3-511/1 | 3-511/1 |
10 FEBRUARI 2004
Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 7 juni 2001 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-1288/001 2000/2001).
Ons recht laat in de regel geen eigenrichting toe.
Onrecht dient in beginsel door de overheid voorkomen en beteugeld te worden. Dit is echter een ideaal dat geenszins verwezenlijkt kan worden. De overheid is niet altijd en in alle omstandigheden in staat om het recht op leven en andere rechtsgoederen van de burger te beveiligen.
Vandaar dat van oudsher en in alle wetgevingen aan het individu het recht werd toegekend om desnoods met geweld onrechtmatige aantastingen van bepaalde rechtsgoederen af te weren, wanneer de overheid niet bij machte is bescherming te bieden wanneer daartoe een onmiddellijke en dringende behoefte bestaat. Dit noemt men wettige verdediging of noodweer (zie Lieven Dupont Raf Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, blz. 220).
Wettige verdediging is bijgevolg een universeel erkende rechtvaardigingsgrond die men in diverse wetgevingen vindt. Het is een (noodzakelijk) correctief op de exclusieve overheidsbevoegdheid inzake rechtshandhaving, in die gevallen waar diezelfde overheid niet in staat is om (tijdig) op te treden.
1. In de meeste moderne rechtssystemen wordt noodweer of wettige verdediging evenwel erkend als algemene rechtvaardigingsgrond.
Zulks is niet het geval in het Belgisch Strafwetboek. De wettige zelfverdediging is in principe beperkt tot slagen, verwondingen en doodslag. De artikelen 416 en 417 zijn immers opgenomen in boek II van het Strafwetboek en niet in boek I, dat de algemene beginselen bepaalt.
De Belgische wetgever deed zulks in navolging van de Franse Code pénal van 1791 waar ook deze rechtvaardigingsgrond verbonden was aan strafbepalingen met betrekking tot doodslag, slagen en verwondingen (zie Chris van den Wyngaert, Strafrecht en Strafprocesrecht, blz. 193).
De Belgische rechtsleer aanvaardt eveneens dat minder zware vormen van verdediging dan doodslag, slagen en verwondingen als noodweer kunnen worden beschouwd.
Het onschadelijk maken van de aanvaller door hem van zijn vrijheid te beroven, het toebrengen van materiële schade,... zijn hier concrete voorbeelden van (zie Dupont en Verstraeten, op. cit., blz. 224).
Zwaardere misdrijven of andere vormen van misdrijven vallen op dit ogenblik principieel niet onder noodweer of wettige verdediging.
Het Nederlandse Strafwetboek bijvoorbeeld voorziet wel in een algemene rechtvaardigingsgrond in artikel 41.1 dat luidt als volgt : « Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door een noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijk wederrechterlijke aanranding. »
2. De Belgische wetgever heeft nog in een tweede beperking voorzien waarin hij afwijkt van andere buitenlandse regelingen.
Wettige verdediging kan enkel worden aangevoerd om onrechtmatige aanrandingen van personen af te weren.
Noodweer, enkel ter verdediging van goederen of van aantasting van materiële goederen is niet toegelaten. De meerderheid van rechtspraak en rechtsleer volgt deze stelling (zie Cass., 28 juni 1938, AC, 1938, 144; Cass., 21 december 1983, Pas., 1984, I, 449; Corr. Luik, 21 maart 1980, Jur. Liège, 1981, 37 met noot F. Piedboeuf; Nypels, J. en Servais, J. « Le Code pénal belge interprété », III, blz. 84, nr. 11; Trousse, P., « Les Novelles, Droit pénal, II, 1, nr. 2653; Dupont, L. en Verstraeten, R., op. cit., nr. 222).
De aanval waartegen men zich wettig mag verweren, moet gericht zijn tegen personen.
Dit is de grootste beperking van het noodweerbegrip in het Belgische recht.
Deze bestaat niet in Frankrijk waar wettige verdediging van goederen werd aangenomen door een meerderheid van rechtspraak en rechtsleer en wettelijk vertaald in het artikel 122, 5 van de Code pénal (Cass. Fr. 25 maart 1902, s., 1903, 1, 5, d. 1902, 1, 356; Douai, 15 juni 1977, JCP 1979, II, 19232, met noot Bouzat; Montpellier, 19 november 1979, D., 1981, I.R., 153, met noot Puech; Soyer J.C. « Droit pénal et procédure pénale », LGDS, 1977, nr. 181, 117; zie ook noot onder C. Haese, Corr. Brussel, 8 januari 1991, RW, 1991-1992, blz. 196 en volgende).
Wettige verdediging van aanval op bezit of goederen is eveneens toegestaan in het Nederlandse recht, zie onder meer het hoger geciteerde artikel 41, eerste lid, van het Nederlandse Strafwetboek.
Ook het Duitse recht voorziet in paragraaf 32 van het Duitse Strafgesetzbuch in een gelijkaardige bepaling : « Wer eine Tat begeht, die durch Nothwehr geboten ist, handelt nicht rechtswidrig. »
Alle door het recht erkende waarden komen hierbij in aanmerking zelfs als ze niet uitdrukkelijk worden beschermd door het strafrecht. Eigendom en vermogen naast leven en lichamelijke gaafheid vallen hieronder (Schmidthäuser, E., « Strafrecht, Allgemeiner Teil », Tübingen, 1982, 148).
Ook in Engeland, Spanje en Italië erkent men verdediging tegen een aanslag op het vermogen (zie Gorlé, F., « De strafrechtelijke bescherming van privaat eigendom », RW, 1983-1984, 2473).
De beperking dat geen wettige zelfverdediging mogelijk is bij aanranding van goederen, druist inderdaad in tegen het rechtsgevoel van velen. Dit geldt in het bijzonder gelet op de stijgende vermogenscriminaliteit gekoppeld aan de lage ophelderingsgraad.
Men zou in zo'n geval een dief die in een woning goederen wenst weg te nemen (zonder dat sprake is van een aanval of bedreiging van deze dief), niet kunnen aanvallen om hem dit te beletten.
Dit laatste zou niet kunnen vallen onder de wettige verdediging en bijgevolg geen rechtvaardigingsgrond kunnen uitmaken.
Hij die verwondingen toebrengt aan een dief kan zich enkel beroepen op verschoningsgronden (bijvoorbeeld uitlokking, zie artikel 411 van het Strafwetboek). Ook hier botst men evenwel op de vereiste van gewelddaden op de persoon, zodat bij een raamkraak of inbraak die louter gericht is op het stelen van goederen deze verschoning ook niet kan ingeroepen worden.
Eventueel kan hij zich beroepen op verzachtende omstandigheden.
Verschoningsgronden en/of verzachtende omstandigheden ontnemen evenwel niet het strafbaar karakter aan de feiten.
De indiener van dit voorstel voorziet in een aanpassing van de huidige regelgeving op drie niveaus :
zoals in andere landen wordt de wettige zelfverdediging niet beperkt tot doodslag, slagen en verwondingen maar kan zij ook worden ingeroepen bij andere strafbare reacties;
noodweer kan ook ingeroepen worden indien de onrechtmatige aantasting (alleen) gericht was tegen eigendommen, tenzij de strafbare reactie vrijwillige doodslag betreft;
ook « noodweeroverschrijding » (of « noodweerexces ») kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot straffeloosheid, dan wel tot een strafverminderende verschoningsgrond.
De indiener beklemtoont dat noodweer hoedanook een uitzonderingssituatie dient te blijven die erop gericht moet zijn het kwaad van de aanval te vermijden, eerder dan de agressor te bestraffen.
Noodweer is immers geen middel om zich te wreken of in naam van de overheid te straffen.
2.1. Wettige verdediging
De meeste toepassingsvoorwaarden zoals nu bepaald in de artikelen 416-417 van het Strafwetboek komen wel billijk voor en kunnen gehandhaafd blijven.
Noodweer is inderdaad een uitzonderingstoestand, die alleen ontstaat om « desnoods met geweld, onrechtmatige aantastingen af te weren, wanneer de overheid niet bij machte is bescherming te bieden wanneer daartoe een onmiddellijke en dringende behoefte bestaat ». Elk element van deze omschrijving heeft zijn belang en alle elementen moeten cumulatief aanwezig zijn.
De huidige toepassingsvoorwaarden zijn de volgende :
1. Met betrekking tot de aanval
a) De aanval waarvan men slachtoffer is, moet onrechtmatig zijn. Noodweer is wezenlijk een defensieve handeling tegen onrecht.
Wie zich verzet tegen een rechtmatige handeling kan zich niet op noodweer beroepen (bijvoorbeeld geen verweer is mogelijk tegen een politieofficier die arresteert en die over een rechtmatig aanhoudingsbevel beschikt).
b) Het moet daarnaast gaan om een ernstige aanval die begonnen of dreigend is. De aanval moet noodzakelijk begonnen zijn of er dient een ernstige bedreiging te zijn waarbij een aanval nakend is of onafwendbaar.
Een volgens de indiener te strenge toepassing van dit principe, heeft tot gevolg dat tegen een vluchtende dief of tegen een aanrander niet meer zou kunnen opgetreden worden. De vraag is bovendien wanneer iemand aan het vluchten is of wanneer hij de feiten aan het voltooien is.
Het is evident dat louter agressief optreden tegen een vluchtende dief, of tegen een aanrander die de feiten pleegt zonder dat een nakend of dreigend gevaar bestaat voor het slachtoffer, nooit gedekt kan zijn door noodweer, gezien de basisvoorwaarde met betrekking tot de afweringsdaad, namelijk de « ogenblikkelijke noodzaak van verdediging » niet (meer) vervuld is.
Deze problematiek kan evenwel opgelost worden via noodweeroverschrijding (zie lager).
c) Een bijkomende voorwaarde is dat de aanval gericht is tegen personen, hetzij zichzelf, hetzij een ander (vandaar dat wettige zelfverdediging geen juist begrip is).
Deze voorwaarde is evenwel te restrictief. Om deze reden verzoekt de indiener noodweer ook mogelijk te maken bij verdediging van goederen.
Eigendomsrecht is een even natuurlijk recht als het recht op lijf en leven.
De eigendomsvisie wordt vandaag door de burgers strenger ingevuld. Als zij menen dat de overheid faalt in de bescherming ervan, gaan zij sneller over tot het nemen van maatregelen zoals bijvoorbeeld installeren van burgerwachten.
Anderzijds betekent dit evenwel niet dat aan het « eigendomsrecht » en aan het « recht op lijf en leven » eenzelfde bescherming dient gegeven te worden.
Om deze reden mag de strafbare reactie bij het beschermen van een eigendom enkel als finaliteit hebben het doen ophouden of verijdelen van de inbreuk (en dus geen wraak of bestraffing), en mag het resultaat nooit leiden tot vrijwillige doodslag.
Artikel 2.2 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens (EVRM) bepaalt dat de beroving van het leven niet in strijd is met het principe van de wettelijke bescherming van het leven van artikel 2.1. indien de levensberoving het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk is ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld. Het EVRM laat de volledige straffeloosheid voor de zwaarste vorm van verdediging (levensberoving of doodslag) bijgevolg enkel toe wanneer de aanval gericht is tegen personen, maar sluit deze straffeloosheid bij levensberoving daardoor ook uit wanneer het enkel gaat om de verdediging van een eigendom.
Ook de Franse wetgever lijkt zich hierop te hebben gesteund om de vrijwillige doodslag uit te sluiten van straffeloosheid bij de bescherming tegen een aanval die alleen gericht is tegen goederen.
2. Met betrekking tot de verdediging
a) De afweringsdaad (het verweer) dient « ogenblikkelijk noodzakelijk » te zijn en het moet bovendien onmogelijk te zijn om de aanval op een andere manier af te weren.
Wettige verdediging is ontoelaatbaar wanneer het absoluut zeker is dat men zonder enig gevaar kon vluchten en wanneer diegene die aangevallen werd deze mogelijkheid ook als dusdanig heeft beleefd.
Er dient evenwel rekening mee gehouden te worden dat wie aangevallen of bestolen wordt psychologisch gezien meestal niet in staat is om op redelijke wijze af te wegen hoe hij aan een gevaar kan ontsnappen zonder zich aan de aanvaller te vergrijpen.
b) Daarnaast dient de verdediging in verhouding te zijn tot de aanvalsdaad (proportionaliteitsbeginsel).
Tussen aanval en verdediging mag er geen wanverhouding bestaan (zie onder meer Cassatie 23 december 1986 onder Arrest Cass. 1986-1987, 577; Corr. Tongeren 20 juni 1990, RW, 1990-1991 met noot Bart Spriet).
De Duitse rechtsleer vereist dat de aangevallene die zich verdedigt tegen een onrechtmatige aanval een verdedigingswil moet hebben.
C. Van Den Wyngaert vermeldt hierover : « Het stellen van deze voorwaarde is mijn inziens verantwoord omdat zij verband houdt met de ratio legis van de wettige verdediging als rechtvaardigingsgrond, namelijk het vermijden van eigenrichting » (C. Van Den Wyngaert., op cit., blz. 196).
De indiener van het voorstel kan hiermee akkoord gaan. Het evenredigheidsbeginsel dient in elke omstandigheid te worden gerespecteerd.
De feitenrechter dient de feitelijke omstandigheden te beoordelen en na te gaan of hogergenoemde wettelijke voorwaarden voorhanden zijn opdat de verweerder zich zou kunnen beroepen op wettige verdediging.
Het Hof van Cassatie stelde dat de feitenrechter in concreto dient na te gaan of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn (Cass. 7 december 1977, Arr. Cass., 1978, 417).
In uitzonderlijke omstandigheden dient de wetgever evenwel ook rekening te houden met de emotionele gemoedstoestand van de aangevallene. Deze heeft de tijd niet om overwegingen te maken en zal soms eerder instinctief en reflexmatig handelen in plaats van uit rationele overwegingen.
Zo kan een aangevallene dermate intens emotioneel reageren dat zijn verweer buiten alle verhouding staat tot de aanval of zelfs omslaat in een aanvalsdaad. Het proportionaliteitsbeginsel is dan niet geëerbiedigd. Men spreekt hier dan van « noodweeroverschrijding of noodweerexces ».
Dit is onder meer het geval bij het zich langer verweren dan noodzakelijk is of bij het gebruik maken van niet noodzakelijke of onevenredig zware verweermiddelen. Dit is in principe strafbaar (zie onder meer Gent 11 februari 1963, RW, 1963-1964, 1565; Antwerpen, 27 mei 1981, RW, 1983-1984, 1899).
In België kan men dan in enkele zeer uitzonderlijke gevallen een beroep doen op de morele dwang als de schulduitsluitingsgrond (artikel 71 van het Strafwetboek). De verweerder moet dan evenwel overmacht bewijzen, namelijk een van de wil van de mens onafhankelijke omstandigheid. De wilsvrijheid van het slachtoffer-dader is dan verdwenen.
Dit zal in de praktijk zeer zelden voorkomen.
Eerder zal de « slachtoffer-dader » zich dan beroepen op de uitlokking om strafvermindering te bekomen. Deze verschoningsgrond (artikel 411 van het Strafwetboek) ontneemt evenwel niet het strafbaar karakter aan de gedragingen (zie Dupont, L. en Verstraeten, R., op. cit., blz. 275 en volgende waar wordt verwezen naar de beperkte toepassingsmogelijkheden van artikel 71 van het Strafwetboek).
De Nederlandse wetgever voorziet in een schulduitsluitingsgrond in geval van noodweer- overschrijding. Artikel 41, lid 2, van het Nederlandse Strafwetboek bepaalt : « Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van enig hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. »
Zie ook paragraaf 33 van het Duitse Strafgesetzbuch : « Überschreitet der Täter die Grenze der Notwehr aus Verwirrung, Furcht oder Schrecken, so wird er nicht bestraft. »
De indiener stelt voor om ook in het Belgisch Strafwetboek in een schulduitsluitingsgrond bij noodweer-overschrijding te voorzien.
Evenwel is deze noodweeroverschrijding, indien het enkel een onrechtmatige aanval tegen eigendommen betreft, slechts straffeloos indien de strafbare reactie buitenproportioneel was ten gevolge van een hevige gemoedstoestand. In dat geval blijft echter de voorwaarde gelden dat het verweer volstrekt en ogenblikkelijk noodzakelijk was voor het verijdelen van de verdere uitvoering van de aanslag op de eigendommen.
Indien de noodweeroverschrijding evenwel evenzeer het gevolg was van een hevige gemoedstoestand, maar niet ogenblikkelijk noodzakelijk voor het verijdelen van de verdere uitvoering van de aanslag op eigendommen, voorziet het voorstel in een strafverminderende verschoningsgrond. Vrijwillige doodslag kan in deze context immers geenszins tot straffeloosheid leiden.
Dit kan onder meer toegepast worden wanneer bijvoorbeeld het slachtoffer van een diefstal de dief achternazit, deze bij de lurven vat en bij de daaropvolgende schermutselingen slagen en verwondingen toebrengt.
De rechtbanken zullen omzichtig met deze schulduitsluitings- en verschoningsgrond omgaan en in concreto de toepassingsvoorwaarden nagaan.
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen nadere commentaar.
Artikel 2
Met dit artikel beoogt de indiener noodweer als een algemene rechtvaardigingsgrond in te voeren in het Strafwetboek. De wettige verdediging van personen (zichzelf of een ander) blijft onderworpen aan de thans reeds gekende voorwaarden, maar de rechtvaardigingsgrond wordt uitgebreid tot alle soorten misdaden en wanbedrijven (en is dus niet langer beperkt tot doodslag, slagen en verwondingen).
Evenwel is noodzakelijk dat, bij noodweer ingevolge wanbedrijf of misdaad tegen eigendommen, strikte voorwaarden dienen te worden nageleefd.
Aldus dient de strafbare reactie volstrekt en ogenblikkelijk noodzakelijk te zijn om het op heterdaad ontdekt misdrijf te verijdelen, en proportioneel te zijn hiermee. Bovendien kan deze rechtvaardigingsgrond nimmer worden ingeroepen indien de strafbare reactie vrijwillige doodslag betreft. Noodweer ingevolge een misdrijf dat louter tegen eigendommen is gericht, is dan ook voorwerp van een apart tweede lid van het nieuwe in te voegen artikel 72 van het Strafwetboek.
Artikel 3
Een nieuw artikel 73 van het Strafwetboek voorziet in een wettelijke rechtvaardigingsgrond ingeval van noodweeroverschrijding, zo deze werd veroorzaakt door een hevige gemoedstoestand.
De libellering volgt de structuur van artikel 72 van het Strafwetboek, dat tevens een onderscheid maakt met betrekking tot noodweer in geval van aanval tegen personen, dan wel bij op heterdaad ontdekte misdaden of wanbedrijven tegen eigendommen.
Artikel 4
Een nieuw artikel 78bis voegt een verschoningsgrond in, ingeval, bij een onrechtmatige aantasting van eigendommen, het verweer niet volstrekt en ogenblikkelijk noodzakelijk was maar veroorzaakt werd door een hevige gemoedsgesteldheid.
Artikel 5
Ingevolge de invoering van een algemene rechtvaardigingsgrond van noodweer in een nieuw artikel 72 van het Strafwetboek, verliest het huidige artikel 416 van het Strafwetboek elke reden van bestaan; het geval dat door dit artikel thans geviseerd wordt, wordt immers volledig gedekt door deze nieuwe algemene rechtvaardigingsgrond.
Artikel 416 van het Strafwetboek dient dus te worden opgeheven.
Artikel 6
Het opheffen van artikel 416 van het Strafwetboek, noodzaakt tot een technische aanpassing aan artikel 417 van het Strafwetboek, dat niet dient te worden opgeheven. Deze bepaling voorziet immers in een vermoeden van ogenblikkelijke noodzaak van verdediging in een aantal limitatieve gevallen.
In artikel 417 van het Strafwetboek dient derhalve verwezen te worden naar de ogenblikkelijke noodzaak van verdediging bedoeld in artikel 72 van het Strafwetboek.
| Stefaan DE CLERCK. Etienne SCHOUPPE. Marc VAN PEEL. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 72 van het Strafwetboek, opgeheven bij de wet van 15 mei 1921, wordt hersteld in de volgende lezing :
« Art. 72. Er is geen misdrijf wanneer de feiten geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van personen.
Er is geen misdrijf wanneer de feiten, vrijwillige doodslag uitgezonderd, gepleegd worden bij het verweer dat volstrekt en ogenblikkelijk noodzakelijk is voor het verijdelen van de verdere uitvoering van een op heterdaad ontdekte misdaad of wanbedrijf tegen eigendommen en, in verhouding tot dit doel en tot deze misdaad of dit wanbedrijf, redelijk en evenredig is. »
Art. 3
Artikel 73 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 15 mei 1921, wordt hersteld in de volgende lezing :
« Art. 73. Er is geen misdrijf wanneer de feiten gepleegd worden bij overschrijding van de grenzen van de ogenblikkelijke noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 72, eerste lid, indien zij het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de aanval.
Er is geen misdrijf wanneer de feiten, met inbegrip van de vrijwillige doodslag, gepleegd worden met overschrijding van de grenzen van de evenredigheid, indien zij het onmiddellijk gevolg geweest zijn van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de ontdekking op heterdaad van de misdaad of het wanbedrijf tegen eigendom. »
Art. 4
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende :
« Art. 78bis. De feiten, bedoeld in artikel 72, tweede lid, alsook de vrijwillige doodslag, zijn verschoonbaar indien zij gepleegd worden met overschrijding van de grenzen van de ogenblikkelijke noodzakelijkheid ingevolge een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de ontdekking op heterdaad van de misdaad of het wanbedrijf tegen eigendommen. »
Art. 5
Artikel 416 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 6
In artikel 417, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden, tussen de woorden « van de verdediging » en de woorden « worden de twee », de woorden « zoals bedoeld in artikel 72 » ingevoegd.
9 januari 2004.
| Stefaan DE CLERCK. Etienne SCHOUPPE. Marc VAN PEEL. |