en 106.
(30) Zie in die zin advies 32.673/2, op 19 december 2001 verstrekt over het voorontwerp van wet dat de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden is geworden (stuk Kamer, nr. 50-1688/1, 2001-2002).
(31) Zie bijvoorbeeld de artikelen 99, 5º, 102, tweede lid, 141, § 2, 3º, 199, tweede lid, en 210, tweede lid, laatste streepje.
(32) In de eensluidende conclusie voorafgaand aan het arrest van 14 oktober 2003 van het Hof van Cassatie (rolnummer P030762N/1), heeft advocaat-generaal De Swaef het volgende geoordeeld : « Het zal de Belgische wetgever behoren zich te beraden of het toch niet verkieslijk is dat de rechter armslag behoudt bij het beoordelen van de gevolgen van onrechtmatigheden in het strafgebeuren, nu deze het best geplaatst is om tot een concrete afweging van de in het geding zijnde belangen te komen. Een algemeen en voldoende speelruimte latende wettelijk kader, gekoppeld aan de bestaande rechtsmiddelen zowel tijdens het vooronderzoek als bij de feitenrechter, moeten de rechtsbescherming afdoende kunnen waarborgen. »
(33) Het zou beter zijn de bepalingen betreffende de « bescherming van de woning » te vermelden, veeleer dan de bepalingen « betreffende de huisvredebreuk ».
(34) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 33.
(35) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 19.
(36) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 34.
(37) Ibidem, blz. 35.
(38) Cass., 2 oktober 1997 Arr. Cass., 1997, blz. 381. Het Hof rechtvaardigt dat wordt afgestapt van het gezag van gewijsde erga omnes door « het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en (door) artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat inhoudt dat eenieder het recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen ».
(39) Het Arbitragehof heeft geoordeeld dat regels inzake de prorogatie van bevoegdheid die meebrachten dat wie samen met een persoon werd vervolgd die het voorrecht van rechtsmacht genoot, door een rechtbank van lagere aanleg werden berecht, niet in strijd waren met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Arbitragehof, 7 november 1996, JLMB 1996, 1692, en Arbitragehof, 11 februari 1998, Belgisch Staatsblad van 24 april 1998, 12686).
(40) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 36.
(41) Loc. cit.
(42) H.-D. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, derde editie, Brugge, La Charte, 2003, blz. 1055.
(43) R. Declercq, Beginselen van Strafrechtspleging, derde editie, Machelen, Kluwer, nr. 1107, blz. 522.
(44) C. Van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen/Apeldoorn, 2003, blz. 964.
(45) Uit wetgevingstechnisch oogpunt is een zodanige getrapte regeling vatbaar voor kritiek. Het zou beter zijn rechtstreeks in artikel 18 aan te geven wie recht heeft op een kosteloos afschrift van de beslissing.
(46) Waarover de Raad van State op 13 mei 2004 advies 36.931/VR heeft verstrekt.
(47) De commissie Strafprocesrecht adviseerde de sanctie verval van de strafvordering te handhaven.
(48) Zie, wat die begrippen betreft, C. Henneau en J. Verhaegen, Droit pénal général, derde uitgave, Brussel, Bruylant, 2003, nr. 481, blz. 429.
(49) Zie het huidige artikel 21, tweede lid, van de voornoemde wet van 17 april 1878, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen.
(50) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 45.
(51) Dit lid bepaalt het volgende « Heeft de burgerlijke partij geen woonplaats gekozen, dan kan zij het verzuim van de betekening niet inroepen tegen de akten die haar luidens de wet moesten worden betekend. »
(52) Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 112/98 van 4 november 1998 zulk een onmogelijkheid niet strijdig geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
(53) Naar analogie van de Nederlandse tekst moet in de Franse versie « ou forcée » geschreven worden.
(54) Met inbegrip dus van de onderzoeksgerechten, wanneer ze een uitspraak doen ten gronde.
(55) A. Fettweis, Manuel de procédure civile, tweede uitgave, Luik, 1987, nr. 579, blz. 415.
(56) Wat de federale procureur betreft bepaalt artikel 47duodecies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 57 van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket : « Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden beschikt de federale procureur over alle wettelijke bevoegdheden van de procureur des Konings. In het kader daarvan kan hij over het gehele grondgebied van het Rijk alle opsporingshandelingen of handelingen van gerechtelijk onderzoek verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheden behoren, alsmede de strafvordering uitoefenen ».
(57) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 57.
(58) Zie H.-D. Bosly en D. Vandermeersch, op. cit., blz. 278. De gerechtelijke politie in organieke zin was geregeld bij de wet van 7 april 1919 tot instelling van rechterlijke officieren en agenten bij de parketten, welke wet naderhand de wet houdende sommige statutaire bepalingen betreffende de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten is geworden. Die wet is ondertussen opgeheven bij artikel 14 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.
(59) Zie eveneens de artikelen 99, 113, eerste lid, en 122, eerste lid, van het wetsvoorstel.
(60) Thans is het zo dat :
a) alleen officieren van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings (OGPHPK), alsook de procureur des Konings en diens substituten bevoegd zijn om bepaalde handelingen te verrichten in geval van ontdekking op heterdaad (artikelen 32 en volgende, 49 tot 54, 89bis en 90quater, § 3, van het Wetboek van strafvordering) (C. Van den Wyngaert, op. cit., blz. 503-504);
b) officieren van gerechtelijke politie (OGP) de andere handelingen van gerechtelijke politie mogen verrichten en processen-verbaal mogen opmaken;
c) terwijl voor agenten van gerechtelijke politie (AGP), zoals C. Van den Wyngaert schrijft, het volgende geldt : « De ambtenaren die door de wet met opsporingsopdrachten werden belast, zonder dat zij de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben gekregen, hebben in principe slechts administratieve bevoegdheden, en kunnen dus geen misdrijven opsporen en vaststellen (...) Waar zij vroeger in principe geen proces-verbaal konden opstellen, schijnt de wetgever dit beginsel te hebben verlaten (artikel 40 politieambt). Talrijke bijzondere wetten waren reeds van dit principe afgeweken. Zie bijvoorbeeld artikel 65 wegverkeerswet » (op. cit., blz. 503).
(61) In verscheidene artikelen van het voorstel (61, 62, 68, 75, 100, 107, 110 tot 112, 115, 119, 122, 133, 134, 161, 176, 181, 183, 190, 193, 195, 242, 361 tot 365, 366, 403, ...) wordt uitdrukkelijk verwezen naar de hoedanigheid van OGP; in andere artikelen (109, § 3, 189, 190, 365, ...) wordt verwezen naar die van OGPHPK; in nog andere ten slotte (61, 62, 119, 122, 133, 161, 181, ...) naar die van AGP.
(62) In verband met het laatstgenoemde punt is grote nauwkeurigheid vereist, temeer daar krachtens bepaalde artikelen handelingen kunnen worden verricht door de procureur des Konings en officieren van gerechtelijke politie (artikelen 99, 100, eerste lid, 113, eerste lid, en 115, § 1, tweede lid), terwijl in andere artikelen alleen melding wordt gemaakt van de procureur des Konings, hoewel ze klaarblijkelijk ook op officieren van gerechtelijke politie van toepassing zijn (artikelen 64, 69, 70, 128 en 129). Omgekeerd wordt in bepaalde artikelen verwezen naar zowel de procureur des Konings als de officieren van gerechtelijke politie, hoewel ze alleen op de procureur des Konings van toepassing zijn (artikel 99, 6º), terwijl in nog andere artikelen alleen melding wordt gemaakt van de procureur des Konings en ze blijkbaar niet van toepassing zijn op officieren van gerechtelijke politie (artikelen 107, § 1, 109, § 2, eerste lid, en 114).
(63) Zo wordt in artikel 3, 4º, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt de agent van gerechtelijke politie gedefinieerd als de politieambtenaar die door of krachtens de wet is belast met opdrachten van gerechtelijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings of van krijgsauditeur of met die van officier van gerechtelijke politie.
Zo ook wordt in artikel 15 van diezelfde wet het volgende bepaald : « Bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie, hebben (de politiediensten) als taak :
1º de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet;
2º de personen in wier aanhouding door de wet wordt voorzien, op te sporen, te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
3º de voorwerpen waarvan de inbeslagneming voorgeschreven is, op te sporen, in beslag te nemen en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
4º het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen ».
Zie eveneens de artikelen 8/6, 28, §§ 2 en 3, 38 en 44 van die wet, alsook de artikelen 138 en 253 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
(64) Er dient te worden opgemerkt dat het eerste boek, hoofdstuk II, van het Wetboek van strafvordering, met als opschrift « Burgemeesters, schepenen en politiecommissarissen » reeds opgeheven was bij artikel 214 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
(65) En niet naar de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings, die bij vergissing in het voorstel vermeld is.
(66) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 62.
(67) Zie artikel 149, derde lid, van het voorstel.
(68) Zie slotopmerking 1 over de vorm.
(69) Vergelijk met artikel 196, tweede lid, van het voorstel.
(70) Zie artikel 2, § 1, tweede lid, en § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, die bepalen dat het openbaar ministerie een probatie-assistent de opdracht kan geven om een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met betrekking tot de gedragingen en het milieu van de delinquent, en artikel 37quater, § 2, van het Strafwetboek, dat bepaalt dat het openbaar ministerie aan de afdeling van de Dienst justitiehuizen van het ministerie van Justitie (lees « federale overheidsdienst Justitie ») van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde, de opdracht kan geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
(71) Op. cit., blz. 370.
(72) EHRM, arrest-Montovanelli tegen Frankrijk van 18 maart 1997, Recueil, 1997-II, blz. 424, JT, 1997, blz. 495.
(73) Over deze kwesties, zie de voetnoot van A. Fettweis bij het arrest van het Hof van Cassatie van 19 februari 2003, « Le point sur le caractère contradictoire de l'expertise médicale », RDP, 2004, blz. 129.
(74) Waarover de Raad van State op 23 oktober 2000 advies 29.780/2 heeft uitgebracht.
(75) Zie eveneens artikel 114, § 1, derde lid, van het voorstel, waar sprake is van « de bevoegde procureur of onderzoeksrechter », terwijl het vijfde lid van deze bepaling alleen betrekking heeft op « de voormelde procureur ».
(76) Op. cit., blz. 407.
(77) Zie artikel 1, 3º, van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht.
(78) Op. cit., blz. 412.
(79) Artikel 22, tweede lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie.
(80) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 213.
(81) Op. cit., blz. 72.
(82) Zie eveneens de artikelen 21 en 130, eerste lid, van het wetsvoorstel.
(83) Op. cit., blz. 74.
(84) Zie de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van strafvordering, die de artikelen 206 en 207 van het voorstel worden.
(85) Op. cit., blz. 75.
(86) Op. cit., blz. 74.
(87) Op. cit., blz. 74.
(88) Zie in dat verband artikel 122 van het voorstel.
(89) In dat verband mag niet uit het oog worden verloren dat het begrip « inverdenkinggestelde » veel preciezer is dan het begrip « persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar », dat de inverdenkingstelling van een persoon in de regel inhoudt dat het strafbare feit ernstig is en dat een onderzoeksrechter, in tegenstelling tot de procureur des Konings, niet duizenden dossiers per jaar hoeft te behandelen, ongeacht overigens de ernst van elk ervan.
(90) Ook moet men ervoor zorgen dat de uitoefening van de rechten voorgeschreven bij de artikelen 124 tot 126 van het voorstel het openbaar ministerie niet in een zodanige situatie plaatst dat het bij de behandeling van het geheel van de dossiers waarmee het belast is, niet meer in de mogelijkheid verkeert andere grondregels van de strafrechtspleging in acht te nemen, zoals de regel van de redelijke termijn.
(91) Dezelfde opmerking geldt voor artikel 125, § 2, eerste lid, en § 4, eerste lid, en voor artikel 126, § 2, eerste lid, van het wetsvoorstel.
(92) Op. cit., blz. 76.
(93) Op. cit., blz. 769.
(94) Er zijn slechts twee gevallen waarin dit niet mogelijk is, namelijk bij het registreren en lokaliseren van telecommunicaties (artikel 88bis, § 1er, van het Wetboek van strafvordering) en de telefoontap (artikel 90ter, § 5, van het Wetboek van strafvordering). Indien de procureur des Konings gebruik heeft gemaakt van zijn bijzondere bevoegdheden bij betrapping op heterdaad dan is een bevestiging naderhand, van de onderzoeksrechter vereist. Zie infra, afluisteren van privé-(tele)communicaties, blz. 893.
(95) Zie supra, de mini-instructie, blz. 787.
(96) Op. cit., blz. 338.
(97) In dat verband moet worden opgemerkt dat het voorstel het huidige artikel 45 van het Wetboek van strafvordering niet overneemt.
(98) Er moet eveneens rekening worden gehouden met artikel 138, eerste lid, 3º, naar luid waarvan de onderzoeksrechter in alle gevallen van ontdekking op heterdaad of de als zodanig beschouwde gevallen het onderzoek van de feiten aan zich kan trekken en rechtstreeks de handelingen kan verrichten die tot de bevoegdheid van de procureur des Konings behoren. Daaruit volgt dat het voortzetten van de procedure niet van ambtswege tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoort, in tegenstelling tot wat de formulering van artikel 128 kan laten uitschijnen.
(99) En niet de benadeelde « partij », zoals wordt aangegeven in de voorgestelde bepaling. Zie eveneens artikel 39, eerste lid, van het voorstel.
(100) In het wetsvoorstel is nu eens sprake van de begrippen « instruction » en « instruction préparatoire » in de Franse versie, en dan weer van de begrippen « onderzoek » en « gerechtelijk onderzoek » in de Nederlandse versie. Er dient op dit punt te worden gezorgd voor eenzelfde terminologie in elk van de versies en voor een betere overeenstemming tussen beide versies. Er wordt voorgesteld het begrip « instruction » te gebruiken in de Franse versie en het begrip « gerechtelijk onderzoek » in de Nederlandse versie.
(101) Zie voor de volledige lijst van de dwangmaatregelen die door de procureur des Konings kunnen worden genomen, opmerking 2 bij artikel 56.
(102) Zo bijvoorbeeld is de term « beschikking » voorbehouden aan de onderzoeksrechter.
(103) Waarover de Raad van State op 17 maart 2003 advies 34.784/2 heeft uitgebracht (stuk Kamer, 3 maart 2004, nr. 0863/0001).
(104) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 78.
(105) Op. cit., blz. 85.
(106) Op. cit., blz. 87.
(107) Ibidem.
(108) Waarover de Raad van State op 9 juni 1999 en 6 november 2000 de adviezen 29.288/2 en 30.522/2 heeft gegeven.
(109) In het voorstel staat « de raadsman van de inverdenkinggestelde of van de betrokken burgerlijke partijen ». De Raad van State veronderstelt evenwel dat men moet lezen « en van de betrokken burgerlijke partijen ».
(110) Het is blijkbaar per abuis dat in de Nederlandse tekst de term « en » wordt gebezigd.
(111) In arrest 53/2001 van 18 april 2001 heeft het Arbitragehof het volgende geoordeeld :
« B.5. De plaatsopneming wordt uitgevoerd op een ogenblik dat, volgens de wil van de wetgever, de strafrechtspleging inquisitoriaal is, om, enerzijds, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, te vermijden dat personen onnodig in diskrediet worden gebracht en, anderzijds, met het oog op doeltreffendheid, snel te kunnen handelen, zonder de schuldigen op de hoogte te brengen.
B.6.1. Die doelstellingen zijn dermate belangrijk dat kan worden verantwoord dat de wetgever de procureur des Konings en de andere partijen verschillend kon behandelen wat de plaatsopneming betreft. De mogelijkheid voor de onderzoeksrechter om zich te verplaatsen of zelfs een reconstructie van de feiten te organiseren zonder dat de verdachte, de burgerlijke partij en hun respectieve raadslieden aanwezig zijn, houdt op zich geen onevenredige schending in van hun rechten van verdediging, rekening houdend met de garanties waarover zij beschikken vanaf die fase van de
strafrechtspleging.
(...)
B.7. Het Hof stelt overigens vast dat de wet de onderzoeksrechter niet verbiedt zich te laten vergezellen door de verdachte, de burgerlijke partij en hun advocaten, indien hij dat aangewezen acht en indien hij oordeelt dat door hun aanwezigheid de doelstellingen vermeld in B.5 niet in het gedrang komen. »
(112) Op zijn minst wat betreft de andere vermeldingen dan die van de ondertekening van de akte, die krachtens artikel 7, § 1, 3º en 4º, steeds van openbare orde is.
(113) En niet, zoals ten onrechte te kennen wordt gegeven in artikel 172, uitsluitend wanneer huiszoekingen worden verricht in andere plaatsen dan de woonplaats of de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd.
(114) Het is beter dit uitdrukkelijk te bepalen in artikel 135, vierde lid.
(115) Zie in dit verband de opmerking bij artikel 193.
(116) Wat de strekking van artikel 128 betreft, zie de opmerking omtrent dat artikel.
(117) Op. cit., blz. 660.
(118) Dat in artikel 135, vierde lid, van het voorstel wordt overgenomen, waarnaar verwezen wordt in artikel 193, eerste lid.
(119) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 67.
(120) Vergelijk :
met de artikelen 125 en 126, waarbij die rechten in het stadium van het opsporingsonderzoek worden toegekend aan de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd;
met artikel 211, derde lid, waarbij het recht van inzage van het dossier aan diezelfde persoon wordt toegekend bij afsluiting van het onderzoek.
(121) Zie, wat dat betreft, de verantwoording van amendement nr. 1 van de heer Erdman (stuk Kamer, nr. 50-0912/002) met betrekking tot een voorstel van wet ingediend door datzelfde parlementslid naar aanleiding van de evaluatie van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek : « Deze toevoeging is noodzakelijk om te vermijden dat de onderzoeksrechter een beschikking zou nemen na de termijn van één maand bedoeld in artikel 61quinquies, § 2, tweede lid. Als op dat ogenblik een beroep hangende is wegens het niet tijdig nemen van een beschikking, dan zou er tegen de laattijdige beschikking een tweede beroep moeten worden ingesteld. Dit zou een imbroglio tot gevolg hebben op procedureel gebied. Door te stellen dat het buiten de termijn geven van een beschikking een nietigheid inhoudt vermijdt men deze dubbelzinnigheid. »
(122) Volgens H.-D. Bosly en D. Vandermeersch (op. cit., blz. 1033), « La compétence matérielle ou d'attribution (ou compétence ratione materiae) » est fondée sur la nature des faits (crimes, délits, contraventions) qui sont poursuivis.
(123) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 103.
(124) Niet opgenomen in het voorstel. Zie in dat verband de algemene opmerkingen 3 en 4.
(125) Op. cit., blz. 103.
(126) Zie ook artikel 39, eerste lid, van het wetsvoorstel.
(127) Zie inzonderheid artikel 335, 2º.
(128) Zie de opmerking onder de artikelen 206 en 207.
(129) Bijvoorbeeld wanneer het openbaar ministerie, na de bijkomende onderzoekshandelingen, zijn vordering heeft gewijzigd.
(130) Voor deze tweede oplossing wordt verwezen naar Cass. 14 november 2000. Zie ook, over die vraag, Jean de Codt, « Le pendule de Franchimont. À propos de l'exercice du droit d'enquête complémentaire pendant le règlement de la procédure », Rev. dr. pén. crim., 2000, blz. 873 en volgende.
(131) Namelijk de woorden « en bij het openbaar ministerie ».
(132) Voorzover dat derde lid ook gaat over rechtstreekse dagvaarding of oproeping door het openbaar ministerie.
(133) Zie in dit verband Cass. 3 februari 1949, Arr. Cass., 1948-1949, blz. 93.
(134) Stuk Senaat, nr. 3-405/1, 2003-2004, blz. 105 en 106.
(135) In de Franse versie staan de woorden « d'office ». Die woorden, die in de Nederlandse versie niet te vinden zijn, zijn een vergissing en moeten vervallen.
(136) In de Nederlandse versie is immers geen sprake van de kamer van inbeschuldigingstelling, maar van de raadkamer.
(137) Zie de bewoordingen van artikel 234, § 5.
(138) Voor de strekking van dat begrip wordt in het bijzonder verwezen naar D. Vandermeersch en O. Klees, La Réforme « Franchimont ». Commentaire de la loi du 12 mars 1998 relative à l'amélioration de la procédure pénale au stade de l'information et de l'instruction, JT, 1998, blz. 444 en 445.
(139) Zie de toelichting bij artikel 234, § 5.
(140) Teneinde inzonderheid te preciseren wat er gebeurt met een grond van nietigheid die afgewezen wordt door de raadkamer, zonder dat er bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep ingesteld is tegen haar beschikking.
(141) In tegenstelling tot hetgeen in het voorstel staat, is het beter om het nevenschikkend voegwoord « of » dan « en » te gebruiken. Er kunnen zich immers twee verschillende gevallen voordoen. Ofwel is de zaak achtereenvolgens aanhangig gemaakt bij de onderzoeksrechter met de bedoeling een onderzoek te laten uitvoeren en bij de raadkamer in het kader van de voorlopige hechtenis of voor de regeling van de rechtspleging en is het op dat moment dat het probleem van de bevoegdheid duidelijk wordt. Ofwel is de zaak enkel aanhangig gemaakt bij de onderzoeksrechter en wordt de raadkamer, op verzoek van de procureur des Konings, enkel erbij betrokken om hem van het onderzoek te ontslaan.
(142) In artikel 78 wordt evenwel alleen bepaald dat « geen misdaad of wanbedrijf (...) verschoonbaar (is) dan in de gevallen bij de wet bepaald ».
(143) Zie in deze zin artikel 333 van het wetsvoorstel.
(144) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 107.
(145) Zie algemene opmerking 3.
(146) Zie algemene opmerking 8.
(147) Op. cit., blz. 107 en 108.
(148) Het Arbitragehof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat artikel 135 van het Wetboek van strafvordering, dat overgenomen wordt in artikel 228 van het voorstel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt (zie inzonderheid de arresten nr. 58/2001 van 8 mei 2001, nr. 69/2001 van 30 mei 2001, nr. 81/2001 van 13 juni 2001 en nr. 5/2002 van 9 januari 2002).
(149) In het arrest van 9 april 2003 (RC03493 1) heeft het Hof van Cassatie overigens geoordeeld dat de termijn voor hoger beroep waarin voorzien wordt door paragraaf 3 van artikel 135 van het Wetboek van strafvordering, ingaat op de dag nadat de beschikking is gewezen (www.juridat.be/cass/cassoenl/p1.php).
(150) Met als opschrift « De rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van ieder persoon geschaad door een onderzoekshandeling en de rechtsmiddelen. »
(151) Met als opschirft « De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidbenemende maatregelen ».
(152) Stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 110.
(153) Ibidem.
(154) Inzake de overname van de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht en inzake het in aanmerking nemen van de wijzigingen die men thans in die bepalingen wil aanbrengen, wordt verwezen naar de algemene opmerkingen 3, 6 en 8.
(155) De bepalingen van de voormelde wet van 20 juli 1990 zijn niet van toepassing op overtredingen van de wetten inzake douane en accijnzen. Bij de artikelen 247 tot 252 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1977 wordt een bijzonder systeem van vrijheidsbeneming georganiseerd voor personen die verdacht worden van overtreding van de bepalingen betreffende de douane en accijnzen (H.-D. Bosly en D. Vandermeersch, op. cit., blz. 875).
(156) Zie opmerking 1 die bij artikel 71 is gemaakt.
(157) Zie eveneens opmerking 1 die bij artikel 211 is gemaakt.
(158) In verband met welke wet de Raad van State op 23 mei 2002 advies 33 420/4 heeft uitgebracht.
(159) Zo heeft titel III, volgens het opschrift ervan, alleen betrekking op de « vonnisgerechten » en niet op de « onderzoeksgerechten » (Zie eveneens artikel 276, §§ 5 en 6, waarin tussen die beide begrippen een duidelijk onderscheid wordt gemaakt). In artikel 280 is evenwel sprake van de strafrechtbanken, die « alleen ... bevoegd (zijn) om aan vervolgde personen straffen of maatregelen op te leggen waarin de strafwetten voorzien », terwijl de « onderzoeksgerechten », inzonderheid krachtens artikel 227, over de zaak zelf kunnen beslissen. Zo ook wordt in de Nederlandse tekst van artikel 281, eerste lid, bepaald dat « de rechtspleging voor de vonnisgerechten openbaar (is) », terwijl de Franse versie als volgt luidt : « ... la procédure de jugement est publique » (Zie ook artikel 284).
(160) Zo wordt gewerkt met de begrippen :
« juridiction d'instruction » en « onderzoeksgerechten » in de artikelen 22, 40, 47, 49, 87, 163, ...;
« juridictions d'instruction » en « rechtsmachten belast met het onderzoek » in artikel 221;
« juridictions de jugement » en « vonnisgerechten » in de artikelen 22, 40, 47, 49, 51, 87, 277, § 3, en 285;
« juridictions de jugement » en « rechtsprekend college » in artikel 221;
« juridictions répressives », « strafgerechten » en « strafrechtbanken » in de artikelen 22, 44, 50, 280, 297, 308 en 492;
« tribunaux », « rechtbanken » en « rechtscolleges » in de artikelen 27, 89, 1º, 131, ...;
« juridiction pénale » en « strafgerecht » in artikel 46;
« juridiction », « gerecht », « rechtscollege » en « rechtbank » in de artikelen 210, 286 en 297.
(161) Zie eveneens artikel 31 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, vervangen bij de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wat betreft de vertalingen van de mondelinge verklaringen.
(162) Op. cit., blz. 128.
(163) Dat onderscheid zou aldus verantwoord kunnen worden dat de rechtspleging vóór het hof van assisen volledig mondeling verloopt, terwijl vóór de overige rechtscolleges een verklaring die zich in het dossier bevindt in aanmerking kan worden genomen, ook al heeft degene die de verklaring afgelegd heeft achteraf niet ter terechtzitting getuigd.
(164) Vergelijk met artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek. Zie ook de artikelen 167, vijfde lid, 382, eerste lid, en 419, derde lid, van het voorstel.
(165) Zie artikel 293, vijfde lid, van het voorstel.
(166) Vergelijk artikel 928 van het Gerechtelijk Wetboek met artikel 297, tweede lid, van het voorstel, en artikel 935 van het Gerechtelijk Wetboek met artikel 293, vijfde lid, van het voorstel.
(167) Volgens de toelichting zijn het de artikelen 197 tot 203 (stuk Senaat, nr. 3-450/1, 2003-2004, blz. 130).
(168) Op. cit., blz. 132.
(169) Arr. Cass., 20 juli 1982, gerechtelijk jaar 1981-1982, IV, blz. 1397.
(170) Zie G. Deleval, Éléments de procédure civile, Luik, 2003, blz. 245, noot 141 en R. Declercq op. cit., nr. 237, blz. 130.
(171) Op. cit., blz. 137.
(172) In het arrest-Van Geyseghem van 21 januari 1999 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, na erop te hebben gewezen dat een beschuldigde niet het recht verliest om effectief te worden verdedigd door een advocaat ten gevolge van zijn loutere afwezigheid bij de debatten, geoordeeld dat de wetgever ongerechtvaardigde afwezigheid kan ontmoedigen, zonder deze evenwel te mogen bestraffen door af te wijken van het recht op rechtsbijstand. Over de onmogelijkheid om het niet persoonlijk verschijnen te bestraffen met een vonnis bij verstek, zie F. Kuty, Observations sous Cass., 16 maart 1999, JT 2000, nr. 32, blz. 29.
(173) Op. cit., blz. 139.
(174) Hoe dan ook dient in de Franse tekst van artikel 336, § 5, net als in de Nederlandse tekst, te worden geschreven : « ... ou si la partie n'est pas représentée par un avocat ».
(175) Zie Cass., 6 februari 1984, Arr. Cass., 1983(84), blz. 684-686. Zie eveneens artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin duidelijk wordt bepaald dat een vonnis door het Hof van Cassatie kan worden vernietigd, hetzij wegens schending van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, hetzij wegens schending van substantiële vormen.
(176) Op. cit., blz. 142.
(177) Dat artikel luidt als volgt : « De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn. »
(178) Op. cit., blz. 141.
(179) In de Nederlandse tekst van dit artikel is er ook sprake van « een adjunct-commissaris van politie ».
(180) Deze uitdrukking lijkt een onderscheid te maken tussen een « bij verstek gewezen vonnis » en een vonnis « geacht bij verstek te zijn gewezen ». Dit onderscheid blijkt evenwel niet uit de toelichting, noch uit de overige artikelen van het voorstel. De Raad van State vraagt zich af of het niet gaat om een onachtzaamheid. Zo ja, zou het beter zijn de gangbare uitdrukking « vonnis bij verstek » te gebruiken.
(181) Op. cit., blz. 153.
(182) Op. cit., blz. 154.
(183) In dezelfde zin, H.-D. Bosly en D. Vandermeersch, op. cit., blz. 1193 en R. Declercq, op. cit., nr. 2556, blz. 1100.
(184) R. Declercq, Beginselen van Strafrechtspleging, derde uitgave, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 2594, blz. 1111.
(185) Zie inzonderheid de eerste voetnoot onder die opmerking.
(186) Zie ook artikel 464 en de toelichting erbij (op. cit., blz. 155).
(187) Wat betreft artikel 211bis van het Wetboek van strafvordering, dat in dit artikel 472 wordt overgenomen, zie arrest nr. 124/2003 van het Arbitragehof van 24 september 2003.
(188) Zie het voornoemde arrest-Van Geyseghem.
(189) De Raad van State doelde inzonderheid op :
de ontworpen artikelen 7 en 8 betreffende de termijn waarbinnen de deskundige zijn opdracht moet uitvoeren en zijn verslag moet indienen;
de ontworpen artikelen 33 en 35 betreffende de inbeslagneming van dieren, bederfelijke goederen of voorwerpen die niet ter griffie kunnen worden neergelegd;
het ontworpen artikel 53 (hoofdstuk VIII) betreffende het aanwijzen van de rechterlijke instanties waarvan de voorafgaande machtiging vereist is voor bepaalde buitengewone kosten die in het kader van het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek noodzakelijk blijken, en het ontworpen artikel 55 betreffende de aanwijzing van de rechterlijke instanties met taxatiebevoegdheid (zie ook de artikelen 62, tweede lid, 63, zesde lid, en 65, derde lid);
de ontworpen artikelen 77 en 78 betreffende het vaststellen van de kosten door het veroordelend vonnis of arrest;
de meeste bepalingen van Titel V, die het opschrift « Tussenkomst van de burgerlijke partij » draagt;
het ontworpen artikel 119, dat bepaalt dat veldwachters en boswachters, agenten van de openbare macht, van de gerechtelijke politie en van de gemeentepolitie hulp en bijstand verlenen aan gerechtsdeurwaarders.
(190) De Raad van State heeft in zijn advies 29.780/2 tevens het volgende gesteld : « Een algehele hervorming van die aangelegenheid is noodzakelijk. Bij die hervorming moeten alle procedureregels in het Wetboek van strafvordering worden opgenomen, onder meer die betreffende inbeslagneming, het deskundigenonderzoek en tenuitvoerlegging van vonnissen. Verder dient in het Wetboek van strafvordering het begrip gerechtskosten in strafzaken gedefinieerd te worden en behoren de hoofdbeginselen vastgelegd te worden die voor de aangelegenheid gelden. Bovendien zou de Koning, binnen de aldus bepaalde grenzen, erin gemachtigd worden om de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, inzonderheid de tarieven en de praktische voorschriften voor de betaling van gerechtskosten. Zo zouden de voormelde wetten van 1 juni 1849 en 16 juni 1919 kunnen worden opgeheven. »
(191) Wetgevingstechniek Aanbevelingen en formules, versie november 2001, nr. 8.5.2.1., (http ://www.raadvst-consetat.be)
(192) Ibidem, nrs. 8.5.3.1. en 8.5.3.2.
(193) Ibidem, nr. 8.5.3.6.
Bijlage 1 bij advies 36.741/2, op 28 juni 2004 verstrekt over een voorstel van wet « houdende het Wetboek van strafprocesrecht » :
Indicatieve lijst van de adviezen, door de afdeling Wetgeving van de Raad van State verstrekt over bepalingen tot wijziging, aanvulling of opheffing van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
I. Wetboek van strafvordering
Advies 15.331/2, op 28 maart 1983 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 27 april 1987 in verband met de motivering van de straffen tot wijziging van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering, en van artikel 207 van de rechtspleging bij de landmacht (stuk Kamer, 1982-1983, nr. 668/1, blz. 7) is geworden.
Advies 21.082/2, op 15 juni 1992 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie (stuk Senaat, 1992-1993, nr. 843/1, blz. 37) is geworden.
Advies 21.972/2, op 4 januari 1993 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 10 februari 1994 houdende de regeling van een procedure voor de bemiddeling in strafzaken (stuk Senaat, 1992-1993, nr. 652/1, blz. 15) is geworden.
Advies 21.973/2, op 18 januari 1993 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 10 februari 1994 tot wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (stuk Senaat, 1992-1993, nr. 653/1, blz. 6) is geworden.
Advies 22.491/2 en advies 24.707/2, respectievelijk op 12 juli 1993 en 15 januari 1996 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen (stuk Kamer, 1995-1996, nr. 427/1, blz. 15) is geworden.
Advies 24.154/2, op 24 februari 1995 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen (stuk Senaat, 1994-1995, nr. 1348/1, blz. 10) is geworden.
Advies 24.487/2 en advies 24.752/2, respectievelijk op 28 juni 1995 en 17 juli 1996 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister (stuk Kamer, 1996-1997, nr. 988/1, blz. 22) is geworden.
Advies 24.512/8, op 15 oktober 1996 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (stuk Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, blz. 107) is geworden.
Advies 25.344/2, op 5 maart 1997 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie (stuk Kamer, 1996-1997, nr. 1075/1, blz. 17) is geworden.
Advies 25.428/2, op 14 april 1997 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (stuk Kamer, 1996-1997, nr. 1087-96/97/1, blz. 16) is geworden.
Advies 26.381/2, op 23 juni 1997 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (stuk Kamer, 1997-1998, nr. 1342/1, blz. 60) is geworden.
Advies 26.796/2, op 5 oktober 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1217/6, blz. 114) is geworden.
Advies 27.385/2, op 9 februari 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (stuk Kamer, 1997-1998, nr. 1342/1, blz. 60) is geworden.
Advies 27.462/2 en advies 28.392/2, respectievelijk op 6 mei 1998 en 26 oktober 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 14 januari 1999 houdende wijziging van de artikelen 35 en 47bis van het Wetboek van strafvordering, van artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en van de artikelen 3 en 5 van de wet van 15 maart 1874 op de uitlevering (stuk Kamer, 1997-1998, nr. 1605/1, blz. 5, en nr. 1605/5, blz. 1) is geworden.
Advies 27.996/2, op 22 oktober 1998 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1907/1, blz. 61) is geworden.
Advies 28.029/2, op 31 mei 1999 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit (stuk Kamer, 1999-2000, nr. 213/1, blz. 42) is geworden.
Advies 28.080/1/V-2/V, op 31 augustus 1998 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (stuk Kamer, 1997-1998, nr. 1676/5, blz. 1) is geworden.
Advies 28.081/1, op 13 augustus 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings (stuk Senaat, 1997-1998, nr. 1066/2, blz. 1) is geworden.
Advies 28.495/4, op 30 november 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 12 april 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en tot overplaatsing van sommige personeelsleden in dienst bij de parketten of verbonden aan een probatiecommissie (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1889/1, blz. 9) is geworden.
Advies 28.496/4, op 30 november 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 7 mei 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930, tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1889/1, blz. 9) is geworden.
Advies 28.940/2, op 12 maart 1999 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 30 juni 2000 tot invoeging van een artikel 21ter in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1961/4, blz. 1) is geworden.
Advies 29.288/2 en advies 30.522/2, respectievelijk op 9 juni 1999 en op 6 november 2000 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen (stuk Kamer, 2000-2001, nr. 1185/1, blz. 48) is geworden.
Advies 29.624, op 8 november 1999 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 28 maart 2000 tot invoeging van een procedure van onmiddellijke verschijning in het Wetboek van strafvordering (stuk Kamer, 1999-2000, nr. 306/1, blz. 25) is geworden;
Advies 30.851/2, op 31 oktober 2000 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket (stuk Kamer, 2000-2001, nr. 897/2, blz. 1) is geworden.
Advies 31.367/2, op 11 juni 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1601/1, blz. 65) is geworden.
Advies 31.340/2, op 25 juni 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1483/1, blz. 37) is geworden.
Advies 31.411/4, op 3 juli 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1590/1, blz. 23) is geworden.
Advies 32.287/2, op 26 november 2001 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van de bepalingen inzake de persoonlijke verschijning van de beklaagde en van het artikel 421 van het Wetboek van strafvordering » (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1600/1, blz. 17).
Advies 32.673/2, op 19 december 2001 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1688/1, blz. 128) is geworden.
Advies 32.727/2, op 18 maart 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2117/1, blz. 78) is geworden.
Advies 32.757/2, op 18 maart 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 19 maart 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2117/1, blz. 78) is geworden.
Advies 32.899/2, op 11 maart 2002 verstrekt over een voorstel van wet « houdende verticale integratie van het openbaar ministerie », alsook over de amendementen nrs. 1 en 2 (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1559/5, blz. 3).
Advies 32.900/2, op 24 juni 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2108/1, blz. 79) is geworden.
Advies 32.994/2, op 25 maart 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1888/1, blz. 25) is geworden.
Advies 33.164/2, op 13 mei 2002 verstrekt over een voorontwerp van wet tot wijziging van artikel 21 en 24 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1625/1).
Advies 33.420/4, op 23 mei 2002 verstrekt over een voorontwerp van wet dat de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1915/1, blz. 39) is geworden.
Advies 34.327/2, op 31 oktober 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de programmawet (II) van 24 december 2002 (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2124/1, blz. 566) is geworden.
Advies 34.328/2, op 31 oktober 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de programmawet (I) van 24 december 2002 (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2124/1, blz. 450) is geworden.
Advies 34.362/4, op 27 januari 2003 verstrekt over een voorontwerp van wet dat de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2364/1, blz. 19) is geworden.
Advies 34.784/2, op 17 maart 2003 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering » (stuk Kamer, 2003-2004, nr. 863/1, blz. 9).
Advies 35.697/2/V, op 17 juli 2003 verstrekt over een voorontwerp van wet dat de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (stuk Kamer, 2003, nr. 103/1, blz. 24) is geworden.
Advies 36.516/2, op 1 maart 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « betreffende het recht van minderjarigen op toegang tot de rechter » (stuk Kamer, 2003-2004, nr. 643/2, blz. 1).
Advies 36.930/2 (nog niet bekendgemaakt), op 28 april 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken ».
Advies 36.931/VR/1, op 13 mei 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht ».
Advies 37.017/3, op 11 mei 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « betreffende de internationale rechtshulp in strafzaken ».
Advies 37.018/2, op 18 mei 2004 verstrekt over een voorontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkdadige voorlopige hechtenis, tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en tot wijziging van sommige artikelen van het Wetboek van strafvordering ».
II. Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Advies 18.890/2, op 22 maart 1989 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 20 juli 1990 betreffende de vooropige hechtenis (stuk Senaat, 1988-1989, nr. 658/1, blz. 47) is geworden.
Advies 20.339/2, op 5 november 1990 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 28 november 1990 tot aanvulling van het artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (stuk Senaat, 1990-1991, nr. 1106/1, blz. 6) is geworden.
Advies 24.512/8, op 15 oktober 1996 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (stuk Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, blz. 107) is geworden.
Advies 27.996/2, op 22 oktober 1998 verstrekt over een ontwerp dat de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de minderjarigen (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1907/1, blz. 61) is geworden.
Advies 28.496/4, op 30 november 1998 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 7 mei 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, (stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1889/1, blz. 9) is geworden.
Advies 29.624/2, op 8 november 1999 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 28 maart 2000 tot invoeging van een procedure van onmiddellijke verschijning in het Wetboek van strafvordering (stuk Kamer, 1999-2000, nr. 306/1, blz. 27) is geworden.
Advies 32.900/2, op 24 juni 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd (stuk Kamer, 2002-2003, nr. 2108/1, blz. 79) is geworden.
Advies 33.049/2 en advies 33.078/2, respectievelijk op 21 februari 2002 en 6 maart 2002 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 23 januari 2003 houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen met de wet van 10 juli 1996 tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen (stuk Kamer, 2001-2002, nr. 1747/1, blz. 37) is geworden.
Bijlage 2 bij advies 36.741/2, gegeven op 28 juni 2004 over een voorstel van wet « houdende het Wetboek van strafprocesrecht »
Indicatieve lijst van de verschrijvingen in de Franse versie van het voorstel.
In artikel 74 schrijve men « Toute personne » en niet « Toute personnes ».
In artikel 91, § 2, moeten de woorden « dont la protection spéciale à un témoin menacé » vervallen.
In artikel 92, § 9, schrijve men « lève de plein droit » in plaats van « lève le plein droit ».
In artikel 108, § 1, eerste lid, dienen de woorden « de cet article » en « de ce code » vervangen te worden door de woorden « du présent article » en « du présent Code ».
In artikel 208, § 5, laatste lid, schrijve men « condamné » in plaats van « condamnés ».
In artikel 265, tweede lid, eerste streepje, schrijve men « moeurs » in plaats van « mours ».
In artikel 355 schrijve men « il requerra » en niet « il reçuerra ».
In artikel 383, in fine, moet het woord « visé » vervangen worden door het woord « visée ».
In artikel 395, § 1, schrijve men in onderdeel 1º « débat » in plaats van « début », en in onderdeel 3º « Des frères et soeurs » in plaats van « Des frères et sours ».
In artikel 419, derde lid, schrijve men « (...) la main placée sur son coeur » en niet « (...) la main placée sur son cour ».
In artikel 444, tweede lid, schrijve men « ni du contenu des dépositions » en niet « ni du contenu aux dépositions ».