3-450/2 | 3-450/2 |
27 APRIL 2004
Artikel 1
In het voorgestelde artikel 1 van het Wetboek van strafprocesrecht, tussen de woorden « de rechten van de verdediging, » en de woorden « het recht op een eerlijk proces, » de woorden « het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, » invoegen.
Verantwoording
Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie wordt in de Belgische rechtsorde bekrachtigd door artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend in Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (Belgisch Staatsblad van 19 augustus 1955), enerzijds, en door artikel 14, § 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend in New York op 19 december 1966 en, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 (Belgisch Staatsblad van 6 juli 1983), anderzijds.
Dat recht maakt ook deel uit van de algemene rechtsbeginselen erkend door het Hof van Cassatie (zie met name Cass, 13 mei 1992, Bull., 1992, blz. 789) en door de rechtsleer (zie met name H.-D. Bosly en D. Vandermeersche, Droit de la procédure pénale, tweede uitgave, Brugge, La Charte, 2001, blz. 13).
Dat beginsel biedt een essentiële waarborg voor een « eerlijk proces » als bedoeld in de genoemde internationale teksten.
Die waarborg, die samen met andere waarborgen (vooral dan de openbaarheid van de debatten en de eerbiediging van de rechten van de verdediging) bijdraagt aan een eerlijke procesgang, is de laatste tien jaar erg op de voorgrond getreden, niet alleen voor onze nationale rechtscolleges, maar ook en vooral voor het Europees Hof voor de rechten van de mensen in Straatsburg. Daarom kan dat principe eerlang wordt trouwens een thesis over dat onderwerp verdedigd voor een Belgische universiteit worden beschouwd als een autonome, procesrechtelijke waarborg die geldt voor alle types van geschillen.
Gezien het belang van die waarborg, lijkt het ons nuttig om hem naast alle andere principes op te nemen in artikel 1 van het voorliggende nieuwe Wetboek.
Om de band met de hierboven genoemde fundamentele wetten duidelijk te maken, stellen wij voor om dezelfde woorden te gebruiken, namelijk « het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ».
Boek I Hoofdstuk 3
In het opschrift van hoofdstuk 3, boek I van hetzelfde wetboek, na het woord « verdediging » toevoegen de woorden « van de partijen betrokken bij het proces ».
Verantwoording
Zie amendement nr. 3 voor de verantwoording.
Art. 5
De aanhef van § 1 van dit artikel doen luiden als volgt :
« Iedere partij betrokken bij het proces heeft het recht ... ».
Verantwoording
Het begrip « rechten van de verdediging » verwijst logischerwijze naar de rechten van de persoon die in de strafrechtspleging « beschuldigd » wordt. In die geest werd artikel 6, § 3, opgesteld van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op 4 november 1950 te Rome ondertekend werd en bij de wet van 13 mei 1955 (Belgisch Staatsblad van 19 augustus 1955) werd goedgekeurd. Die paragraaf somt op niet beperkende wijze de rechten van de verdediging van de beschuldigde op. Hetzelfde geldt voor artikel 14, § 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat op 19 december 1966 te New York ondertekend werd en dat werd goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 (Belgisch Staatsblad van 6 juli 1983).
De tekst van artikel 5 beoogt uiteraard de rechten van de verdediging van de « beschuldigde » maar ook die van de andere partijen in het geding onder wie vooral de slachtoffers (benadeelde personen, burgerlijke partijen). De rechten die in § 2 staan vermeld, laten daarover geen twijfel bestaan en de toelichting bevestigt dat.
Het lijkt ons van belang dat ruime toepassingsgebied ratione personae aan te kondigen in het opschrift van het hoofdstuk.
Tevens is het raadzaam gebruik te maken van de woorden « partij betrokken bij het proces », zodat beide paragrafen dezelfde terminologie hanteren.
| Nathalie de T' SERCLAES. |
Art. 76
In dit artikel, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het 1º aanvullen met een littera g), luidende :
« g) hij kan verzoeken zich te laten bijstaan door een advocaat tijdens de duur van het verhoor. »
B. Een 6º toevoegen, luidende :
« 6º Op verzoek van de ondervraagde persoon kan deze bijgestaan worden door een advocaat tijdens het verhoor. De advocaat staat de ondervraagde persoon bij inzake de naleving van de regels van het verhoor. Het verhoor wordt opgeschort tot de advocaat aanwezig is. »
Verantwoording
Het recht om niet te antwoorden op vragen van de politie en de immuniteit tegen zelfbeschuldiging liggen in artikel 6 EVRM besloten. Het recht op rechtsbijstand kan in het opsporingsonderzoek relevant zijn indien en voorzover de eerlijkheid van de berechting door het niet-verschaffen daarvan gevaar loopt.
Het recht om niet te antwoorden op vragen van de politie en de immuniteit tegen zelfbeschuldiging zijn algemeen erkende internationale normen. Zij zijn vervat in het principe van de eerlijke procesvoering. Vanaf de eerste ondervraging door de politie worden gevolgen verbonden aan de houding van de verdachte. In die omstandigheden verlangt artikel 6 EVRM dat de ondervraagde persoon in die fase rechtsbijstand krijgt. De ondervraagde persoon moet beschermd worden tegen onbehoorlijke druk van de zijde van de autoriteiten. Het verhindert mede dat rechterlijke dwalingen ontstaan.
Ter vergelijking kan de Amerikaanse Miranda-rule aangehaald worden. Het Miranda-arrest legt procedurele waarborgen op. Deze bestaan uit een viervoudige waarschuwing die aan de verdachte moet worden gegeven zodra hij ondervraagd zal worden :
dat hij het recht heeft om te zwijgen;
dat alles wat hij zegt tegen hem kan en zal gebruikt worden voor de rechtbank;
dat hij het recht heeft om een advocaat te raadplegen en om deze advocaat aanwezig te laten zijn bij de ondervragingen;
dat hem een advocaat zal toegewezen worden als hij er geen kan betalen.
Dit amendement strekt ertoe gelijkaardige waarborgen in ons rechtssysteem te voorzien.
Artikel 76 voorziet reeds enige waarborgen door onder andere de mededeling van het recht om een integrale notering van vragen en antwoorden te eisen. Het doel hiervan is het uitlokkende effect van suggestieve vragen achteraf te kunnen ontmaskeren. Aan de ondervraagde persoon wordt eveneens medegedeeld dat zijn verklaringen in rechte als bewijs kunnen worden gebruikt.
Art. 146
In dit artikel, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. De woorden « en van de advocaten van de partijen » doen vervallen.
B. Een nieuw lid toevoegen, luidende :
« Op verzoek van de ondervraagde persoon kan deze bijgestaan worden door een advocaat tijdens het verhoor. De advocaat staat de ondervraagde persoon bij inzake de naleving van de regels van het verhoor. Het verhoor wordt opgeschort tot de advocaat aanwezig is. »
Verantwoording
Het recht om niet te antwoorden op vragen van de politie en de immuniteit tegen zelfbeschuldiging liggen in artikel 6 EVRM besloten. Het recht op rechtsbijstand kan in het gerechtelijk onderzoek relevant zijn indien en voorzover de eerlijkheid van de berechting door het niet-verschaffen daarvan gevaar loopt.
Het recht om niet te antwoorden op vragen en de immuniteit tegen zelfbeschuldiging zijn algemeen erkende internationale normen. Zij zijn vervat in het principe van de eerlijke procesvoering. Vanaf de eerste ondervraging door de politie worden gevolgen verbonden aan de houding van de verdachte. In die omstandigheden verlangt artikel 6 EVRM dat de ondervraagde persoon in die fase rechtsbijstand krijgt. De ondervraagde persoon moet beschermd worden tegen onbehoorlijke druk van de zijde van de autoriteiten. Het verhindert mede dat rechterlijke dwalingen ontstaan.
Ter vergelijking kan de Amerikaanse Miranda-rule aangehaald worden. Het Miranda-arrest legt procedurele waarborgen op. Deze bestaan uit een viervoudige waarschuwing die aan de verdachte moet worden gegeven zodra hij ondervraagd zal worden :
dat hij het recht heeft om te zwijgen;
dat alles wat hij zegt tegen hem kan en zal gebruikt worden voor de rechtbank;
dat hij het recht heeft om een advocaat te raadplegen en om deze advocaat aanwezig te laten zijn bij de ondervragingen;
dat hem een advocaat zal toegewezen worden als hij er geen kan betalen.
Dit amendement strekt ertoe gelijkaardige waarborgen in ons rechtssysteem te voorzien.
Artikel 147 verwijst naar de voorwaarden vervat in artikel 76. Artikel 146 dient echter aangepast te worden om contradicties wat betreft de aanwezigheid van de advocaat te vermijden.
| Luc WILLEMS. |
Art. 2
De titel van het voorgestelde hoofdstuk 3, boek I, vervangen als volgt : « Rechten van verdediging ».
Verantwoording
Enerzijds betreft het hier enkel een opsomming van een aantal rechten. Dit blijkt uit de bewoordingen van het eerste artikel van dit hoofdstuk, met name het voorgestelde artikel 5. Zo wordt er gesproken van « Onverminderd ... » en van « , ... in het bijzonder ... ». Daarom lijkt het dan ook beter om te spreken in de titel van dit hoofdstuk van « Rechten van ... », en het lidwoord weglaten zodat het niet limitatieve karakter ervan beter tot uiting kan komen.
Anderzijds is de opsomming van het artikel 5 niet enkel bedoeld voor de verdedigende partij als dusdanig, maar zijn de rechten daarentegen bedoeld voor iedere partij die betrokken is bij het proces. Dit maakt de toepassing van die rechten dan ook ruimer dan enkel deze die bestemd zijn voor de verdediging in de klassieke betekenis. Ook hier dient het lidwoord weggelaten te worden.
Art. 5
In § 2 van dit artikel, de woorden « de rechten van de verdediging » vervangen door de woorden « de rechten van verdediging ».
Verantwoording
Zie amendement nr. 6 voor de verantwoording.
Art. 7
In § 2 van dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het woord « kan » vervangen door het woord « moet ».
B. Tussen het woord « en » en het woord « worden » het woord « kan » invoegen.
Verantwoording
De nietigheid van openbare orde moet steeds door de rechter ambtshalve uitgesproken worden. Zoals het voorgestelde artikel 7, § 2, nu is geredigeerd kan hierover verwarring ontstaan.
Art. 11
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « definitief vonnis » vervangen door de woorden « definitieve rechterlijke beslissing ».
Verantwoording
Wetgevingstechnische opmerking.
Art. 39
In het derde lid, 1º, van dit artikel, het woord « , beroep » doen vervallen.
Verantwoording
De vereiste van het beroep voor de verklaring van benadeelde persoon is niet meteen relevant te noemen en verdwijnt dan ook beter uit de opsomming van de gegevens die de verklaring dient te omvatten.
Art. 47
In § 3, 1º, van dit artikel, het woord « , beroep » doen vervallen.
Verantwoording
De vereiste van het beroep voor de burgerlijke partijstelling en de rechtstreekse dagvaarding is niet meteen relevant te noemen en verdwijnt dan ook beter uit de opsomming van de gegevens die de beide documenten dienen te omvatten.
Art. 59
In het eerste lid van dit artikel, het woord « gekende » invoegen tussen de woorden « laatste » en het woord « verblijfplaats ».
Verantwoording
Om eventuele proceduremisbruiken te voorkomen lijkt het beter om de term « laatste gekende verblijfplaats » te gebruiken.
Art. 60
In dit artikel het woord « gekende » invoegen tussen het woord « laatste » en het woord « verblijfplaats ».
Verantwoording
Om eventuele proceduremisbruiken te voorkomen lijkt het beter om de term « laatste gekende verblijfplaats » te gebruiken.
| Hugo COVELIERS. Luc WILLEMS. |
Art. 76
Aan het voorgestelde 4º van dit artikel een lid toevoegen luidende :
« Indien die persoon doofstom is, wordt een beroep gedaan op ofwel een tolk-gebarentaal ofwel een gekwalificeerd persoon die een taal of een methode beheerst die communicatie met doofstommen mogelijk maakt. Is die persoon niet beëdigd, dan legt hij de eed af dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. Tevens kan enig technisch hulpmiddel worden gebruikt dat het mogelijk maakt te communiceren met de ondervraagde persoon. Kan deze laatste lezen en schrijven, dan kan men ook schriftelijk met hem communiceren. »
Verantwoording
Het recht zich te doen bijstaan door een tolk wordt uitdrukkelijk erkend in enerzijds artikel 6, § 3, e), van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (Belgisch Staatsblad van 19 augustus 1955) en anderzijds artikel 14, § 3, f), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 (Belgisch Staatsblad van 6 juli 1983). Is de ondervraagde persoon doofstom, dan moet ook hij uiteraard een beroep kunnen doen op een tolk-gebarentaal.
In het kader van de procedure in het Assisenhof heeft artikel 333 van het Wetboek van strafvordering reeds rekening gehouden met die handicap. De wet van 3 mei 2003 (Belgisch Staatsblad van 17 juni 2003) heeft die bepaling gewijzigd om rekening te houden met alle partijen in het strafproces, meer bepaald om een tolk te kunnen aanwijzen voor de burgerlijke partij wanneer die doofstom is. Het voorgestelde artikel 406 neemt thans die bepaling over.
De algemene bepalingen inzake het getuigenverhoor van het Franse Wetboek van strafvordering en meer bepaald artikel 102, derde lid, nemen uitdrukkelijk het geval van doofheid in aanmerking. Dit amendement is ingegeven door die bepaling en wil op dezelfde manier met een doofstomme rekening houden in alle omstandigheden van het verhoor.
Art. 104
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) In de Franse tekst van het derde lid tussen het woord « qui » en het woord « cause » het woord « est » vervangen door het woord « sait », en het woord « le » vervangen door het woord « la ».
B) De Nederlandse tekst van het derde lid vervangen als volgt :
« Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld mee te delen en zich van de zaak te onthouden. »
Verantwoording
Het derde lid van het voorgestelde artikel 104 is kennelijk ingegeven door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek over de wraking en meer bepaald door artikel 831 van dat Wetboek : « Tout juge qui sait cause de récusation en sa personne, est tenu de s'abstenir » alsook door artikel 967 van dat Wetboek : « Tout expert qui saura cause de récusation en sa personne, est tenu de la déclarer immédiatement aux parties et de se déporter si elles ne l'en dispensent ».
De voorgestelde lezing van het derde lid van artikel 104 vraagt om een verbetering. De volzin « Tout expert qui est cause de récusation ... » heeft niets te betekenen en stemt bovendien niet overeen met de Nederlandse tekst. We stellen voor die te verbeteren aan de hand van de genoemde bepalingen.
De lezing van de Nederlandse tekst van hetzelfde derde lid kan ook in overeenstemming gebracht worden met de Nederlandse tekst van de artikelen 831 en 967 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 831 luidt : « Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden » en artikel 967 luidt : « Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld aan de partijen mee te delen en zich van de zaak te onthouden indien de partijen hem geen vrijstelling verlenen. »
Art. 201
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) In de Franse tekst van het derde lid tussen het woord « qui » en het woord « cause » het woord « est » vervangen door het woord « sait », en het woord « le » vervangen door het woord « la ».
B) De Nederlandse tekst van het derde lid vervangen als volgt :
« Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld mee te delen en zich van de zaak te onthouden. »
Verantwoording
Het derde lid van het voorgestelde artikel 201 is kennelijk ingegeven door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek over de wraking en meer bepaald door artikel 831 van dat Wetboek : « Tout juge qui sait cause de récusation en sa personne, est tenu de s'abstenir » alsook door artikel 967 van dat Wetboek : « Tout expert qui saura cause de récusation en sa personne, est tenu de la déclarer immédiatement aux parties et de se déporter si elles ne l'en dispensent ».
De voorgestelde lezing van het derde lid van artikel 104 vraagt om een verbetering. De volzin « Tout expert qui est cause de récusation ... » heeft niets te betekenen en stemt bovendien niet overeen met de Nederlandse tekst. We stellen voor die te verbeteren aan de hand van de genoemde bepalingen.
De lezing van de Nederlandse tekst van hetzelfde derde lid kan ook in overeenstemming gebracht worden met de Nederlandse tekst van de artikelen 831 en 967 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 831 luidt : « Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden » en artikel 967 luidt : « Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld aan de partijen mee te delen en zich van de zaak te onthouden indien de partijen hem geen vrijstelling verlenen. »
Art. 406
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) Aan het tweede lid toevoegen de woorden « of van een doofstomme burgerlijke partij ».
B) In het vierde lid tussen de woorden « beschuldigde » en de woorden « of de getuige » invoegen de woorden « , de burgerlijke partij ».
Verantwoording
De wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wat betreft de vertalingen van de mondelinge verklaringen (Belgisch Staatsblad van 17 juni 2003) heeft de artikelen 332 en 333 van het Wetboek van strafvordering gewijzigd. Het was terecht de bedoeling de burgerlijke partij eveneens de mogelijkheid te bieden zich te doen bijstaan door een tolk zoals de andere ondervraagde personen (beschuldigde en getuige) voor het Assisenhof die reeds hadden.
Dit amendement wil die wijzigingen doen opnemen in het wetsvoorstel.
Art. 405
Dit artikel wijzigen als volgt :
A) In het eerste lid tussen de woorden « de beschuldige » en de woorden « de getuigen » invoegen de woorden « de burgerlijke partij, ».
B) In het vierde lid tussen de woorden « de beschuldigde » en de woorden « en van de procureur des Konings » invoegen de woorden « , van de burgerlijke partij ».
Verantwoording
De wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wat betreft de vertalingen van de mondelinge verklaringen (Belgisch Staatsblad van 17 juni 2003) heeft de artikelen 332 en 333 van het Wetboek van strafvordering gewijzigd. Het was terecht de bedoeling de burgerlijke partij eveneens de mogelijkheid te bieden zich te doen bijstaan door een tolk zoals de andere ondervraagde personen (beschuldigde en getuige) voor het Assisenhof die reeds hadden.
Dit amendement wil die wijzigingen doen opnemen in het wetsvoorstel.
| Nathalie de T' SERCLAES. |
Art. 59
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 59. De procureur des Konings van de plaats van het misdrijf is bij voorrang bevoegd om de handelingen op het gebied van opsporing of gerechtelijk verzoek te verrichten of te gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren.
Vervolgens zijn bevoegd de procureur des Konings van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste bekende verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar de verdachte wordt of kan worden gevonden en, wat betreft de rechtspersonen, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon.
De procureur des Konings die binnen die bevoegdheid kennis krijgt van een misdrijf, kan buiten zijn arrondissement alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek. Hij stelt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden hiervan in kennis ».
Verantwoording
Dit amendement wil de voorgestelde tekst verduidelijken om hem in overeenstemming te brengen met de toelichting, waaruit blijkt dat de procureur des Konings van de plaats van het misdrijf bij voorrang bevoegd is om zo te voorkomen dat bepaalde parketten misbruik maken van hun machtspositie en zaken tot zich trekken op basis van een aanvullend bevoegdheidscriterium. Dergelijke handelwijze belemmert al te vaak de rechtsgang.
Om de bevoegdheid van de procureur des Konings duidelijker te bepalen, stelt dit amendement voor rekening te houden met de laatste bekende verblijfplaats veeleer dan met de laatste verblijfplaats zonder meer.
Art. 70
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 70. Ieder die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, hetzij op het eigendom van een rechtspersoon, is eveneens verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden ».
Verantwoording
Dit amendement strekt ertoe de in dit artikel geboden bescherming ook uit te strekken tot het eigendom van rechtspersonen.
Art. 101
Het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :
« Behalve in kennelijk spoedeisende gevallen en behalve wanneer de procureur des Konings er in een met redenen omklede beslissing anders over oordeelt, verloopt het bevolen deskundigenonderzoek op tegenspraak.
Als zij gekend zijn, worden zowel de verdachte als de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd, vóór het deskundigenverslag wordt opgemaakt, opgeroepen om alle verrichtingen van de deskundige bij te wonen, waarbij zij zich kunnen laten bijstaan door een advocaat en door een technisch raadsman ».
Verantwoording
Het deskundigenonderzoek moet op tegenspraak verlopen opdat latere betwistingen aangaande de geldigheid ervan de rechtsgang niet belemmeren.
Art. 106
Dit artikel aanvullen als volgt :
« Dit verzet moet geschieden met een met redenen omklede beslissing waartegen geen beroep open staat. Het wordt bij een per post aangetekende brief meegedeeld aan de verdachte en aan de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd, binnen twee werkdagen vanaf het tijdstip van de beslissing ».
Verantwoording
Door een gemotiveerde beslissing op te leggen wil het amendement de waarborg bieden dat er geen misbruiken plaatshebben aangezien de procureur op onaantastbare wijze kan beslissen al dan niet informatie over te zenden aan de partijen.
Art. 135
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 135. § 1. De onderzoeksrechter neemt kennis van misdrijven die in de wet als misdaad of wanbedrijf zijn omschreven en, in geval van samenloop, van feiten die als overtreding zijn omschreven.
§ 2. De onderzoeksrechter van de plaats van het misdrijf is bij voorrang bevoegd om alle handelingen te verrichten of te gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek.
Vervolgens zijn bevoegd de onderzoeksrechter van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste bekende verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar deze persoon wordt of kan worden gevonden en met betrekking tot rechtspersonen die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon.
§ 3. Wanneer het gaat om misdaden of wanbedrijven die, in de gevallen omschreven in de wet, gepleegd zijn buiten het Belgische grondgebied, is bij voorrang bevoegd de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon verdacht van het misdrijf verblijft of zijn laatste bekende verblijfplaats heeft gehad.
Vervolgens zijn bevoegd de onderzoeksrechter van de plaats waar deze persoon wordt of kan worden gevonden en met betrekking tot rechtspersonen die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon.
§ 4. De onderzoeksrechter die binnen die bevoegdheid kennis krijgt van een misdrijf, kan buiten zijn arrondissement alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van gerechtelijke politie, opsporing of gerechtelijk onderzoek. Hij stelt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden, hiervan in kennis.
Ingeval de onderzoeksrechter territoriaal niet bevoegd is, verwijst hij, alvorens enige onderzoekshandeling te verrichten, de zaak naar de onderzoeksrechter die ervan kennis zou kunnen nemen. »
Verantwoording
Dit amendement wil de voorgestelde tekst verduidelijken om hem in overeenstemming te brengen met de toelichting, waaruit blijkt dat de onderzoeksrechter van de plaats van het misdrijf bij voorrang bevoegd is.
Om de bevoegdheid van de onderzoeksrechter duidelijker te bepalen, stelt dit amendement voor rekening te houden met de laatste bekende verblijfplaats eerder dan met de laatste verblijfplaats zonder meer.
Art. 137
De Franse tekst van het tweede lid van dit artikel doen luiden als volgt :
« Le greffier numérote et inventorie les pièces du dossier. »
Verantwoording
Dit amendement stelt voor in het Frans preciezere termen te gebruiken zodat het artikel vlotter te begrijpen is.
Art. 146
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 146. De onderzoeksrechter, bijgestaan door zijn griffier en eventueel door agenten van de openbare macht, ondervraagt de inverdenkinggestelde, de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd of de persoon die om enige reden wordt ondervraagd buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij en van de advocaten van de partijen.
Deze laatsten mogen evenwel bij de ondervraging aanwezig zijn indien de ondervraagde persoon erom verzoekt en indien de onderzoeksrechter daartegen geen bezwaar heeft.
De ondervraagde persoon legt geen eed af. »
Verantwoording
Technische verbetering van de tekst zodat hij duidelijker wordt en overeenstemt met de toelichting.
Art. 150
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 150. § 1. Vooraleer de onderzoeksrechter het dossier aan de procureur des Konings overzendt met het oog op de regeling van de rechtspleging, kunnen, de inverdenkinggestelde of zijn raadsman de onderzoeksrechter verzoeken om een samenvattende ondervraging te verrichten.
§ 2. Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en in een daartoe bestemd register ingeschreven.
Ten laatste vijf werkdagen voor de verschijning, brengt de griffier de oproeping per faxpost of bij een per post aangetekende brief ter kennis van de raadsman van de inverdenkinggestelde en van de procureur des Konings, die deze ondervraging kunnen bijwonen.
Het dossier wordt gedurende vier werkdagen voor de verschijning ter beschikking gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman.
§ 3. Tijdens deze ondervraging, en onder voorbehoud van de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter, kunnen de inverdenkinggestelde en zijn raadsman relevante vragen stellen aan de verhoorde persoon en de verklaringen afleggen die zij geschikt achten.
Deze laatste dienen in het proces-verbaal opgetekend te worden. »
Verantwoording
Deze nieuwe lezing moet dit artikel toegankelijker maken.
Art. 151
Het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :
« Behalve als dat materieel onmogelijk blijkt, verhoort hij ten minste eenmaal de slachtoffers. Het verhoor is verplicht wanneer het slachtoffer daarom verzoekt en wanneer het gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 347bis, 368, 373, 375 en 392 tot 410 van het Strafwetboek ».
Verantwoording
De in de oorspronkelijke tekst gebruikte termen « voor zover als mogelijk » kunnen anders worden geïnterpreteerd dan de indiener heeft bedoeld. Het lijkt er dan immers op dat de onderzoeksrechter kan afzien van het verhoor als hij meent dat het niet mogelijk blijkt.
Art. 152
In de Franse tekst, de eerste volzin van dit artikel aanvullen met de woorden : « à la poste ».
Verantwoording
Dit is een zuiver technische verbetering die ertoe strekt die volzin aan te passen aan de terminologie die in de rest van het voorstel wordt gebruikt.
Art. 203
Het laatste lid van dit artikel aanvullen als volgt :
« Dit verzet moet geschieden met een met redenen omklede beslissing waartegen geen beroep open staat. Het wordt bij een per post aangetekende brief meegedeeld aan de verdachte en aan de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd, binnen twee werkdagen vanaf het tijdstip van de beslissing. »
Verantwoording
Zoals voor artikel 106 wil het amendement via een met redenen omklede beslissing waarborgen dat er geen misbruiken plaatsvinden aangezien de onderzoeksrechter op onaantastbare wijze kan beslissen al dan niet informatie aan de partijen over te zenden.
Art. 208
De aanhef van het eerste lid van § 3 van dit artikel doen luiden als volgt : « De onderzoeksrechter kan met een met redenen omklede beslissing het verzoek afwijzen, ... ».
Verantwoording
Via een gemotiveerde beslissing wil dit amendement waarborgen dat er geen misbruiken plaatsvinden aangezien de onderzoeksrechter op onaantastbare wijze kan beslissen al dan niet de handeling te laten opheffen.
Art. 212
In het eerste lid van dit artikel de woorden « generlei bezwaar » vervangen door de woorden « onvoldoende bezwaar ».
Verantwoording
De in dit amendement voorgestelde wijziging sluit aan bij de voorstellen van professor Franchimont en strekt ertoe de tekst van het tweede lid te doen overeenstemmen met de toelichting.
| Philippe MAHOUX. |
Art. 74
Dit artikel aanvullen als volgt :
« Het slachtoffer kan van een directe confrontatie worden vrijgesteld als uit een met redenen omkleed doktersattest blijkt dat die schadelijk kan zijn voor zijn gezondheid. Dat attest wordt bij een ter post aangetekende brief aan de officier van gerechtelijke politie gezonden binnen vijf werkdagen na de datum van de oproeping ».
Verantwoording
Dit amendement strekt er in het bijzonder toe om de slachtoffers van zedenfeiten te beschermen.
De confrontatie met de dader kan immers schadelijk zijn voor hun mentale en psychische gezondheid, zonder dat die confrontatie objectieve informatie oplevert voor het opsporingsonderzoek, omdat beide partijen toch bij hun standpunten blijven.
Die situatie kan uiterst nadelig zijn voor het slachtoffer, dat niet alleen moet vertellen wat het heeft ondergaan maar bovendien wordt tegengesproken door de dader, wiens fysieke nabijheid het slachtoffer alleen verder uit zijn evenwicht kan brengen omdat het zich nog tegen de dader moet verdedigen.
Dat probleem kan worden opgelost door een indirecte confrontatie, bijvoorbeeld via een videoconferentie.
Art. 166
Dit artikel aanvullen als volgt :
« § 2. Het slachtoffer kan van een directe confrontatie worden vrijgesteld als uit een met redenen omkleed doktersattest blijkt dat dit schadelijk kan zijn voor zijn gezondheid. Dat attest wordt bij een ter post aangetekende brief aan de officier van gerechtelijke politie gezonden binnen vijf werkdagen na de datum van de oproeping ».
Verantwoording
De verantwoording bij dit amendement is dezelfde als die bij amendement nr. 32. Dit amendement strekt ertoe de slachtoffers van zedenfeiten te beschermen in alle stadia van de procedure, dus zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens het gerechtelijk onderzoek.
De confrontatie met de dader kan immers schadelijk zijn voor hun mentale en psychische gezondheid, zonder dat die confrontatie objectieve informatie oplevert voor het opsporingsonderzoek, omdat beide partijen toch bij hun standpunten blijven.
Die situatie kan uiterst nadelig zijn voor het slachtoffer, dat niet alleen moet vertellen wat het heeft ondergaan maar bovendien wordt tegengesproken door de dader, wiens fysieke nabijheid het slachtoffer alleen verder uit zijn evenwicht kan brengen omdat het zich nog tegen de dader moet verdedigen.
Dat probleem kan worden opgelost door een indirecte confrontatie, bijvoorbeeld via een videoconferentie.
| Marie-José LALOY. |
Art. 146
In het eerste lid van de Franse tekst van dit artikel de woorden « Le juge d'instruction, assisté de son greffier et éventuellement d'agents de la force publique, interroge » vervangen door de woorden :
« L'interrogatoire est mené par le juge d'instruction, assisté de son greffier et éventuellement d'agents de la force publique, ».
Verantwoording
De Franse tekst van artikel 146 is aan verduidelijking toe. Bij het lezen van het voorgestelde artikel gaat men spontaan op zoek naar wie eigenlijk door de onderzoeksrechter wordt ondervraagd. De voorgestelde tekst brengt op dat punt geen klaarheid omdat hij van toepassing moet kunnen zijn op alle vormen van ondervraging door de onderzoeksrechter. Het lijkt ons bijgevolg raadzaam de formulering te doen aansluiten bij die van de Nederlandse tekst, die begint met de woorden « de ondervraging ».
Art. 211
Dit artikel wijzigen als volgt :
a) in het derde lid doen vervallen de woorden « ten minste »;
b) het zesde lid vervangen als volgt : « Op verzoek van de verdediging kunnen deze termijnen evenwel worden verlengd door de onderzoeksrechter. »;
c) het vierde lid wordt het zesde lid;
d) het vijfde lid wordt het vierde lid;
e) het zesde lid wordt het vijfde lid.
Verantwoording
Wanneer het onderzoek voltooid is, worden de partijen in het strafproces (de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd) en hun advocaten in kennis gesteld van het feit dat het dossier van het onderzoek is neergelegd ter griffie van de raadkamer. Artikel 211 stelt de duur van die neerlegging vast op één maand. Bij voorlopige hechtenis bedraagt die termijn daarentegen maar acht dagen.
Die termijnen kunnen worden verlengd. Uit de toelichting blijkt dat die mogelijkheid zo rekening wil houden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, volgens hetwelk artikel 127 van het Wetboek van strafvordering noch de onderzoeksrechter, noch de raadkamer toestaat de termijn betreffende de terbeschikkingstelling van het dossier te verlengen.
Het lijkt ons raadzaam in eerste instantie een duidelijker lezing voor te stellen van de bepaling, volgens welke de onderzoeksrechter eventueel een verlenging van die twee termijnen kan toestaan, vervolgens het voorgestelde vijfde en zesde lid onmiddellijk na het derde lid te plaatsen en ten slotte in het derde lid de woorden « ten minste » te doen vervallen omdat ze overbodig zijn.
Art. 7
In § 1 van dit artikel het woord « en » vervangen door het woord « of ».
Verantwoording
Uit artikel 7, § 1, zou de lezer kunnen opmaken dat de nietigheid van openbare orde of substantiële nietigheid alleen kan bestaan wanneer gelijktijdig is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden : wanneer de wet dat uitdrukkelijk bepaalt en wanneer bepalingen over de aangelegenheden of vormvereisten die de eerste paragraaf opsomt, worden overtreden.
Een dergelijke beperkende interpretatie stemt niet overeen met de bedoeling van de indieners van voorliggende tekst. Daar staat tegenover dat de toelichting uitwijst dat zij als nietigheid van openbare orde beschouwt enerzijds die welke de wetgever uitdrukkelijk als dusdanig vermeldt en anderzijds die welke overeenstemt met de substantiële en absolute nietigheden erkend in de rechtspraak. Deze laatste staan voortaan vermeld in een lijst die in de toekomst bekort of aangevuld kan worden.
Het lijkt ons raadzaam die interpretatie via de voorgestelde wijziging zonder meer terzijde te stellen.
| Nathalie de T' SERCLAES. |