3-539/1

3-539/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

4 MAART 2004


Wetsvoorstel tot opheffing van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

(Ingediend door de heer Jurgen Ceder c.s.)


TOELICHTING


Dit voorstel heeft tot doel de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding op te heffen.

Dit centrum is de voortzetting van het Koninklijk commissariaat voor de migranten, waarvan de oprichting in 1989, naar onze mening, reeds een vergissing was. Het kreeg zogenaamd de opdracht het racisme te bestrijden en de integratie van de vreemdelingen en de multiculturele maatschappij te bevorderen. De aanleiding voor de oprichting ervan was niet dat er racistische excessen ­ zoals bijvoorbeeld pogroms ­ te betreuren vielen, maar wel dat het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 een behoorlijk succes had behaald. Met andere woorden, dit initiatief van de regering had niet zozeer het welzijn van de vreemdelingen op het oog, dan wel de bestrijding van een oppositiepartij, op kosten van de belastingbetaler.

Toen het Koninklijk commissariaat na vier jaar verdween ­ omdat het slechts voor een beperkte termijn was opgericht ­ was het succes van het Vlaams Blok niet achter de rug, integendeel. De wet van 15 februari 1993 voorzag dan ook in de vervanging van het Koninklijk commissariaat voor de migranten door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Het minste wat van dit centrum gezegd kan worden, is dat de werking ervan haaks staat op de democratische principes. Om dit aan de kaak te stellen, dienen wij er echter eerst de aandacht op te vestigen dat het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding een dienst van de eerste minister is en dat de directeur ervan bij koninklijk besluit benoemd wordt. Er bestaat dus geen enkele twijfel over dat deze directeur een ambtenaar is en hij zich als een ambtenaar dient te gedragen.

De hoogste rechtscolleges hebben weliswaar bevestigd dat ambtenaren in principe, net als alle andere burgers, de grondwettelijke vrijheden genieten, onder meer de vrijheid van meningsuiting en van politieke overtuiging. Algemeen wordt echter ook aanvaard dat het statuut omwille van het algemeen belang zekere beperkingen aan deze vrijheden aanbrengt, die de ambtenaar vrijwillig op zich neemt bij zijn ambtsaanvaarding.

Uit het ambtenarenstatuut spruiten verplichtingen voort de zogenoemde ambtelijke deontologie. De rechtsleer onderscheidt twee grote plichten: terughoudendheid en neutraliteit. Jan Velaers, hoogleraar UFSIA en UFSAL, stelt duidelijk dat de ambtenaar zich dient te onthouden van uitingen die de gebruikers van de openbare dienst zouden doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de dienst.

Hij voegt er zelfs aan toe dat op de ambtenaar een verplichting tot terughoudendheid rust; ook buiten de uitoefening van zijn ambt ten opzichte van het publiek mag de ambtenaar niet de indruk wekken dat de dienst waarvan hij deel uitmaakt, een bepaalde politieke of levensbeschouwelijke overtuiging deelt, bevoordeelt of promoot.

Vermits het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zich met de regelmaat van een klok in het politieke debat mengt, treedt het de ambtelijke deontologie duidelijk met voeten. Een paar voorbeelden zullen volstaan om dit aan te tonen.

Het centrum bestrijdt bijna dagelijks met zoveel woorden de stellingen van het Vlaams Blok, nochtans een in het Parlement behoorlijk vertegenwoordigde politieke partij. Het centrum geeft dit overigens openlijk toe. Welnu, het is onoorbaar dat ambtenaren, waarvan men verwachten mag dat zij zich neutraal opstellen, zich bij de uitoefening van hun functie het recht toe-eigenen een deel van de publieke opinie te bestrijden.

Maar er is meer: het centrum lobbyt nu al enkele jaren voor het zeer omstreden stemrecht voor niet-Europese vreemdelingen. Ook dit is een rechtstreekse bemoeienis met het politieke beleid van het land en bijgevolg houdt de ambtenaar, die zich omtrent deze zaak polemisch opstelt, geen rekening met zijn plicht tot neutraliteit en tot terughoudendheid. Met andere woorden, de ambtenaren van het centrum overtreden systematisch de deontologie van hun ambt.

De tentakels van dit centrum, dat zich klaarblijkelijk tot taak heeft gesteld het politieke denken van de burgers bij te sturen, strekken daarenboven zeer ver uit. Het centrum kan zich niet alleen burgerlijke partij stellen in racismeprocessen, het kan ook klacht indienen tegen vermeende daden van racisme. Met andere woorden, het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding stelt zich regelmatig op als een soort openbaar ministerie van de weldenkendheid, om echte of vermeende dissidentie tegenover deze politieke weldenkendheid op te sporen en in de kiem te smoren. Het centrum kan dus de plaats van het parket innemen.

Ook met het onderwijs bemoeit het centrum zich. Onder zijn impuls werd in de meeste Vlaamse scholen een zogenaamd non-discriminatiepact afgesloten, waarin deze instellingen bepaalde pedagogische standaarden opgelegd kregen.

Tevens probeert het centrum regelmatig vat op de pers te krijgen. Elk jaar kent het een prijs toe aan een journalist, niet voor de objectiviteit van zijn verslaggeving, maar omdat die zich flink voor de verwezenlijking van een multiculturele maatschappij heeft ingezet. Met andere woorden, het centrum bestrijdt de objectiviteit welke de modale burger toch min of meer van de media mag verwachten.

In een notendop: de wet van 15 februari 1993 riep een instelling in het leven die het vanuit haar wezen zelf voor ambtenaren onmogelijk maakt een statuut van neutraliteit te eerbiedigen; vermits dit centrum regelmatig optreedt als een soort parket voor uitzonderingsrechtbanken en zich dan ook nog moeit met onder meer het onderwijs en de pers, verdient deze wet zo spoedig mogelijk ongedaan te worden gemaakt, vooral omdat het centrum ten gevolge van zijn zogenaamde zelfstandigheid buiten elke parlementaire controle valt. Dat dit alles weinig met democratie te maken heeft, staat buiten kijf. In een democratie kan het immers niet dat een regeringsdienst in feite voornamelijk bestaat om een bepaalde politieke mening te bestrijden en de objectiviteit van de pers in het gedrang te brengen, temeer daar die dienst daarenboven over de bevoegdheden van een politiek parket beschikt.

Jurgen CEDER.
Frank VANHECKE.
Wim VERREYCKEN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding wordt opgeheven.

4 februari 2004.

Jurgen CEDER.
Frank VANHECKE.
Wim VERREYCKEN.