3-450/1

3-450/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

13 JANUARI 2004


Wetsvoorstel houdende het Wetboek van strafprocesrecht

(Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.)


TOELICHTING


De indieners nemen in dit wetsvoorstel de tekst over van het door de commissie Strafprocesrecht opgestelde voorontwerp van het Wetboek van strafprocesrecht, teneinde de parlementaire bespreking ervan mogelijk te maken.

DE ANTECEDENTEN

De commissie Strafprocesrecht werd opgericht bij ministerieel besluit van 23 oktober 1991 houdende oprichting van een commissie Strafprocesrecht (1), ten gevolge van de werkzaamheden van de eerste parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de wijze waarop in België de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt. Naar aanleiding van de regeringsverklaring van 5 juni 1990 (2) besliste de regering een onderzoek te laten uitvoeren naar de hervorming van het wetboek van strafvordering en in het bijzonder naar de bepalingen betreffende het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. De voorgeschiedenis van deze commissie, alsook haar samenstelling en werkzaamheden, werden omschreven in de memorie van toelichting van het wetsontwerp tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers op 19 december 1996 (3), in de verslagen opgesteld door de heren Luc Willems en Dany Vandenbossche in naam van de commissie voor de Justitie van de Kamer dd. 2 juli 1997, en in het verslag opgesteld door de heren Erdman en Desmedt in naam van de commissie voor de Justitie van de Senaat dd. 20 januari 1998. Dit wetsontwerp resulteerde in de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (4), die in werking trad op 3 oktober 1998.

Overeenkomstig de bewoordingen van het vermelde ministerieel besluit heeft de commissie tot taak :

­ de inventarisatie van de actuele problemen op het vlak van de strafrechtspleging;

­ het aanwijzen van de hervormingen die bij voorrang moeten worden doorgevoerd, zonder vooruit te lopen op meer fundamentele keuzes;

­ het inwinnen van informatie over de in het buitenland recent doorgevoerde hervormingen of in voorbereiding zijnde hervormingen;

­ het formuleren van voorstellen als aanzet tot het maken van de fundamentele keuzes inzake opsporings- en gerechtelijk onderzoek;

­ in een latere fase, de voorbereiding van een ontwerp van wetboek van strafprocesrecht.

De commissie had de eerste vier delen van haar taak reeds tot een goed einde gebracht, aangezien haar voorontwerp inzake punctuele hervormingen, na de belangrijke parlementaire werkzaamheden in de Kamer en in de Senaat, de wet van 12 maart 1998 geworden is.

De laatste versie van het voorontwerp van de commissie (in totaal waren er drie) werd in januari 1995 aan de regering bezorgd. Sindsdien heeft de commissie gestaag verder gewerkt aan de voorbereiding van een nieuw wetboek van strafprocesrecht, overeenkomstig de laatste doelstelling van de taak die haar werd opgelegd en gelet op de herhaalde wens van de minister van Justitie en van de leden van de parlementaire commissies in de Kamer en in de Senaat. De tekst van een voorontwerp, opgesteld door de voorzitter van de commissie, werd aan de minister van Justitie voorgelegd en werd besproken tijdens het Colloquium dat op 8 en 9 oktober 1998 in de Senaat werd georganiseerd. Naar aanleiding daarvan werden belangrijke opmerkingen gemaakt, waarmee rekening moest worden gehouden. Belangrijke wetgevende activiteiten leveren bovendien nieuwe gegevens op die moeten worden ingevoegd in een nieuw voorontwerp van wetboek van strafprocesrecht. Tevens diende rekening gehouden te worden met de verslagen opgesteld namens de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » uitgebracht door de heer Renaat Landuyt en mevrouw Nathalie de T' Serclaes (5).

Ten gevolge van het ontslag van een lid van de commissie in januari 1999, een aanhangsel van de overeenkomst voor het jaar 1998-1999 tussen de minister van Justitie en de Universitaire instelling Antwerpen, de Université catholique de Louvain, de Université de Liège en de Universiteit Gent, werd aan de Université de Liège de redactie van de memorie van toelichting toevertrouwd, die het voorontwerp van het wetboek van strafprocesrecht begeleidt, zoals het in de Senaat op 8 en 9 oktober 1998 werd voorgesteld.

Dit werk werd in september 1999 aan de minister van Justitie overhandigd; het werd door de totaliteit van de commissie besproken doch het hield geen rekening met de bepalingen betreffende de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (6), noch met de wetten en besluiten die nog moesten tussenbeide komen, noch met de teksten die betrekking hadden op het Hof van Assisen die het voorwerp waren van een voorstel en vervolgens van een wetsontwerp dat resulteerde in de wet van 30 juni 2000 (7). Het onderzoek naar en de redactie van de teksten betreffende de wijzen van voorziening tegen arresten en vonnissen, betreffende de rechtsplegingen van bijzondere aard, alsook de teksten over het internationaal strafrecht werden voorbehouden of maakten het voorwerp uit van aparte onderzoekscontracten.

De minister van Justitie, die andere werkgroepen in het leven had geroepen, heeft in 1999 de onderzoeksovereenkomsten met de universiteiten, waarvan één van de professoren deel uitmaakte van de commissie, niet hernieuwd. De commissie, verlamd door het gebrek aan onderzoekers, heeft haar werkzaamheden moeten staken tot de totstandkoming van de onderzoeksovereenkomsten in september 2001 tussen enerzijds, de Belgische Staat ­ federale overheidsdienst Justitie en de Universiteit Gent, in de persoon van professor Philip Traest en anderzijds, de Belgische Staat ­ federale overheidsdienst Justitie en de Université de Liège, in de persoon van professor Michel Franchimont.

De technische specificaties van de onderzoeksopdracht werd als volgt omschreven : « Met het oog op het vervullen van de opdrachten die bij ministerieel besluit van 23 oktober 1991 zijn toevertrouwd aan de commissie Strafprocesrecht, belast de minister van Justitie de opdrachtnemers met de volgende taken :

1. overgaan tot het herlezen van de franse teksten en van hun vertaling in het Nederlands opgesteld door het ministerie van Justitie, van het voorontwerp van het Wetboek van Strafvordering en de desbetreffende memorie van toelichting;

2. aan deze twee teksten de aanpassingen aanbrengen die nodig of opportuun worden geacht ingevolge de goedkeuring of de inwerkingtreding van nieuwe procedurewetten sinds de opstelling van het voorontwerp.

De opdrachtnemers dienen er voor te zorgen dat de wijzigingen die aan de teksten van het voorontwerp en de memorie van toelichting worden aangebracht in beide landstalen worden opgesteld. »

Twee halftijdse tweetalige onderzoekers werden vervolgens door de Universiteit Gent en de Université de Liège aangeworven, waarna de commissie haar werkzaamheden onmiddellijk opnieuw heeft aangevat.

De commissie was toen samengesteld uit :

De heer Michel Franchimont, buitengewoon hoogleraar aan de Université de Liège, advocaat en oud-stafhouder van de Balie te Luik, voorzitter;

De heer Philip Traest, hoogleraar aan de Universiteit Gent, advocaat, ondervoorzitter;

De heer Lucien Nouwynck, advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel;

De heer Marc Allegaert, ondervoorzitter van en onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk;

De heer Benoît Dejemeppe, procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;

De heer Ivo Moyersoen, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, voormalig onderzoeksrechter;

De heer Henri Bosly, hoogleraar aan en decaan van de Faculté de droit de l'Université catholique de Louvain.

De twee onderzoekers, aangeworven door de universiteiten waren :

Mevrouw Isabelle De Tandt, advocaat, voor de Universiteit Gent;

De heer Grégory Jacques, voormalig verbonden aan het Europees Parlement, voor de Université de Liège.

Mevrouw Claire Huberts, adjunct-adviseur bij de Federale overheidsdienst Justitie, heeft aan vrijwel alle vergaderingen deelgenomen.

Jammer genoeg heeft de heer Henri Bosly de vergaderingen van de commissie niet kunnen bijwonen wegens zijn verplichtingen als decaan. De heer Benoît Dejemeppe enerzijds, wegens zijn drukke bezigheden als procureur des Konings, en de heer Yvo Moyersoen anderzijds, wegens zijn taken als voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (doch hij had een jonge magistraat afgevaardigd, de heer Raf Janssen), hebben slechts onregelmatig de vergaderingen van de commissie kunnen bijwonen.

Via een schrijven van de minister van Justitie dd. 26 november 2001 heeft deze laatste aan de voorzitter van de commissie laten weten dat tijdens de vergadering van het college van procureurs-generaal van 25 oktober 2001 onder zijn voorzitterschap, besloten werd in het vervolg twee vertegenwoordigers van het openbaar ministerie aan de commissie toe te wijzen.

Op voorstel van het college, zouden de heer Yves Liégeois, eerste advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen en eveneens coördinator van het expertisenetwerk inzake strafrechtspleging en strafrechtelijk beleid, alsook de heer Jean-Baptiste Andries, substituut procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik deel uitmaken van de commissie.

Beiden werden vanaf begin december 2001 op alle vergaderingen van de commissie uitgenodigd en hebben aan nagenoeg alle vergaderingen deelgenomen. Hun aanwezigheid was voor de commissie, die hen steeds beschouwd heeft als actieve waarnemers, zeer nuttig. Hun voorstellen en adviezen werden door de commissie meestal opgevolgd.

De werksfeer en de gedachtewisselingen waren bijzonder interessant en hartelijk en dit ondanks de soms uiteenlopende standpunten.

Sinds de oprichting van de commissie in 1991, is zij meer dan 180 keren samengekomen.

DE FILOSOFIE VAN HET ONTWERP

De commissie Strafprocesrecht heeft, bij de redactie van dit nieuw wetboek van strafprocesrecht, uiting willen geven aan een viervoudige bekommernis :

1. Het streven naar samenhang en coördinatie

De strafrechtspleging mag geen amalgaam zijn van fragmentarische en losse teksten, wat een risico op tegenspraak en onzekerheid inhoudt. Ter bevordering van de samenhang en de eenheid, worden in het voorontwerp van het nieuwe wetboek de teksten van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, de nieuwe artikelen door de commissie Strafprocesrecht gewenst, sommige bestaande wetten die als dusdanig zullen moeten worden opgeheven, alsook oude teksten van het Wetboek van Strafvordering, die vormelijk vernieuwd werden, opgenomen. Het is in dat perspectief dat het voorontwerp de bepalingen van nieuwe wetten, die onmiddellijk verband houden met de strafrechtspleging, opneemt (infra). Een gelijkaardige benadering werd gevolgd bij de redactie van het Wetboek van Vennootschappen van 7 mei 1999, Belgisch Staatsblad van 6 augustus 1999.

2. Het streven naar leesbaarheid en doorzichtigheid

Dit streven blijkt vooreerst uit een duidelijk en logisch, eenvoudig en ondubbelzinnig plan dat zelfs aan niet-juristen de mogelijkheid biedt om zich zonder al te grote moeilijkheden een beeld te kunnen vormen van de beginselen, de vorderingen en de fasen van de strafrechtspleging.

Anderzijds kan een wetboek van strafprocesrecht niet alle details regelen, want dit zou het enkel maar ingewikkeld en moeilijk begrijpbaar maken. Vanuit de beginselen opgenomen in het wetboek dienen de rechtsleer en de rechtspraak nu hun opdracht te vervullen. Het was evenmin mogelijk alle wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging in het wetboek op te nemen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op materies die zeer snel kunnen evolueren.

3. Het streven naar continuïteit

Het voorontwerp van het wetboek van strafprocesrecht is, gelet op dit streven, in ruime mate gestoeld op de filosofie van het plan en de redactie van het Gerechtelijk Wetboek dat, overeenkomstig artikel 2 ervan, het gemeen recht van de rechtspleging uitmaakt. Zoals het Gerechtelijk Wetboek bestaat het nieuwe wetboek van strafprocesrecht uit een eerste deel dat aan de algemene beginselen is gewijd. Aangezien het Gerechtelijk Wetboek de rechterlijke organisatie behandelt, met inbegrip van de strafrechtbanken, wordt dit in het nieuwe wetboek van strafprocesrecht niet behandeld. Dit streven naar continuïteit brengt tevens met zich mee dat de commissie zich in ruime mate heeft gebaseerd op teksten die hun verdiensten bewezen hebben en niet moeten worden gewijzigd, alsook op teksten uitgewerkt naar aanleiding van eerdere pogingen tot wijziging van het strafprocesrecht, in het bijzonder door procureur-generaal Herman Bekaert, de toenmalige Koninklijke Commissaris voor de herziening van het strafprocesrecht.

4. Het streven naar vernieuwing

Het nieuwe wetboek van strafprocesrecht moet rekening houden met de verwachtingen en de levensomstandigheden van de maatschappij.

De wet van 12 maart 1998 heeft enkel punctuele hervormingen doorgevoerd. In het nieuwe wetboek dient bijgevolg nog diepgaander te worden gezocht naar het evenwicht tussen enerzijds, de doeltreffendheid in de opsporing en de vervolging van delinquenten en anderzijds, de rechten van deelnemers aan het strafproces, slachtoffers en verdachten, alsook de rechten van de burgers.

In het voorontwerp is in tal van opzichten rekening gehouden met de aanbevelingen inzake strafrechtspleging geformuleerd in het verslag namens de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (8).

In het voorontwerp van wetboek gaat een bijzondere aandacht uit naar de rechten van het slachtoffer in het kader van de rechtspleging, door de rechten bedoeld in de wet van 12 maart 1998 nog verder uit te breiden.

In het voorontwerp wordt bovendien de communicatie tussen de verschillende partijen in het strafproces verbeterd, in het bijzonder door middel van de meest moderne technieken.

Het opstellen van een vrijwel volledig voorontwerp van wetboek van strafprocesrecht biedt de mogelijkheid om de recente ­ op enkele uitzonderingen na ­ in het voorontwerp ingevoegde wetten, bijvoorbeeld de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek of nog de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, in hun geheel te herlezen. Dit was ook het geval met de volgende wetten :

­ het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007;

­ de nog niet afgekondigde wet ter vervanging van artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering teneinde de beschuldigde bijstand door een advocaat te verlenen;

­ de wet van 2 augustus 2002 tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, Belgisch Staatsblad van 5 september 2002;

­ de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, Belgisch Staatsblad van 5 september 2002;

­ de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, Belgisch Staatsblad van 10 augustus 2002;

­ de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken, Belgisch Staatsblad van 7 mei 2002;

­ de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen, Belgisch Staatsblad van 31 mei 2002;

­ de wet van 11 december 2001 tot wijziging van de artikelen 80, 471 en 472 van het Strafwetboek en artikel 90ter, § 2, 8º, van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 7 februari 2002;

­ de wet van 29 november 2001 tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Stafvordering, Belgisch Staatsblad van 23 februari 2002;

­ de wet van 18 juli 2001 houdende wijziging van artikel 12bis van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 1 september 2001;

­ de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten, Belgisch Staatsblad van 29 september 2001;

­ de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, Belgisch Staatsblad van 24 juli 2001;

­ de wet van 4 juli 2001 tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3º, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 10 augustus 2001;

­ de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket, Belgisch Staatsblad van 20 juli 2001;

­ de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van strafvordering en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, inzake onttrekking en wraking, Belgisch Staatsblad van 22 september 2001;

­ de wet van 4 april 2001 tot versterking van de bescherming tegen valsemunterij met het oog op het in omloop brengen van de euro, Belgisch Staatsblad van 23 juini 2001;

­ de wet van 12 februari 2001 tot aanvulling van de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, ten einde de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen, Belgisch Staatsblad van 17 mars 2001;

­ de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit, Belgisch Staatsblad van 3 februari 2001;

­ de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Belgisch Staatsblad van 17 maart 2001;

­ de wet van 14 november 2000 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst van het openbaar ministerie in de procedure voor het Hof van Cassatie en, in burgerlijke zaken, voor de feitenrechters en tot wijziging van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafvordering; Belgisch Staatsblad van 19 december 2000;

­ de wet van 30 juni 2000 tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 2 december 2000;

­ de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen, Belgisch Staatsblad van 17 maart 2001;

­ de wet van 31 mei 2000 tot opheffing van artikel 150, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 2 december 2000;

­ de wet van 28 maart 2000 tot invoeging van een procedure van onmiddellijke verschijning in strafzaken, Belgisch Staatsblad van 1 april 2000;

­ de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen, Belgisch Staatsblad van 31 december 1999;

­ de wet van 7 mei 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, Belgisch Staatsblad van 29 juni 1999;

­ de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, Belgisch Staatsblad van 22 juni 1999;

­ de wet van 19 april 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Veldwetboek, de provinciewet, de nieuwe gemeentewet, de wet op het politieambt, de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, de wet op de riviervisserij, de jachtwet en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, Belgisch Staatsblad van 13 mei 1999;

­ de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999;

­ de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken, Belgisch Staatsblad van 20 mei 1999;

­ de wet van 10 februari 1999 betreffende de bestraffing van corruptie, Belgisch Staatsblad van 23 maart 1999;

­ de wet van 14 januari 1999 houdende wijziging van de artikelen 35 en 47bis van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en van de artikelen 3 en 5 van de wet van 15 maart 1874 op de uitlevering, Belgisch Staatsblad van 26 februari 1999;

­ de wet van 10 januari 1999 betreffende de criminele organisaties, Belgisch Staatsblad van 26 februrari 1999;

­ de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings, Belgisch Staatsblad van 10 februari 1999;

­ de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, Belgisch Staatsblad van 16 december 1998;

­ de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister, Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2001.


HET PLAN VAN HET VOORONTWERP VAN WETBOEK

BOEK I ­ ALGEMENE BEGINSELEN

Hoofdstuk 1 Voorafgaande bepaling art. 1
Hoofdstuk 2 Het bewijs art. 2
Hoofdstuk 3 De rechten van de verdediging art. 5
Hoofdstuk 4 De nietigheidsgronden art. 7
Hoofdstuk 5 Het rechterlijk gewijsde art. 11
Hoofdstuk 6 De samenhang, de ondeelbaarheid en de aanhangigheid art. 13
Hoofdstuk 7 De betekening, de kennisgeving en de termijnen art. 16
Hoofdstuk 8 Rechtsbijstand en afschrift van stukkenin strafzaken art. 17

BOEK II ­ DE RECHTSVORDERINGEN

TITEL I ­ DE STRAFVORDERING

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen art. 19
Hoofdstuk 2 De uitoefening van de strafvordering art. 22
Hoofdstuk 3 Het verval van de strafvordering art. 31
TITEL II ­ DE BURGERLIJKE RECHTSVORDERING art. 38
Hoofdstuk 1 De benadeelde persoon art. 39
Hoofdstuk 2 De burgerlijke partij art. 43
Hoofdstuk 3 De tussenkomende partij art. 50
Hoofdstuk 4 De burgerlijk aansprakelijke partij art. 52
Hoofdstuk 5 Het verval van de burgerlijke rechtsvordering art. 53

BOEK III ­ HET STRAFPROCES

TITEL I ­ HET OPSPORINGSONDERZOEK EN DE GERECHTELIJKE POLITIE

Hoofdstuk 1 Het opsporingsonderzoek art. 55
Hoofdstuk 2 De modaliteiten van het opsporingsonderzoek
Afdeling 1 Algemene bepalingen art. 64
Afdeling 2 De gerechtelijke politie art. 71
Afdeling 3 De handelingen van het opsporingsonderzoek
Onderafdeling 1 De ondervraging en het verhoor art. 74
§ 1 ­ Het verhoor in het algemeen art. 76
§ 2 ­ Het verhoor van minderjarigen art. 78
Onderafdeling 2 De bescherming van bedreigde getuigen
§ 1 ­ Definities van sommige in deze onderafdeling voorkomende uitdrukkingen art. 89
§ 2 ­ De organen van de bescherming art. 90
§ 3 ­ De toekenning van bescherming art. 91
§ 4 ­ De wijziging en de intrekking van de bescherming art. 95
Onderafdeling 3 De opsporing van aanwijzingen en de materiële vaststelling van misdrijven
§ 1 ­ Algemene bepaling art. 99
§ 2 ­ Het deskundigenonderzoek art. 100
§ 3 ­ De telecommunicatie art. 107
§ 4 ­ Het onderzoek in een informaticasysteem art. 108
§ 5 ­ Het DNA-onderzoek art. 109
Onderafdeling 4 De bewarende maatregelen art. 110
Onderafdeling 5 De maatregelen met betrekking tot art. 116
Onderafdeling 6 De verslagen en de processen-verbaal art. 119
Afdeling 4 De rechten van iedere persoon be nadeeld door een opsporingshandeling, van de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en de rechten van de verdachte art. 123
Hoofdstuk 3 De modaliteiten van het onderzoek bij ontdekking op heterdaad art. 127
Hoofdstuk 4 De afsluiting van het opsporingsonderzoek art. 130

TITEL II ­ HET GERECHTELIJK ONDERZOEK EN DE ONDERZOEKSGERECHTEN

Hoofdstuk 1 Het gerechtelijk onderzoek art. 131
Hoofdstuk 2 De modaliteiten van het gerechtelijk onderzoek
Afdeling 1 De aanhangigmaking bij de onderzoeksrechter art. 138
Afdeling 2 De onderzoekshandelingen
Onderafdeling 1 De inverdenkingstelling art. 143
Onderafdeling 2 De ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd art. 144
Onderafdeling 3 Het verhoor van slachtoffers en van getuigen art. 151
Onderafdeling 4 De anonieme getuigenissen art. 161
Onderafdeling 5 De bescherming van bedreigde getuigen art. 165
Onderafdeling 6 De confrontaties art. 166
Onderafdeling 7 De plaatsopnemingenen wedersamenstellingen art. 167
Onderafdeling 8 De huiszoekingen en inbeslagnemingen art. 169
Onderafdeling 9 De voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen art. 177
Onderafdeling 10 Het opsporen en lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, het kennisnemen en het opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie art. 179
Onderafdeling 11 Het onderzoek in een informaticasysteem art. 188
Onderafdeling 12 De DNA-analyse art. 190
Onderafdeling 13 Het onderzoek aan het lichaam art. 191
Onderafdeling 14 De autopsie art. 192
Onderafdeling 15 Ambtelijke opdrachten en delegaties art. 193
Onderafdeling 16 Het persoonlijkheidsdossier art. 196
Onderafdeling 17 Het deskundigenonderzoek art. 197
Afdeling 3 De rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van ieder persoon geschaad door een onderzoekshandeling en de rechtsmiddelen art. 204
Hoofdstuk 3 De regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten
Afdeling 1 De raadkamer
Onderafdeling 1 Organisatie enbevoegdheid art. 209
Onderafdeling 2 Het verslag van de Onderzoeksrechter en de rechtspleging art. 211
Onderafdeling 3 De beschikkingen van de raadkamer art. 212
Onderafdeling 4 Rechtsmiddelen tegen de Beschikkingen van de raadkamer art. 228
Afdeling 2 De kamer van inbeschuldigingstelling
Onderafdeling 1 Organisatie en bevoegdheid art. 229
Onderafdeling 2 Toezicht op het gerechtelijk onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling art. 231
Onderafdeling 3 De rechtspleging art. 235
Onderafdeling 4 Arresten van de kamer van Inbeschuldigingstelling art. 238
Onderafdeling 5 Rechtsmiddelen tegen de arresten van dekamer van inbeschuldigingstelling art. 241
Hoofdstuk 4 De voorlopige hechtenis
Afdeling 1 De aanhouding art. 242
Afdeling 2 Het bevel tot medebrenging art. 244
Afdeling 3 Het bevel tot aanhouding art. 257
Afdeling 4 De handhaving van de voorlopige hechtenis art. 262
Afdeling 5 De opheffing van het bevel tot aanhouding art. 266
Afdeling 6 De weerslag van de regeling van de Rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregele art. 267
Afdeling 7 Het hoger beroep art. 271
Afdeling 8 Het cassatieberoep art. 272
Afdeling 9 De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en bevel tot aanhouding bij verstek art. 273
Afdeling 10 De vrijheid onder voorwaarden en de Invrijheidstelling onder voorwaarden art. 276

TITEL III ­ HET VONNIS EN DE VONNISGERECHTEN

Hoofdstuk 1 Het vonnis
Afdeling 1 Algemene bepaling art. 280
Afdeling 2 De kenmerken van de rechtspleging art. 281
Afdeling 3 De rechtspleging ter terechtzitting
Onderafdeling 1 De aanhangigmaking, het dossier en de stukken art. 285
Onderafdeling 2 De behandeling ter terechtzitting van de vonnisgerechten met uitzondering van het Hof van Assisen art. 288
Onderafdeling 3 De debatten art. 302
Onderafdeling 4 De splitsing van het geding art. 303
Onderafdeling 5 De sluiting van de debatten art. 304
Onderafdeling 6 Het proces-verbaal van de terechtzitting art. 305
Onderafdeling 7 De beraadslaging art. 311
Afdeling 4 De uitspraak van de beslissing art. 314
Afdeling 5 Bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen art. 321
Hoofdstuk 2 De vonnisgerechten
Afdeling 1 De politierechtbank
Onderafdeling 1 De bevoegdheid art. 323
Onderafdeling 2 De vormen van aanhangigmaking art. 325
Onderafdeling 3 De rechtspleging art. 326
Afdeling 2 De correctionele rechtbank
Onderafdeling 1 De bevoegdheid art. 333
Onderafdeling 2 De vormen van aanhangigmaking art. 335
Onderafdeling 3 De rechtspleging art. 336
Afdeling 3 Het hof van beroep
Onderafdeling 1 De bevoegdheid art. 341
Onderafdeling 2 De vormen van aanhangigmaking art. 342
Onderafdeling 3 De rechtspleging art. 343
Afdeling 4 Het Hof van Assisen
Onderafdeling 1 De bevoegdheid, de ambtsverrichtingen van de voorzitter en de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep
§ 1 ­ De bevoegdheid art. 348
§ 2 ­ De ambtsverrichtingen van de voorzitter art. 349
§ 3 ­ De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep art. 353
Onderafdeling 2 De aanhangigmaking art. 367
Onderafdeling 3 De rechtspleging art. 369
Onderafdeling 4 Het onderzoek, het arrest en de tenuitvoerlegging
§ 1 ­ Het onderzoek art. 381
§ 2 ­ Het arrest en de tenuitvoerlegging art. 428
Onderafdeling 5 De verstekprocedure en het verzet art. 452
Hoofdstuk 3 De gewone rechtsmiddelen
Afdeling 1 Het verzet art. 457
Afdeling 2 Het hoger beroep art. 464
Hoofdstuk 4 De tenuitvoerlegging van vonnissen art. 473
Hoofdstuk 5 De uitwissing en het herstel in eer en rechten
Afdeling 1 De uitwissing art. 476
Afdeling 2 Het herstel in eer en rechten art. 478
Hoofdstuk 6 De gerechtskosten art. 492
Hoofdstuk 7 Het Centraal Strafregister art. 496

TITEL IV ­ WIJZEN VAN VOORZIENING TEGEN ARRESTEN EN VONNISSEN
(voorbehouden materie)

BOEK IV ­ ENIGE BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN

(voorbehouden materie)

BOEK V ­ INTERNATIONAAL STRAFRECHT

(dit heeft het voorwerp van een ander onderzoekscontract bij de Federale overheidsdienst Justitie uitgemaakt)

Hoofdstuk 1 De misdrijven in het buitenland begaan
Hoofdstuk 2 De uitlevering
Hoofdstuk 3 De internationale samenwerking

DE KRACHTLIJNEN

Boek I van het toekomstige wetboek is gewijd aan de algemene beginselen.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat overigens ook een eerste deel waarin de algemene beginselen worden behandeld.

Artikel 1 bevat een voorafgaande bepaling waarin eraan wordt herinnerd dat het wetboek van strafprocesrecht wordt toegepast met inachtneming van de fundamentele rechten gehuldigd in de Grondwet, de internationale verdragen en in het bijzonder de wettelijkheid van de strafrechtspleging, het recht op gelijke behandeling en niet-discriminatie, de rechten van de verdediging, het recht op een eerlijk proces en op een behandeling binnen een redelijke termijn, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de onschendbaarheid van de woning en van het briefgeheim. In overeenstemming met deze rechten worden de bepalingen van dit wetboek toegepast met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Franse commissie « Justice pénale et droits de l'homme » heeft in haar verslagen over het in gereedheid brengen van strafzaken, uitgewerkt onder leiding van mevrouw Delmas-Marty, terecht gesteld dat het nuttig maar ook noodzakelijk is om de algemene beginselen vooraan op te nemen in het wetboek van strafprocesrecht. Dit heeft « l'avantage de rendre plus visible à tous, aux justiciables comme aux professionnels du droit, les lignes de force d'une procédure pénale dont les règles techniques ne sont que les reflets plus ou moins intelligibles. L'avantage aussi d'un point de vue juridique est de permettre un allégement des formalités de procédure, une clarification du régime des nullités et d'inciter une démarche plus déontologique que formaliste en définissant l'esprit de notre procédure pénale. Enfin, aldus dit rapport, ces principes pourraient participer, comme premier jalons, à l'effort des pays européens pour bâtir ensemble un système de procédure pénale, sinon unifié du moins organisé. »

Deze tekst dient beschouwd te worden als een herhaling van de wettelijk toepasselijke bepalingen, of als een grondslag voor de uitlegging van de artikelen van het wetboek van strafprocesrecht.

Hoofdstuk 2 is gewijd aan het bewijs. Er wordt herinnerd aan het beginsel van het vermoeden van onschuld en aan de regels van de bewijslast, alsook aan het principe dat het bewijs vrij mag geleverd en beoordeeld worden, behoudens de uitzonderingen bedoeld in de wet en onder voorbehoud van de loyauteit van de bewijsverzameling (artikelen 2 tot 4).

Hoofdstuk 3 omschrijft de rechten van de verdediging en voorziet in sancties : bewijzen verzameld met schending van de rechten van de verdediging worden uit de debatten geweerd, terwijl proceshandelingen die deze rechten schenden worden nietig verklaard, hetgeen de nietigheid van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen meebrengt.

Hoofdstuk 4 is volledig nieuw en huldigt een algemene theorie over de nietigheden die vergeleken kan worden met het systeem bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.

De regel is dat er enkel sprake kan zijn van een nietigheid indien de wet daarin uitdrukkelijk voorziet (artikel 8) en indien de onregelmatigheid de belangen van de partij die de exceptie inroept of de billijkheid van het proces schaadt (artikel 9). De nietigheid is evenwel gedekt wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen of indien een vonnis of arrest van een feitenrechter, dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, op tegenspraak is gewezen zonder dat nietigheden werden voorgedragen, onverminderd de toepassing van artikel 234, § 5 (artikel 10).

Deze regeling geldt evenwel niet voor nietigheden van openbare orde die ambtshalve door de rechter of door de partijen kunnen worden ingeroepen in elke stand van de rechtspleging en die niet kunnen worden gedekt (artikel 7, § 2). De nietigheden van openbare orde werden zo veel mogelijk beperkt. Zoals artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, somt artikel 7, § 1, deze strikt op. Het gaat met name om een schending van de bepalingen betreffende :

1. de organisatie en de bevoegdheden van de strafgerechten,

2. de huisvredebreuk, de huiszoeking, het afluisteren en de onderzoeksmaatregelen die een schending van de lichamelijke integriteit meebrengen,

3. de ondertekening van de akte,

4. de vermelding van de datum wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen.

Hoofdstuk 5 heeft betrekking op het rechterlijk gewijsde en maakt definitief een einde aan het absoluut gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken ten aanzien van latere burgerlijke rechtsvorderingen, vermits dit gezag voortaan slechts als vermoeden van waarheid geldt en vermits het vatbaar is voor tegenbewijs (artikelen 11 en 12).

De hoofdstukken 6, 7 en 8 behandelen respectievelijk de samenhang, de ondeelbaarheid en de aanhangigheid (artikelen 13 tot 15); de betekening, de kennisgeving en de termijnen (artikel 16) en de rechtsbijstand en het afschrift van stukken in strafzaken (artikelen 17 en 18).

Boek II heeft betrekking op de rechtsvorderingen.

In titel I wordt in het bijzonder bepaald dat de strafvordering ingesteld kan worden tegen iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, waarbij aldus rekening werd gehouden met de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (artikel 20).

Wat het verval van de strafvordering betreft, wordt bepaald dat in geval van samenloop van misdrijven, de verjaring voor ieder misdrijf, afzonderlijk beschouwd, geregeld wordt overeenkomstig de termijnen eigen aan ieder misdrijf. Een deel van de rechtsleer is trouwens nu reeds de mening toegedaan dat het nieuwe artikel 65 van het Strafwetboek in die zin moet worden beschouwd. In het voorontwerp is tevens bepaald dat in geval van valsheid en gebruik van valse stukken, de verjaringstermijn een aanvang neemt vanaf het plegen van de valsheid en vanaf ieder gebruik, afzonderlijk beschouwd, tenzij de wet ander bepaalt (artikel 32).

Titel 2 heeft betrekking op de burgerlijke rechtsvordering.

Wanneer de burgerlijke rechtsvordering in haar geheel of gedeeltelijk afzonderlijk wordt vervolgd, wordt de uitoefening ervan niet verplicht geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering ingesteld vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering. Aangezien er geen sprake meer is van het absoluut gezag van het rechterlijk gewijsde, kan de rechtbank de schorsing gelasten, maar is zij niet verplicht zulks te doen (artikel 46).

In het voorontwerp werd bovendien het begrip van de tussenkomende partij, zoals bedoeld in de artikelen 811 tot 813, 1026 en 1027 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd (artikelen 50 en 51).

Tenslotte kan de burgerlijk aansprakelijke partij in de zaak worden opgeroepen, niet enkel door het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, maar tevens door de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij of door de beklaagde (artikel 52).

Het verval van de burgerlijke rechtsvordering is geregeld overeenkomstig de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek, maar kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. Niettemin beginnen de bijzondere verjaringstermijnen in sociale zaken, handelszaken en fiscale zaken te lopen vanaf het plegen van ieder feit dat de schade heeft veroorzaakt, dit om een overdreven verlenging van de verjaringstermijnen te voorkomen (artikel 53).

Boek III heeft betrekking op het strafproces.

In titel 1 worden het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie behandeld.

Dit onderdeel van het voorontwerp houdt rekening met de hervormingen inzake politie.

Het voorontwerp werkt bovendien de opsporingshandelingen verder uit.

Zo worden in het bijzonder een aantal bepalingen over het verhoor van minderjarigen (artikelen 79 tot 88), het deels tegensprekelijk deskundigenonderzoek in het stadium van het opsporingsonderzoek (artikelen 101 tot 106), de nieuwe bepalingen inzake de telecommunicatie (artikel 107), het onderzoek in een informaticasysteem (artikel 108) en het DNA-onderzoek in het voorontwerp opgenomen.

Wat de verslagen en de processen-verbaal betreft bepaalt het voorontwerp dat zowel de verslagen als de processen-verbaal in schriftelijke vorm onverwijld aan het openbaar ministerie moeten overgezonden worden (artikel 119). Niettemin kan de officier van gerechtelijke politie door het openbaar ministerie gemachtigd worden het proces-verbaal niet over te maken wanneer het strafbaar feit weinig ernstig schijnt te zijn. In dit geval wordt op beknopte wijze melding gemaakt in een bijzonder register waarvan de inhoud, op geregelde tijdstippen, aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld (artikel 120). Alle processen-verbaal gelden enkel nog als inlichting van de daarin vastgestelde feiten (artikel 121). In het kader van het aanvankelijk proces-verbaal kunnen de officieren en agenten van gerechtelijke politie rechtstreeks aan andere politiediensten, gevestigd buiten het grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn, bijkomende inlichtingen vragen (artikel 122).

Het voorontwerp omschrijft tevens de rechten van de door het misdrijf benadeelde persoon, alsook deze van de verdachte (artikelen 123 tot 126). Men heeft de wet van 12 maart 1998 verweten onvoldoende rekening te houden met de rechten van de partijen in het kader van het opsporingsonderzoek. De commissie Strafprocesrecht heeft steeds gesteld dat zij dat probleem zou behandelen tijdens het tweede deel van haar werkzaamheden. Het komt de procureur des Konings toe na te gaan of men werkelijk met een benadeelde persoon te maken heeft.

Het voorontwerp voorziet in het recht tot inzage van het dossier en in de mogelijkheid om aan de procureur des Konings een bijkomende opsporingshandeling te vragen. Terzake stelden zich geen problemen voor de benadeelde persoon, maar het was niet duidelijk wanneer een persoon kon worden beschouwd als een verdachte persoon. Krachtens artikel 124 kan eenieder die verschillende malen is ondervraagd door de gerechtelijke of politionele instanties, door een verzoekschrift gericht aan de procureur des Konings of neergelegd op het secretariaat van het openbaar ministerie, vragen of hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. De procureur des Konings moet antwoorden binnen de twee maanden te rekenen van de neerlegging van het verzoekschrift. Ingeval bevestigend wordt geantwoord, geeft hij de aard van het strafbaar feit aan. Bij ontstentenis van een antwoord binnen de vooropgestelde termijn, geniet de verzoeker van de rechten omschreven in de artikelen 125 en 126, namelijk het recht het dossier in te zien en het recht te vragen dat een bijkomende onderzoekshandeling wordt verricht. Doch in geen van beide gevallen is de weigering van de procureur des Konings vatbaar voor hoger beroep.

Tenslotte bepaalt het voorontwerp, naast een betere omschrijving van de ontdekking op heterdaad (artikel 127), dat indien de procureur des Konings de bedoeling heeft de persoon, die ervan wordt verdacht het strafbaar feit te hebben gepleegd, rechtstreeks voor het strafgerecht te dagvaarden, hij deze laatste, alsook de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd, daarvan in kennis stelt. Het dossier wordt hen gedurende ten minste vijftien dagen ter beschikking gesteld. Zij kunnen de procureur des Konings verzoeken om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten, zonder dat hij daartoe evenwel verplicht is wanneer hij dit niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen. Ingeval van weigering, kan het verzoek opnieuw worden ingesteld bij de feitenrechter (artikel 130).

In het kader van het opsporingsonderzoek worden de onderzoeksbevoegdheden van de procureur des Konings en van de politie derhalve versterkt, maar wordt tevens voorzien in nieuwe rechten voor de benadeelde persoon en de verdachte persoon, zowel tijdens het opsporingsonderzoek als bij de afsluiting ervan. Het voorontwerp strekt ertoe aldus de verantwoordelijkheden van eenieder in evenwicht te brengen.

Titel II, gewijd aan het gerechtelijk onderzoek en aan de onderzoeksgerechten, omvat uiteraard de essentie van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Er is bovendien bepaald dat het dossier samengesteld is uit een origineel en twee afschriften, en dat het origineel van het dossier permanent ter beschikking blijft van de rechter tot de regeling van rechtspleging (artikel 137).

Het voorontwerp schenkt bijzondere aandacht aan de onderzoekshandelingen, in het bijzonder aan de ondervraging van de inverdenkinggestelde en van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd. Er wordt bepaald dat de ondervraging door de onderzoeksrechter vóór de regeling van de rechtspleging voorgeschreven is op straffe van nietigheid (artikel 144). Tevens is voorzien in de mogelijkheid om een samenvattende tegensprekelijke ondervraging te bekomen (artikel 150).

In de tekst betreffende het verhoor van slachtoffers en getuigen is rekening gehouden met een bij de Senaat ingediend, maar niet goedgekeurd amendement. Krachtens dat amendement is het verhoor door de onderzoeksrechter verplicht wanneer het slachtoffer daarom verzoekt en wanneer het gaat om bepaalde strafbare feiten (artikel 151).

Deze afdeling van het voorontwerp herneemt ook de bepalingen van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen (artikelen 161 tot 164) en van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen (artikel 165).

De confrontaties, alsook de plaatsopnemingen en de wedersamenstellingen zijn in principe tegensprekelijk (artikelen 166 en 167). De bepalingen met betrekking tot huiszoekingen en inbeslagnemingen zijn gemodemiseerd (artikelen 169 tot 176). Het voorontwerp voorziet in een persoonlijkheidsdossier (artikel 196). In het kader van het deskundigenonderzoek wordt in een aantal bepalingen aandacht geschonken aan de keuze van de deskundigen en aan het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek (artikelen 197 tot 203).

Afdeling 3 van deze titel handelt over de rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van elk persoon geschaad door een onderzoekshandeling, alsmede de rechtsmiddelen (artikelen 204 tot 208).

Hoofdstuk 3 betreffende de regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten omschrijft de taken van de raadkamer. Deze bestaan onder meer uit het nagaan van de ontvankelijkheid van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering, in tegenstelling tot de vroegere rechtspraak wat de burgerlijke rechtsvordering betreft (artikel 210).

Anderzijds, werden de termijnen voorzien bij de wet van 12 maart 1998, bij het afsluiten van het onderzoek, aanzienlijk verlengd (artikel 211). Het huidige voorontwerp regelt immers de relatieve zuivering van nietigheden in het stadium van de onderzoeksgerechten : de procureur des Konings en de partijen kunnen voor de raadkamer de onregelmatigheden, verzuimen of gronden van nietigheid opwerpen die invloed hebben op een onderzoekshandeling en op de bewijsverkrijging. Onder voorbehoud van hoger beroep en van de middelen van openbare orde, kunnen deze middelen niet meer aan de feitenrechter worden voorgelegd. Als de raadkamer van oordeel is dat sommige onderzoekshandelingen onwettelijk of onregelmatig zijn, wijst zij een beschikking tot nietigverklaring van deze handelingen en die welke daaruit voortvloeien. Indien er geen toereikende bezwaren meer zijn, vaardigt zij een beschikking tot buitenvervolgingstelling uit en wanneer het onderzoek kan worden aangevuld, vaardigt zij een beschikking van niet-instaatverklaring uit (artikelen 218 en 219). De zuivering van nietigheden op het niveau van de onderzoeksgerechten biedt eventueel de mogelijkheid een vrijspraak voor de vonnisgerechten te voorkomen, gelet op een eventuele beschikking of arrest van niet-instaatverklaring. Indien een van de partijen tenslotte daaromtrent verzoekt, kan de raadkamer beslissen dat de zitting evenals de uitspraak van de beschikking openbaar zal zijn (artikel 211).

In het voorontwerp is tevens bepaald dat de raadkamer, met instemming van de verdachte, en volgens bepaalde modaliteiten, over de zaak zelf kan beslissen en een geldboete kan opleggen of een gevangenisstraf kan uitspreken waarvan de duur een jaar niet te boven gaat (artikel 227).

Het voorontwerp omvat nadere bepalingen over de organisatie en de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling, over het toezicht op het gerechtelijk onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling, over de rechtspleging, de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling en de rechtsmiddelen tegen deze arresten (artikelen 229 tot 241).

De wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is letterlijk overgenomen in hoofdstuk 4 van titel 2 van het voorontwerp, met uitzondering van enerzijds, bepaalde wijzigingen die specifieke rechten bepalen in het kader van de aanhouding en anderzijds, een herziening van de termijnen (artikelen 242 tot 279).

Titel III heeft betrekking op het vonnis en op de vonnisgerechten.

Het eerste hoofdstuk betreffende het vonnis legt alle regels inzake de rechtspleging voor de feitenrechter vast. Het voorontwerp voorziet in een aantal uitzonderingen op de openbaarheid van de rechtspleging. Het breidt de mogelijkheden tot het sluiten der deuren uit (artikel 281), maar biedt aan de hoven en rechtbanken tevens de mogelijkheid om, onder dezelfde voorwaarden waar zij de behandeling met gesloten deuren kunnen bevelen, de publicatie en verspreiding via geschriften of audiovisuele middelen te verbieden, van teksten, tekeningen, foto's of enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer, de benadeelde persoon, de burgerlijke partij, de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de getuigen (artikel 282).

De rechtspleging ter terechtzitting werd volledig herzien.

Op de eerste zitting moet het hof of de rechtbank beslissen over de verzoeken strekkende tot het doen verrichten van bijkomende onderzoeksmaatregelen en tot het uitstellen van de zaak naar een latere terechtzitting teneinde de personen en de deskundigen op te roepen wiens getuigenis gevorderd wordt of door een van de partijen gevraagd wordt. De rechter kan deze beslissingen ook ambtshalve nemen (artikel 290, eerste en tweede lid).

Vermits een groot aantal zaken voor de rechter gebracht worden na een opsporingsonderzoek en dus zonder regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten, is bepaald dat de onregelmatigheden, verzuimen, nietigheden, de niet-ontvankelijkheid van de vervolging of de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling, op straffe van uitsluiting moeten worden opgeworpen op de inleidingszitting, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe elementen die tijdens de terechtzitting zijn gebleken. Het vonnisgerecht kan bij tussenvonnis oordelen over de aangevoerde middelen of kan het tussengeschil bij de zaak zelf voegen (artikel 290, derde lid). Het kan de voorlopige tenuitvoerlegging bevelen.

Een aantal bepalingen handelen over de regels betreffende de ondervragingen (artikelen 292 tot 301). De partij die om het verhoor van getuigen heeft verzocht kan, na de ondervraging door de voorzitter, zelf rechtstreeks vragen stellen en de andere partijen hebben het recht om de getuigen aan een tegenverhoor te onderwerpen. De partijen kunnen elkaar wederzijds ondervragen door tussenkomst van de voorzitter. De advocaten kunnen de partij die zij bijstaan ondervragen. Er zijn tenslotte regels opgenomen met betrekking tot het deskundigenonderzoek.

Een bepaling overgenomen uit het ontwerp van procureur-generaal Bekaert heeft betrekking op de splitsing van het geding in twee fasen, indien het openbaar ministerie of de beklaagde dit vragen, door middel van een verzoekschrift ingediend vóór de vordering van het openbaar ministerie én de pleidooien (artikel 303).

De regels betreffende het proces-verbaal van de terechtzitting zijn vereenvoudigd (artikelen 305 tot 310).

Wat de in hoofdstuk 2 bedoelde vonnisgerechten betreft, worden de bepalingen over de bevoegdheid, de vormen van aanhangigmaking en de rechtspleging systematisch vermeld voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van beroep en het Hof van Assisen (artikelen 323 tot 456).

Hoofdstuk 3 heeft betrekking op de gewone rechtsmiddelen en het neemt de essentie over van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (artikelen 457 tot 472).

In hoofdstuk 4, betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen, is hoofdzakelijk verwezen naar bijzondere wetten (artikelen 473 tot 475).

In hoofdstuk 5, handelend over de uitwissing en het herstel in eer en rechten, zijn de thans bestaande regels overgenomen, zoals gewijzigd door de wet op het Centraal Strafregister (artikelen 476 tot 491).

Hoofdstuk 6 behandelt de gerechtskosten (artikelen 492 tot 495).

Hoofdstuk 7 betreft de invoeging van de bepalingen van de wet op het Centraal Strafregister (artikelen 496 tot 509).

Titel IV over de wijzen van voorziening tegen arresten en vonnissen is voorbehouden.

Boek IV heeft betrekking op enige rechtsplegingen van bijzondere aard, en eveneens voorbehouden.

Boek V tenslotte, over het internationaal strafrecht, maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk onderzoekscontract bij de Federale overheidsdienst Justitie.


ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

BOEK I

ALGEMENE BEGINSELEN

HOOFDSTUK 1

Voorafgaande bepaling

Artikel 1

In deze bepaling wordt herinnerd aan de belangrijke beginselen die de basis vormen van het nieuwe wetboek van strafprocesrecht. Het zijn, zoals mevrouw Delmas-Marty stelt, krachtlijnen waarvan de technische regels slechts een min of meer begrijpbare afspiegeling zijn. Het betreft een herinnering, daar de meeste beginselen verankerd zijn in juridische teksten, samen met hun specifieke sancties, die bij wet of door de rechtspraak bepaald zijn.

De verwijzing naar de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in de procedure is evenwel nieuw. Deze beginselen hebben geen betrekking op de strafmaat, maar vormen de interpretatieve beginselen die gelden als leidraad voor de leden van de zittende en de staande magistratuur in het kader van de toepassing van de regels van strafprocesrecht. Dit geldt in het bijzonder voor de bijzondere onderzoeksmethoden, de proactieve recherche, het opsporen en het lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, de kennisneming, het opnemen van private communicaties en telecommunicaties, enz. Aangezien het om een interpretatieve regel gaat, is een schending van de beginselen van subsidiariteit en van proportionaliteit geen nietigheidsgrond voor de proceshandeling, tenzij de rechten van de verdediging worden geschonden en de volledige rechtspleging niet als billijk kan worden beschouwd.

De erkenning van het proportionaliteitsbeginsel in het strafprocesrecht sluit niet aan bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die meer dan eens heeft geweigerd om het als een algemeen beginsel te beschouwen (9).

Hoewel het proportionaliteitsbeginsel niet voorkomt in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wordt het in de Europese rechtspraak toch toegepast (10). In tal van beslissingen verwijst het Hof van Straatsburg naar het proportionaliteitsbeginsel wat de straf zelf betreft (11), inzake afluisteren van telefoongesprekken (12), inzake beslag op medische gegevens en de samenvoeging ervan met het gerechtelijk dossier (13).

Het Europees Hof heeft trouwens de drie alternatieve criteria die in de rechtspraak zijn vastgelegd om te bepalen of het strafrechtelijke aspect van artikel 6 van het Europees Verdrag kan gelden, in herinnering gebracht (14). Het gaat om de juridische omschrijving van het misdrijf, de aard van het misdrijf en de aard en zwaarte van de straf.

Deze analyse sluit aan bij de methode van afweging van de belangen die professor Rigaux in zijn boek « La vie privée, une liberté parmi d'autres » (15) doet uitkomen. Zoals de heren Poulet en Léonard in dit werk schrijven : « L'application de la règle de la proportionnalité implique un triple examen, elle porte sur la légitimité d'une atteinte par un particulier à un droit de liberté d'autrui ou sur un acte déterminé dans l'exercice d'une compétence (waarvoor wij in dit geval belangstelling hebben). Le premier concerne l'utilité de l'acte et des moyens mis en ouvre. Il s'agira de vérifier s'il présente un lien de causalité suffisant avec l'objectif poursuivi. Le second vise le caractère indispensable des mesures prises ou envisagées eu égard au fait qu'elles ne peuvent être remplacées par d'autres mesures qui permettent d'atteindre le même objectif avec une efficacité identique tout en étant plus respectueuses des libertés, de l'intérêt ou du droit ainsi énervé. Le troisième assurera que l'atteinte aux libertés impliquées dans les mesures prises n'était pas disproportionnée par rapport au but poursuivi ». Deze overwegingen, neergeschreven in het licht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gelden ontegensprekelijk ook wanneer de rechten van de mens in een strafproces worden betrokken.

HOOFDSTUK 2

Het bewijs

Artikel 2

Artikel 2 is niet nieuw, want het betreft het beginsel van de bewijslast, dat trouwens ook deel uitmaakt van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

In het tweede lid wordt de gevestigde rechtspraak van het Hof van Cassatie overgenomen, daar er wordt gesteld dat wanneer de beklaagde op geloofwaardige wijze een rechtvaardigings- of een verschoningsgrond inroept, het tegenbewijs bij de vervolgende partij of de burgerlijke partij zal rusten.

Artikel 3

Ook deze bepaling is conform de gevestigde rechtspraak. Het begrip loyauteit werd reeds gebruikt in de wet van 12 maart 1998, in artikel 28bis,in fine, en in artikel 56, § 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Aan het begrip loyauteit werd de verwijzing naar de algemene rechtsbeginselen toegevoegd, teneinde de tekst een ruimer toepassingsgebied te verschaffen. Het bewijs dient immers niet exclusief door de wet te worden bepaald.

Overeenkomstig het tweede lid kan de wet voorzien in bijzondere vormen van bewijslevering. Terzake kan worden verwezen naar sommige bepalingen in de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken, de diverse bepalingen met betrekking tot de bloedafname, enz.

Artikel 4

Dit artikel betreft de beoordeling van de bewijsmiddelen. Het beginsel van de innerlijke overtuiging wordt niet ter discussie gesteld.

De oorspronkelijke tekst van het voorontwerp van het wetboek van strafprocesrecht bevatte een bijkomende zin, die de rechter verplichtte de bewijselementen aan te duiden die zijn innerlijke overtuiging hadden bepaald. Op voorstel van verschillende leden van de commissie, werd deze zin weggelaten vermits de rechtspraak de rechter enkel maar verplicht zijn beslissing te motiveren indien de partijen conclusies hebben neergelegd. De commissie was op dit punt niet unaniem.

De commissie wenst bijgevolg dat de rechter, in de mate van het mogelijke, de elementen aanduidt die zijn overtuiging hebben bepaald.

HOOFDSTUK 3

De rechten van de verdediging

Artikel 5

Het eerste lid herneemt de omschrijving van de rechten van de verdediging, die voortvloeit uit de rechtsleer en uit de rechtspraak. Er wordt tevens bepaald dat men een beroep op de rechten van de verdediging kan doen tijdens iedere fase van de rechtspleging.

In het tweede lid is in het bijzonder omschreven waaruit de rechten van de verdediging bestaan, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen in de internationale verdragen.

Het betreft vooreerst het recht op een correcte manier in kennis te worden gesteld van zijn rechten. De wet van 12 maart 1998 is een eerste stap in die richting, namelijk wat betreft de bepalingen in verband met het verhoor. Men heeft namelijk het recht in kennis te worden gesteld van de tenlasteleggingen of van de vorderingen, overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden en artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inverdenkingstelling.

De rechten van de verdediging houden anderzijds, het recht in om over een gelijkwaardig initiatiefrecht te beschikken om de waarheid aan het licht te brengen, hetgeen de mogelijkheid veronderstelt bijkomende onderzoekshandelingen of bijkomende taken in het kader van het opsporingsonderzoek te vragen. De benadeelde persoon, de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en de verdachte kunnen van deze mogelijkheid gebruik maken.

Tenslotte moeten de verdachte en de burgerlijke partij over de werkelijke mogelijkheid beschikken om alle elementen van het dossier voor het vonnisgerecht te kunnen tegenspreken. Dit veronderstelt de toegang tot het gehele dossier, daaronder begrepen de overtuigingsstukken en de nodige tijd die vereist is om de terechtzitting voor te bereiden.

Artikel 6

Overeenkomstig de rechtspraak bepaalt dit artikel dat bewijzen verzameld met schending van de rechten van de verdediging uit de debatten worden geweerd en dat de proceshandelingen die deze rechten schenden nietig worden verklaard, hetgeen de nietigheid meebrengt van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen.

De nietigheid voortvloeiende uit de proceshandeling, gesteld met schending van de rechten van de verdediging, kan opgeworpen en vastgesteld worden, ofwel op het niveau van de vonnisgerechten, ofwel op het niveau van de onderzoeksgerechten, die eventueel een beschikking of een arrest van niet-instaatverklaring kunnen uitvaardigen.

HOOFDSTUK 4

De nietigheidsgronden

Algemeen

In de artikelen 7 tot 10 wordt een algemene theorie over de nietigheidsgronden uitgewerkt. Het gaat daarbij ongetwijfeld om het moeilijkste probleem in het kader van het strafprocesrecht, dat heeft geleid tot vele discussies binnen de commissie Strafprocesrecht.

Het huidige stelstel omvat drie soorten van nietigheden :

­ bij wet bepaalde nietigheden;

­ substantiële nietigheden, een creatie van de rechtspraak;

­ nietigheden die voortvloeien uit de schending van de rechten van de verdediging en uit de schending van de rechten van de mens.

De rechtspraak, en in het bijzonder het Hof van Cassatie, is overgegaan tot een ingrijpende vereenvoudiging van de procedure voorzien in het Wetboek van strafvordering, door te verduidelijken dat verscheidene formaliteiten niet voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid.

Trouwens niet alle bij wet bepaalde nietigheden zijn van openbare orde en sommige nietigheden kunnen worden gedekt door een vonnis dat niet louter van voorbereidende aard is, wanneer dit in een tekst is voorzien, bijvoorbeeld zoals in de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken en in artikel 407, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende de eed van getuigen, deskundigen en tolken.

De substantiële nietigheden zijn de onontbeerlijke voorschriften opdat een handeling haar doel kan bereiken. Deze houden verband met de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid, de openbaarheid van de terechtzittingen en van de vonnissen, de regel betreffende de eenparigheid. Zij zijn van openbare orde en het middel moet niet nieuw zijn. Thans kunnen deze nietigheden worden opgeworpen voor de onderzoeksgerechten.

Wat de nietigheden betreft die voortvloeien uit de schending van de rechten van de verdediging, met inbegrip van deze bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden, moet de partij die zich daarover beklaagt de nietigheid voor de feitenrechter hebben aangevoerd om zich in cassatie te kunnen voorzien en moet deze noodzakelijkerwijze grievend zijn.

De commissie Strafprocesrecht, gevolg gevend aan de unanieme wens van de opeenvolgende ministers van justitie, heeft zich tot doel gesteld de nietigheidsgronden te kunnen zuiveren in de vroegste stadia van de strafrechtspleging, zodat de zaak die naar de feitenrechter wordt verwezen, zoveel mogelijk vrij is van de diverse procedureproblemen die vaak schade toebrengen aan de geloofwaardigheid van de justitie. Zoals procureur-generaal Léon Cornil in zijn gekende openingsrede stelde : « Au pénal comme au civil, une bonne procédure est une procédure simple et claire, riche en garantie de fond, débarrassée concrètement des formalités qui n'ont de garantie que le nom (16) ».

In het kader van de wet van 12 maart 1998 is men er niet in geslaagd tot een volledige zuivering van nietigheden te komen, enerzijds bij gebrek aan een algemene theorie over de nietigheidsgronden en anderzijds, wegens de afwezigheid van de tegenspraak in de procedures betreffende het in staat brengen en wegens de té korte termijnen voor het onderzoek van het dossier vóór de regeling van de rechtspleging.

In die context worden in het voorontwerp vier artikelen gewijd aan het stelsel van de nietigheden, waarbij ook aan andere grieven wordt tegemoet gekomen.

In artikel 7 van het ontwerp worden de nietigheidsgronden van openbare orde opgesomd. Voor het overige bevat het voorontwerp van wetboek bepalingen die voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid en die enkel kunnen ingeroepen worden in de mate dat zij de belangen van de partij die ze inroept of de billijkheid van de procedure schaden (artikel 9) en indien zij niet gedekt zijn (artikel 10). Zij kunnen worden opgeworpen voor de onderzoeksgerechten, hetgeen toelaat de procedure te regulariseren en eventuele vrijspraken te voorkomen, waarvoor de slachtoffers of de publieke opinie slechts weinig begrip kan opbrengen.

Samen met de redactie van dit hoofdstuk is een vergelijkende rechtsstudie gemaakt van het stelsel van de nietigheden in Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Italië. De resultaten ervan zijn overhandigd aan de heer minister van Justitie (17).

Artikel 7

In dit artikel, dat gebaseerd is op artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de nietigheidsgronden van openbare orde opgesomd. Zij komen overeen met de substantiële en absolute nietigheden erkend in de rechtspraak, maar zijn niet langer aan de beoordeling van de hoven en rechtbanken overgelaten. Het gaat om een limitatieve lijst in dit wetboek en om uitdrukkelijke bepalingen in de wet.

Het is natuurlijk mogelijk om de lijst van nietigheidsgronden van openbare orde bedoeld in artikel 7 uit te breiden of in te krimpen of om deze te voorzien in bijzondere wetten. Het staat zo goed als vast dat er sprake is van nietigheid van openbare orde voor alle aangelegenheden die verband houden met de organisatie en de bevoegdheden van de strafgerechten, met de ondertekening van de akte en met de vermelding van de datum wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen, wat hernomen is in artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek. Hoewel de nietigheidsgronden van openbare orde betreffende de huisvredebreuk, de huiszoeking, het afluisteren en onderzoeksmaatregelen die een schending van de lichamelijke integriteit meebrengen minder voor de hand liggen, zijn zij toch in aanmerking genomen. Wanneer in de toekomst wetten betreffende nieuwe onderzoekstechnieken zullen aangenomen worden, zal men in dit artikel hiervan melding moeten maken.

Anderzijds zouden aan de tekst van het voorontwerp van wetboek evenwel nog andere nietigheidsgronden van openbare orde kunnen worden toegevoegd, met name deze die verband houden met de openbaarheid van de terechtzittingen en de vonnissen, met de motivering van de vonnissen en meer algemeen, met de grondwettelijke waarborgen. Indien niet zou moeten gevreesd worden voor de overbelasting van de onderzoekskabinetten, zou men tevens het gebrek aan verhoor van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter vóór de verwijzing van de zaak naar het vonnisgerecht als nietigheidsgrond kunnen beschouwen.

Er moet worden onderstreept dat de gronden van verval van de strafvordering van openbare orde zijn, aangezien zij leiden tot het verval van de vordering, alhoewel het geen nietigheidsgronden zijn.

De nietigheden van openbare orde kunnen door de rechter ambtshalve worden uitgesproken en worden ingeroepen in elke stand van de rechtspleging, en zelfs voor de eerste keer voor het Hof van Cassatie.

Zodoende wordt in het strafprocesrecht het beginsel hernomen dat onder voorbehoud van de nietigheden van openbare orde er geen nietigheid is zonder tekst en anderzijds dat, onder hetzelfde voorbehoud, er geen nietigheid is zonder belangenschade.

Artikel 8

Overeenkomstig artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt artikel 8 van het voorontwerp van wetboek dat er, onder voorbehoud van de nietigheid van openbare orde, geen nietigheid is zonder tekst.

Artikel 9

Deze bepaling is de tegenhanger van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk er geen nietigheid is zonder belangenschade, onder voorbehoud van de nietigheden van openbare orde. De commissie Strafprocesrecht heeft het begrip belangenschade verduidelijkt én uitgebreid door duidelijk aan te geven dat de schending van de billijkheid van de procedure een nietigheidsgrond uitmaakt.

Artikel 10

In artikel 10, gebaseerd op artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek en op artikel 407, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is bepaald dat de nietigheden die niet van openbare orde zijn, in twee gevallen gedekt zijn, enerzijds, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen en anderzijds, wanneer een vonnis of arrest van een feitenrechter dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, op tegenspraak is gewezen zonder dat de nietigheden werden voorgedragen.

HOOFDSTUK 5

Het rechterlijk gewijsde

Artikel 11

Het eerste lid vermeldt het « nonbis in idem » ­ beginsel. Een beklaagde ten aanzien van wie een in kracht van gewijsde gegane beslissing ten gronde is uitgesproken (door de feitenrechter of door een onderzoeksgerecht), kan niet meer wegens dezelfde feiten worden vervolgd, ook al zijn zij anders omschreven. De strafvordering is vervallen.

Uit het tweede lid vloeit voort dat het absolute gezag van het rechterlijk gewijsde niet langer bestaat, aangezien het beginsel is vervangen door een vermoeden van waarheid dat geldt behoudens bewijs van het tegendeel.

De woorden « burgerlijke rechtsvorderingen » hebben zowel betrekking op de burgerlijke rechtsvorderingen in de enge zin van het woord als op de tuchtrechtelijke vorderingen, ingesteld door personen die geen partij waren bij het strafproces. De commissie verwijst hier naar het arrest van het Hof van Cassatie van 2 oktober 1997 (18).

Aangezien de strafvordering de burgerlijke of de tuchtrechtelijke zaak niet noodzakelijk schorst, kan een burgerlijke of een tuchtrechtelijke vordering ingesteld en beslecht worden vóór de strafrechtelijke beslissing.

Artikel 12

In deze bepaling wordt verwezen naar de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek.

Deze uitdrukkelijke verwijzing naar het Gerechtelijk Wetboek, die ook elders in het voorontwerp voorkomt, strekt ertoe mogelijke discussies te voorkomen over de draagwijdte van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, wat aan de rechtspraak is overgelaten.

HOOFDSTUK 6

De samenhang, de ondeelbaarheid en de aanhangigheid

Artikel 13

Het eerste lid omschrijft het begrip samenhang in traditionele bewoordingen.

In het tweede lid zijn de voorbeelden van samenhang, bedoeld in artikel 227 van het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

De beoordeling van de samenhang behoort tot de soevereine appreciatie van de rechter, zoals het Hof van Cassatie het in een arrest van 16 september 1998 (19) heeft gesteld.

Het derde lid handelt over de gevolgen van de samenhang. De samenvoeging van verscheidene zaken kan worden gelast om redenen van behoorlijke rechtsbedeling, zodat het bijgevolg om een mogelijkheid en niet om een verplichting gaat. De tekst bepaalt vervolgens dat de samenhang kan worden vastgesteld en de samenvoeging bevolen zelfs als de zaken, waartussen een verband is, afzonderlijk zouden kunnen worden onderzocht.

Artikel 14

In deze bepaling wordt de ondeelbaarheid omschreven overeenkomstig de rechtsleer en de rechtspraak (20).

Artikel 15

In deze bepaling wordt de aanhangigheid omschreven conform de rechtsleer en de rechtspraak (21).

HOOFDSTUK 7

De betekening, de kennisgeving en de termijnen

Artikel 16

Het eerste lid verwijst uitdrukkelijk naar de artikelen 32 tot 37, 39 tot 46 en 48 tot 57 van het Gerechtelijk Wetboek.

In het tweede en het derde lid is artikel 644 van het Wetboek van Strafvordering, die de eventuele verlenging van de termijnen regelt, overgenomen.

HOOFDSTUK 8

Rechtsbijstand en afschrift van stukken in strafzaken

Artikel 17

Deze aangelegenheid wordt geregeld in de artikelen 664 tot 699 van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen. Artikel 674bis, dat in het Gerechtelijk Wetboek is ingevoegd bij de wet van 7 januari 1998, betreffende de rechtsbijstand inzake de afgifte van afschriften van stukken uit het gerechtsdossier in strafzaken, is terzake uitermate belangrijk.

Artikel 18

Er wordt bepaald dat de afschriften van rechterlijke beslissingen, die overeenkomstig artikel 318 van het voorontwerp automatisch worden uitgereikt, kosteloos aan de partij en aan haar raadsman worden meegedeeld.

BOEK II

DE RECHTSVORDERINGEN

TITEL I

De strafvordering

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 19

De strafvordering is omschreven in het eerste lid. Er kan niet langer worden verwezen naar de definitie in artikel 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, luidens hetwelk de strafvordering de rechtsvordering is tot toepassing van de straffen. Niet enkel de straffen en de toepassing ervan, doch ook andere maatregelen bepaald in de strafwet (beveiligingsmaatregelen, internering, opschorting van de uitspraak, enz.) maken deel uit van de strafvordering en van de daaraan inherente regels, zoals bijvoorbeeld de verjaring.

In het tweede lid is bepaald dat de strafvordering aan de maatschappij behoort. Dit betekent dat het openbaar ministerie de strafvordering enkel behoedt en dat hij haar uitoefent krachtens de wet. Zulks veronderstelt tevens dat de minister van Justitie geen negatieve injuncties aan het openbaar ministerie kan geven.

In het derde lid is voorts gesteld dat de strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie, in de ruime zin van het woord, zonder onderscheid, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

In het vierde lid is onderstreept dat de strafvordering kan worden ingesteld door de benadeelde partij onder de voorwaarden bepaald in het voorontwerp van wetboek, hetgeen conform onze juridische traditie is.

Artikel 20

Dit artikel heeft betrekking op diegenen tegen wie de strafvordering kan worden ingesteld.

Reeds bij de redactie van deze tekst, was er voorzien dat de strafvordering ook zou kunnen ingesteld worden tegen rechtspersonen. Ondertussen is de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen van kracht geworden en bijgevolg in het voorontwerp ingevoegd.

Artikel 21

Het eerste lid is het gevolg van het beginsel dat de strafvordering aan de maatschappij behoort. Bijgevolg kan het openbaar ministerie niet verzaken aan de strafvordering, noch afstand doen van de vervolging of berusten in een gewezen beslissing.

Deze strenge regel wordt evenwel genuanceerd door de temperingen vermeld in het tweede lid. In dit tweede lid is artikel 5 van de wet van 12 maart 1998 overgenomen, namelijk artikel 28quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de appreciatie van de opportuniteit van de vervolging en van de beslissingen van seponering betreft, door enerzijds te stellen dat de omschrijving van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid enkel maar aan de minister van Justitie toebehoort en niet aan de minister van Binnenlandse Zaken en anderzijds, dat het openbaar ministerie moet oordelen over de opportuniteit van de vervolging en niet enkel de procureur des Konings. De term openbaar ministerie omvat eveneens het arbeidsauditoraat terwijl artikel 28quater beperkt is tot de procureur des Konings.

De artikelen 29 en 30 van het voorontwerp van wetboek, waarin de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van Strafvordering zijn overgenomen, voorzien in modaliteiten waaronder de strafvordering kan worden uitgeoefend en versoepelen het in het eerste lid gehuldigde beginsel.

HOOFDSTUK 2

De uitoefening van de strafvordering

Artikel 22

In het eerste lid is artikel 28quater, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, ingevoerd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Het tweede en het derde lid behandelen respectievelijk de rol van het openbaar ministerie en de wijze waarop de strafvordering wordt ingesteld. Beide leden zijn in overeenstemming met de huidige rechtsleer en rechtspraak.

Artikel 23

Het eerste lid verduidelijkt de omvang van de vordering tot onderzoek. Deze moet niet enkel geschreven, gedagtekend en ondertekend zijn, maar moet ook de feiten vermelden waarvoor de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig wordt gemaakt, alsook de voorlopige omschrijving ervan.

In dit verband moet worden herinnerd aan het « in rem « karakter van de saisine van de onderzoeksrechter en de noodzaak voor het openbaar ministerie de feiten die daaraan ten grondslag liggen nauwkeurig te omschrijven. Zulks is een waarborg voor allen die bij het strafproces betrokken zijn.

In het tweede lid is evenwel bepaald dat de vordering mondeling kan geschieden, maar dan moet zij binnen de vierentwintig uren door een schriftelijke vordering worden bevestigd. Dit lid heeft natuurlijk betrekking op spoedeisende gevallen.

Overeenkomstig het eerste lid zijn de vermeldingen van de vordering tot onderzoek voorgeschreven op straffe van nietigheid, doch deze nietigheid is niet van openbare orde, behoudens wat de ondertekening betreft. De partij die de nietigheid opwerpt, moet een grief kunnen aantonen en deze nietigheid kan voor de onderzoeksgerechten worden gedekt.

Artikel 24

Dit artikel bepaalt de vermeldingen die een dagvaarding in strafzaken moet omvatten : een nauwkeurige uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten en de voorlopige omschrijving ervan. Het volstaat niet de wetteksten gewoonweg te vermelden, zonder de feiten aan te wijzen die zouden aantonen dat voornoemde teksten zijn geschonden. Het komt maar al te vaak voor dat vervolgde personen verward zijn door de té vage en té algemene aard van de dagvaarding.

Artikel 25

Dit artikel is overgenomen uit artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering, betreffende de oproeping bij proces-verbaal, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994.

Artikel 26

Deze tekst is ontleend aan artikel 5 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 27

In deze bepaling is artikel 15 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering overgenomen, behoudens dat in de tekst sprake is van « rechtsvragen » in plaats van « geschillen van burgerlijk recht ». Bovendien zijn de prejudiciële geschillen bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de Voorafgaande Titel opgeheven, maar blijft terzake een mogelijkheid bestaan, aangezien er in artikel 27 sprake is van « behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen ».

De betwistingen inzake afstamming die door de rechter moeten worden beslecht zijn een concreet voorbeeld van de toepassing van dit artikel.

Artikel 28

Dit artikel komt overeen met artikel 16, eerste lid, van de Voorafgaande Titel, behoudens van formele wijzigingen.

Artikel 29

In dit artikel is artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende de minnelijke schikking overgenomen.

Artikel 30

Artikel 30 is gebaseerd op artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1994 houdende regeling van een procedure voor bemiddeling in strafzaken. Deze tekst werd gedeeltelijk herzien, teneinde enerzijds verduidelijkingen aan te brengen die noodzakelijk waren na een aantal jaren effectieve toepassing en anderzijds, om rekening te houden met de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 houdende instelling van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie. In beginsel is dit artikel gewijzigd door artikel 8 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken. Vermits dit artikel pas in werking zal treden op een zeer onzekere datum, heeft de commissie Strafprocesrecht besloten om er nu geen rekening mee te houden

Paragraaf 1, tweede lid, strekt ertoe het woord « bemiddeling » te verduidelijken. Er moet inderdaad een duidelijker onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds, de bemiddeling sensu stricto tussen dader en slachtoffer en anderzijds, de andere maatregelen voorgeschreven in hetzelfde artikel (therapie of behandeling, dienstverlening en vorming).

De bemiddeling tussen dader en slachtoffer wordt gevoerd door een justitieassistent die optreedt als onpartijdige derde. De voornaamste rol is evenwel toebedeeld aan de partijen zelf, zodat de oplossing van het geschil als het ware moet voortvloeien uit hun eigen creativiteit. De bemiddeling moet de partijen de mogelijkheid bieden om het geschil terug in handen te nemen, om niet-conflictuele oplossingen uit te werken en om de sociale contacten te herstellen.

De andere drie maatregelen houden geen verband met de bemiddeling. Verkeerd taalgebruik, aangemoedigd door het opschrift van de wet van 10 februari 1994, heeft ertoe geleid dat van die terminologie gebruik is gemaakt. Het zou correcter zijn, zoals de Raad van State toen in zijn advies stelde, om het te hebben over nieuwe middelen tot verval van de strafvordering, omdat de dader van een misdrijf daden verricht voorgesteld door het openbaar ministerie. Deze drie maatregelen zijn als het ware alternatieven voor de vervolging.

In het eerste lid zijn de woorden « onverminderd de bevoegdheid hem toegekend bij artikel 216bis » niet overgenomen, teneinde iedere vorm van dubbelzinnigheid te voorkomen bij een eventuele cumulatie van de minnelijke schikking (artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of artikel 29 van het voorontwerp) met één van de maatregelen bedoeld in artikel 30. Aangezien beiden gronden van verval van de strafvordering zijn, moet de gezamenlijke toepassing ervan verboden worden. In geval de verwezenlijking van de maatregelen bedoeld in artikel 30 tot het verval van de strafvordering leidt, kan daarnaast geen minnelijke schikking worden voorgesteld. De betaling van de minnelijke schikking, voorzien in artikel 29, belet eveneens dat de maatregelen bedoeld in artikel 30 worden voorgesteld. Het is evenwel niet ondenkbaar dat de procureur des Konings een minnelijke schikking voorstelt ingeval de procedure bedoeld in artikel 30 mislukt. Zodoende is de vierde paragraaf aangevuld, teneinde uitdrukkelijk in deze mogelijkheid te voorzien.

In het derde en het vierde lid is de termijn van zes maanden, zoals vastgesteld in het huidige artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering, opgetrokken tot één jaar. Deze wijziging was noodzakelijk teneinde deze bepalingen op zwaardere misdrijven te kunnen toepassen, zodat wordt voorzien in een effectief alternatief voor vervolgingen en gevangenisstraffen.

Wat het vierde lid betreft, moet worden onderstreept dat het begrip « vorming » niet enkel betrekking heeft op een vorm van opleiding, maar ook stages, seminaries, enz. omvat die ertoe strekken bepaalde bekwaamheden (bijvoorbeeld beheersing van de agressiviteit of het beheer van een budget) te verwerven of te versterken.

De vierde paragraaf van het huidige artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering is op twee punten aangevuld.

Het nieuwe derde lid betreft de delicate vraag van het beroepsgeheim van de justitieassistent belast met de bemiddeling of met de tenuitvoerlegging van de maatregelen. Het is inderdaad wenselijk precies te omschrijven wat vermeld zal moeten worden in het verslag voor de procureur des Konings in geval van mislukking, teneinde zoveel mogelijk de spreekvrijheid te bewaren die nodig is voor de gesprekspartners die bij deze initiatieven betrokken zijn.

Rekening houdend met de opheffing in de eerste paragraaf van de woorden « onverminderd de bevoegdheid hem toegekend bij artikel 216bis » (supra), is het wellicht nuttig opgave te doen van de mogelijkheden die de procureur des Konings worden geboden als de procedure omschreven in artikel 30 mislukt.

In paragraaf 7 tenslotte is de tekst overgenomen, ingevoegd bij de wet van 7 mei 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering in het kader van de oprichting van de Dienst Justitiehuizen bij het ministerie van Justitie. In vergelijking met de tekst ingevoerd bij die wet is de tekst van het ontwerp aangepast, teneinde de specificiteit van de bemiddeling in strafzaken en de andere maatregelen bedoeld in dit artikel duidelijk te maken.

HOOFDSTUK 3

Het verval van de strafvordering

Artikel 31

In dit artikel zijn de diverse gronden opgesomd die leiden tot het verval van de strafvordering, waaronder de minnelijke schikking en de maatregelen bedoeld in artikel 30. Het bepaalt tevens de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn.

Noch de wet, noch het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, noch het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten omschrijven de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn. Ook de rechtspraak biedt geen uitsluitsel. Bijgevolg is het onvermijdelijk dat de sanctie van de overschrijding van de redelijke termijn in de wet moet voorzien worden.

Volgens het Hof van Cassatie dient de sanctie beoordeeld te worden enerzijds, vanuit het oogpunt van het bewijs en anderzijds, vanuit het oogpunt van de straf (22). In het voorontwerp wordt die rechtspraak, die trouwens ingaat tegen de standpunten van deheer Procureur-generaal Krings (23), niet gevolgd.

Sommige auteurs en rechtscolleges zijn van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn de vervolgingen niet-ontvankelijk maakt (24) (25), anderen hebben zich uitgesproken voor het verval van de strafvordering (26) (27).

De commissie was deze laatste oplossing genegen, overwegende dat het niet meer redelijk is een zaak te beslechten eens een bovenmatig lange termijn is verlopen. Er werd niet geopteerd voor de niet-ontvankelijkheid, vermits dit moeilijkheden en problemen zou kunnen meebrengen voor de burgerlijke partijen en de benadeelde personen, die daardoor de mogelijkheid zouden verliezen om hun eventuele rechten voor de strafgerechten te doen gelden.

De wet van 30 juni 2000 tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, heeft de voorkeur gegeven aan de mogelijkheid de rechter de keuze te laten tussen de eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken of een straf uit te spreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. De commissie heeft ervoor gekozen deze wet over te nemen en deze in de tekst van het voorontwerp in te voegen ondanks het feit dat zij met deze oplossing niet kan instemmen, gelet op de bovenvermelde redenen.

In de derde paragraaf zijn de gevallen overgenomen bedoeld in artikel 13 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen : wanneer het om een rechtspersoon gaat, vervalt de strafvordering door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening. De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hadden te ontsnappen aan vervolging, of indien de rechtspersoon overeenkomstig artikel 143 door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld vóór het verlies van de rechtspersoonlijkheid.

Artikel 32

In het eerste en tweede lid zijn de verjaringstermijnen overgenomen bepaald in artikel 21 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. De commissie Strafprocesrecht heeft het niet opportuun geacht deze termijnen te verlengen (infra artikel 35).

In het derde en het vierde lid zijn de regels betreffende de verjaring gewijzigd inzake de aanvang van de verjaringstermijn.

Er is enerzijds bepaald dat de verjaring voor ieder misdrijf, afzonderlijk beschouwd, wordt geregeld overeenkomstig de termijnen eigen aan ieder misdrijf. De commissie heeft deze regel aangenomen daar het billijker is dat de verjaring opnieuw begint te lopen vanaf elk misdrijf.

Ingeval van valsheid en gebruik van valse stukken anderzijds, neemt de verjaringstermijn een aanvang vanaf het plegen van de valsheid en vanaf ieder gebruik, afzonderlijk beschouwd, tenzij in de wet anders is bepaald. Valsheid en gebruik van valse stukken zijn inderdaad ogenblikkelijke misdrijven en artikel 32 van het voorontwerp strekt ertoe in te gaan tegen de huidige rechtspraak, die deze misdrijven praktisch onverjaarbaar maakt, behoudens indien er niet langer gebruik van de stukken gemaakt wordt.

De commissie Strafprocesrecht heeft geen rekening willen houden met de wet van 16 juli 2002 betreffende de verlenging van de verjaringstermijn voor niet-correctionaliseerbare misdaden daar de commissie de mening toegedaan is dat deze wet niet wenselijk is vermits de verjaring steunt op het idee dat na afloop van een bepaalde tijd de bewijzen vervallen. Bovendien vindt de commissie het zeer opmerkelijk een wet te stemmen die zijn grondslag vindt in één bijzondere strafzaak.

Artikel 33

In dit artikel is artikel 21bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 34

Deze tekst komt overeen met artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

De commissie Strafprocesrecht heeft artikel 23 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering niet willen overnemen, teneinde geen onnodige moeilijkheden te doen ontstaan vermits in het algemeen de « dies a quo » niet in de termijn begrepen is.

Artikel 35

De commissie Strafprocesrecht heeft in dit artikel de tekst overgenomen van de wet van 11 december 1998, hoewel zij niet borg staat voor de door de wet aangenomen oplossing. De eerste zin van het artikel werd gewijzigd, teneinde uitdrukkelijk naar het wettelijk beletsel te kunnen verwijzen. Dit is namelijk de klassieke theorie van de schorsing van de verjaring.

De wet « Securitas » genaamd, maakt de zaken ingewikkelder en gaat zelfs in tegen de fundamentele doelstellingen van het voorontwerp.

De commissie Strafprocesrecht heeft bovendien de wet van 11 december 1998 geamendeerd door een deel van het derde gedachtenstreepje van punt 1 op te heffen. Door dit amendement wordt de toepassing van dit artikel niet beperkt tot het hoger beroep dat enkel uitgaat van het openbaar ministerie.

De commissie neemt bij het ter perse gaan van dit voorontwerp kennis van de publicatie op 5 september 2002 van de wet van 16 juli 2002. Zij heeft deze wet niet kunnen overnemen. Niettemin stelt de commissie met genoegen vast dat artikel 3 van voormelde wet met ingang van 1 oktober 2003 artikel 24 van de Voorafgaande Titel vervangt en dit artikel veel duidelijker maakt.

Artikel 36

In dit artikel is artikel 25 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 37

In artikel 37 is artikel 29 van de Voorafgaande Titel overgenomen, maar enkel wat de verjaring van de strafvordering betreft (de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering wordt later behandeld in artikel 54 van het voorontwerp van wetboek).

TITEL II

De burgerlijke rechtsvordering

Artikel 38

In dit artikel is artikel 46 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, waardoor in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering een artikel 3bis is ingevoegd, overgenomen.

In die tekst, gegrond op de aanbevelingen inzake strafrechtspleging gedaan in het verslag namens de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten (28), is onderstreept dat de slachtoffers correct moeten behandeld worden en dat zij de nodige informatie moeten ontvangen.

Het tweede lid is gewijzigd en een derde lid is ingevoegd, overeenkomstig artikel 17 van de wet van 7 mei 1999 tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964.

HOOFDSTUK 1

De benadeelde persoon

Artikel 39

Overeenkomstig de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (29), voorziet dit artikel in het statuut van de benadeelde persoon.

In het artikel is de tekst van artikel 47, paragrafen 1 en 2, van de wet van 12 maart 1998 overgenomen, die een artikel 5bis in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering heeft ingevoegd, maar tevens wordt voorzien in de mogelijkheid om zijn verklaring door middel van een aangetekend schrijven te doen.

De tekst preciseert welke gegevens deze verklaring moet bevatten, of het nu om een natuurlijke persoon dan wel om een rechtspersoon gaat.

Artikel 40

De tekst is overgenomen uit artikel 47, paragraaf 3, van de wet van 12 maart 1998 die een artikel 5bis in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering heeft ingevoegd.

De eerste drie leden van dit artikel zijn identiek aan artikel 47, paragraaf 3, van de wet van 12 maart 1998 die een artikel 5bis in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering heeft ingevoegd.

Het vierde lid, volgens hetwelk de benadeelde persoon kan vragen geen informatie meer te willen ontvangen, is nieuw.

Artikel 41

Ten aanzien van de wet van 12 maart 1998 is dit artikel nieuw. Dit artikel voorziet in een werkelijke controle door de procureur des Konings nopens de vraag of een persoon werkelijk door een misdrijf werd benadeeld.

De procureur des Konings kan weigeren gevolg te geven aan de verklaring, indien de persoon van geen persoonlijk belang doet blijken of indien de verklaring klaarblijkelijk niet op juiste motieven gegrond is.

Het tweede en derde lid verduidelijken de kennisgeving van de beslissing en bepalen dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat, onverminderd het recht van de persoon die beweert benadeeld te zijn, om zich burgerlijke partij te stellen.

Zoals vermeld in het Parlement ter gelegenheid van de besprekingen van de wet van 12 maar 1998, is het belangrijk dat een persoon zonder persoonlijk belang niet de hoedanigheid van benadeelde persoon zou verkrijgen, zodanig dat hij niet kan genieten van de rechten door de wet aan de benadeelde personen toegekend.

Artikel 42

Dit artikel neemt artikel 5 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken over, dat een nieuw artikel 5ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering invoegt.

HOOFDSTUK 2

De burgerlijke partij

Artikel 43

In het eerste lid is bepaald dat elke natuurlijke persoon en rechtspersoon over een burgerlijke rechtsvordering beschikt.

Overeenkomstig de rechtsleer is in het tweede lid bepaald dat het openbaar ministerie niet bevoegd is om de burgerlijke rechtsvordering uit te oefenen, maar dat het de nodige maatregelen kan nemen met het oog op de voortzetting van de rechtspleging tot zij is voltooid.

Artikel 44

In het eerste lid zijn (overeenkomstig de rechtsleer en de rechtspraak) de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering vermeld.

Het tweede lid is overgenomen uit artikel 19 van de wet van 12 maart 1998. De burgerlijke partij moet in België woonplaats kiezen indien zij er haar woonplaats niet heeft. Het is dus niet meer vereist keuze van woonplaats te doen in het arrondissement waarin men zich burgerlijke partij stelt.

Artikel 45

Overeenkomstig artikel 45 maken de rechtspersonen uitdrukkelijk deel uit van diegenen tegen wie de burgerlijke rechtsvordering kan worden uitgeoefend. Met toepassing van artikel 20, derde lid, van de voorafgaande titel, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, worden ook hun rechtsopvolgers bedoeld.

Artikel 46

Deze bepaling is ontleend aan artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, maar er is niet langer sprake van verplichte en van openbare orde zijnde schorsing, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld. Het strafrechtelijk gewijsde heeft immers niet langer absolute voorrang op de burgerlijke rechter.

Artikel 47

De wijzen waarop de burgerlijke rechtsvordering kan worden ingesteld zijn geformuleerd overeenkomstig de huidige rechtspraak en rechtsleer. Deze tekst is gesteund op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (I, 54, artikel 18).

Artikel 48

Dit artikel brengt in herinnering dat de vordering van de burgerlijke partij in het strafproces beperkt is tot de opsporing van de bewijzen, het aantonen van het strafbaar feit en de kwalificatie ervan, alsook het herstel van de schade veroorzaakt door dat feit, met uitzondering van de bepaling van de straf.

Artikel 49

Deze bepaling betreft de rechten van de aangestelde burgerlijke partij. Overeenkomstig de rechtsleer en de rechtspraak heeft zij het recht te worden bijgestaan of te worden vertegenwoordigd door een advocaat, ter terechtzitting te worden gehoord, stukken bij het dossier te voegen en in kennis te worden gesteld van de rechtsdag voor het onderzoeksgerecht en voor het vonnisgerecht. Bijkomende rechten worden haar toegekend ­ alsook aan andere tussenkomende partijen ­ krachtens de artikelen 123 tot 126 in het kader van het opsporingsonderzoek en krachtens de artikelen 204 tot 208 in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

In het tweede lid wordt eraan herinnerd dat de burgerlijke partij kosteloos een afschrift ontvangt van de vonnissen en arresten gewezen ten gronde (artikel 18 van het voorontwerp), met uitzondering evenwel van de minder zware beslissingen gewezen door de politierechtbank (artikel 318 van het voorontwerp).

HOOFDSTUK 3

De tussenkomende partij

Algemeen

Een en ander strekt ertoe de vrijwillige of gedwongen tussenkomst voor de strafgerechten mogelijk te maken overeenkomstig de artikelen 811 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek.

De parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (30), heeft inderdaad voorgesteld dat van deze procedure gebruik kan worden gemaakt (door de benadeelde partij).

Door het voorontwerp wordt de vrijwillige of gedwongen tussenkomst op meer algemene wijze mogelijk gemaakt.

De tekst van de artikelen 50 en 51 werd besproken tijdens de parlementaire werkzaamheden betreffende de wet van 12 maart 1998 (31). Er werd overgekomen deze problematiek op te nemen in het voorontwerp van wetboek van strafprocesrecht en niet in punctuele hervormingen (32).

a) De vrijwillige en gedwongen tussenkomst in de burgerlijke rechtspleging

De vrijwillige tussenkomst is de handeling van een persoon die zich uit eigen beweging mengt in een geding dat hij niet heeft ingesteld en niet tegen hem is gericht, hetzij om te verklaren dat het betwist recht hem toekomt, hetzij om zich te verzekeren van het behoud van zijn rechten die door de uitkomst van het geding in het gedrang zouden kunnen worden gebracht (33).

Door dit initiatief probeert degene die tussenkomt de uitspraak van een vonnis dat zijn rechten zou kunnen aantasten te voorkomen. Hij probeert derdenverzet, steeds een delicate rechtspleging, te voorkomen. Teneinde het nut van deze preventieve maatregel goed te begrijpen, mag niet uit het oog worden verloren dat, ondanks de regel van de betrekkelijkheid van de doeltreffendheid van het vonnis, een rechterlijke beslissing, wegens de verplichte gevolgen of door haar bewijskracht, aan een derde kan worden tegengeworpen.

De vrijwillige tussenkomst bewijst grote diensten. Een voorbeeld : tussenkomst in het kader van een rechtspleging tot teruggave van een gedeelte van een grond. Zonder het resultaat van het rechtsgeding af te wachten, komt de buur van één van de gedingvoerende partijen naar de zitting, toont een beslissende titel en laat vaststellen dat hij de eigenaar van het pand is.

De gedwongen tussenkomst is de procedure door middel waarvan de partijen in het geding het recht hebben om een persoon in het geding te roepen die niet bij de zaak betrokken is. De personen die derdenverzet zouden kunnen aantekenen tegen het vonnis over de hoofdvordering kunnen in het geding worden geroepen (34).

b) Huidige toestand in de strafrechtspleging

Krachtens de huidige rechtspraak is de vrijwillige of gedwongen tussenkomst enkel mogelijk in de gevallen bij de wet bepaald.

De vrijwillige en gedwongen tussenkomst is enkel voorzien in de artikelen 811 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek.

De artikelen 152, 153, 182 en 216 van het Wetboek van Strafvordering handelen over de partijen die een zaak aanhangig kunnen maken en diegenen tegen wie een zaak aanhangig kan worden gemaakt, maar staan de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde niet uitdrukkelijk toe.

Het Hof van Cassatie heeft daaruit afgeleid dat de artikelen 811 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn op de strafgerechten en dat de vrijwillige en gedwongen tussenkomst in de strafrechtspleging niet is toegestaan, behalve in de uitdrukkelijk in de wet bedoelde gevallen of wanneer de wet de strafrechter, bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, uitzonderlijk machtigt om tegelijk met de veroordeling, een straf of een andere maatregel uit te spreken tegen een derde die voorafgaandelijk niet in het geding was geroepen (35).

Het weigeren van de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde in het strafproces is gebaseerd op het beginsel dat strafrechters niet bevoegd zijn om kennis te nemen van een burgerlijke vordering, behalve in de uitdrukkelijk in de wet bedoelde gevallen, aangezien normaliter enkel de burgerlijke rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van burgerrechtelijke betwistingen.

c) Kritiek op de huidige toestand

Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, is dat Wetboek het gemeen recht voor de rechtspleging. Voorzover het Wetboek van Strafvordering de vrijwillige en gedwongen tussenkomst noch regelt noch uitsluit, zouden de artikelen 811 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing moeten zijn in het strafprocesrecht.

Overigens, aangezien de burgerlijke vordering aanhangig kan worden gemaakt voor de strafgerechten ­ dat beginsel wordt hier niet op de helling geplaatst ­ zou het logisch zijn dat zij volledig voor de strafrechter zou kunnen worden uitgeoefend.

In een groot aantal gevallen komen alle bij de burgerlijke vordering betrokken partijen niet voor de strafrechter, aangezien de vrijwillige en gedwongen tussenkomst krachtens de wet enkel in uitzonderlijke gevallen mogelijk is.

Overeenkomstig artikel 11 van de uitleveringswet van 15 maart 1874 kunnen sommige derden tijdens de rechtspleging voor de raadkamer tegen de vreemdeling wiens uitlevering wordt gevraagd tussenkomen om zich te verzetten tegen de verzending van voorwerpen naar het buitenland.

Overeenkomstig artikel 47 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 kan de bedrijfsleider tussenkomen in de vervolging ingesteld tegen de derde aansprakelijke voor het ongeval waarvan een arbeider het slachtoffer is.

In de wet van 25 juni 1992 betreffende de landverzekeringsovereenkomst zijn de mogelijkheden tot vrijwillige of gedwongen tussenkomsten uitgebreid. Teneinde te ontsnappen aan de moeilijkheden die kunnen worden veroorzaakt door de betrekkelijkheid van het rechterlijke gewijsde, is in artikel 89, tweede en derde paragraaf, bepaald dat de benadeelde persoon en de verzekerde de verzekeraar via een gedwongen tussenkomst in een geding kunnen roepen en dat laatstgenoemde tevens vrijwillig kan tussenkomen. Deze bepalingen gelden voor alle aansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomsten en zijn van dwingend recht (36). Zij zijn zelfs van toepassing wanneer het proces tegen de verzekerde is ingesteld voor de strafrechter. In artikel 89, vijfde paragraaf, is inderdaad bepaald dat « wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ».

Hoewel een en ander als dusdanig is geregeld in verband met de aansprakelijkheidsverzekering, doet het probleem zich nog steeds voor in tal van andere zaken waarin de wet niet uitdrukkelijk voorziet in de vrijwillige of gedwongen tussenkomst.

Inzake verbeurdverklaring is in de wet niet voorzien in de vrijwillige tussenkomst. Luidens artikel 43bis van het Strafwetboek kan iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, dit recht laten gelden binnen een termijn en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. Luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 kan iedere derde die beweert recht te hebben op een van de zaken waarvan de verbeurdverklaring is uitgesproken, tijdens de termijn bepaald in artikel 1 (negentig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de veroordeling tot verbeurdverklaring in kracht van gewijsde is gegaan), zijn aanspraak voor de bevoegde rechter brengen. De derde, eigenaar van het in beslag genomen voorwerp, moet na de strafvordering dus een aparte procedure beginnen om zijn goed op te eisen. De gevallen van verbeurdverklaring van goederen die toebehoren aan derden komen vrij vaak voor, bijvoorbeeld de voertuigen die in beslag worden genomen in het kader van misdrijven die verband houden met drugs, verboden wapens (ook al zijn het wapens van een collectie) en de toegelaten verbeurdverklaringen in gevallen van heling. Krachtens artikel 42, 3º, van het Strafwetboek wordt de verbeurdverklaring immers toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen.

Hoewel de rechtspraak de vrijwillige tussenkomst van derden ten laste van wie de verbeurdverklaring is uitgesproken in sommige gevallen toestaat (37), berusten deze toepassingen niet op een wettekst en zou er bijgevolg geen rekening mee kunnen worden gehouden.

Bovendien zijn tal van gevallen noch in de rechtsleer, noch in de rechtspraak geregeld en komt het voor dat de burgerlijke rechtsvordering voor de strafgerechten wordt beknot, aangezien het onmogelijk is derden in het geding te roepen die een deel van de aansprakelijkheid zouden moeten dragen en die niet zijn vervolgd.

Een voorbeeld : een beklaagde wordt voor de politierechtbank, op strafgebied, vervolgd omdat hij door het rode licht is gereden en als dusdanig een verkeersongeval heeft veroorzaakt met onopzettelijke slagen en verwondingen. Het slachtoffer heeft zich burgerlijke partij gesteld en eist schadevergoeding. De beklaagde haalt ter verdediging aan dat het verkeerslicht zich op een weinig zichtbare plaats bevond. Ingeval de rechtbank met die verzachtende omstandigheid rekening houdt op strafgebied, heeft zulks evenwel geen gevolgen op burgerrechtelijk vlak en zal de beklaagde veroordeeld worden tot volledige schadevergoeding van de burgerlijke partij. De stad is inderdaad niet in het geding betrokken en kan noch door de beklaagde, noch door de burgerlijke partij in het geding worden geroepen omdat de wet dit niet uitdrukkelijk toestaat. Het door de beklaagde aangehaalde argument heeft op burgerrechtelijk vlak slechts gevolgen als hij nadien voor de burgerlijke rechtbanken een aansprakelijkheidsvordering instelt tegen de stad en wat reeds voor de politierechtbank is gepleit opnieuw pleit, met het risico dat de beslissing van de burgerlijke rechter onverenigbaar is met deze van de politierechtbank. Deze laatste beslissing heeft immers geen kracht van gewijsde ten aanzien van de stad die niet bij het geding was betrokken en ook de motieven van deze beslissing hebben geen gezag van gewijsde. Indien echter diegene die het ongeval heeft veroorzaakt (de beklaagde) niet strafrechtelijk zou zijn vervolgd, maar door de « burgerlijke partij » zou zijn opgeroepen voor de politierechtbank, burgerlijke afdeling, zou hij tegen de stad een vordering tot gedwongen tussenkomst hebben kunnen richten. Eén enkel debat met alle betrokken partijen zou hebben volstaan.

Het is duidelijk dat het stelsel toegepast voor de burgerlijke rechtbanken niet enkel doeltreffender is, maar ook dat de situatie van diegene die voor de strafgerechten wordt vervolgd moeilijk aanvaardbaar is in vergelijking met diegene die voor een burgerlijke rechtbank verschijnt.

Ook diegene die burgerlijk aansprakelijk is kan belang hebben vrijwillig tussen te komen, zoals ook de beklaagde of de burgerlijke partij belang kunnen hebben om hem in het geding te roepen (zie artikel 52).

Sommige derden kunnen trouwens belang hebben bij een vrijwillige tussenkomst, bijvoorbeeld om te voorkomen dat een akte waardoor zij beweren aanspraak te kunnen maken op bepaalde rechten, vals wordt verklaard, enz ...

d) Men kan derhalve besluiten dat voorzover een burgerlijke rechtsvordering kan worden ingesteld voor de strafrechtbanken, zij ten volle moet kunnen worden uitgeoefend, wat impliceert dat de vrijwillige en de gedwongen tussenkomst mogelijk moeten worden.

Artikel 50

Krachtens dit artikel worden de vrijwillige en de gedwongen tussenkomst ingevoerd in het strafprocesrecht en wordt nader bepaald, rekening houdend met de tegengestelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de artikelen 811 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek tevens van toepassing zijn op de strafgerechten.

Het tweede lid bepaalt dat de tussenkomst de berechting van de strafvordering niet mag vertragen.

Luidens het derde lid kan de gedwongen tussenkomst geschieden bij dagvaarding of bij conclusie.

Artikel 51

Dit artikel regelt de wijze waarop de vrijwillige tussenkomst geschiedt, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1026 en 1027 van het Gerechtelijk Wetboek.

HOOFDSTUK 4

De burgerlijk aansprakelijke partij

Artikel 52

Het nieuwe element bestaat erin dat de burgerlijk aansprakelijke partij niet enkel vrijwillig kan tussenkomen (artikelen 50 en 51), maar tevens door de beklaagde in de zaak kan worden opgeroepen, dit in tegenstelling tot de huidige rechtspraak (38).

Het is inderdaad nuttig dat een beklaagde de burgerlijk aansprakelijke partij kan verplichten in het geding aanwezig te zijn om de burgerlijke veroordelingen op zich te nemen, vooral wanneer de beklaagde beperkt solvabel is.

HOOFDSTUK 5

Het verval van de burgerlijke rechtsvordering

Artikel 53

In het eerste lid zijn de klassieke oorzaken van verval van de burgerlijke rechtsvordering opgesomd.

In het tweede lid is artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. (Zie in het bijzonder artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek).

In het derde lid is bepaald dat de bijzondere verjaringstermijnen in sociale zaken, in handelszaken en in fiscale zaken beginnen te lopen vanaf het plegen van ieder feit dat de schade heeft veroorzaakt.

Artikel 54

In het huidige artikel 54 van het voorontwerp van wetboek is, wat de burgerlijke rechtsvordering betreft, artikel 29 van de Voorafgaande Titel overgenomen (zie artikel 37 van het voorontwerp wat de verjaring van de strafvordering betreft).

BOEK III

HET STRAFPROCES

TITEL I

Het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie

HOOFDSTUK 1

Het opsporingsonderzoek

Artikel 55

Conform de wens uitgedrukt door de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (39), omschrijft dit artikel het opsporingsonderzoek, dat in het bijzonder de proactieve recherche omvat.

Dit artikel is gesteund op de bepalingen die in het Wetboek van Strafvordering zijn ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

In het eerste lid is artikel 28bis, paragraaf 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Het tweede lid komt overeen met artikel 28bis, paragraaf 2, van voornoemd wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket.

In het derde lid is artikel 28bis, paragraaf 1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Het vierde lid komt overeen met artikel 28bis, paragraaf 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 56

In het eerste lid is artikel 28ter, paragraaf 1, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998. De commissie heeft evenwel het woord « recht « vervangen door « bevoegdheid « .

Het tweede lid komt overeen met artikel 28bis, paragraaf 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998. De bewoordingen « op straffe van nietigheid « die door de commissie aan het artikel werden toegevoegd, leveren een probleem op voor een lid van de commissie, dat zich afvraagt of men hier al dan niet met een absolute nietigheid te maken heeft. De commissie heeft niettemin besloten de tekst te behouden en verwijst naar hetgeen hieromtrent gezegd werd in de artikelen 7 tot 10 van het voorontwerp. Men heeft hier dus niet met een absolute nietigheid te maken.

Artikel 57

Het eerste lid is een vernieuwde redactie van artikel 22 van het Wetboek van Strafvordering.

Het tweede lid is overgenomen uit artikel 28quater, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998.

Artikel 58

In het eerste lid is artikel 28ter, paragraaf 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998.

Het tweede lid komt overeen met artikel 4 van de wet van 12 maart 1998 krachtens hetwelk artikel 26 opnieuw in het Wetboek van Strafvordering wordt opgenomen.

Deze tekst werd niet gewijzigd, noch bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, noch bij de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings.

Artikel 59

Het eerste lid is overgenomen uit artikel 23, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, rekening houdend met artikel 14 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. De tekst zoals die nu opgesteld is herneemt een oudere tekst. De commissie houdt eraan te preciseren dat het volgens haar duidelijk is dat bij voorkeur de procureur des Konings van de plaats van het misdrijf bevoegd is. Het belang verleend aan het criterium van de plaats van het misdrijf, verhindert dat sommige parketten hun machtspositie zouden misbruiken en de zaak naar zich zouden toetrekken door te verwijzen naar een bijkomstig bevoegdheidscriterium. Zulke gedragingen belemmeren immers té regelmatig de rechtsgang.

In het tweede lid is artikel 3 van de wet van 12 maart 1998 overgenomen, dat artikel 23, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wijzigt.

Artikel 60

Dit artikel komt overeen met artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering, aangevuld door artikel 14 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen.

Deze tekst zal in de toekomst moeten aangevuld worden door Boek V betreffende het internationaal strafrecht en in het bijzonder door hoofdstuk 1, namelijk de misdrijven in het buitenland gepleegd, waarvan de tekst in het bestaande Wetboek van Strafvordering geldig blijft bij gebrek aan actuele wijzigingen.

Artikel 61

In artikel 61 is artikel 28ter, paragrafen 3 en 4, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998.

Paragraaf 1, tweede lid, werd evenwel gewijzigd overeenkomstig artikel 218 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, dat zelf artikel 28ter, paragraaf 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wijzigt.

Artikel 62

In het eerste lid is de tekst overgenomen van artikel 28bis, paragraaf 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998.

In het tweede lid is artikel 28ter, paragraaf 2, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998.

Artikel 63

Artikel 63 komt volledig overeen met artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998. De commissie Strafprocesrecht betreurt ten zeerste dat dit artikel sinds zijn inwerkingtreding slechts weinig werd toegepast. Zij heeft eveneens overwogen het openbaar ministerie te verplichten de door de pers onjuist verstrekte informatie en informatie die het vermoeden van onschuld schendt recht te zetten. Deze optie werd evenwel niet weerhouden.

Aan die bepaling is een vierde paragraaf toegevoegd, die artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken vervangt en wijzigt. Er is bepaald dat de procureur des Konings, en niet meer de procureur-generaal, aan een fysieke persoon of een rechtspersoon die van een wettig belang doet blijken, toestemming kan verlenen om alle akten van rechtspleging of een gedeelte ervan te raadplegen of een kopie daarvan te bekomen. De procureur des Konings kan voorwaarden verbinden aan die toestemming. Zijn beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep. Niettemin zal het toch de procureur-generaal zijn die de toestemming om alle akten van rechtspleging of een gedeelte ervan te raadplegen of een kopie daarvan te bekomen al dan niet zal verlenen aan een persoon, die in het kader van het opsporingsonderzoek het voorrecht van rechtsmacht geniet.

Deze bepaling is de tegenhanger van artikel 136 in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

De commissie stelt voor dat een gelijkaardige tekst in het Burgerlijk Wetboek of in het decreet van 20 februari 1831 betreffende de drukpers zou ingevoegd worden.

HOOFDSTUK 2

De modaliteiten van het opsporingsonderzoek

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 64

Dit artikel betreft de verschillende manieren waarop misdrijven ter kennis van de procureur des Konings kunnen worden gebracht. Alle wegen zijn mogelijk.

Artikel 65

De aangifte wordt omschreven als een verklaring van een persoon waarbij het misdrijf aan de bevoegde overheid wordt meegedeeld met of zonder aanwijzing van de dader ervan.

Artikel 66

De klacht verschilt van de aangifte omdat zij wordt geformuleerd door de persoon die beweert door het misdrijf te zijn benadeeld.

Artikel 67

Overeenkomstig de rechtsleer en de rechtspraak is in de tekst bepaald dat de aangifte en de klacht aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen zijn, noch dat zij een bijzondere bekwaamheid vereisen van diegenen die ze formuleren.

Artikel 68

Dit artikel heeft betrekking op de wijze waarop klachten en aangiften worden meegedeeld. Het idee is overgenomen uit artikel 64 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 69

Dit artikel komt overeen met artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, krachtens hetwelk iedere overheid die in de uitoefening van haar ambt kennis krijgt van een misdrijf daarvan dadelijk bericht moet geven aan de procureur des Konings. Zoals in het verleden is deze verplichting niet gesanctioneerd.

Artikel 70

Overeenkomstig het huidige artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering, is in dit artikel gesteld dat eenieder die getuige is geweest van een misdrijf daarvan bericht moet geven aan de procureur des Konings. Ook in dit verband is er geen straf gesteld op de niet naleving van deze verplichting.

Afdeling 2

De gerechtelijke politie

Algemene opmerking

Deze afdeling houdt rekening met de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en met de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings.

Bijgevolg werd deze afdeling aangepast in functie van de thans doorgevoerde hervormingen door sommige artikelen op te heffen en door andere te wijzigen teneinde te bepalingen van de wet van 22 december 1998 op te nemen.

In artikel 71 wordt de tekst van artikel 24 van de wet van 22 december 1998 overgenomen.

In artikel 72 wordt artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, met inbegrip van enkele lichte vormelijke wijzigingen.

In artikel 73 worden artikel 138 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en artikel 9 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, door een opsomming te geven van de personen die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie. De commissie Strafprocesrecht heeft zich afgevraagd of het opportuun is de term « officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings » te behouden. Na beraadslaging werd besloten deze in stand te houden.

Afdeling 3

De handelingen van het opsporingsonderzoek

Onderafdeling 1

De ondervraging en het verhoor

Artikel 74

Er wordt herinnerd aan het beginsel dat eenieder in het kader van het opsporingsonderzoek kan worden ondervraagd, ongeacht zijn hoedanigheid en zonder de eed te moeten afleggen. Dient er een sanctie opgelegd te worden in geval van valse getuigenis ? En indien een sanctie wordt opgelegd, moet deze dan verschillend zijn naargelang zij betrekking heeft op een getuige die beschuldigt of die de onschuld bewijst ? De commissie is er niet in geslaagd een akkoord te bereiken omtrent dit punt. Wat er ook van zij, zelf zonder strafrechtelijke sanctie, blijft de burgerlijke aansprakelijkheid van de getuige bestaan.

Artikel 75

Het eerste lid bevat een belangrijke bepaling, aangezien zij de procureur des Konings de mogelijkheid biedt om personen die niet ingaan op een oproeping door een officier van gerechtelijke politie daartoe te dwingen door de openbare macht. Het is evenwel een beperkt dwangmiddel (zie tweede lid), aan te wenden onder het toezicht en het gezag van de procureur des Konings. De schriftelijk verleende machtiging van de procureur des Konings moet bij het dossier worden gevoegd.

In het tweede lid is nader omschreven dat de opgeroepen personen niet langer kunnen worden opgehouden dan de tijd die strikt noodzakelijk is voor hun verhoor. Bovendien is de machtiging van de procureur des Konings verplicht, indien een persoon dient opgehouden te worden voor andere motieven dan deze geformuleerd in artikel 242 van het voorontwerp.

§ 1 : Het verhoor in het algemeen

Artikel 76

In dit artikel is artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Aan 1º zijn evenwel twee punten toegevoegd, met name het punt e) betreffende de mogelijkheid om in een later stadium maar vóór de beëindiging van het opsporingsonderzoek een memorie over te leggen, en het punt f) dat bepaalt dat men kan weigeren te antwoorden (40).

In het tweede punt is bovendien bepaald dat de vermeldingen in het proces-verbaal zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het gaat natuurlijk enkel over de nietigheid van het proces-verbaal en niet over de nietigheid van het opsporingsonderzoek zelf. Het gaat om een nietigheid die een belangenschade moet meebrengen en die kan worden gedekt. Zij kan worden opgeworpen voor de onderzoeksgerechten.

Ook het vijfde punt is nieuw en bepaalt dat in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden en in de gevallen omschreven in de wet, de audiovisuele opname van het verhoor ambtshalve of op verzoek van de ondervraagde persoon kan gelast worden.

Artikel 77

Dit artikel voorziet in de overhandiging aan de ondervraagde persoon van een kopie van het proces-verbaal van het verhoor en in de reglementering ervan.

De parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (41), had de aanbeveling geformuleerd in deze aangelegenheid wetteksten uit te werken.

In het eerste tot het derde lid is artikel 28quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd door de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

De laatste drie leden zijn overgenomen uit de wet van 28 november 2000.

Krachtens het vierde lid heeft de procureur des Konings de mogelijkheid om de mededeling aan een minderjarige van een kopie van het proces-verbaal van zijn verhoor te weigeren of uit te stellen tot de leeftijd van achttien jaar, indien het risico bestaat dat de kopie hem wordt ontnomen of dat hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren.

In het daaropvolgende lid is evenwel bepaald dat de minderjarige, in dat geval, kennis kan nemen van de inhoud van het proces-verbaal als hij vergezeld is door een advocaat of een justitieassistent.

§ 2 : Het verhoor van minderjarigen

Artikel 78

Krachtens dit artikel hebben minderjarigen het recht zich tijdens hun verhoor te laten begeleiden. Dit artikel werd overgenomen uit artikel 91 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

Artikel 79 tot 88

Deze artikelen hebben betrekking op de audiovisuele opname van het verhoor van minderjarigen. Zij hernemen de teksten van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen. De commissie heeft evenwel het woord « cassette » vervangen door « beeld- of geluidsdragers ». Deze wijziging zal in de toekomst de opname op CD-rom of DVD mogelijk maken.

In de artikelen zijn de voorwaarden en de wijze van opname van het opgenomen verhoor nader omschreven.

De voornaamste punten zijn de volgende :

­ de toestemming van de minderjarige die meer dan twaalf jaar oud is met de opname van het verhoor, met dien verstande dat de voorafgaande toestemming van de ouders met de opname en met het beginsel van het verhoor niet vereist is (artikel 79);

­ de beperking van de personen die toegelaten zijn om het verhoor bij te wonen en om de beeld- of geluidsdragers te bekijken (artikelen 81 en 86);

­ de mogelijkheid voor de minderjarige om ten allen tijde de onderbreking van de opname te vragen (artikel 82);

­ het opstellen van een proces-verbaal van het opgenomen verhoor ten laatste binnen achtenveertig uur en de volledige en letterlijke overschrijving ervan op verzoek (artikel 83);

­ het verbod om de oorspronkelijke beeld- of geluidsdragers te kopiëren (artikel 84);

­ de processen-verbaal en de beeld- of geluidsdragers van de opname kunnen worden gebruikt voor de onderzoeks- en vonnisgerechten in de plaats van de persoonlijke verschijning van de minderjarige (artikel 87) behalve wanneer het vonnisgerecht de verschijning van de minderjarige beveelt bij een met redenen omklede beslissing.

Onderafdeling 2

De bescherming van de bedreigde getuigen

§ 1 : Definities van sommige in deze onderafdeling voorkomende uitdrukkingen

Artikel 89

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 102 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

§ 2 : De organen van de bescherming

Artikel 90

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 103 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

§ 3 : De toekenning van de bescherming

Artikel 91

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 104 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 92

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 105 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 93

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 106 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 94

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 107 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

§ 4 : De wijziging en de intrekking van de bescherming

Artikel 95

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 108 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 96

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 109 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 97

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 110 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Artikel 98

In deze bepaling wordt de tekst van artikel 5 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, die artikel 111 invoegt in het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

Onderafdeling 3

De opsporing van aanwijzingen en de materiële vaststelling van misdrijven

§ 1 : Algemene bepaling

Artikel 99

Deze bepaling betreft de maatregelen die kunnen worden genomen door de procureur des Konings en door de gerechtelijke politie.

De punten 1 tot en met 4 hernemen de klassieke bevoegdheden. In het derde punt zijn de paragrafen 2 en 3 van artikel 28 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt overgenomen en in het vierde punt is artikel 29 van dezelfde wet overgenomen.

In het vijfde punt is onderstreept dat de wetenschappelijke politionele technieken aangewend kunnen worden met inachtneming van de beginselen bekrachtigd in artikel 1 en van de bijzondere wettelijke bepalingen die deze technieken desgevallend regelen. In de tekst wordt herinnerd aan de grondbeginselen van de strafrechtspleging. Deze bepaling is in het bijzonder van toepassing op de bijzondere wetten tot regeling van de onderzoekstechnieken van wetenschappelijke politie.

Het zesde punt handelt over de autopsie. Het is aan te raden de procedure voorzien in artikel 192 toe te passen, dat artikel 44, laatste lid, van het Wetboek van Strafvordering overneemt, ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Deze bepaling, die gebaseerd is op de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (42) is terug te vinden in artikel 192 dat betrekking heeft op het gerechtelijk onderzoek.

Hier moet tevens verwezen worden naar artikel 134 van de Code van geneeskundige Plichtenleer dat bepaalt dat de geneesheer die een autopsie verricht alle noodzakelijke maatregelen zal moeten nemen opdat het lichaam, na de autopsie, zodanig wordt getoond dat de gevoelens van de nabestaanden geëerbiedigd worden.

De tekst van punt 7 in verband met de publiciteitsmiddelen is gebaseerd op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris H. Bekaert (II, 222, artikel 11, eerste lid).

§ 2 : Het deskundigenonderzoek

Artikel 100

Dit artikel heeft betrekking op de aanwijzing van een deskundige in spoedeisende gevallen.

Artikel 101

Dit artikel heeft betrekking op het verloop van het deskundigenonderzoek tijdens het opsporingsonderzoek.

Het eerste lid komt overeen met artikel 197 van het voorontwerp van wetboek in verband met het deskundigenonderzoek tijdens het gerechtelijk onderzoek. Er wordt verwezen naar de bespreking van dat artikel. Het is evenwel noodzakelijk te verduidelijken dat de onderzoeksrechter de controle over het deskundigenonderzoek zal hernemen wanneer de zaak pas bij hem aanhangig wordt gemaakt nadat het deskundigenonderzoek werd aangevraagd.

Het tweede lid is gebaseerd op artikel 198 van het voorontwerp. In het kader van het opsporingsonderzoek is het de procureur des Konings die de modaliteiten bepaalt van het deskundigenonderzoek rekening houdend met het evenwicht tussen de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering. Er moet inderdaad rekening worden gehouden met de concrete moeilijkheden die de tegenspraak vooral tijdens het opsporingsonderzoek kan teweegbrengen, in het bijzonder met het feit dat de verdachten en/of de slachtoffers niet altijd gekend zijn.

Deze bepaling ligt in het verlengde van het arrest van het Arbitragehof dd. 24 juni 1998, luidens hetwelk « De wetgever, zonder het gelijkheidsprincipe te schenden, deze optie kan milderen (te weten het inquisitoriaal karakter van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek) en kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden een deskundigenonderzoek contradictoir moet zijn, zelfs in het stadium van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek » (43).

In het voorontwerp wordt het inquisitoriaal karakter van de voorbereidende fase van het strafproces in diverse opzichten getemperd (mededeling van de kopieën van de processen-verbaal van verhoor, raadpleging van het strafdossier, samenvattende ondervragingen op tegenspraak, verzoek om bijkomende onderzoeksdaden, enz.) om tot een doeltreffender onderzoek te komen en opdat de rechten van de verdediging van partijen nog beter zouden beschermd zijn. In die geest en in de geest van voornoemd arrest van het Arbitragehof, is het logisch te voorzien dat de modaliteiten van het deskundigenonderzoek, in het kader van een opsporingsonderzoek, door de procureur des Konings worden bepaald.

Het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek is een criterium aan de hand waarvan de waarde van dit onderzoek kan worden beoordeeld. Het Arbitragehof stelde in zijn arrest van 24 juni 1998 terecht dat « de feitenrechter in zijn oordeel door geen enkele tekst gebonden is door de vaststellingen of conclusies van een deskundigenonderzoek; bij dat oordeel kan hij rekening houden met het al dan niet contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek ».

Artikel 102

Dit artikel in verband met het deskundigenonderzoek komt overeen met artikel 199 van het voorontwerp betreffende het deskundigenonderzoek tijdens het gerechtelijk onderzoek. Er wordt dan ook verwezen naar de bespreking van dit artikel.

Artikel 103

Dit artikel in verband met het deskundigenonderzoek komt overeen met artikel 200 van het voorontwerp, zodat wordt verwezen naar de bespreking van dit artikel.

Een lid van de commissie heeft een voorbehoud uitgedrukt over deze tekst. De zin van dit artikel ontgaat hem, daar de tekst enerzijds een aantal criteria omschrijft teneinde te bepalen hoe de procureur des Konings de deskundige kan kiezen en daar het anderzijds in fine bepaalt dat de procureur des Konings, in spoedeisende gevallen of indien geen van de aangewezen personen de opdracht van deskundige kan uitoefenen, elk ander gekwalificeerd persoon kan aanduiden.

Vermits de tekst een trapsgewijze opsomming bepaalt in verband met de keuze die zal gemaakt worden, heeft de commissie Strafprocesrecht geopteerd voor het behoud van de tekst in zijn actuele vorm.

Artikel 104

Dit artikel in verband met het deskundigenonderzoek komt overeen met artikel 201 van het voorontwerp, zodat wordt verwezen naar de bespreking van dit artikel.

Artikel 105

Dit artikel in verband met het deskundigenonderzoek komt overeen met artikel 202 van het voorontwerp, zodat wordt verwezen naar de bespreking van dit artikel.

Artikel 106

Dit artikel in verband met het deskundigenonderzoek komt overeen met artikel 203 van het voorontwerp, zodat wordt verwezen naar de bespreking van dit artikel. Doch de deskundige dient evenwel geen eed af te leggen in het kader van het opsporingsonderzoek.

§ 3 : De telecommunicatie

Artikel 107

In dit artikel is artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie.

§ 4 : Het onderzoek in een informaticasysteem

Artikel 108

In dit artikel is artikel 39bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 28 november 2000 inzake de informaticacriminaliteit.

§ 5 : Het DNA-onderzoek

Artikel 109

Dit artikel betreft de invoeging in het wetboek van artikel 2 van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken houdende invoeging van een artikel 44ter in het Wetboek van Strafvordering. Er wordt verwezen naar de memorie van toelichting van deze bepaling.

Onderafdeling 4

De bewarende maatregelen

Artikel 110

Krachtens dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997 en 14 januari 1999, alsmede op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (II, 171, artikel 30), wordt het beslag op roerende goederen op vrij ruime wijze mogelijk gemaakt, aangezien dit artikel betrekking heeft enerzijds op de zaken die ertoe kunnen bijdragen om de waarheid aan het licht te brengen en anderzijds op alles wat overeenkomstig artikel 42 van het Strafwetboek verbeurd kan worden verklaard, te weten :

1º de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn;

2º de zaken die uit het misdrijf voortkomen;

3º de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen.

Deze bepaling werd aangevuld met de artikelen over de inbeslagneming bij equivalent, zoals voorzien bij het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007. Hier wordt tevens verwezen naar de artikelen 114 en 115.

Artikel 111

Krachtens dit artikel moet op straffe van nietigheid een vrij nauwkeurige inventaris van de in beslag genomen goederen worden opgemaakt. De sanctie van nietigheid was voordien niet voorzien, doch de commissie vond het aangewezen deze op te nemen. De in beslag genomen zaken worden verzegeld, beschermd tegen iedere inbreuk en neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank.

De omstandigheden van de inbeslagneming en de bestemming van de goederen moeten worden vermeld in een proces-verbaal, hetzij in een proces-verbaal van het onderzoek hetzij in een afzonderlijk proces-verbaal.

Artikel 112

In dit artikel, dat is ontleend aan de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (II, 173, artikel 31bis), zijn de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie in verband met het beslag op roerende zaken nader bepaald.

Artikel 113

De huiszoeking, die een belangrijke aantasting van de persoonlijke levenssfeer en een schending van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning inhoudt, is en blijft een voorrecht van de onderzoeksrechter.

In beginsel kan in het kader van een opsporingsonderzoek slechts een huiszoeking worden verricht met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de persoon bij wie zij wordt verricht. Uitzonderingen zijn mogelijk, maar enkel als de wet daarin voorziet.

Artikel 114

In dit artikel is artikel 35bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 20 mei 1997, zoals gewijzigd bij artikel 8 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007.

Het reglementeert en laat het bewarend beslag op onroerend goed toe.

Artikel 115

In dit artikel is de tekst van artikel 9 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007 overgenomen.

Onderafdeling 5

De maatregelen met betrekking tot personen

Artikel 116

De voorwaarden betreffende de vrijheidsberoving zijn niet gewijzigd.

In dit artikel wordt uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 242 en 243 van het voorontwerp waarin de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en het tot dusver ongewijzigde artikel 32 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt zijn overgenomen.

Artikel 117

In deze bepaling wordt herinnerd aan de toepassing, in het kader van de opdrachten van gerechtelijke politie, van de artikelen 37 en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, waarin het gebruik van geweld en van vuurwapens wordt geregeld.

Artikel 118

Dit artikel verwijst uitdrukkelijk naar artikel 35 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt dat ertoe strekt de identiteit en de afbeelding van de aangehouden personen te beschermen. Het wordt nog versterkt door de invoering van een strafrechtelijke sanctie.

De commissie is de mening toegedaan dat deze strafrechtelijke sanctie zou moeten vermeld worden in de wet op het politieambt.

Onderafdeling 6

De verslagen en de processen-verbaal

Artikel 119

Het eerste en het tweede lid omschrijven en verduidelijken enerzijds, de verslagen betreffende feiten die doen vermoeden dat een misdrijf is gepleegd of op het punt staat gepleegd te worden, in het bijzonder in het kader van de proactieve recherche, en anderzijds, de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal.

Het derde lid betreft de vormvereisten inzake de processen-verbaal. Hun bewijswaarde hangt af van de eerbiediging van die regels.

Artikel 120

Deze bepaling is nieuw, in zoverre het openbaar ministerie de officier van gerechtelijke politie kan toestaan om een proces-verbaal niet over te zenden als het misdrijf weinig ernstig schijnt te zijn. Er zullen derhalve richtlijnen moeten uitgevaardigd worden teneinde te bepalen welke processen-verbaal niet moeten worden overgezonden. Het proces-verbaal moet hoe dan ook op beknopte wijze worden vermeld in een bijzonder register waarvan de inhoud op geregelde tijdstippen aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld.

Artikel 121

In dit artikel is bepaald dat behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, processen-verbaal enkel gelden als inlichting nopens de daarin vastgestelde materiële feiten.

Deze bepaling strekt ertoe discussies te voorkomen over de vraag welke processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel of tot betichting van valsheid, dan wel enkel als inlichting. De wetgever behoudt evenwel de mogelijkheid, in het bijzonder inzake het wegverkeer, om te bepalen dat processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel.

Artikel 122

Dit artikel heeft betrekking op het aanvankelijk proces-verbaal, alsmede op de mogelijkheid van officieren en agenten van gerechtelijke politie om rechtstreeks bijkomende inlichtingen te vragen aan andere politiediensten gevestigd buiten het grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn.

Dit artikel strekt ertoe het onderzoek doeltreffender te maken en sneller te laten verlopen. Het feit dat een onvolledig proces-verbaal wordt toegezonden aan de procureur des Konings, die daarna contact opneemt met een andere politieoverheid, leidt tot aanzienlijk tijdverlies. Bijgevolg moet in het kader van het zoeken naar inlichtingen een bepaalde horizontaliteit worden nagestreefd, zonder daarbij evenwel afbreuk te doen aan plicht van de procureur des Konings om het opsporingsonderzoek te leiden.

Afdeling 4

De rechten van iedere persoon benadeeld door een opsporingshandeling, van de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en de rechten van de verdachte

Artikel 123

In dit artikel is artikel 28sexies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en zoals gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken.

Het betreft hier iedere persoon die geschaad is door een opsporingshandeling met betrekking tot zijn goederen. Het gaat dus om een recht dat aan alle burgers is toegekend, ongeacht hun hoedanigheid in het kader van de rechtspleging.

Paragraaf 6 vult een bestaande leemte op en is overgenomen uit artikel 7 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007.

Zoals steeds wanneer teksten uit andere wetten zijn overgenomen, in het bijzonder uit de wet van 12 maart 1998, moet verwezen worden naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 124

De artikelen 125 en 126 van het voorontwerp (infra) strekken ertoe om, in het kader van het opsporingsonderzoek, voor de verdachte en de benadeelde partij te voorzien in rechten die overeenkomen met deze welke de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij genieten in het kader van het gerechtelijk onderzoek (infra de artikelen 206 en 207 van het voorontwerp van wetboek, betreffende de inzage in het strafdossier en het vragen van bijkomende onderzoekshandelingen).

De invoering van bedoelde rechten brengt geen moeilijkheden met zich mee voor de benadeelde persoon die de verklaring heeft afgelegd overeenkomstig de artikelen 38 en 39 van het voorontwerp.

Anders is de toestand van de persoon die door de procureur des Konings rechtstreeks zou kunnen worden gedagvaard voor de feitenrechter en voordien over geen enkel recht beschikt, soms zelfs gedurende jaren, hoewel zij meermaals is ondervraagd. In het kader van het gerechtelijk onderzoek doet dat probleem zich niet langer voor aangezien artikel 143 van het voorontwerp (met name artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken) in de inverdenkingstelling voorziet. In het kader van het opsporingsonderzoek komt het erop aan te weten wanneer een persoon als verdacht kan worden beschouwd, aangezien zulks rechten doet ontstaan.

Teneinde het begrip verdachte te objectiveren, is in artikel 124 van het voorontwerp bepaald dat eenieder die verschillende malen is ondervraagd door de gerechtelijke of politiële instanties aan de hand van een verzoekschrift gericht aan de procureur des Konings kan vragen of hij ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd. De procureur des Konings moet op het verzoekschrift antwoorden. Ingeval bevestigend wordt geantwoord, geeft de procureur des Konings de aard van het strafbaar feit aan. Als de procureur niet antwoordt, geniet de verzoeker van de rechten omschreven in de artikelen 125 en 126.

Artikel 125

Dit artikel is gebaseerd op artikel 206 van dit voorontwerp van wetboek (artikel 61ter ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, zoals gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken) en vormt een belangrijke nieuwigheid. Krachtens dit artikel hebben diegene die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd en de benadeelde persoon de mogelijkheid dat deel van het dossier in te zien dat op hen betrekking heeft, zulks overeenkomstig de beperkingen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel. Er is geen hoger beroep mogelijk.

De vaststelling dat ongeveer 90 % van de strafzaken met een opsporingsonderzoek worden afgehandeld, illustreert meteen het belang van de artikelen 125 en 126 voor de rechten van de benadeelde personen. De invoeging van deze twee artikelen in het voorontwerp van wetboek van strafprocesrecht is een antwoord op de kritieken geuit naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998. Sommigen hebben immers toen hun ongenoegen geuit over het feit dat de rechten van de benadeelde partijen enkel maar versterkt werden in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

De commissie Strafprocesrecht was zich hier van bewust en had meegedeeld dat zij dit aspect zou behandelen in de loop van de tweede fase van haar werkzaamheden (44). De artikelen 125 en 126 zijn daar het resultaat van.

Artikel 126

Krachtens dit artikel kunnen de verdachte persoon en de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd vragen een bijkomende opsporingshandeling te verrichten, zoals dit ook geldt voor de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij in het kader van het gerechtelijk onderzoek (artikel 207 van het voorontwerp of artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken).

De modaliteiten waaronder dit recht wordt uitgeoefend komen overeen met deze welke in artikel 207 van het voorontwerp zijn bepaald voor het gerechtelijk onderzoek.

HOOFDSTUK 3

De modaliteiten van het onderzoek bij ontdekking op heterdaad

Artikel 127

Dit artikel komt overeen met artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering en strekt ertoe het begrip heterdaad nauwkeuriger te omschrijven. Er is in het bijzonder bepaald dat de termijn vanaf het misdrijf in geen geval vierentwintig uur te boven mag gaan.

Artikel 128

In geval van misdaden of wanbedrijven ontdekt op heterdaad, worden de bevoegdheden van de procureur des Konings uitgebreid, in het bijzonder met de ambtsverrichtingen en dwangmiddelen die normaliter onder de bevoegdheid van de onderzoeksrechter vallen. Zodra de omstandigheden het toelaten, is hij gehouden het onderzoek aan de onderzoeksrechter over te dragen met het verzoek dit voort te zetten.

Deze tekst is gebaseerd op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (II, artikel 229).

Artikel 129

In deze tekst is artikel 46 van het Wetboek van Stafvordering overgenomen.

HOOFDSTUK 4

De afsluiting van het opsporingsonderzoek

Artikel 130

In het eerste lid is onderstreept dat, overeenkomstig de bestaande toestand, het opsporingsonderzoek wordt afgesloten door een oproeping bij proces-verbaal (artikel 25 van het voorontwerp), door een minnelijke schikking (artikel 29), door een maatregel zoals bedoeld in artikel 30 betreffende de bemiddeling, door een rechtstreekse dagvaarding ter terechtzitting (artikel 24) of door een seponering (artikel 21).

Het tweede lid is zeer belangrijk aangezien daarin is bepaald dat de procureur des Konings, vooraleer rechtstreeks voor de correctionele rechtbank te dagvaarden, de persoon die wordt gedagvaard en de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd daarvan in kennis moet stellen. De parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (45), had de aanbeveling geformuleerd deze kennisgeving aan de benadeelde partijen te richten. Het voorontwerp voorziet daarin en het laat hen tegelijkertijd toe inzage in het dossier te hebben en bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. De procureur des Konings is daartoe evenwel niet verplicht wanneer hij dit niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen, maar in geval van weigering, kan het verzoek opnieuw worden ingesteld bij de rechtbank waarbij de zaak wordt aangebracht.

Teneinde de rechtspleging niet nodeloos te verzwaren en aangezien dit recht niet op dezelfde manier te verantworden is voor minder zware misdrijven, is dit recht, indien het gaat om een dagvaarding voor de politierechtbank, enkel maar bepaald in de gevallen waarin de beklaagde overeenkomstig artikel 326, paragraaf 2, van dit voorontwerp van wetboek persoonlijk dient te verschijnen.

TITEL II

Het gerechtelijk onderzoek en de onderzoeksgerechten

HOOFDSTUK 1

Het gerechtelijk onderzoek

Algemene opmerking

De commissie heeft unaniem de instelling van de onderzoeksrechter overgenomen om de redenen die weren aangebracht tijdens de parlementaire bespreking van de wet van 12 maart 1998.

Artikel 131

In dit artikel is artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Artikel 132

In dit artikel is de tekst overgenomen van artikel 56, paragraaf 1, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998.

Artikel 133

Dit artikel komt overeen met artikel 56, paragraaf 2, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998, waarbij de verwijzingen werden aangepast overeenkomstig artikel 222 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. De commissie Strafprocesrecht heeft het derde lid van paragraaf 1 aangepast, teneinde de positie en de onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter te versterken door hem toe te laten rechtstreeks het hoofd van de lokale politie te verzoeken op te treden in plaats van de procureur des Konings.

Artikel 134

In dit artikel is artikel 17 van de wet van 12 maart 1998 tot invoeging van een artikel 62ter in het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 135

Het eerste lid heeft betrekking op de materiële bevoegdheid van de onderzoeksrechter.

Het tweede tot het vijfde lid regelen zijn territoriale bevoegdheid.

Het tweede lid is ontleend aan artikel 62bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. De commissie Strafprocesrecht heeft geopteerd voor een parallellisme met artikel 59 van het voorontwerp en heeft bijgevolg besloten de formulering van de tekst enigszins te wijzigen. Behoudens bijzondere omstandigheden, moet aan de onderzoeksrechter van de plaats van het misdrijf de voorrang gegeven worden.

Het derde lid betreft de territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter voor misdaden of wanbedrijven gepleegd buiten het Belgische grondgebied.

In het vierde lid is artikel 62bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Het laatste lid komt overeen met artikel 69 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin is bepaald dat de onderzoeksrechter de zaak uit handen kan geven ingeval hij territoriaal niet bevoegd is en dat hij de zaak naar de bevoegde rechter kan verwijzen, zoals het thans reeds gebeurt, doch dat hij dit moet doen alvorens enige onderzoekshandeling te verrichten.

Artikel 136

In dit artikel is artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998, maar het verduidelijkt bovendien dat de procureur des Konings, met uitsluiting van ieder ander, aan de pers gegevens kan verstrekken.

Er werd in de vierde paragraaf nader bepaald dat de procureur des Konings, met de instemming van de onderzoeksrechter, aan een derde die een wettig belang doet gelden evenwel toestemming kan verlenen om alle akten van rechtspleging of een gedeelte ervan te raadplegen of een kopie ervan te bekomen.

Deze bepaling strekt ertoe artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken te vervangen en te wijzigen. Zoals in artikel 63 van het voorontwerp in het kader van het opsporingsonderzoek, voorziet huidig artikel dat de te verlenen toestemming enkel onder de bevoegdheid van de procureur des Konings valt en niet onder deze van de procureur-generaal, hoewel in het kader van het gerechtelijk onderzoek de instemming van de onderzoeksrechter vereist is. Ook in dit geval kan de procureur des Konings voorwaarden aan de toestemming verbinden en is zijn beslissing niet vatbaar voor hoger beroep.

Artikel 137

Deze bepaling schrijft voor dat het dossier samengesteld is uit één origineel en twee eensluidende afschriften, zodat het origineel van het dossier permanent ter beschikking blijft van de onderzoeksrechter tot de regeling van de rechtspleging. De afschriften daarentegen kunnen, overeenkomstig de bepalingen van het voorontwerp, aan het openbaar ministerie, aan de partijen en aan hun raadslieden meegedeeld worden. Dit betekent dat het dossier geenszins aan de onderzoeksrechter kan onttrokken worden, noch door het hoger beroep ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling, noch door het verzoek tot mededeling uitgaande van het openbaar ministerie. Op deze manier wordt het gerechtelijk onderzoek niet vertraagd en behoudt de onderzoeksrechter de controle erover.

Onderzoeksrechters hebben reeds geklaagd over het feit dat aan het openbaar ministerie meegedeelde dossiers hen pas na een betrekkelijk lange periode worden teruggezonden. Zelfs indien de onderzoeksrechter een beschikking tot mededeling heeft uitgevaardigd, blijft het dossier bij hem aanhangig zolang de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan over de verwijzing of over de buitenvervolgingstelling. Een lid van de commissie was geen voorstander van de verplichting tot het houden van twee afschriften van het dossier, daar dit voor grote praktische problemen zou zorgen. De commissie Strafprocesrecht wenst deze verplichting te behouden teneinde aan de onderzoeksrechter de volle beschikking over het origineel van het dossier te waarborgen.

Afschriften van het dossier kunnen worden gemaakt op een geïnformatiseerde gegevensdrager, hetgeen de latere mededeling ervan aan de partijen in het geding zal vergemakkelijken. Dit is in Frankrijk reeds gebeurd voor zeer omvangrijke dossiers. Eigenlijk zou aan de deskundigen en aan de politie moeten gevraagd worden om samen met hun verslag en hun proces-verbaal de geïnformatiseerde gegevensdrager te bezorgen waarop zij hebben gewerkt.

HOOFDSTUK 2

De modaliteiten van het gerechtelijk onderzoek

Afdeling 1

De aanhangigmaking bij de onderzoeksrechter

Artikel 138

Dit artikel somt de wijzen op waardoor een zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig kan worden gemaakt.

In 3º is artikel 59, paragraaf 1, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998.

In de paragrafen 2, 3 en 4 is artikel 28septies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de mini-instructie, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 12 maart 1998, overgenomen.

Artikel 139

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg regelt de verdeling van de zaken onder de onderzoeksrechters als er meerdere onderzoeksrechters zijn.

Hij kan voorzien in de specialisatie van bepaalde onderzoeksrechters.

In het kader van een buitengewoon ingewikkelde zaak zou hij bijvoorbeeld verscheidene onderzoeksrechters kunnen aanstellen.

Artikel 140

Dit artikel is gebaseerd op artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering. Wanneer de onderzoeksrechter een burgerlijke partijstelling ontvangt, moet hij deze aan de procureur des Konings meedelen, zodat hij de passende vorderingen kan nemen. Deze verplichting geldt zowel indien de burgerlijke partijstelling de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig maakt en de strafvordering op gang brengt, als wanneer de burgerlijke partijstelling betrekking heeft op feiten die reeds vroeger bij de onderzoeksrechter aanhangig werden gemaakt, en dit in het vooruitzicht van een eventuele toepassing van artikel 141, § 1.

Artikel 141

De eerste paragraaf behandelt de hypothese dat de onderzoeksrechter niet gevat wordt door de feiten van de burgerlijke partijstelling, omdat hij daarvan reeds vroeger gevat was. In voorkomend geval is de procureur des Konings, die mededeling krijgt van het proces-verbaal van de burgerlijke partijstelling, niet gehouden bijzondere vorderingen te nemen, vermits de burgerlijke partijstelling volledig los staat van het op gang brengen van de strafvordering.

Indien niettemin blijkt dat de burgerlijke partijstelling van meet af aan niet ontvankelijk is, zal de situatie onmiddellijk moeten opgehelderd worden, gelet op de vele rechten verleend aan de burgerlijke partijen. Het is immers van kapitaal belang voor het goed verloop van het gerechtelijk onderzoek dat de rechten tot inzage in het dossier of tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen enkel zouden toegekend worden aan de burgerlijke partijen waarvan de burgerlijke partijstelling niet betwist wordt. Deze noodzakelijkheid is reeds aan bod gekomen in verscheidene geruchtmakende zaken waarin personen, blijkbaar volstrekt vreemd aan de feiten, zich burgerlijke partij hebben gesteld met een manifest andere bedoeling dan de vergoeding van de schade veroorzaakt door het misdrijf. Op deze wijze zijn deze personen op een volstrekt ongerechtvaardigde wijze tussengekomen in gerechtelijke onderzoeken, die hen volstrekt niet aanbelangden.

Om deze redenen werd uitdrukkelijk bepaald dat de procureur des Konings desgevallend onmiddellijk de zaak bij de raadkamer aanhangig kan maken zodat onmiddellijk kan worden geoordeeld over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling.

De tweede paragraaf heeft betrekking op de burgerlijke partijstelling die de strafvordering in werking stelt. In dit geval is de procureur des Konings gehouden een vordering te nemen.

Alhoewel de procureur des Konings wellicht in de overgrote meerderheid van de gevallen de onderzoeksrechter zal vorderen om een onderzoek te voeren zal hij niettemin op dezelfde manier als bepaald in de eerste paragraaf een vordering kunnen nemen ertoe strekkend de burgerlijke partijstelling onontvankelijk te zien verklaren. Behalve met de redenen bedoeld in de eerste paragraaf moet ook rekening worden gehouden met de situatie waarin het feit geen misdaad of wanbedrijf uitmaakt, de strafvordering vervallen of niet ontvankelijk is of de onderzoeksrechter onbevoegd is. Deze hypothesen zijn niet toepasselijk op de eerste paragraaf aangezien deze veronderstelt dat de onderzoeksrechter reeds gevat is door een akte van rechtspleging waarvan de regelmatigheid onafhankelijk van de burgerlijke partijstelling kon of zal kunnen besproken worden.

De derde mogelijkheid die door de tweede paragraaf aan de procureur des Konings wordt geboden is bijzonder vernieuwend. Hierbij wordt aan de procureur des Konings toegestaan de raadkamer te verzoeken de opening van een gerechtelijk onderzoek te weigeren, zelfs indien de burgerlijke partijstelling op het eerste gezicht volstrekt ontvankelijk is.

Deze bepaling vindt zijn oorsprong in de vaststelling dat de kabinetten van de onderzoeksrechters, die normalerwijze zouden moeten belast worden met de belangrijkste zaken, in werkelijkheid bij wijlen volstrekt ten onrechte overspoeld worden door klachten met burgerlijke partijstelling die ofwel betrekking hebben op relatief eenvoudige feiten, ofwel in wezen betwistingen van burgerrechtelijke aard zijn. Deze toestand is strijdig met de algemene beginselen die in artikel 1 van het voorontwerp worden vermeld, en vooral met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vanzelfsprekend hebben de opstellers van het voorontwerp erover gewaakt de klacht met burgerlijke partijstelling te behouden als garantie voor de rechtsonderhorige tegen een eventuele inertie van het parket en hem op die manier de verzekering te geven dat zijn klacht door een rechter zal worden onderzocht. Deze garantie blijft bestaan aangezien de raadkamer zal beslissen over de noodzaak om al dan niet een gerechtelijk onderzoek te starten. De tussenkomst van de raadkamer dient ook de onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter te vrijwaren. Het zou immers abusief en strijdig zijn met de instelling zelf van de onderzoeksrechter deze aan de procureur des Konings en de raadkamer geboden mogelijkheid aan te wenden om de onderzoeksrechters te dwingen zich in te schakelen in het strafrechtelijk beleid zoals dit door de minister van Justitie wordt bepaald en de opening van een gerechtelijk onderzoek slechts toe te staan voor feiten die op grond van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid prioritair geacht worden.

De criteria die de raadkamer terzake zal moeten in acht nemen zijn deze van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze criteria zijn relatief abstract doch moeten toelaten een einde te maken aan bepaalde manifeste misbruiken van het strafrechtelijk apparaat.

Artikel 142

Deze bepaling organiseert de procedure wanneer de raadkamer gevat wordt van vorderingen strekkende hetzij tot het onontvankelijk verklaren van de burgerlijke partijstelling, hetzij tot de weigering van de opening van een gerechtelijk onderzoek om dat zulks niet conform zou zijn aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Deze procedure bevat garanties in zoverre zij ten aanzien van de burgerlijke partij grote gelijkenis vertoont, minstens wat de gevolgen betreft, met een regeling van de rechtspleging. De burgerlijke partij wordt namelijk acht dagen op voorhand verwittigd en beschikt over een kopie van de vordering van de procureur des Konings. Bovendien is de beslissing van de raadkamer vatbaar voor hoger beroep overeenkomstig de modaliteiten van de regeling van de rechtspleging. Ook hoort de raadkamer de onderzoeksrechter in zijn verslag.

Daarentegen heeft de burgerlijke partij geen toegang tot het dossier. In het geval dat het dossier andere stukken bevat dan de burgerlijke partijstelling, omdat de onderzoeksrechter reeds vroeger gelast was, zou het tegenstrijdig zijn toegang te verlenen tot het dossier aan een burgerlijke partij in een procedure waar de procureur des Konings juist deze hoedanigheid betwist. Het is belangrijk dat een « valse » burgerlijke partij geen kennis zou kunnen nemen van een lopend onderzoek dat haar niet aanbelangt. In het geval de eerbiediging van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de orde is zal het dossier slechts de burgerlijke partijstelling bevatten. Dit is ook zo indien de burgerlijke partijstelling de strafvordering in werking stelt.

De persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks beoogd wordt door de burgerlijke partijstelling wordt niet opgeroepen. Het zou inderdaad nadelig zijn voor het goede verloop van het onderzoek dat, in het geval de raadkamer de vordering van de procureur des Konings niet zou inwilligen, deze persoon door zijn oproeping zou ingelicht worden over de opening van een gerechtelijk onderzoek voordat enige onderzoeksdaad is gesteld.

Indien de raadkamer een burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk verklaart verliest de betrokken persoon elke hoedanigheid om bij de onderzoeksrechter tussen te komen met betrekking tot de betrokken feiten. Indien de burgerlijke partijstelling de strafvordering beoogde in werking te stellen heeft de beslissing van de raadkamer tot gevolg dat een gerechtelijk onderzoek ab initio wordt teniet gedaan. Indien de burgerlijke partijstelling steunde op een lopend onderzoek heeft de beslissing van de raadkamer tot gevolg dat de rechten die in het kader van het gerechtelijk onderzoek aan de burgerlijke partij worden toegekend, aan deze persoon worden onthouden.

Indien de raadkamer oordeelt dat de opening van een gerechtelijk onderzoek strijdig is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit herneemt de procureur des Konings zijn vrijheid, waaronder de mogelijkheid te seponeren, een opsporingsonderzoek te openen of zelfs te vervolgen. Hetzelfde geldt wanneer een burgerlijke partijstelling, bedoeld om de strafvordering in werking te stellen, onontvankelijk verklaard werd.

Afdeling 2

De onderzoekshandelingen

Onderafdeling 1

De inverdenkingstelling

Artikel 143

In het eerste en het derde lid is artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek overgenomen.

Het tweede lid van artikel 143 van het voorontwerp is nieuw en bepaalt dat de onderzoeksrechter de precieze feiten aanwijst die bij hem aanhangig zijn gemaakt alsook de ernstige aanwijzingen van schuld en dat hij aan de inverdenkinggestelde meedeelt dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen. De basisidee is steeds de rechten te waarborgen en van die rechten aan de partijen kennis te geven.

De commissie Strafprocesrecht heeft aan het artikel een vierde lid toegevoegd, teneinde een lasthebber ad hoc te laten aanduiden in het kader van het gerechtelijk onderzoek. Deze bepaling werd ingevoegd teneinde mogelijke belangenconflicten te verhinderen, doch de commissie maakt enig voorbehoud wat de toepassing van deze wet betreft.

Onderafdeling 2

De ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd

Artikel 144

De ondervraging door de onderzoeksrechter is een belangrijke vormvereiste zowel voor de doeltreffendheid van het gerechtelijk onderzoek als voor de rechten van de verdediging van iedere in de zaak betrokken persoon.

Zelfs indien er geen bevel tot aanhouding bestaat, moet de onderzoeksrechter iedere persoon die eventueel naar een vonnisgerecht kan worden verwezen ten minste een keer ondervragen. De tekst van artikel 144 doelt op de inverdenkinggestelde en de persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd, zelfs indien nog niet vaststaat dat deze persoon naderhand in verdenking zal worden gesteld. In dit verband schreef A. Braas over de onderzoeksrechter dat « son premier devoir est d'entendre l'inculpé. L'interrogatoire est considéré, depuis les ordonnances françaises sur la procédure criminelle, comme une formalité substantielle. Il est indispensable, en effet, que l'inculpé soit mis en demeure de faire valoir ses moyens de défense. On ne saurait frapper un individu sans l'entendre. Ce n'est pas seulement un procédé d'information, c'est aussi un moyen de défense » (46). Het gaat hier ongetwijfeld om een zware bijkomende last voor de onderzoeksrechter, maar het is een niet minder belangrijke waarborg voor de kwaliteit van het gerechtelijk onderzoek en voor de rechten van de verdediging van de inverdenkinggestelde. De commissie Strafprocesrecht is er zich bovendien goed van bewust dat de verplichting voorzien in artikel 144 een niet onbelangrijke toename van het aantal onderzoeksrechters in het Rijk impliceert. Deze ondervraging van de inverdenkinggestelde is voorgeschreven of straffe van nietigheid van het gerechtelijk onderzoek. Het gaat evenwel niet om een nietigheid van openbare orde. Deze verplichting voor de onderzoeksrechter geldt niet wanneer het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd ten laste van een persoon die voortvluchtig is of zich verbergt of wanneer de persoon zich in de onmogelijkheid bevindt de ondervraging bij te wonen. Bovendien wordt de nietigheid niet uitgesproken wanneer de inverdenkinggestelde geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping. De onderzoeksgerechten zouden door middel van een beschikking van niet-instaatverklaring, de zaak kunnen verwijzen naar de onderzoeksrechter opdat hij die ondervraging vooralsnog zou verrichten.

Artikel 145

Dit artikel regelt de wijze van oproeping : gewone kennisgeving door de politie, een ter post aangetekende brief, aanhouding of bevel tot medebrenging.

Artikel 146

In dit artikel wordt ingegaan op de vraag of en in hoeverre de ondervraging tegensprekelijk moet zijn.

In beginsel geschiedt de ondervraging door de onderzoeksrechter buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de advocaten van de partijen. Dit geldt niet in het kader van de confrontaties (infra artikel 166). Wanneer nochtans de ondervraagde persoon hierom verzoekt en indien de onderzoeksrechter daartegen geen bezwaar heeft, kan hij beslissen om de inverdenkinggestelde, de verdachte of welkdanige ondervraagde persoon zo nodig te verhoren op tegenspraak, met andere woorden in aanwezigheid van de advocaat van de ondervraagde persoon en eventueel in aanwezigheid van het openbaar ministerie, de burgerlijke partij en zijn advocaat.

Artikel 147

Dit artikel betreft de wijze waarop de ondervraging wordt verricht.

In het tweede lid is gesteld dat het bepaalde in artikel 76, betreffende de ondervragingen verricht tijdens het opsporingsonderzoek, ook geldt voor de ondervragingen verricht in het kader van het gerechtelijk onderzoek hetzij door de onderzoeksrechter, hetzij door de gerechtelijke politie als de onderzoeksrechter daartoe opdracht heeft gegeven.

Artikel 148

Deze tekst, die is overgenomen uit artikel 57, paragraaf 2, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en gewijzigd bij artikel 37 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen organiseert en voorziet in de mededeling aan de ondervraagde persoon van het proces-verbaal van zijn verhoor.

Deze bepaling ligt in het verlengde van de aanbevelingen gedaan in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (47).

Conform artikel 77 van het voorontwerp, waarvan artikel 148 de tegenhanger is in het kader van het gerechtelijk onderzoek, zijn een vierde en vijfde lid ingevoegd wat de mededeling van het afschrift aan minderjarigen betreft. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 77, vierde en vijfde lid.

Artikel 149

Deze bepaling heeft betrekking op de vorm van het proces-verbaal.

In het laatste lid is omschreven dat de onderzoeksrechter het verhoor kan laten opnemen na de verhoorde persoon daarvan in kennis te hebben gesteld. In dat geval wordt verwezen naar de bepalingen voorzien in de artikelen 83, 84, eerste en tweede lid, 85, 86 en 88 van het voorontwerp betreffende de opname van het verhoor van minderjarigen. Er wordt niet verwezen naar artikel 84, derde lid, omdat het opgenomen verhoor van een meerderjarige kan worden gekopieerd en aan de verhoorde persoon worden meegedeeld.

Artikel 150

Krachtens deze bepaling kunnen de inverdenkinggestelde of zijn raadsman aan de onderzoeksrechter vragen, vooraleer het dossier met het oog op de regeling van de rechtspleging aan de procureur des Konings wordt overgemaakt, over te gaan tot een samenvattende tegensprekelijke ondervraging.

Hoewel bedoelde samenvattende ondervraging een recht is voor de inverdenkinggestelde, is daarin niet voorzien op straffe van nietigheid. Het kan wel gelden als verhoor zoals bedoeld in artikel 144 van het voorontwerp.

Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en wordt in een daartoe bestemd register ingeschreven.

De inverdenkinggestelde, zijn raadsman en de procureur des Konings worden opgeroepen ten laatste vijf werkdagen voor de verschijning. In het kader van dit artikel vond men het niet nuttig te voorzien in de aanwezigheid van de burgerlijke partij, in het bijzonder om een systematische confrontatie tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij te voorkomen. Niets belet evenwel de onderzoeksrechter, als hij dit wenselijk acht, de burgerlijke partij uit te nodigen om deze samenvattende ondervraging bij te wonen.

Het strafdossier wordt gedurende vier werkdagen vóór de verschijning ter beschikking gesteld van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman.

Tijdens deze ondervraging kunnen de inverdenkinggestelde en zijn advocaat, behoudens weigering van de onderzoeksrechter, relevante verklaringen afleggen die zij geschikt achten. De advocaat kan tevens, behoudens weigering van de onderzoeksrechter, relevante vragen stellen aan de verhoorde persoon. De vragen en de verklaringen worden in het proces-verbaal opgetekend.

Onderafdeling 3

Het verhoor van slachtoffers en van getuigen

Artikel 151

Het eerste lid heeft betrekking op het beginsel dat de onderzoeksrechter, in hun hoedanigheid van getuige, alle personen verhoort van wie hij het getuigenis nuttig acht.

Het tweede lid is gebaseerd op een in de Senaat naar aanleiding van de bespreking van de wet van 12 maart 1998 ingediend amendement, dat evenwel nooit werd gestemd (48).

Het bepaalt dat, voor zover als mogelijk, de onderzoeksrechter de slachtoffers ten minste eenmaal verhoort en dat dit verhoor verplicht is wanneer het slachtoffer daarom verzoekt en wanneer het gaat om de in dit artikel opgesomde gevallen, te weten de misdrijven die ernstig nadeel toebrengen aan personen.

Artikel 152

Dit artikel bepaalt de wijzen waarop de getuigen worden opgeroepen.

Artikel 153

In dit artikel wordt de wijze omschreven waarop de getuigen worden verhoord, met andere woorden buiten de aanwezigheid van de inverdenkinggestelde, van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij en van de advocaten, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in verband met de confrontaties (infra artikel 166).

Artikel 154

Dit artikel heeft betrekking op de wijze waarop de ondervraging verloopt.

Zoals thans het geval is, leggen de getuigen de eed af, behalve wanneer het slachtoffers betreft die zich burgerlijke partij hebben gesteld of wanneer het minderjarigen betreft die de leeftijd van vijftien jaar niet hebben bereikt (zie in verband met het verhoor van minderjarigen tevens artikel 159 van het voorontwerp).

In het laatste lid is artikel 20 van de wet van 12 maart 1998 overgenomen, dat verwijst naar artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering (artikel 76 van het voorontwerp van wetboek), met uitzondering van punt 1.f) dat toegevoegd werd aan artikel 76, wat betekent dat de getuige niet kan weigeren te antwoorden, zelfs als het antwoord bestaat uit de mededeling dat hij het beroepsgeheim in acht moet nemen.

Artikel 155

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 2 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 156

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 3 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 157

Deze tekst is uit artikel 57, paragraaf 2, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd door de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen overgenomen.

Artikel 158

Dit artikel heeft betrekking op het proces-verbaal van het verhoor. De opmerkingen betreffende artikel 149 gelden mutatis mutandis ook voor deze bepaling.

Artikel 159

In het eerste lid is artikel 79 van het Wetboek van Strafvordering, overgenomen.

In het tweede lid, dat overeenkomt met artikel 78 van het voorontwerp, is artikel 91bis van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 38 van de wet 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, overgenomen.

Het derde lid betreft de toepassing, in het gerechtelijk onderzoek, van de bepalingen van de artikelen 79 tot 88 van het voorontwerp in verband met de opname van het verhoor van minderjarigen.

In het vierde lid is artikel 85 van het voorontwerp overgenomen.

Artikel 160

Deze tekst, die is ontleend aan de artikelen 83 en 84 van het Wetboek van Strafvordering, heeft betrekking op het geval dat de getuige zich in de onmogelijkheid bevindt om voor de onderzoeksrechter te verschijnen.

Onderafdeling 4

De anonieme getuigenissen

Artikel 161

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 86bis van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 162

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 86ter van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 163

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 86quater van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Artikel 164

Dit artikel herneemt de tekst van artikel 86quinquies van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen. Er wordt verwezen naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet.

Onderafdeling 5

De bescherming van bedreigde getuigen

Artikel 165

Dit artikel verwijst naar de bepalingen van de artikelen 89 tot 98 van het huidig voorontwerp.

Onderafdeling 6

De confrontaties

Artikel 166

Het eerste lid bepaalt dat de onderzoeksrechter ambtshalve of op verzoek van de procureur des Konings of van een van de partijen kan overgaan tot confrontaties. In dit laatste geval stemmen de vormen van het verzoek overeen met deze bepaald in artikel 207 van het voorontwerp in verband met het verzoek bijkomende onderzoekshandelingen tijdens het gerechtelijk onderzoek te verrichten.

Overeenkomstig de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (49), verloopt de confrontatie, geleid door de onderzoeksrechter, in beginsel op tegenspraak. De confrontatie zal eenzijdig zijn in spoedeisende gevallen. In dat geval moet de onderzoeksrechter dit vermelden in zijn proces-verbaal van confrontatie.

Er is niet voorzien in de inzage van het dossier voor de confrontatie. Het verzoek om inzage van het dossier wordt immers in andere bepalingen behandeld (artikel 206 van het voorontwerp).

In het derde lid is bepaald dat de procureur des Konings en de raadslieden, mits toestemming van de onderzoeksrechter, relevante vragen kunnen stellen aan de partijen en dat de vragen, de antwoorden en eventueel de weigering van de onderzoeksrechter in het proces-verbaal van het verhoor worden opgetekend.

Onderafdeling 7

De plaatsopnemingen en wedersamenstellingen

Artikel 167

In het eerste lid is bepaald dat de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde of van zijn advocaat kan beslissen dat hij zich ter plaatse begeeft, vergezeld van zijn griffier.

Krachtens het tweede lid verwittigt de onderzoeksrechter, behalve in spoedeisende gevallen, ten laatste vijf werkdagen voor de plaatsopneming de procureur des Konings, de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun raadsman van de datum ervan.

Het derde lid heeft betrekking op de wedersamenstelling, waarbij de procureur des Konings en de raadslieden relevante vragen kunnen stellen, mits toestemming van de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter kan beslissen dat een deskundige aan de plaatsopneming of de wedersamenstelling moet deelnemen, waarbij deze de eed aflegt in de bewoordingen omschreven in het huidige artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering.

Voor het overige zijn de regels betreffende het deskundigenonderzoek omschreven in artikel 197 en volgende van het voorontwerp van wetboek van toepassing.

Deze bepaling komt tegemoet aan de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (50), die van oordeel was dat de burgerlijke partijen aan de wedersamenstellingen en aan de plaatsopnemingen moeten kunnen deelnemen.

Artikel 168

In dit artikel wordt de inhoud van het proces-verbaal van de plaatsopneming en van de wedersamenstelling bepaald. De vermeldingen omschreven in het eerste lid gelden op straffe van nietigheid van het proces-verbaal. Het betreft een relatieve nietigheid en de vaststellingen kunnen naderhand opnieuw worden opgetekend.

Onderafdeling 8

De huiszoekingen en inbeslagnemingen

Artikel 169

In dit artikel wordt herinnerd aan het beginsel op grond waarvan de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij kan beslissen een huiszoeking te verrichten. In dit artikel wordt bepaald dat er voldoende aanwijzingen moeten bestaan dat deze maatregelen de mogelijkheid zullen bieden het bewijs van schuld vast te stellen van een inverdenkinggestelde of van een persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd.

Overeenkomstig de rechtsleer en de constante rechtspraak is de huiszoeking een onderzoeksdaad en geen opsporingsdaad en mag de huiszoeking bijgevolg niet tot doel hebben misdrijven vast te stellen.

Artikel 170

In dit artikel wordt herinnerd aan de noodzaak van een bevel tot huiszoeking, onder voorbehoud van de bij wet bepaalde uitzonderingen, alsook aan de vermeldingen die het moet bevatten. De tekst van de wet van 7 juni 1969 die het tijdstip bepaalt wanneer een huiszoeking mag worden verricht met inbegrip van de uitzonderingen is overgenomen. Niettemin is het woord « opsporing » opzettelijk weggelaten, teneinde enkel de huiszoeking in de ruime zin van het woord te behouden.

Artikel 171

In dit artikel is bepaald dat de huiszoekingen kunnen plaatsvinden in de woonplaats of in de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd.

Artikel 172

Deze bepaling heeft betrekking op de huiszoekingen, in alle andere plaatsen dan de woonplaats of de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd en op het beroep dat kan worden gedaan op de openbare macht om zich te verzetten tegen de weigering van de bewoner of ingeval deze laatste langdurig afwezig is.

Artikel 173

De huiszoeking in de woonplaats of in de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde moet in aanwezigheid van deze laatste worden verricht. Indien dit onmogelijk is, verzoekt de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde een vertegenwoordiger van zijn keuze aan te duiden.

Indien de huiszoeking wordt verricht op een andere plaats dan die van de inverdenkinggestelde, wordt de persoon bij wie de huiszoeking moet worden verricht, verzocht de huiszoeking bij te wonen en ingeval die persoon afwezig is, vindt de huiszoeking plaats in aanwezigheid van twee getuigen.

Artikel 174

Dit artikel heeft betrekking op het proces-verbaal van de huiszoeking.

Artikel 175

Dit artikel in verband met de inbeslagnemingen stemt overeen met artikel 110 van het voorontwerp betreffende de inbeslagnemingen tijdens het opsporingsonderzoek. Er wordt derhalve verwezen naar de bespreking van dit artikel.

Artikel 176

Dit artikel neemt artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering over, gewijzigd bij artikel 21 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Onderafdeling 9

De voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen

Artikel 177

Deze tekst betreffende het bewarend beslag op onroerend goed stemt overeen met artikel 114 van het voorontwerp dat betrekking heeft op deze maatregel in het kader van het opsporingsonderzoek. De tekst is uit artikel 35bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 20 mei 1997.

Artikel 178

In dit artikel is de tekst van artikel 91 van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, overgenomen.

Onderafdeling 10

Het opsporen en het lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, het kennisnemen en het opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie

Artikel 179

In dit artikel is artikel 88bis van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie, overgenomen.

Artikel 180

In dit artikel wordt artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie, bij artikel 5 van de wet van 10 januari 1999 betreffende de criminele organisaties en bij artikel 11 van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit.

Artikel 181

In dit artikel wordt artikel 90quater van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie en bij artikel 12 van de wet van 28 november inzake informaticacriminaliteit.

Artikel 182

In dit artikel wordt het ongewijzigde artikel 90quinquies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 183

In dit artikel wordt artikel 90sexies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie.

Artikel 184

In dit artikel wordt artikel 90septies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie en bij artikel 13 van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit.

Artikel 185

In dit artikel wordt het ongewijzigde artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 186

In dit artikel wordt artikel 90novies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 12 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007.

Artikel 187

In dit artikel wordt artikel 90decies van het Wetboek van Strafvordering, aangevuld bij artikel 13 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen en bij artikel 4 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, overgenomen.

Onderafdeling 11

Het onderzoek in een informaticasysteem

Artikel 188

In dit artikel wordt de tekst van artikel 88ter van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit overgenomen.

Artikel 189

In dit artikel wordt de tekst van artikel 88quater van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit overgenomen.

Onderafdeling 12

De DNA-analyse

Artikel 190

Dit artikel voert in het wetboek artikel 90undecies van het Wetboek van Strafvordering in, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken. Er wordt verwezen naar de memorie van toelichting van deze nieuwe bepaling.

Onderafdeling 13

Het onderzoek aan het lichaam

Artikel 191

De tekst stemt overeen met die van artikel 90bis van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij artikel 22 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Onderafdeling 14

De autopsie

Artikel 192

Dit artikel dat betrekking heeft op de autopsie is gebaseerd op de aanbevelingen geformuleerd door parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (51). Dit artikel moet samengelezen worden met punt 6 van artikel 99 van het voorontwerp.

Hier moet tevens verwezen worden naar artikel 134 van de Code van geneeskundige Plichtenleer dat bepaalt dat de geneesheer die een autopsie verricht alle noodzakelijke maatregelen zal moeten nemen opdat het lichaam, na de autopsie, zodanig wordt getoond dat de gevoelens van de nabestaanden geëerbiedigd worden.

Onderafdeling 15

Ambtelijke opdrachten en delegaties

Artikel 193 en 194

In die artikelen worden de ambtelijke opdrachten en delegaties toegelaten en worden zij overeenkomstig de huidige rechtsleer en rechtspraak geregeld.

Artikel 195

Overeenkomstig de rechtspraak en de rechtsleer is in dit artikel bepaald dat de onderzoeksrechter opdracht kan geven onderzoekshandelingen uit te voeren maar dat hij zijn rechtsmacht niet mag overdragen (52).

Onderafdeling 16

Het persoonlijkheidsdossier

Artikel 196

De invoeging van een onderafdeling over het persoonlijkheidsdossier is enerzijds gebaseerd op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (II, 292, artikel 12) en beantwoordt anderzijds aan de bekommernis in de rechtsleer sedert jaren dat het onderzoeksdossier een persoonlijkheidsdossier zou bevatten. Dit dossier zal het de rechter mogelijk maken om een beter zicht te krijgen op de psychosociale context van de feiten, de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde en de mogelijkheden tot sociale integratie.

De voorgestelde tekst is gebaseerd op artikel 50, paragraaf 1 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gewijzigd door de wet van 2 februari 1994.

Naar gelang het geval kan het persoonlijkheidsdossier een moraliteitsonderzoek uitgevoerd door de politie omvatten, alsook een maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsrapport opgesteld door een justitieassistent, overeenkomstig het koninklijk besluit van 7 juni 2000 tot bepaling van de algemene principes inzake het gebruik van de maatschappelijke enquête en het beknopt voorlichtingsrapport in strafzaken (Belgisch Staatsblad van 10 juni 2000), of nog een psychiatrisch of psychologisch verslag opgesteld door een deskundige overeenkomstig de bepalingen van de onderafdeling 17. De onderzoeksrechter zal bovendien ambtshalve over de mogelijkheid beschikken om een of meerdere onderzoekshandelingen te bevelen. Hierom zal eveneens door de partijen kunnen verzocht worden in het kader van een verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen.

Er dient tevens vermeld te worden dat de doelstellingen van deze verrichtingen, zoals omschreven in voornoemd koninklijk besluit van 7 juni 2000, alsook de bezetting van de Dienst Justitiehuizen zullen moeten worden aangepast in de mate dat de maatschappelijke enquête en het beknopt voorlichtingsrapport bedoeld zijn om de onderzoeksrechter toe te laten de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde te verklaren, met het oog op de meest verantwoorde toepassing van de strafwet en niet enkel meer in het licht van een mogelijke proba-tiemaatregel.

Onderafdeling 17

Het deskundigenonderzoek

Artikel 197

In dit artikel wordt bepaald dat de onderzoeksrechter ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, of op vraag van de partijen een deskundigenonderzoek kan bevelen. De deskundigen voeren hun opdracht uit onder toezicht van de onderzoeksrechter. Dit wordt reeds in het Gerechtelijk Wetboek (53) bepaald, doch in de strafrechtspleging is dit gegeven nog veel belangrijker.

Artikel 198

Het betreft een zeer belangrijk artikel aangezien dit het begrip van het in beginsel tegensprekelijk deskundigenonderzoek invoert tijdens het gerechtelijk onderzoek.

Het tweede lid tempert evenwel het beginsel van een tegensprekelijk deskundigenonderzoek door aan de onderzoeksrechter de mogelijkheid te bieden de modaliteiten van het deskundigenonderzoek te bepalen rekening houdend met het evenwicht tussen de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering.

Het derde lid voorziet in de oproeping van de partijen om alle verrichtingen van de deskundige bij te wonen, alsook in de bijstand door een advocaat of een technisch raadsman.

Artikel 199

Deze bepaling omschrijft de opdracht van de deskundige.

Er moet tevens benadrukt worden dat de deskundige zich niet mag inlaten met wat tot de bevoegdheden van de onderzoeksrechter behoort en dat zijn opdracht alleen maar betrekking mag hebben op het onderzoek van wetenschappelijke of technische vragen die nader zijn omschreven in de beschikking tot aanwijzing (54).

Anderzijds moet hij de algemene beginselen, omschreven in artikel 1 van het voorontwerp van wetboek, in acht nemen.

Artikel 200

De tekst is overgenomen uit de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (II, 302, artikel 21) en bepaalt wie als deskundige kan worden aangewezen teneinde aan het deskundigenonderzoek de grootste garanties van bekwaamheid en onpartijdigheid te bieden.

Artikel 201

Deze bepaling die gebaseerd is op het voorontwerp van de koninklijke commissaris Bekaert (II, 301, artikel 20) handelt over de verplichting voor de deskundigen om hun opdracht te vervullen, alsook over de wraking van deskundigen, met verwijzing naar artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 202

De partijen die stukken of opmerkingen aan de deskundigen willen bezorgen, doen dit via de onderzoeksrechter die de deskundige daarvan in kennis stelt.

Artikel 203

In dit artikel is bepaald dat de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie en aan de partijen een afschrift van de beschikking houdende aanwijzing van de deskundige meedeelt, alsook de beschikkingen die de opdracht waarmee hij werd belast bepalen, wijzigen of uitbreiden.

Dit artikel vermeldt eveneens dat de deskundige schriftelijk, na beëindiging van de verrichtingen en alvorens zijn verslag en zijn conclusie op te maken, zijn vaststellingen ter kennis brengt aan de onderzoeksrechter.

Dit bevestigt nogmaals dat het deskundigenonderzoek uitgevoerd wordt onder het toezicht van de onderzoeksrechter.

De vaststellingen van de deskundige worden door de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie en aan de partijen meegedeeld en de onderzoeksrechter bepaalt de termijn waarover zij beschikken om vorderingen te doen of om schriftelijke opmerkingen te formuleren.

Deze bepaling vermeldt de artikelen in van het Gerechtelijk Wetboek die van toepassing zijn op het deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter.

Met betrekking tot de noodzaak om in dit stadium van de rechtspleging het deskundigenonderzoek op tegenspraak te verrichten, wordt verwezen naar de bespreking van artikel 106 van het voorontwerp van wetboek en meer in het bijzonder naar de bespreking van het arrest dat het Arbitragehof op 24 juni 1998 (55) gewezen heeft, evenals naar de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (56).

Afdeling 3

De rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van ieder persoon geschaad door een onderzoekshandeling en de rechtsmiddelen

Artikel 204

In dit artikel is bepaald dat de procureur des Konings zich, op ieder tijdstip, een kopie van het dossier (dus niet het originele dossier) kan laten bezorgen teneinde de vorderingen te doen die hij gepast acht.

Artikel 205

Overeenkomstig de thans gangbare praktijk is in artikel 205 bepaald dat de procureur des Konings iedere vordering kan doen die hij geraden acht om een bepaalde onderzoeksverrichting te bekomen. De onderzoeksrechter kan deze evenwel bij een met redenen omklede beschikking afwijzen. Tegen deze beschikking kan hoger beroep aangetekend worden op grond van het derde lid.

Artikel 206

Conform de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak « Dutroux-Nihoul en consoorten » (57), wordt door dit artikel aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij op identieke wijze inzage verleend in het dossier.

De tekst is uit artikel 61ter van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken.

Artikel 207

In dit artikel is de tekst van artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 12 maart 1998 en zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken. Het voorziet in de mogelijkheid in het kader van het gerechtelijk onderzoek om het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken.

Artikel 208

In dit artikel, dat verband houdt met het strafrechtelijk kortgeding, is de tekst van artikel 61quater van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 12 maart 1998 en zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

Paragraaf 7 vult een bestaande leemte op en is overgenomen uit artikel 10 van het wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, Kamer, DOC 50 1601/007.

HOOFDSTUK 3

De regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten

Afdeling 1

De raadkamer

Onderafdeling 1

Organisatie en bevoegdheid

Artikel 209

In dit artikel is bepaald dat de raadkamer bijeen komt volgens het reglement van de rechtbank. De territoriale bevoegdheid en de volstrekte bevoegdheid van de Raadkamer zijn die van de onderzoeksrechter.

Artikel 210

Artikel 210 is belangrijk omdat het de taak van de raadkamer bepaalt inzake de regeling van de rechtspleging in eerste aanleg.

In het tweede lid is deze taak nader omschreven overeenkomstig de rechtspraak, de rechtsleer en de huidige praktijk. De raadkamer is evenwel met een nieuwe taak belast (tweede streepje), aangezien zij niet enkel moet nagaan of de strafvordering ontvankelijk is, maar ook of de burgerlijke rechtsvordering ontvankelijk is.

Indien de raadkamer in het kader van haar toezicht op de middelen van niet-ontvankelijkheid dergelijk middel verwerpt en bijvoorbeeld stelt dat er geen rechterlijk gewijsde of verjaring is, kan de feitenrechter, onder voorbehoud van hoger beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling, dit rechterlijk gewijsde of deze verjaring vaststellen.

Indien de raadkamer een rechtvaardigingsgrond weigert, kan de feitenrechter het bestaan van de rechtvaardigingsgrond opnieuw beoordelen aangezien er geen gezag van gewijsde is tussen de raadkamer en de feitenrechter.

De feitenrechter is daarentegen wél gebonden door de verzachtende omstandigheden en door de verschoningsgronden die de raadkamer zou aanvaard hebben.

Ingeval de raadkamer het middel van niet-ontvankelijkheid, de verjaring van de strafvordering of het rechterlijk gewijsde aanvaardt, vervalt de strafvordering onder voorbehoud van hoger beroep.

Hetzelfde geldt voor de rechtvaardigingsgronden.

Indien de raadkamer de verzachtende omstandigheden of de verschoningsgronden weigert, zal de feitenrechter ze daarentegen wel in overweging kunnen nemen.

Onderafdeling 2

Het verslagen van de onderzoeksrechter en de rechtspleging

Artikel 211

Onder voorbehoud van enkele hieronder besproken wijzigingen is in deze tekst artikel 127 van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij artikel 23 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, overgenomen.

De termijnen werden verlengd. In het derde lid is voorzien in een termijn van één maand in plaats van vijftien dagen, in het vijfde lid in een termijn van acht dagen in plaats van drie dagen en in het zevende lid werden de termijnen verlengd tot één maand en tot acht dagen in plaats van vijftien dagen en drie dagen. Zulks is verantwoord aangezien men geopteerd heeft indien mogelijk de nietigheden te zuiveren in de fase van de regeling van de rechtspleging (infra). In deze context moet aan de partijen de nodige tijd gegeven worden vereist om het dossier te kunnen bestuderen.

Het vierde lid schaft de mogelijkheid af om in hoger beroep te gaan tegen de weigering van een verzoek tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, doch de commissie wenst te benadrukken dat de raadkamer in dit geval steeds een beschikking van niet-instaatverklaring kan uitvaardigen.

Het zesde lid houdt rekening met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, in het bijzonder met het arrest van 24 april 2001 (58), waarin het Hof stelt dat artikel 127 van het Wetboek van Strafvordering noch de onderzoeksrechter, noch de raadkamer toestaat de termijn betreffende de terbeschikkingstelling van het dossier te verlengen.

Er moet tevens worden onderstreept dat wanneer de raadkamer het dossier krachtens het zevende lid ter beschikking stelt van de partijen (en van de benadeelde persoon, nieuwigheid in vergelijking met artikel 127 Wetboek van Strafvordering), het niet meer mogelijk is om het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken, overeenkomstig artikel 163, noch voor de partij die om aanvullende handelingen heeft gevraagd, noch voor elke andere partij in het geding. De raadkamer kan niettemin steeds een beschikking van niet-instaatverklaring uitvaardigen.

Tot slot is dit artikel aangevuld met een voorlaatste lid. Deze bepaalt dat de raadkamer op vraag van de partijen kan beslissen dat de zitting evenals de uitspraak van de beschikking openbaar zal zijn. Daardoor wordt een controle door de publieke opinie mogelijk, meer bepaald in verband met de aanvaarding of de verwerping van de proceduremiddelen.

Onderafdeling 3

De beschikkingen van de raadkamer

Artikel 212

In het eerste lid is artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 12 maart 1998, overgenomen.

In het tweede lid wordt de draagwijdte van een beschikking tot buitenvervolgingstelling omschreven overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak.

Krachtens het derde lid kan het onderzoek opnieuw worden geopend wanneer nieuwe bezwaren aan het licht komen, maar enkel op vordering van het openbaar ministerie. Vorderingen van andere partijen zijn uitgesloten teneinde een té groot aantal vragen tot heropening van het onderzoek te voorkomen.

Tenslotte wordt het begrip « nieuwe bezwaren » omschreven in het vierde lid, overeenkomstig artikel 247 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 213

Dit artikel is gebaseerd op artikel 129 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 214

Deze tekst is deze van artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 215

Deze bepaling komt overeen met artikel 132 van het Wetboek van Strafvordering, doch de termijn van 24 uren werd vervangen door de uitdrukking « onverwijld ».

Artikel 216

Deze tekst is gebaseerd op artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 12 maart 1998.

Artikel 217

In dit artikel is voorzien in de beschikking van niet-instaatverklaring, als het onderzoek onvolledig is en de rechtspleging niet in staat is om geregeld te worden.

Artikel 218

Dit artikel komt overeen met artikel 131 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 12 maart 1998. De commissie heeft geen rekening gehouden met artikel 6 van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, vermits het arrest van het Arbitragehof van 8 mei 2002 (Belgisch Staatsblad van 24 mei 2002) deze zin heeft opgeheven. De commissie heeft bijgevolg dit deel van het artikel vervangen door een omschrijving die overeenstemt met de geest van het arrest van het Arbitragehof.

De rechter waarnaar wordt verwezen in het laatste lid, kan zowel de correctionele rechter zijn, als de rechter van de raadkamer of de appelrechter.

Artikel 219

In dit belangrijke artikel is bepaald dat de procureur des Konings en de partijen aan de raadkamer, de onregelmatigheden, verzuimen of gronden van nietigheid kunnen opwerpen die invloed hebben op een onderzoekshandeling en op de bewijsverkrijging. Deze middelen kunnen niet meer voor de feitenrechter opgeworpen worden, indien zij reeds voor de raadkamer werden opgeworpen.

Oorspronkelijk was de commissie voorstander van een volledige zuivering van nietigheden voor de onderzoeksgerechten, maar deze visie werd herzien gelet op het arrest van het Arbitragehof van 8 mei 2002.

De raadkamer vaardigt een beschikking tot buitenvervolgingstelling uit indien er geen toereikende bezwaren meer zijn na de stukken nietig verklaard te hebben en deze uit het dossier geweerd te hebben. Zij kan tevens een beschikking van niet-instaatverklaring uitvaardigen indien het onderzoek kan worden aangevuld na de nietigverklaarde handelingen te hebben geweerd. Hierdoor kan het onderzoek worden aangevuld en kan in voorkomend geval een vrijspraak voor de feitenrechter in strafzaken wegens procedureproblemen worden voorkomen.

Artikel 220

Dit artikel regelt het geval waarin de onderzoeksrechter of de raadkamer overeenkomstig de huidige rechtspleging onbevoegd zijn. De loyauteit van het proces brengt met zich mee dat de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelden worden opgeroepen in raadkamer, onverminderd het laatste lid van artikel 135.

Artikel 221

Krachtens dit artikel wordt artikel 1 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden in het voorontwerp ingevoegd.

Artikel 222

Deze tekst komt overeen met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden waarbij de straffen bedoeld in 3º, 4º, 5º, 6º, worden aangepast aan de wet van 10 juli 1996 tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen en de straf bedoeld in 2º in functie van artikel 41 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

Artikel 223

In dit artikel is artikel 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden overgenomen.

Artikel 224

Dit artikel herneemt artikel 4 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.

Artikel 225

Dit artikel herneemt artikel 5 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.

Artikel 226

Deze tekst is gebaseerd op artikel 3 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

De paragrafen 7 tot 9 zijn gebaseerd op artikel 4 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

Artikel 227

Dit artikel is nieuw. Het laat de raadkamer toe om, met instemming van de verdachte, over de zaak zelf te beslissen op grond van artikel 226 (opschorting van de uitspraak), dan wel om een geldboete op te leggen of een gevangenisstraf uit te spreken waarvan de duur één jaar niet te boven gaat.

Deze bepaling strekt ertoe de raadkamer de mogelijkheid te bieden over de grond van de zaak te beslissen in minder ernstige zaken, voorzover de verdachte erom verzoekt. Op die wijze wordt de rol van de correctionele kamers ontlast.

De commissie heeft het evenwel niet opportuun geoordeeld te vereisen dat de schade moet zijn hersteld opdat de raadkamer van dit artikel zou kunnen gebruik maken.

De burgerlijke partijen hebben alles te winnen bij deze hervorming, doch het is evident dat dit een zware verantwoordelijkheid meebrengt voor de raadkamer.

Indien de procureur des Konings voornemens is artikel 227 toe te passen, moet hij daarvan melding maken in zijn vordering. De instemming van de verdachte is vereist en de tekst bepaalt dat hij door een advocaat moet worden bijgestaan om te voorkomen dat hij een ondoordachte beslissing neemt. Zelfs indien de procureur des Konings de toepassing van deze bepaling niet vraagt, kan de verdachte hierom verzoeken door middel van een verzoekschrift, ter griffie neer te leggen twee dagen vóór de datum van verschijning.

Aangezien de raadkamer over de grond van de zaak oordeelt is de terechtzitting steeds openbaar.

Indien de raadkamer de opschorting van de uitspraak beveelt of een straf (minder dan een jaar gevangenisstraf) uitspreekt, wordt de verdachte in de kosten, en zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave veroordeeld. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.

De raadkamer kan de beslissing over de burgerlijke vordering aanhouden.

Het openbaar ministerie, de verdachte en de burgerlijke partij kunnen bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen in de vorm en binnen de termijn als het hoger beroep in correctionele zaken.

Een tweede paragraaf werd ingevoegd, teneinde te benadrukken dat indien de raadkamer van oordeel is dat er geen reden bestaat om over de grond van de zaak te beslissen, zij een beschikking van buitenvervolgingstelling of een beschikking van verwijzing naar het bevoegde gerecht moet verlenen.

Onderafdeling 4

Rechtsmiddelen tegen de beschikkingen van de raadkamer

Artikel 228

In dit artikel is artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 12 maart 1998 en bij artikel 7 van de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, overgenomen.

Dit artikel heeft tijdens de parlementaire werkzaamheden tot veel discussie aanleiding gegeven, meer bepaald in de Senaat. Bijgevolg wordt verwezen naar de parlementaire stukken van de Senaat (59).

Afdeling 2

De kamer van inbeschuldigingstelling

Onderafdeling 1

Organisatie en bevoegdheid

Artikel 229

In dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering wordt eraan herinnerd dat de kamer van inbeschuldigingstelling een kamer van het hof van beroep is, waardoor haar territoriale bevoegdheid zich uitstrekt tot het ressort van dat hof.

Zij centraliseert het gerechtelijk onderzoek betreffende criminele en correctionele zaken en heeft in bepaalde gevallen tevens een bevoegdheid ratione personae.

De commissie Strafprocesrecht heeft tevens besloten afstand te doen van het idee van verenigde kamers van inbeschuldigingstelling.

Artikel 230

Dit artikel betreft de nadere omschrijving van de taak van de kamer van inbeschuldigingstelling als centrum van het gerechtelijk onderzoek : zij oefent toezicht uit op het gerechtelijk onderzoek en bezit terzake volheid van bevoegdheid, zij doet uitspraak over het hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de onderzoeksrechter en van de raadkamer en is als enige bevoegd om de inbeschuldigingstelling van inverdenkinggestelden uit te spreken en hen naar het Hof van Assisen te verwijzen.

Onderafdeling 2

Toezicht op het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling

Artikel 231

In dit artikel is artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, overgenomen.

Artikel 232

Deze tekst komt overeen met artikel 136bis van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd bij artikel 31 van de wet van 12 maart 1998.

Artikel 233

Deze aan artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering ontleende bepaling heeft betrekking op het evocatierecht van de kamer van inbeschuldigingstelling : zodra een zaak bij haar aanhangig is gemaakt, in welke hoedanigheid ook, kan zij, vóór de regeling van de rechtspleging, ongeacht of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort.

Artikel 234

In dit artikel in verband met het toezicht van de kamer van inbeschuldigingstelling op de regelmatigheid van de rechtspleging is artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 32 van de wet van 12 maart 1998, overgenomen.

Dit artikel, waarover veel werd gediscussieerd, blijkt moeilijk toepasbaar te zijn.

In de eerste paragraaf is bepaald dat bij de regeling van de rechtspleging, de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van één van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt.

In de tweede paragraaf is gesteld dat de kamer van inbeschuldigingstelling het onderzoek naar de regelmatigheid van de rechtspleging op dezelfde wijze uitoefent in de andere gevallen waarin de zaak aanhangig is gemaakt, namelijk in een ander kader dan inzake de regeling van de rechtspleging, bijvoorbeeld tijdens de voorlopige hechtenis.

In de derde paragraaf is bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling die ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en eventueel een nietigheid, een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt waarover geen debat werd gevoerd, de heropening van de debatten beveelt.

Krachtens de vierde paragraaf kan, op vraag van een van de partijen, de zitting openbaar zijn.

Paragraaf 5 heeft de meeste discussie veroorzaakt.

Deze bepaalt dat onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden betreffende een onderzoekshandeling, de bewijsverkrijging of de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, niet meer voor de feitenrechter kunnen opgeworpen worden (zuivering van nietigheden). Krachtens de tekst kan de feitenrechter de middelen die verband houden met de bewijswaardering evenwel nog steeds onderzoeken. De commissie voor de Justitie van de Senaat heeft aan deze regel een tweede uitzondering toegevoegd, luidens dewelke de feitenrechter de middelen « die verband houden met de openbare orde » ook steeds kan onderzoeken. De commissie Strafprocesrecht heeft de vermelding « openbare orde » geschrapt.

Sommigen vreesden dat de toevoeging van de middelen die verband houden met de openbare orde het beginsel van de zuivering van nietigheden zou uithollen. Dit probleem doet zich evenwel niet meer voor aangezien de nietigheden van openbare orde limitatief zijn opgesomd in artikel 7 van het voorontwerp. Bijgevolg is niet alles wat verband houdt met de strafrechtspleging van openbare orde. Enkel de in artikel 7 opgesomde nietigheden (alsook de middelen die verband houden met de bewijswaardering) kunnen in ieder geval voor de feitenrechter worden opgeworpen.

Wat de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering betreft, is in de tekst bepaald dat zij niet meer voor de feitenrechter kunnen worden opgeworpen indien zij reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, behalve wanneer zij zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. Maar zijn de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering geen middelen van openbare orde die onder de uitzondering vallen voorgesteld door de commissie voor de Justitie van de Senaat, zodat zij alsnog voor de feitenrechter kunnen worden opgeworpen ongeacht de regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling ?

Voorts rijst de vraag of voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de burgerlijke rechtsvordering niet in dezelfde regeling moet worden voorzien als voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering.

Overeenkomstig paragraaf 6 spreekt de kamer van inbeschuldigingstelling, in voorkomend geval, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging en verwijdert ze de nietigverklaarde stukken uit het dossier. Bovendien vaardigt de kamer van inbeschuldigingstelling, zoals de raadkamer trouwens, een arrest tot buitenvervolgingstelling uit indien er geen toereikende bezwaren meer zijn of een arrest van niet-instaatverklaring. In dit laatste geval verzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling de onderzoeksrechter om zijn dossier aan te vullen, met vermelding van de uit te voeren handelingen overeenkomstig artikel 238, tweede lid.

De formulering van de laatste zin van dit artikel is identiek aan de zin in artikel 218, in fine, van het voorontwerp.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Artikel 235

Luidens dit artikel zendt de procureur des Konings de stukken over en brengt de procureur-generaal het dossier in staat van wijzen tegen het eerste nuttige tijdstip, onverminderd artikel 271 indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Artikel 236

De inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, de benadeelde persoon en hun raadsman worden verwittigd per faxpost of bij een ter post aangetekende brief.

Nieuw is dat de partijen een kopie van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal ontvangen. Het komt immers maar al te vaak voor dat de schriftelijke vordering van de procureur-generaal bij het dossier wordt gevoegd, de dag voor of de dag zelf van de terechtzitting, zonder dat de partijen en/of de advocaten ervan kennis hebben kunnen nemen, vooral wanneer zij geen deel uitmaken van een balie waar het hof van beroep zetelt. Bedoelde mededeling van de vordering is buitengewoon belangrijk omdat zij betrekking heeft op de regeling van de rechtspleging met alle gevolgen die daaruit in het voorontwerp van wetboek voortvloeien (in het bijzonder artikel 234).

Deze mededeling kan via alle thans bestaande technische middelen geschieden voorzover zij voldoende waarborgen bieden wat de verzending en de verzendingsdatum betreft.

Artikel 237

Krachtens het eerste lid wordt het dossier, ten minste vijftien dagen vóór de verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling, ter beschikking gesteld van de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadsman en kunnen zij een afschrift ervan nemen. Zulks verhindert niet dat dit afschrift op een elektronische drager kan worden bezorgd.

De debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling geschieden op tegenspraak.

Hoewel de partijen door een advocaat kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden, kan het hof evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen en tegen dit arrest staat geen rechtsmiddel open.

Conform het tiende lid van artikel 211, wat de raadkamer betreft, is in het vijfde lid bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling op vraag van één van de partijen kan beslissen dat de zitting, evenals de uitspraak van het arrest, openbaar zal zijn. De zitting zal slechts openbaar zijn indien de fundamentele rechten van de partijen zich daartegen niet verzetten.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de debatten sluit en de zaak in beraad houdt, moet zij de dag voor de uitspraak van het arrest bepalen. De termijn voor het cassatieberoep gaat in op de dag van de uitspraak van het arrest (zie artikel 241).

Onderafdeling 4

Arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling

Artikel 238

Dit artikel betreffende de beslissingen die de kamer van inbeschuldigingstelling kan nemen, komt overeen met de huidige rechtspraak en met de artikelen 226 en 228 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 239

In dit artikel is het vormelijk gewijzigde artikel 231 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 240

Overeenkomstig de bepalingen van het huidige artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dit artikel dat de uitspraak met eenparigheid van stemmen vereist is indien de kamer van inbeschuldigingstelling een beschikking tot buitenvervolgingstelling teniet doet of een arrest wijst dat de toestand van de inverdenkinggestelde verzwaart.

Onderafdeling 5

Rechtsmiddelen tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling

Artikel 241

Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen zich in cassatie voorzien tegen de arresten van buitenvervolgingstelling.

Het openbaar ministerie, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde kunnen zich daarenboven in cassatie voorzien ingeval een arrest gewezen is over de bevoegdheid of overeenkomstig de artikelen 228 (hoger beroep tegen de beschikkingen van de raadkamer), en 234 (evocatierecht en recht van toezicht van de kamer van inbeschuldigingstelling) van dit voorontwerp van wetboek.

De voorziening in cassatie wordt ingesteld binnen de in artikel 272, tweede paragraaf, bepaalde termijn wanneer de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis (vierentwintig uur) bevindt. In de andere gevallen wordt de voorziening in cassatie ingesteld binnen vijftien dagen te rekenen van de dag van het arrest. Dit is geen vrije termijn meer.

De voorziening in cassatie wordt ingesteld bij de griffie van het hof van beroep dat het arrest heeft gewezen.

HOOFDSTUK 4

De voorlopige hechtenis

Afdeling 1

De aanhouding

Artikel 242

In dit artikel is artikel 1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis overgenomen.

Er werden evenwel bepalingen toegevoegd teneinde rekening te houden met de aanbevelingen van diverse instanties (Comité voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties, Europees Comité ter voorkoming van foltering en het Comité P) in verband met de werking van het interne recht inzake hechtenis in geval van administratieve en gerechtelijke aanhouding.

Punt 6 is nieuw en geeft aan de betrokken persoon het recht een naaste of een derde van zijn aanhouding op de hoogte te brengen. Het gaat om de invoeging in de wet van een thans gangbare gewoonte.

In beginsel mag de persoon zelf telefoneren. Indien echter kan worden gevreesd dat dit telefoongesprek collusie tussen de aangehouden persoon en zijn gesprekpartner tot gevolg kan hebben, belast de magistraat die de vrijheidsbeneming heeft bevolen, de officier van gerechtelijke politie om zelf het telefoongesprek te voeren of het te beluisteren.

Ook punt 7 is nieuw. Hierin wordt bevestigd dat de aangehouden persoon kan vragen om zich door een arts van zijn keuze te laten onderzoeken.

Tevens wordt bepaald dat als hij niet over de nodige middelen beschikt, het ereloon van de arts in aanmerking wordt genomen als gerechtskosten.

Punt 8 betreffende het recht een advocaat te raadplegen is nog vernieuwender.

Dit recht is evenwel beperkt : wanneer een persoon die van zijn vrijheid is beroofd in een cel moet overnachten alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen, kan hij verzoeken het bezoek te krijgen van zijn advocaat of van een ambtshalve aangewezen advocaat, hetzij tussen 20 en 21 uur, hetzij de volgende morgen tussen 7 en 8 uur.

Deze bepaling impliceert wellicht een permanente dienst van advocaten tijdens de bezoekuren. De taak van de advocaat zal er hoofdzakelijk uit bestaan aan de aangehouden persoon toelichting te geven over de toestand waarin hij zich bevindt en algemene inlichtingen te verstrekken.

Een lid van de commissie, onderzoeksrechter, heeft zich uitdrukkelijk tegen deze bepaling verzet.

Punt 9 vervangt en vult punt 6 van artikel 1 van de wet van 20 juli 1990 aan door te bepalen enerzijds dat de aangehouden persoon over al zijn rechten wordt ingelicht en anderzijds dat een individueel en volledig dossier betreffende de voorlopige hechtenis wordt opgesteld.

Artikel 243

In dit artikel is artikel 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis overgenomen.

Bij punt 3 is toegevoegd dat aan de betrokkene onverwijld kennis wordt gegeven van de beslissing tot aanhouding. Het gaat om een mondelinge mededeling in de taal van de rechtspleging die nadien door het proces-verbaal bedoeld in punt 7 wordt bevestigd.

In de punten 4, 5 en 6 zijn de wijzigingen respectievelijk ingevoerd in de punten 6, 7 en 8 van artikel 242 van dit voorontwerp overgenomen.

Punt 7 vervangt punt 4 van artikel 2 van de wet van 20 juli 1990 en vult het aan overeenkomstig punt 9 van artikel 242.

Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 242.

Afdeling 2

Het bevel tot medebrenging

Artikel 244

In dit artikel is artikel 3 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

De commissie benadrukt, in het tweede lid, dat het bevel tot medebrenging niet geldt als inverdenkingstelling in de zin van artikel 143, derde lid. In dit verband wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 (AR P.01 1535. N).

Artikel 245

In dit artikel is artikel 4 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 246

In dit artikel is artikel 5 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 247

In dit artikel is artikel 6 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 248

In dit artikel is artikel 7 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 249

In dit artikel is artikel 8 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 250

In dit artikel is artikel 9 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 251

In dit artikel is artikel 10 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 252

In dit artikel is artikel 11 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 253

In dit artikel is artikel 12 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 254

In dit artikel is artikel 13 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen, doch het verwijst naar artikel 193 van het voorontwerp, vermits de commissie de tekst van artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering niet heeft overgenomen.

Artikel 255

In dit artikel is artikel 14 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen doch de commissie heeft het woord « zonechef » aan de tekst toegevoegd.

Artikel 256

In dit artikel is artikel 15 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Afdeling 3

Het bevel tot aanhouding

Artikel 257

In dit artikel is artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 258

In dit artikel is artikel 17 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 259

In dit artikel is artikel 18 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 260

In dit artikel is artikel 19 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen, doch het verwijst naar artikel 193 van het voorontwerp, vermits de commissie de tekst van artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering niet heeft overgenomen.

Artikel 261

In dit artikel is artikel 20 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen doch het werd aangevuld teneinde het verzoek voorzien in de artikelen 242, 8º en 243, 6º, te vrijwaren.

De commissie Strafprocesrecht heeft overwogen op deze plaats een afdeling in te voegen met betrekking tot de onmiddellijke verschijning. Aangezien de terzake bestaande wettelijke bepalingen vrijwel niet worden toegepast en de nieuw te ontwerpen tekst nog niet bekend is heeft de commissie beslist in het voorontwerp hieromtrent niets in te voegen.

Afdeling 4

De handhaving van de voorlopige hechtenis

Artikel 262

In dit artikel is artikel 21van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 263

In dit artikel is artikel 22 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen. Tevens wordt rekening gehouden met het wetsvoorstel DOC 50 0366/001 ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers door de heren Giet en Frédéric. In de tekst werden de woorden « die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard » geschrapt.

Artikel 264

In dit artikel is artikel 23 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 265

In dit artikel is artikel 24 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Afdeling 5

De opheffing van het bevel tot aanhouding

Artikel 266

In dit artikel is artikel 25 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Afdeling 6

De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen

Artikel 267

In dit artikel is artikel 26 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen, met uitzondering van een aanvulling van de derde paragraaf.

De aanvulling van paragraaf 3 en de tekst van artikel 271 paragrafen 4 en 5 beogen enkele lacunes van de wet van 20 juli 1990 op te vullen, en dienen samen gelezen te worden.

Een tweede lid wordt toegevoegd aan artikel 267, paragraaf 3, om een wettelijke regeling in te voegen inzake de voorlopige hechtenis, nadat het Hof van Cassatie een arrest heeft geveld inzake regeling van rechtsgebied.

Indien de zaak naar de correctionele rechtbank werd verwezen door een beschikking van de raadkamer, en de raadkamer verleende krachtens artikel 267, paragraaf 3, eerste lid (thans artikel 26, paragraaf 3 enig lid van de wet van 20 juli 1990) een afzonderlijke beschikking waarbij ze besliste dat de inverdenkinggestelde aangehouden blijft, en in geval het Hof van Cassatie het rechtsgebied regelt, en de beschikking van verwijzing naar de correctionele rechtbank van de raadkamer vernietigt, oordelen de rechtspraak en de rechtsleer thans dat de geldigheidsduur van de handhaving van de hechtenis, die de verwijzing onmiddellijk voorafging, geschorst werd vanaf de beschikking van verwijzing met behoud van de hechtenis tot op de dag van het arrest van het Hof van Cassatie. De afzonderlijke beschikking van behoud van hechtenis, die met de verwijzing gepaard ging, verliest haar gelding zoals de verwijzing zelf.

Men berekent dan hoeveel dagen, van de sedert de laatste handhaving lopende maand, voorbij waren op het ogenblik van de beschikking van verwijzing. Te rekenen vanaf het arrest van regeling van rechtsgebied is de voorlopige hechtenis nog gedekt voor de dagen die van die maand nog overbleven. Deze constructie heeft geen wettelijke basis en veroorzaakt bovendien onoplosbare situaties, omdat er dikwijls bijna geen termijn meer overblijft.

Om dit afdoend te regelen bepaalt het nieuwe tweede lid dat ingeval de beschikking van verwijzing van de raadkamer bij regeling van rechtsgebied wordt vernietigd, de afzonderlijke beschikking die werd verleend krachtens het voorgaande lid, herleeft en als titel van handhaving van de voorlopige hechtenis geldt voor de duur van één maand te rekenen vanaf de datum van het arrest van het Hof van Cassatie dat het rechtsgebied regelt, en dat de beschikking van verwijzing van de raadkamer vernietigt.

Een derde lid wordt toegevoegd aan artikel 267, paragraaf 3, omdat de handhaving van de voorlopige hechtenis op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling door geen enkele wettekst wordt geregeld.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling wordt gevat door een hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer die de rechtspleging regelt, of in een criminele zaak ingevolge een beschikking tot overmaking van stukken aan de procureur-generaal, en de zaak wordt niet naar het Hof van Assisen verwezen, schrijft geen enkele wetsbepaling voor op welke wijze de voorlopige hechtenis in voorkomend geval bij verwijzing naar de correctionele rechtbank kan gehandhaafd worden.

Volgens vaste rechtspraak wordt dan gehandeld naar analogie met de bepalingen die van toepassing zijn voor de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging, en inzonderheid wordt de voorlopige hechtenis in voorkomend geval bij afzonderlijk arrest gehandhaafd. Vermits zulk afzonderlijk arrest een titel van voorlopige hechtenis uitmaakt, is het wenselijk dat daartoe een duidelijke wettelijke grond bestaat. Bij de verdere duur van de voorlopige hechtenis, na arrest van het Hof van Cassatie betreffende de regeling van rechtsgebied, is het trouwens wenselijk dat de wet uitdrukkelijk naar zulke titel verwijst.

Artikel 267, paragraaf 3, dat betrekking heeft op de weerslag van de regeling van de rechtspleging door de raadkamer op de vrijheidsbenemende maatregelen, werd aldus aangevuld met een derde lid, dat deze materie voor alle gevallen van regeling van rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling uitwerkt naar analogie met de procedure voor de raadkamer, behoudens het geval van verwijzing naar assisen, dat afzonderlijk wordt geregeld in artikel 267, paragraaf 5.

Artikel 268

In dit artikel is artikel 27 van de wet van 20 juli 1990, waarvan paragraaf 1, 3º, c) werd ingevoegd bij artikel 41 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en waarvan paragraaf 1, 3º, a) werd gewijzigd bij de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen, overgenomen.

Bovendien werd paragraaf 1, 3º, a) en b) aangepast om alle nieuwe situaties te voorzien en ervoor te zorgen dat steeds de mogelijkheid blijft bestaan voor de aangehouden inverdenkinggestelde om door een rechter de opportuniteit van de handhaving van de hechtenis te laten beoordelen. Ten slotte werd paragraaf 1, 1º aangepast om elke tegenstrijdigheid met paragraaf 1, 3º, c) uit te sluiten.

De formulering van de eerste paragraaf stamt uit de tijd dat de beschikking tot verwijzing in beginsel niet vatbaar was voor hoger beroep. De toevoeging van paragraaf 1, 3º, c) maakt het noodzakelijk dat bevoegdheid van de feitenrechter slechts een aanvang neemt na het verstrijken van de termijn van hoger beroep tegen de beschikking tot verwijzing, aangezien in geval van hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om te beslissen over een verzoek tot invrijheidstelling. In dit verband dient erop gewezen te worden dat de artikelen 233 en 234 nieuwe mogelijkheden bevatten.

In paragraaf 1, 3º, a) is de vermelding van « de beschikking tot verwijzing » niet meer vereist gelet op littera c). Daarentegen omvat littera c) niet de hypothese van een beschikking tot gevangenneming. De verwijzing naar de kennisgeving van het arrest is niet terzake aangezien niet alle arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling ter kennis worden gebracht.

Wat betreft paragraaf 1, 3º, b) is de hypothese van de regeling van rechtsgebied niet beperkt tot het geval waarbij de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid beroofd is in uitvoering van een beschikking tot gevangenneming van de raadkamer. Bovendien bestond er een lacune wat betreft de periode vanaf het ogenblik waarop de beslissing die het bevoegdheidsconflict creëert niet meer vatbaar is voor hoger beroep tot de indiening van het verzoek tot regeling van rechtsgebied. Dit vacuüm wordt ingevuld door aan de kamer van inbeschuldigingstelling terzake bevoegdheid te verlenen, zoals overigens de rechtspraak het had gedaan. Er moet aan herinnerd worden dat het niet mogelijk is een verzoek tot invrijheidstelling in te dienen tussen de uitspraak van de beslissing ten gronde en het verstrijken van de termijn van hoger beroep. (Vergelijk paragraaf 1º en 2º).

Een lid van de commissie heeft voorgesteld een bijkomende bepaling in te voegen in paragraaf 1, 3º, d) : het beroep van de inverdenkinggestelde tegen de beschikking van de raadkamer die op grond van de wet van 1 juli 1964 op het sociaal verweer zijn internering beveelt. Deze hypothese wordt inderdaad niet vermeldt in de wet van 20 juli 1990. De commissie heeft nochtans dit voorstel niet aangenomen.

Artikel 269

In dit artikel is artikel 28 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 270

In dit artikel is artikel 29 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen. De commissie heeft inmiddels besloten de woorden « voor het onderzoek vereiste » te schrappen.

Afdeling 7

Het hoger beroep

Artikel 271

In dit artikel is artikel 30 van de wet van 20 juli 1990, waarvan het tweede lid van paragraaf 4 werd ingevoegd bij artikel 42 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, overgenomen.

Artikel 271, paragraaf 2, vijfde lid, wordt aangevuld met de bepaling dat de inverdenkinggestelde en zijn advocaat vóór de verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling in kennis worden gesteld van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal. Teneinde te voorzien in een leemte in de wet van 20 juli 1990 die tot bepaalde moeilijkheden (60) heeft geleid, is uitdrukkelijk gesteld dat het dossier achtenveertig uren vóór de verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling op de griffie ter beschikking wordt gesteld van de inverdenkinggestelde en diens raadsman, zoals zulks in de praktijk geschiedt.

Het zesde lid van paragraaf 2 bepaalt dat de terbeschikkingstelling aan de inverdenkinggestelde in de vorm van afschriften kan gebeuren.

De termijn van vijftien dagen, bepaald in paragraaf 4 werd op één maand gebracht. Dit is een belangrijke wijziging. Vermits de beschikkingen van de raadkamer ­ behoudens het instellen van hoger beroep ­ een titel van vrijheidsbeneming uitmaken voor de duur van één maand, moet dit logischerwijze eveneens gelden voor de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit zou het vlot verloop van het gerechtelijk onderzoek sterk bevorderen. De bestaande toestand veroorzaakt een voortdurend over en weer zenden van dossiers gelet op de eerbiediging van de termijnen inzake de procedure voorlopige hechtenis hetzij voor de raadkamer, hetzij voor de kamer van inbeschuldigingstelling, en veroorzaakt uiteindelijk een langere duur van voorlopige hechtenis.

Twee alinea's werden toegevoegd aan paragraaf 5, waardoor enkele leemten in de wet van 20 juli 1990 werden opgevuld.

Afdeling 8

Het cassatieberoep

Artikel 272

In dit artikel is artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen, doch de termijn van vijftien dagen voorzien in het derde lid van paragraaf 4, wordt verlengd tot één maand.

Afdeling 9

De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek

Artikel 273

In dit artikel is artikel 32 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 274

In dit artikel is artikel 33 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002. Normaal gezien had dit artikel moeten aangevuld worden door artikel 8 van de wet van 28 maart 2000 tot invoeging van een procedure van onmiddellijke verschijning in stafzaken, doch de commissie Strafprocesrecht heeft besloten deze tekst niet over te nemen, om de redenen vermeld bij de bespreking van artikel 261.

Artikel 275

In dit artikel is artikel 34 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Afdeling 10

De vrijheid onder voorwaarden en de invrijheidstelling onder voorwaarden

Artikel 276

In dit artikel is artikel 35 van de wet van 20 juli 1990, zoals gewijzigd en aangevuld bij artikel 46 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, overgenomen.

Artikel 277

In dit artikel is artikel 36 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen. Bij de tweede paragraaf werd een tweede lid ingevoegd, om erover te waken dat de kamer van inbeschuldigingstelling over dezelfde bevoegdheden als de raadkamer beschikt, gedurende de procedure voorzien in artikel 228.

Artikel 278

In dit artikel is artikel 37 van de wet van 20 juli 1990 overgenomen.

Artikel 279

In dit artikel is artikel 38 van de wet van 20 juli 1990, gewijzigd bij artikel 23 van de wet van 7 mei 1999 en bij artikel 47 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, overgenomen.

TITEL III

Het vonnis en de vonnisgerechten

HOOFDSTUK 1

Het vonnis

Het eerste hoofdstuk strekt ertoe vast te stellen welke bepalingen gemeenschappelijk zijn voor alle vonnisgerechten. De artikelen 280 tot 322 zijn dus van toepassing op alle gerechten, zodat herhalingen kunnen worden voorkomen in de afdelingen betreffende deze verschillende gerechten.

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 280

In dit artikel wordt herinnerd aan het grondbeginsel dat straffen alleen kunnen worden uitgesproken door strafgerechten. Al te vaak wordt een straf als een administratieve sanctie of als een veiligheidsmaatregel beschouwd, die in feite sancties zijn met een strafrechtelijk karakter.

Tevens wordt eraan herinnerd dat de hoven en rechtbanken borg moeten staan voor de rechten van de burgers en van de partijen betrokken bij een geding.

Afdeling 2

De kenmerken van de rechtspleging

Artikel 281

Overeenkomstig het eerste lid, is de rechtspleging voor de vonnisgerechten openbaar, op straffe van nietigheid.

Het betreft geen nietigheid van openbare orde, maar een grondwettelijk beginsel waarvoor de hoven en rechtbanken aandacht moeten hebben.

In het tweede lid wordt artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vrijwel letterlijk overgenomen en worden zoals in het verdrag de eventuele uitzonderingen op het beginsel van openbaarheid vermeld.

Krachtens het derde lid kan het sluiten der deuren ambtshalve, op verzoek van het openbaar ministerie of op verzoek van een partij in het geding bevolen worden. In de tekst is zelfs bepaald dat ook een getuige daarom kan verzoeken, indien zijn verklaring op een openbare terechtzitting zijn veiligheid in gevaar zou brengen, zijn privé-leven zou schenden of de veiligheid van zijn familieleden in gevaar zou brengen of hun privé-leven zou schenden.

Teneinde elke vertraging bij de afhandeling van het proces te voorkomen is in het vierde lid bepaald dat het vonnis uitvoerbaar is bij voorraad.

Artikel 282

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 80 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. Zij heeft hier nochtans een algemene draagwijdte en is van toepassing op alle hoven en rechtbanken.

Zij kunnen onder dezelfde voorwaarden als deze waaronder zij het sluiten der deuren kunnen bevelen, de publicatie en verspreiding via geschriften of audiovisuele middelen verbieden van teksten, tekeningen, foto's of enigerlei beelden waaruit de identiteit van het slachtoffer, van de benadeelde, de burgerlijke partij, de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon alsook van getuigen blijkt.

Dit artikel kan bijzonder nuttig zijn wanneer het gaat om slachtoffers van zedenmisdrijven.

Overtredingen van deze bepaling worden gestraft krachtens het tweede en het derde lid.

Artikel 283

In dit artikel wordt benadrukt dat de rechtspleging voor de vonnisgerechten mondeling verloopt, maar dat de rechter en de partijen niettemin op de terechtzitting gebruik kunnen maken van stukken uit het opsporingsonderzoek en uit het gerechtelijk onderzoek.

Artikel 284

In het eerste lid wordt eraan herinnerd dat de rechtspleging voor de vonnisgerechten op tegenspraak geschiedt.

Overeenkomstig het tweede lid moeten de partijen over alle gegevens uit het dossier tegenspraak kunnen voeren en mag iedereen kennis en een kopie nemen van alle stukken voorgelegd aan de rechter. De commissie Strafprocesrecht benadrukt het belang van artikel 460ter van het Strafwetboek. Het beginsel van de tegenspraak mag niet voor andere doeleinden aangewend worden dan deze waarvoor het werd voorzien.

Afdeling 3

De rechtspleging ter terechtzitting

Algemene opmerking

Deze rechtspleging ter terechtzitting is bedoeld voor alle gerechten met inbegrip van het Hof van Assisen, in de mate dat de voor elk gerecht specifieke bepalingen van deze artikelen niet afwijken.

Onderafdeling 1

De aanhangigmaking, het dossier en de stukken

Artikel 285

In dit artikel is onderstreept dat de inleidende akten van rechtsingang nauwkeurig moeten zijn.

Een nauwkeurige omschrijving waarborgt immers de naleving van het recht op verdediging van de beklaagde, die precies moet weten wat hem ten laste wordt gelegd om zich doeltreffend te kunnen verdedigen. Zulks is ook bepaald in artikel 6.3. a) EVRM, op grond waarvan « eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen « .

Het is ook belangrijk dat rechtstreekse dagvaardingen of processen-verbaal van oproeping nauwkeurig worden opgesteld aangezien dit bepalend is voor de saisine voor de feitenrechter (indien een gerechtelijk onderzoek is verricht, wordt de zaak voor de feitenrechter aanhangig gemaakt door de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht).

De feiten die de beklaagde ten laste worden gelegd moeten nauwkeurig worden omschreven, doch dit kan eventueel in enkele zinnen daar de mate van nauwkeurigheid niet dezelfde moet zijn als voor het Hof van Assisen. De feiten moeten worden omschreven, de wettelijke kwalificatie moet worden aangeduid en de ernstige aanwijzingen moeten worden uiteengezet.

De nietigheid voorzien in dit artikel, betreft een relatieve nietigheid.

Artikel 286

Krachtens dit artikel, gebaseerd op de artikelen 146 en 184 van het Wetboek van Strafvordering, moet tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn gelaten worden van ten minste één maand, zulks op straffe van nietigheid van de veroordeling die wordt uitgesproken bij verstek tegen de gedaagde.

Het gaat hier om de toepassing van de huidige rechtspraak. Deze oplossing is realistisch. Zij voorkomt veelvuldige uitstellen en bekrachtigt de gangbare praktijk.

Volgens het tweede lid kan deze nietigheid enkel worden ingeroepen op de eerste zitting op verzet en vóór alle exceptie of verweer.

Overeenkomstig het derde en het vierde lid kunnen de termijnen verkort worden wanneer de beklaagde of een van de beklaagden zich in voorlopige hechtenis bevindt. In andere dringende gevallen kan dit toegestaan worden krachtens een beschikking van de voorzitter van het rechtscollege.

Artikel 287

In het eerste lid wordt de inhoud van het strafdossier omschreven en wordt bepaald dat het origineel van dat dossier ten laatste op het ogenblik van de dagvaarding op de griffie van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is moet worden neergelegd.

Krachtens het tweede lid hebben de partijen het recht kennis ervan te nemen en om een afschrift ervan te verzoeken. Dit mag een afschrift op een geïnformatiseerde gegevensdrager zijn, bijvoorbeeld een diskette, en de persoon die ze ontvangt moet nagaan of de inhoud conform is aan het origineel uit het dossier.

Overeenkomstig het derde lid kunnen de partijen, zelfs vóór de zitting, nieuwe stukken aan het strafdossier doen toevoegen. Het spreekt voor zich dat de partij die nieuwe stukken aan het dossier toevoegt de andere partijen in het geding daarvan in kennis moet stellen.

Onderafdeling 2

De behandeling ter terechtzitting van de vonnisgerechten met uitzondering van het Hof van Assisen

Artikel 288

Overeenkomstig dit artikel opent de voorzitter de debatten op de dag vastgesteld in de akte van rechtsingang, worden de andere partijen dan het openbaar ministerie opgeroepen en de identiteit nagegaan. Bij rechtspersonen gaat de voorzitter de maatschappelijke zetel, de bedrijfszetel, alsook de identiteit en hoedanigheid na van de personen gerechtigd om hen te vertegenwoordigen.

Overeenkomstig artikel 2bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, is in het laatste lid van artikel 288 bepaald dat de rechtbank een lasthebber ad hoc aanwijst om de rechtspersoon te vertegenwoordigen ingeval de strafvordering tegen deze rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om hem te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten. Een lasthebber ad hoc wordt eveneens voorzien in artikel 143, vierde lid, van het voorontwerp.

Artikel 289

Dit artikel, overgenomen uit de artikelen 149 en 186 van het Wetboek van Strafvordering behandelt de wijzen van verschijning, met verwijzing naar de bepalingen waarin het Wetboek voorziet.

Indien de beklaagde of de raadsman die hem vertegenwoordigt niet verschijnt wordt hij gevonnist bij verstek. Hetzelfde geldt voor de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, ongeacht hun hoedanigheid van natuurlijke persoon of rechtspersoon. Deze oplossing is noodzakelijk gelet op het arrest Van Geyseghem van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 1999.

Artikel 290

Dit artikel dat handelt over de wijze waarop de zaak in staat wordt gebracht, is gegrond op de werkzaamheden van de koninklijke commissaris Bekaert (III, 584, artikel 57.2).

Het in staat stellen van de zaak is zeer belangrijk, vooral indien er geen gerechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de onderzoeksgerechten bijgevolg niet zijn tussen gekomen.

Op de inleidingszitting beslist het hof of de rechtbank over

a. de verzoeken om uitstel;

b. de verzoeken strekkende tot het doen verrichten van bijkomende onderzoeksmaatregelen;

c. de bepaling van de zaak op een latere terechtzitting teneinde de personen en de deskundigen op te roepen wiens getuigenis gevorderd of gevraagd wordt door de partijen.

De rechter kan deze beslissingen ook ambtshalve nemen.

Het laatste lid voorziet in een systeem dat lijkt op datgene dat geldt voor de onderzoeksgerechten : indien een van de partijen onregelmatigheden, verzuimen, nietigheden (behalve deze vermeld in artikel 7 van het voorontwerp), of de niet-ontvankelijkheid van de vervolging of de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling inroept, moet zij deze, op straffe van uitsluiting, reeds op de inleidingszitting opwerpen, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen. De feitenrechter kan bij tussenvonnis oordelen over de aangevoerde middelen of het tussengeschil bij de zaak zelf voegen. Dit artikel zal vooral van belang zijn bij zaken die door middel van een rechtstreekse dagvaarding worden aanhangig gemaakt, wanneer er geen onderzoek heeft plaatsgevonden en wanneer er bijgevolg geen relatieve zuivering van nietigheden heeft plaatsgevonden.

Artikel 291

Dit artikel heeft betrekking op de oproeping van getuigen en deskundigen.

Artikel 292

Dit artikel heeft betrekking op de ondervraging van de beklaagde door de voorzitter. Deze onderzoeksmaatregel is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Na deze ondervraging kunnen het openbaar ministerie en de partijen in het geding, door tussenkomst van de voorzitter, de vragen stellen die zij nuttig achten. De voorzitter kan hen niettemin toelaten de vragen rechtstreeks te stellen.

Artikel 293

Dit artikel heeft betrekking op het verhoor en de oproeping van getuigen. De commissie wenst de nadruk te leggen op het feit dat de bedoeling van dit artikel geenszins eruit bestaat het strafdossier volledig over te doen, door middel van getuigenissen ter zitting.

Het openbaar ministerie roept ambtshalve de getuigen op die het wenst te horen. De partijen kunnen het openbaar ministerie vragen om andere getuigen ter terechtzitting op te roepen en indien het openbaar ministerie dit weigert kunnen de partijen de getuigen ter terechtzitting dagvaarden.

De rechter hoort deze getuigen en neemt, in geval van weigering, een met redenen omklede beslissing terzake.

De rechter kan aan het openbaar ministerie vragen andere getuigen, waarvan hij het verhoor beveelt, op een latere terechtzitting op te roepen.

Een vijfde lid werd ingevoegd overeenkomstig de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen. De gehoorde personen kunnen tijdens hun verklaring notities gebruiken, die vooraf of ter zitting worden neergelegd en bij het dossier worden gevoegd.

Artikel 294

Het eerste lid betreft de eed en is overgenomen uit artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering. De rol die deze alinea aan de griffier toebedeelt is belangrijk. Zijn verantwoordelijkheid staat op het spel.

In het tweede lid zijn overeenkomstig het huidige artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering de personen vermeld die niet opgeroepen of niet toegelaten worden om te getuigen. De commissie heeft deze alinea gewijzigd en het toepassingsgebied uitgebreid, teneinde rekening te houden met nieuwe realiteiten, zoals de wettelijke samenwoning en, in de toekomst, het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht. Indien deze personen toch worden gehoord, zullen zij de eed moeten afleggen.

Artikel 295

Deze bepaling herneemt artikel 5 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen.

Artikel 296

Deze bepaling herneemt artikel 6 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen.

Artikel 297

Dit artikel heeft betrekking op het eigenlijke getuigenverhoor en voert, in zekere zin, het beginsel van het tegenverhoor in.

Deze tekst is gebaseerd op het voorontwerp van de koninklijke commissaris Bekaert (III, 568, artikel 44).

De partijen kunnen elkaar ondervragen en de advocaten kunnen de partij die zij bijstaan, door tussenkomst van de voorzitter, ondervragen. De partijen kunnen hier geenszins rechtstreeks vragen stellen, zoals het geval is in de Angelsaksische procedure. De voorzitter leidt de debatten moet toezien dat het beginsel van de tegenspraak en de rechten van de verdediging nageleefd worden.

Artikel 298

Deze bepaling heeft betrekking op het verhoor van de deskundigen en de technische raadslieden.

Deze worden op de eerste terechtzitting, ambtshalve, door het openbaar ministerie of op schriftelijk verzoek van een van de partijen opgeroepen.

De deskundigen leggen de wettelijk bepaalde eed af. Indien het gerecht een deskundigenonderzoek beveelt zijn de artikelen 197 tot 203 van dit voorontwerp van toepassing.

Artikel 299

In deze bepaling is gesteld dat artikel 952 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de woordelijke opname van het getuigenverhoor van toepassing is op het verhoor van getuigen en deskundigen voor de feitenrechter, indien hierom wordt verzocht.

Artikel 300

De tekst herneemt artikel 39 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

In dit artikel wordt het beginsel ingevoerd dat minderjarigen door de feitenrechter worden verhoord door middel van een videoconferentie.

De minderjarige wordt gehoord in een afzonderlijk lokaal, in aanwezigheid van de toegelaten personen. Hij kan evenwel te kennen geven dat hij op de zitting wil verschijnen.

Teneinde de psychologische weerslag op de minderjarige tot een minimum te beperken wanneer hij in persoon of via videoconferentie wordt geconfronteerd met de beklaagde of de beschuldigde, kan hun onderlinge gezichtsveld zodanig worden beperkt dat de minderjarige de beklaagde of de beschuldigde niet kan zien of omgekeerd. Indien de minderjarige ter terechtzitting verschijnt kan daartoe bijvoorbeeld een scherm in de zaal worden geplaatst.

Artikel 301

Krachtens dit artikel kan de rechter confrontaties, plaatsopnemingen, wedersamenstellingen, verhoren en getuigenverhoren verrichten of doen verrichten.

Deze tekst is nieuw omdat bepaald is dat indien er geen gerechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden of indien nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen, de rechter niettemin huiszoekingen, inbeslagnemingen of onderzoeken aan het lichaam kan verrichten of bevelen, tenzij hij een vonnis verleent waarbij hij nieuwe onderzoeksmaatregelen beveelt. In dat geval maakt de procureur des Konings de zaak aanhangig bij een onderzoeksrechter.

Wanneer de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig werd gemaakt, voert deze de onderzoeksmaatregel uit die werd gevraagd, doch hij kan steeds bijkomende onderzoeksmaatregelen uitvoeren die hij noodzakelijk acht om de waarheid aan het licht te brengen. Het laatste lid bepaalt dat wanneer de onderzoeksrechter zijn opdracht vervuld heeft, hij het dossier terugstuurt naar de griffie, die dit ter kennis brengt van de procureur des Konings en alle andere partijen.

Onderafdeling 3

De debatten

Artikel 302

Dit artikel is overgenomen uit de artikelen 190 en 210 van het Wetboek van Strafvordering.

Onderafdeling 4

De splitsing van het geding

Artikel 303

Deze volledig nieuwe mogelijkheid om het geding te splitsen werd reeds voorgesteld door de koninklijke commissaris Bekaert (voorontwerp van wetboek, III, 588).

De rechtspleging wordt gesplitst indien het openbaar ministerie of de beklaagde zulks vraagt, door middel van een verzoekschrift ingediend vóór de vordering en de pleidooien. Indien één van de beklaagden om de toepassing van deze procedure verzoekt, wordt zij toegepast op alle beklaagden betrokken in dezelfde zaak.

Eerst wordt geoordeeld over het bestaan van de feiten en over de schuld van de beklaagde, nadien over de eventuele straf.

Nadat over de feiten en over de schuldvraag is geoordeeld, worden de debatten binnen de maand hervat, tenzij om de betrokkene werd vrijgesproken. De vorderingen en de pleidooien hebben in dat geval alleen betrekking op de toepasselijke straf of maatregel en over de modaliteiten ervan, alsook over de burgerlijke vergoedingen. In de mate van het mogelijke zal de rechter die over de schuldvraag geoordeeld heeft tevens over het vervolg oordelen.

De rechtbank doet ten gronde uitspraak door middel van één enkele beslissing, die betrekking heeft op alle beklaagden die op tegenspraak worden gevonnist.

Hoger beroep tegen het vonnis over de feiten en de schuld is slechts ontvankelijk samen met het hoger beroep tegen het vonnis ten gronde. De rechter in hoger beroep is dan gevat van de strafvordering in zijn geheel. Hetzelfde geldt in geval van verzet ingesteld door een niet verschenen partij.

De splitsing van het strafgeding strekt ertoe te voorkomen dat de beslissing over de feiten en over de schuld wordt beïnvloed door elementen die eigen zijn aan de persoon van de beklaagde. Bovendien kan worden voorkomen dat een beklaagde die de vrijspraak pleit, gedwongen is subsidiair de opschorting of het uitstel te pleiten, hetgeen zijn hoofdargumentatie betreffende zijn onschuld verzwakt.

Onderafdeling 5

De sluiting van de debatten

Artikel 304

In dit artikel wordt herinnerd aan het beginsel en aan de huidige praktijk en wordt uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 772 tot 776 van het Gerechtelijk Wetboek.

Onderafdeling 6

Het proces-verbaal van de terechtzitting

Artikel 305

In deze bepaling wordt eraan herinnerd dat van elke zaak een proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgemaakt dat door de griffier en vervolgens ook door de voorzitter op straffe van nietigheid moet worden ondertekend.

Artikel 306

In dit artikel zijn de vermeldingen in het proces-verbaal van de terechtzitting nader omschreven.

Artikel 307

Deze bepaling is nieuw in die zin dat de griffier de belangrijkste verklaringen van de beklaagden, de getuigen en de personen die louter ter informatie werden gehoord moet optekenen, tenzij de rechtbank, met instemming van het openbaar ministerie en de partijen, hem daarvan uitdrukkelijk heeft vrijgesteld.

Voor gewone zaken is het wellicht niet noodzakelijk dat de griffier alle verklaringen van de beklaagden, van de getuigen enz. optekent. Hoewel de griffier, onder het toezicht van de voorzitter, beoordeelt wat in een verklaring belangrijk is, teneinde daarvan een samenvatting op te schrijven, mogen de partijen vragen dat bepaalde verklaringen woordelijk worden opgetekend. Dit artikel zal wellicht een herziening van de organisatie en het kader van bepaalde rechtbanken vereisen. Het is tenslotte nuttig te vermelden dat de griffier in geen geval de secretaris is van de advocaten van partijen.

Indien de voorzitter weigert, dient de partij terzake te concluderen en spreekt de rechter een vonnis uit.

Artikel 308

Dit artikel is belangrijk omdat daarin is vastgelegd dat de verplichting om de belangrijkste verklaringen op te tekenen voor alle strafgerechten geldt, met uitzondering van het Hof van Assisen. De tekst wijkt dus af van de huidige rechtspraak daar hij ook van toepassing is op de rechtspleging in hoger beroep.

Overeenkomstig artikel 307 kan de griffier daarvan evenwel worden vrijgesteld.

Artikel 309

Artikel 309 heeft betrekking op de inhoud en de vorm van het proces-verbaal van de terechtzitting.

Article 310

Krachtens deze bepaling hebben de processen-verbaal van de terechtzittingen bewijskracht tot bewijs van het tegendeel én niet tot de betichting van valsheid.

Er kan sprake zijn van valsheid van het proces-verbaal van de terechtzitting indien de griffier de inhoud van de verklaringen opzettelijk wijzigt, maar het proces-verbaal van de terechtzitting als dusdanig geldt enkel zolang het tegendeel niet is bewezen. Een inschrijving wegens valsheid is niet langer nodig.

Dit is vanzelfsprekend een belangrijke hervorming.

Onderafdeling 7

De beraadslaging

Artikel 311

In dit artikel wordt herinnerd aan de bestaande praktijk.

Artikel 312

Dit artikel heeft betrekking op de regels inzake meerderheid en eenparigheid van stemmen overeenkomstig de artikelen 193bis en 211bis van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 313

Ook in deze tekst wordt herinnerd aan een essentieel beginsel nopens de beraadslaging.

Afdeling 4

De uitspraak van de beslissing

Artikel 314

In dit artikel wordt herinnerd aan de grondwettelijke eis dat een vonnis op straffe van nietigheid in openbare terechtzitting wordt uitgesproken.

Artikel 315

Dit artikel heeft betrekking op de inhoud van het vonnis, naast de motieven en het beschikkend gedeelte. De tekst is gebaseerd op het voorontwerp van de koninklijke commissaris Bekaert (III, 623, artikel 83).

Artikel 316

De toegepaste wetsbepalingen, zowel deze waardoor het feit strafbaar wordt gesteld, als deze waardoor een staf of een veiligheidsmaatregel wordt bepaald, moeten worden vermeld, maar deze vermeldingen zijn niet langer voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Het voorontwerp behoudt de verplichting om de wetsbepalingen te vermelden, meer bepaald omdat zulks impliceert dat de rechter de kwaliteit van zijn vonnis controleert. Dit voorschrift is op zich echter geen grond voor een cassatieberoep, zelfs indien een aantal artikelen niet werden vermeld.

Artikel 317

In dit artikel is artikel 195bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 318

Dit is een volledige nieuwe bepaling in het strafrecht. Het gaat om een essentieel en noodzakelijk beginsel waaraan de commissie erg gehecht is.

Krachtens dit artikel moet de griffier, binnen vijf dagen na de uitspraak van het vonnis, een afschrift ervan sturen aan het openbaar ministerie, alle partijen en hun advocaten. De termijn van vijf dagen is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en heeft geen invloed op de termijnen voor de aanwending van rechtsmiddelen, aangezien deze vijftien dagen bedragen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.

Teneinde de werklast van de griffies niet te zeer op te voeren geldt de toezending van een vonnis, wat de vonnissen van de politierechtbank betreft, niet voor beslissingen die alleen betrekking hebben op verkeersmisdrijven en wanneer er geen burgerlijke partij optreedt. Bovendien kan, in alle andere gevallen, de verzending door middel van de elektronische post gebeuren.

De concrete toepassing van dit artikel maakt bijkomende middelen noodzakelijk.

Artikel 319

In deze tekst wordt eraan herinnerd dat elk definitief vonnis vanaf de uitspraak gezag van gewijsde heeft, maar dat het vonnis niet in kracht van gewijsde zal treden zolang de termijn gesteld voor de aanwending van rechtsmiddelen niet is verstreken.

In het artikel is verwezen naar de artikelen 23 tot 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 320

De tekst vermeldt dat de artikelen 793 tot 801 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de uitlegging en de verbetering van het vonnis van toepassing zijn.

Afdeling 5

Bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen

Artikel 321

In deze tekst is artikel 14 van het wetsontwerp 50 1601 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken overgenomen.

Artikel 322

In deze tekst is artikel 15 van het wetsontwerp 50 1601/001 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken overgenomen.

HOOFDSTUK 2

De vonnisgerechten

Afdeling 1

De politierechtbank

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Artikel 323

In dit artikel wordt de materiële bevoegdheid van de politierechtbank bepaald.

In het eerste lid is artikel 137 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

In het tweede lid is artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, licht gewijzigd door de invoeging van 8º en door de hernummering van 6ºbis en ter.

Het derde lid vermeldt dat de politierechtbank bevoegd is om kennis te nemen van door aanneming van verzachtende omstandigheden gecontraventionaliseerde wanbedrijven.

Artikel 324

Dit artikel betreffende de territoriale bevoegdheid van de politierechtbank is overgenomen uit artikel 139 van het Wetboek van Strafvordering. De verwijzing naar de plaats van de maatschappelijke zetel en naar die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon is toegevoegd rekening houdend met de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Artikel 325

In dit artikel worden de diverse wijzen waarop een zaak bij de politierechtbank aanhangig kan worden gemaakt in herinnering gebracht. De commissie herhaalt dat zij in dit artikel de tekst van de wet van 28 maart 2000 tot invoeging van een procedure van onmiddellijke verschijning in strafzaken niet heeft overgenomen.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Artikel 326

Deze tekst regelt de verschijning voor de politierechtbank overeenkomstig de bepalingen van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

De tekst werd aangepast, overeenkomstig het wetsvoorstel 50 0651/001 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het verstek betreft. De commissie Strafprocesrecht heeft evenwel de paragrafen 2 en 4 van de basistekst niet aangepast, daar zij niet kon instemmen met het wetsvoorstel betreffende deze twee punten.

Artikel 327

In dit artikel is artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering letterlijk overgenomen. Op grond daarvan kan de rechter in de politierechtbank, vóór de dag van de terechtzitting, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de burgerlijke partij, de schade schatten of doen schatten, processen-verbaal opmaken of doen opmaken en alle spoedeisende handelingen verrichten of bevelen.

Deze tekst wordt in de praktijk te weinig toegepast, zodat hij in herinnering moet worden gebracht.

Het is moeilijk te bepalen dat deze maatregelen ook kunnen worden genomen op vraag van de benadeelde persoon indien betrokkene nog niet beslist heeft of hij als partij, al dan niet, in het geding zal optreden.

Artikel 328

In dit artikel zijn de ideeën uit de artikelen 159 en 161 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, alsook deze uit artikel 4, tweede lid, van de Voorafgaande Titel.

Artikel 329

Deze tekst is uit artikel 162, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 330

Dit artikel is gebaseerd op artikel 162, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het vermeldt tevens de vrijwillig tussenkomende partij. Dit is een logisch gevolg van de mogelijkheid voor deze persoon om vrijwillig in het strafproces tussen te komen.

Artikel 331

Dit artikel stemt overeen met artikel 195, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Dit is een belangrijke nieuwigheid, vermits de huidige motiveringsverplichting voor de politierechtbank, overeenkomstig artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering, beperkter is dan deze opgenomen in artikel 331 van het voorontwerp.

Artikel 332

In afwijking van artikel 318, is in dit artikel bepaald dat het afschrift van het vonnis van de politierechtbank niet wordt toegezonden aan de partijen wanneer de beslissing alleen betrekking heeft op een verkeersmisdrijf en wanneer er geen burgerlijke partij optreedt. Deze uitzondering strekt ertoe de werklast van de griffies niet te verzwaren.

Afdeling 2

De correctionele rechtbank

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Artikel 333

In dit artikel worden de klassieke bevoegdheden van de correctionele rechtbank vastgesteld.

Artikel 334

Dit artikel betreffende de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank is gelijkaardig aan artikel 324 inzake de politierechtbank. De verwijzing naar de plaats van de maatschappelijke zetel en naar die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon is toegevoegd rekening houdend met de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Artikel 335

Dit artikel in verband met de verschillende vormen van aanhangigmaking komt overeen met artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering. Er werd een 6º ingevoegd, gebaseerd op artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Artikel 336

Dit artikel is overgenomen uit artikel 185 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de verschijning in rechte en werd aangepast overeenkomstig de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. In paragraaf 5 werd tevens rekening gehouden met het wetsvoorstel 50 0651/001 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het verstek betreft.

Artikel 337

Deze tekst herneemt het artikel 14 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen.

Artikel 338

Het eerste lid is gebaseerd op artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering.

Het tweede lid is overgenomen uit artikel 192 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 339

Deze tekst is ontleend aan artikel 193 van het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van de mogelijkheid een bevel tot aanhouding te verlenen.

Artikel 340

Dit artikel betreft de motivering van de straffen, overeenkomstig de beginselen die in artikel 195, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden omschreven.

De motiveringsverplichting wordt vanaf nu ruimer, vermits het derde lid van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering niet wordt overgenomen. Er is derhalve geen verschil meer tussen de correctionele rechtbank zetelend in eerste aanleg of zetelend in graad van beroep.

Afdeling 3

Het hof van beroep

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Artikel 341

Er wordt herinnerd aan de beginselen betreffende de bevoegdheid van het hof van beroep, zulks onverminderd de bevoegdheid van het hof van beroep om kennis te nemen van de zaken waarmee het krachtens de wet in het bijzonder is belast.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Artikel 342

In dit artikel wordt herinnerd aan de vormen van aanhangigmaking : door akte van hoger beroep, krachtens een arrest van het Hof van Cassatie met verwijzing, krachtens een arrest van het Hof van Cassatie tot regeling van rechtsgebied, na rechtstreekse dagvaarding van de procureur-generaal of krachtens een arrest tot verwijzing van het Hof van Cassatie inzake voorrecht van rechtsmacht.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Artikel 343

In deze bepaling wordt eraan herinnerd dat de regels inzake verschijning voor het hof van beroep en de regels inzake de rechtspleging overeenkomen met die welke gelden voor de correctionele rechtbank.

Artikel 344

Dit artikel is overgenomen uit artikel 212 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 345

Dit artikel stemt overeen met artikel 213 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 346

Deze tekst is gebaseerd op artikel 214 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 347

In dit artikel is de tekst van artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Afdeling 4

Het Hof van Assisen

De commissie Strafprocesrecht heeft zich, naar aanleiding van haar werkzaamheden, uitgesproken over de afschaffing van het Hof van Assisen en over de oprichting van een criminele rechtbank.

De wetgever was voorstander om de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen en daaraan werd vorm gegeven door de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het Hof van Assisen te stroomlijnen.

De commissie heeft vervolgens daarom besloten de artikelen 217 en volgende van het Wetboek van Strafvordering in het voorontwerp van wetboek over te nemen, zoals gewijzigd door de wet. Sommige artikels werden evenwel niet overgenomen (bijvoorbeeld de inbeschuldigingstelling), vermits zij dubbel gebruik zouden uitmaken met andere artikelen van het voorontwerp.

Wat de bespreking van de hieronder vermelde artikels betreft, wordt terzake verwezen naar de parlementaire werkzaamheden van de wet van 30 juni 2000.

Onderafdeling 1

De bevoegdheid, de ambtsverrichtingen van de voorzitter en de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep

§ 1 : De bevoegdheid

Artikel 348

Dit is een nieuw artikel en het herneemt de tekst van artikel 150 van de Grondwet. Dit was noodzakelijk om de bevoegdheid van het Hof van Assisen te omschrijven.

§ 2 : De ambtsverrichtingen van de voorzitter

Artikel 349

In dit artikel wordt de tekst van artikel 267 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 350

In dit artikel wordt de tekst van artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 351

In dit artikel wordt de tekst van artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 352

In dit artikel wordt de tekst van artikel 270 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

§ 3 : De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep

Artikel 353

In dit artikel wordt de tekst van artikel 271 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 354

In dit artikel wordt de tekst van artikel 272 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 355

In dit artikel wordt de tekst van artikel 273 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 356

In dit artikel wordt de tekst van artikel 274 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 357

In dit artikel wordt de tekst van artikel 275 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 358

In dit artikel wordt de tekst van artikel 276 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 359

In dit artikel wordt de tekst van artikel 277 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 360

In dit artikel wordt de tekst van artikel 278 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 361

In dit artikel wordt de tekst van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 362

In dit artikel wordt de tekst van artikel 280 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 363

In dit artikel wordt de tekst van artikel 281 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 364

In dit artikel wordt de tekst van artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 365

In dit artikel wordt de tekst van artikel 282bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 366

In dit artikel wordt de tekst van artikel 283 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Onderafdeling 2

De aanhangigmaking

Artikel 367

In dit artikel wordt de tekst van artikel 291 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 368

In dit artikel wordt de tekst van artikel 241 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Artikel 369

In dit artikel wordt de tekst van artikel 292 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 370

In dit artikel wordt de tekst van artikel 292bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 371

In dit artikel wordt de tekst van artikel 292ter van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 372

In dit artikel wordt de tekst van artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen, zoals het zal gewijzigd worden door het wetsontwerp 50 1563/009 ter vervanging van artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering teneinde de beschuldigde bijstand door een advocaat te verlenen, ingediend door de heren Giet en Erdman.

Artikel 373

In dit artikel wordt de tekst van artikel 294 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 374

In dit artikel wordt de tekst van artikel 295 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 375

In dit artikel wordt de tekst van artikel 296 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 376

In dit artikel wordt de tekst van artikel 297 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 377

In dit artikel wordt de tekst van artikel 298 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 378

In dit artikel wordt de tekst van artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 379

In dit artikel wordt de tekst van artikel 307 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 380

In dit artikel wordt de tekst van artikel 308 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Onderafdeling 4

Het onderzoek, het arrest en de tenuitvoerlegging

§ 1 : Het onderzoek

Artikel 381

In dit artikel wordt de tekst van artikel 310 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 382

In dit artikel wordt de tekst van artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 383

In dit artikel wordt de tekst van artikel 312bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 384

In dit artikel wordt de tekst van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 385

In dit artikel wordt de tekst van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 386

In dit artikel wordt de tekst van artikel 15 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen, dat een artikel 315bis in het Wetboek van Strafvordering invoegt, overgenomen.

Artikel 387

In dit artikel wordt de tekst van artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 388

In dit artikel wordt de tekst van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 389

In dit artikel wordt de tekst van artikel 9 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen, dat een artikel 317bis in het Wetboek van Strafvordering invoegt, overgenomen.

Artikel 390

In dit artikel wordt de tekst van artikel 10 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen, dat een artikel 317ter in het Wetboek van Strafvordering invoegt, overgenomen.

Artikel 391

In dit artikel wordt de tekst van artikel 318 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 392

In dit artikel wordt de tekst van artikel 319 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 393

In dit artikel wordt de tekst van artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 394

In dit artikel wordt de tekst van artikel 321 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 395

In dit artikel wordt de tekst van artikel 322 van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd teneinde het contract van wettelijke samenwoning in te voegen, overgenomen.

Artikel 396

In dit artikel wordt de tekst van artikel 324 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 397

In dit artikel wordt de tekst van artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 398

In dit artikel wordt de tekst van artikel 326 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 399

In dit artikel wordt de tekst van artikel 327 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 400

In dit artikel wordt de tekst van artikel 327bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 401

In dit artikel wordt de tekst van artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 402

In dit artikel wordt de tekst van artikel 329 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 403

In dit artikel wordt de tekst van artikel 330 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 404

In dit artikel wordt de tekst van artikel 331 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 405

In dit artikel wordt de tekst van artikel 332 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 406

In dit artikel wordt de tekst van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 407

In dit artikel wordt de tekst van artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 408

In dit artikel wordt de tekst van artikel 335 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 409

In dit artikel wordt de tekst van artikel 336 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 410

In dit artikel wordt de tekst van artikel 337 van het Wetoek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 411

In dit artikel wordt de tekst van artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 412

In dit artikel wordt de tekst van artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 413

In dit artikel wordt de tekst van artikel 341 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 414

In dit artikel wordt de tekst van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 415

In dit artikel wordt de tekst van artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 416

In dit artikel wordt de tekst van artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 417

In dit artikel wordt de tekst van artikel 345 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 418

In dit artikel wordt de tekst van artikel 347 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 419

In dit artikel wordt de tekst van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 420

In dit artikel wordt de tekst van artikel 349 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 421

In dit artikel wordt de tekst van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 422

In dit artikel wordt de tekst van artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 423

In dit artikel wordt de tekst van artikel 352 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 424

In dit artikel wordt de tekst van artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 425

In dit artikel wordt de tekst van artikel 354 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 426

In dit artikel wordt de tekst van artikel 355 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 427

In dit artikel wordt de tekst van artikel 356 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

§ 2 : Het arrest en de tenuitvoerlegging

Artikel 428

In dit artikel wordt de tekst van artikel 357 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 429

In dit artikel wordt de tekst van artikel 358 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 430

In dit artikel wordt de tekst van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 431

In dit artikel wordt de tekst van artikel 360 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 432

In dit artikel wordt de tekst van artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 433

In dit artikel wordt de tekst van artikel 362 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 434

In dit artikel wordt de tekst van artikel 363 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 435

In dit artikel wordt de tekst van artikel 364 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 436

In dit artikel wordt de tekst van artikel 364bis van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 437

In dit artikel wordt de tekst van artikel 365 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 438

In dit artikel wordt de tekst van artikel 366 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 439

In dit artikel wordt de tekst van artikel 367 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 440

In dit artikel wordt de tekst van artikel 368 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 441

In dit artikel wordt de tekst van artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 442

In dit artikel wordt de tekst van artikel 370 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 443

In dit artikel wordt de tekst van artikel 371 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 444

In dit artikel wordt de tekst van artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 445

In dit artikel wordt de tekst van artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen. De commissie heeft echter voorzien in een termijn van vijftien dagen in plaats van vijftien « vrije » dagen, teneinde de tekst in overeenstemming te brengen met artikel 241 en artikel 369.

Artikel 446

In dit artikel wordt de tekst van artikel 375 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 447

In dit artikel wordt de tekst van artikel 376 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 448

In dit artikel wordt de tekst van artikel 377 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 449

In dit artikel wordt de tekst van artikel 378 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 450

In dit artikel wordt de tekst van artikel 379 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 451

In dit artikel wordt de tekst van artikel 380 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Onderafdeling 5

De verstekprocedure en het verzet

Artikel 452

In dit artikel wordt de tekst van artikel 381 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen. Dit artikel werd aangepast teneinde rekening te houden met het arrest Van Geyseghem van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Artikel 453

In dit artikel wordt de tekst van artikel 382 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 454

In dit artikel wordt de tekst van artikel 383 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 455

In dit artikel wordt de tekst van artikel 384 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 456

In dit artikel wordt de tekst van artikel 385 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

HOOFDSTUK 3

De gewone rechtsmiddelen

Afdeling 1

Het verzet

De commissie Strafprocesrecht heeft zich naar aanleiding van het arrest Van Geyseghem uitgesproken door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar aanleiding van een wetsvoorstel ingediend door de heer Erdman dat momenteel in de Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt besproken, opnieuw over het probleem inzake het verzet gebogen.

De commissieleden hebben zich akkoord verklaard met het principe dat het verzet geen recht meer is, maar ook dat het criterium van overmacht, waarvan sprake in het wetsvoorstel van de heer Erdman, dient verworpen te worden. Bijgevolg stelt de commissie voor het criterium van verschoonbaarheid te weerhouden in plaats dit van overmacht, daar dit laatste te beperkt is.

De commissie Strafprocesrecht heeft beraadslaagd over de gevolgen van een hoger beroep tegen een vonnis dat het verzet niet ontvankelijk verklaard.

Indien het hoger beroep enkel betrekking heeft op de verschoonbaarheid zal een beslissing in hoger beroep die het verstek verschoonbaar verklaart evocatie van het gehele proces met zich brengen. Het hof zal in dit geval de zaak ab initio hernemen. Indien daarentegen de beslissing in hoger beroep het verstek onverschoonbaar verklaart wordt het geding beëindigd.

Gelet op de huidige stand van de bespreking van het wetsvoorstel Erdman werd door de commissie beslist de teksten met betrekking tot het verzet niet te wijzigen.

Artikel 457

Dit artikel bevat een definitie van het vonnis bij verstek.

Het criterium werd niet gewijzigd : er is sprake van een vonnis bij verstek indien de partij niet is ondervraagd door de voorzitter en afwezig was bij de vordering van het openbaar ministerie. Het vonnis wordt eveneens bij verstek gewezen indien na een eerste terechtzitting, waarbij een partij aanwezig was, in diens afwezigheid, aan het dossier nieuwe stukken zijn toegevoegd.

De tekst werd gewijzigd rekening houdend met het arrest Van Geyseghem van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Artikel 458

In dit artikel is de termijn van verzet bepaald overeenkomstig artikel 187, eerste tot derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De tekst werd anders gestructureerd teneinde hem duidelijker te maken.

Artikel 459

Het eerste lid komt overeen met het vierde lid van artikel 178 van het Wetboek van Strafvordering.

Het tweede lid dat is gebaseerd op artikel 2 van koninklijk besluit 236 van 20 januari 1936, bepaalt dat het verzet kan worden gedaan ter griffie van de gevangenis wanneer de opposant zich in hechtenis bevindt. Deze regel geldt enkel voor veroordelingen op strafgebied, zodat de vaak talrijke dagvaardingen van burgerlijke partijen niet door de griffie moeten worden verricht.

Artikel 460

In dit artikel is de inhoud van artikel 188, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering overgenomen. De tekst werd vervolledigd teneinde rekening te houden met de gevolgen van het arrest Van Gheyseghem dd. 21 januari 1999 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Artikel 461

Dit artikel behandelt het gevolg van het ontvankelijk verklaard verzet.

Overeenkomstig het eerste lid doet het ontvankelijk verklaard verzet het vonnis van rechtswege teniet en brengt het de opposant opnieuw in de toestand alsof de beslissing niet was uitgesproken. Indien een vonnis de onmiddellijke aanhouding heeft gelast moet betrokkene dus onmiddellijk in vrijheid worden gesteld. De vroegere rechtspleging blijft evenwel onverkort bestaan, inzonderheid wat betreft de getuigenverhoren, deskundigenonderzoeken en andere onderzoeksmaatregelen, onder voorbehoud van de eerbiediging van de rechten van de verdediging.

Krachtens het tweede lid, gebaseerd op artikel 187, in fine, van het Wetboek van Strafvordering, blijven de kosten en uitgaven veroorzaakt door het verzet evenwel ten laste van de opposant indien het verstek aan hem te wijten is.

Artikel 462

In het eerste lid wordt eraan herinnerd dat het verzet enkel ten goede kan komen aan de opposant en dat het in de regel geen aanleiding kan geven tot een verzwaring van zijn toestand. Het gaat hier om het beginsel van de betrekkelijke aard van rechtsmiddelen.

Het tweede en het derde lid hebben betrekking op de schorsende werking van het verzet.

Een vonnis waartegen binnen of buiten de gewone verzetstermijn verzet is gedaan kan niet ten uitvoer worden gelegd, onder voorbehoud van de onmiddellijke aanhouding die blijft gelden zolang het verzet niet ontvankelijk is verklaard.

Het vonnis kan evenmin ten uitvoer worden gelegd tijdens de gewone termijn van verzet. Zulks geldt uiteraard niet voor de buitengewone termijn van verzet, die geen schorsende werking heeft.

Het laatste lid herneemt artikel 187, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 463

In dit artikel is bepaald dat een benadeelde partij zich voor het eerst burgerlijke partij kan stellen in eerste aanleg, tijdens het debat over het verzet gedaan door de beklaagde.

Dit beginsel is algemeen erkend in de rechtsleer en de rechtspraak.

Afdeling 2

Het hoger beroep

Artikel 464

Dit artikel betreft de vonnissen waartegen hoger beroep openstaat.

Indien voor een rechtbank bevoegd voor criminele zaken wordt geopteerd, moeten ook de vonnissen van die rechtbank worden vermeld.

Hoger beroep staat open tegen alle vonnissen, zelfs tegen tussenvonnissen of voorbereidende vonnissen. Zulks geldt niet voor maatregelen van inwendige aard die aan geen enkele partij nadeel berokkenen, bijvoorbeeld een uitstel. Over het algemeen spreekt de rechtbank in het geval van voorbereidende vonnissen en tussenvonnissen de voorlopige tenuitvoerlegging uit. Niets belet evenwel het hoger beroep te behandelen vooraleer de eerste rechter ten gronde uitspraak heeft gedaan.

Artikel 465

Dit artikel is gebaseerd op artikel 202 van het Wetboek van Strafvordering.

Een zesde punt werd toegevoegd teneinde rekening te houden met het arrest van het Hof van Cassatie van 12 mei 1947.

Artikel 466

Deze tekst is overgenomen uit artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering.

De commissie Strafprocesrecht heeft de vraag gesteld naar de verlenging van de termijn van hoger beroep van vijftien dagen tot één maand. Teneinde evenwel een grotere eenvormigheid te bewaren tussen de aangehouden en de niet aangehouden beklaagde heeft de commissie verkozen de termijn van hoger beroep op vijftien dagen te houden.

Artikel 467

Dit artikel is gebaseerd op artikel 203bis van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 468

Deze tekst is min of meer overgenomen uit artikel 205 van voornoemd wetboek.

De commissie heeft het nuttig geoordeeld de termijn van hoger beroep van vijfentwintig dagen voor het openbaar ministerie te behouden.

Artikel 469

In dit artikel is overeenkomstig artikel 199 van het Wetboek van Strafvordering vermeld tegen welke beslissingen hoger beroep openstaat.

Artikel 470

Dit artikel heeft betrekking op de devolutieve werking van het hoger beroep.

Artikel 471

In deze bepaling wordt herinnerd aan de betrekkelijkheid van de rechtsmiddelen.

Artikel 472

Dit artikel herneemt artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering.

HOOFDSTUK 4

Tenuitvoerlegging van vonnissen

Artikel 473

Dit artikel is gebaseerd op artikel 40, tweede lid, van de Grondwet, alsmede op de artikelen 165, 197 en 376 van het Wetboek van Strafvordering zoals gewijzigd bij de artikelen 13, 14 en 15 van de wet van 20 mei 1997 met betrekking tot de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen.

Artikel 474

Krachtens deze bepaling worden de wijzen van tenuitvoerlegging van de straffen en maatregelen uitgesproken door de strafgerechten bij wet bepaald.

Er wordt in het bijzonder verwezen naar de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 en naar de wet van 18 maart 1998 tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Er is overigens sprake van een ontwerp van de regering betreffende de tenuitvoerlegging van straffen.

Met het oog op de werkbaarheid is het hoe dan ook wenselijk dat de nadere regels inzake de tenuitvoerlegging in de wet of in verschillende wetten worden bepaald. Het gaat immers om een materie die kan evolueren, en het verdient dan ook aanbeveling haar niet in het Wetboek van Strafprocesrecht op te nemen.

Artikel 475

In de huidige stand van de wetgeving is bepaald dat de rechtbank die van de zaak kennis heeft genomen oordeelt over beslissingen van het openbaar ministerie.

Indien een strafuitvoeringsrechtbank zou worden ingesteld behoort zulks tot haar bevoegdheid.

HOOFDSTUK 5

Uitwissing en herstel in eer en rechten

Afdeling 1

Uitwissing

Artikel 476

Dit artikel herneemt artikel 17 van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister (Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2001).

De commissie heeft vastgesteld dat de toepassing van deze wet meerdere problemen zou kunnen veroorzaken, doch heeft beslist de tekst niet te wijzigen. De wetgever zal in elk geval na enige tijd de nodige conclusies trekken uit de toepassing van deze wet.

Artikel 477

In dit artikel is artikel 620 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Afdeling 2

Herstel in eer en rechten

Artikel 478

In dit artikel is artikel 621 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals aangevuld door artikel 18 van de wet betreffende het Centraal Strafregister.

Artikel 479

In dit artikel is artikel 622 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 480

In dit artikel wordt artikel 623 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij artikel 125 van de faillissementswet dd. 8 augustus 1997.

Artikel 481

In dit artikel is artikel 624 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals aangevuld bij artikel 19 van de wet betreffende het Centraal Strafregister.

Artikel 482

In dit artikel is artikel 625 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 483

In dit artikel is artikel 626 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 484

In dit artikel is artikel 20 van de wet betreffende het Centraal Strafregister overgenomen, waardoor in het Wetboek van strafvordering opnieuw een artikel 627 wordt ingevoegd.

Artikel 485

In dit artikel is artikel 628 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij artikel 21 van de wet betreffende het Centraal Strafregister.

Artikel 486

In dit artikel is artikel 629 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij artikel 22 van de wet betreffende het Centraal Strafregister.

De commissie Strafprocesrecht preciseert dat het advies, vermeld in fine van artikel 486, gerechtvaardigd is aangezien hierdoor kan worden achterhaald of er geen nieuwe feiten werden gepleegd gedurende de laatste vijf jaar.

Artikel 487

In dit artikel is artikel 630 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 488

In dit artikel is artikel 631 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 489

In dit artikel is artikel 632 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

Artikel 490

In dit artikel is artikel 633 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen zoals gewijzigd bij artikel 23 van de wet betreffende het Centraal Strafregister.

De kosten van de procedure waarvan sprake in dit artikel, zijn de kosten van het eensluidend verklaard afschrift van de vonnissen en arresten waarvoor het herstel in eer en rechten wordt gevraagd, de kosten van vertaling en deze van het advies van de dienst die gespecialiseerd is inzake seksuele delinquentie.

Artikel 491

In dit artikel is artikel 634 van het Wetboek van Strafvordering overgenomen.

HOOFDSTUK 6

Gerechtskosten

Artikel 492

Voor de definitie van het begrip gerechtskosten wordt verwezen naar de omschrijving gegeven door Procureur-generaal Constant (61). De burgerlijke partij werd er evenwel aan toegevoegd.

Het is nuttig te preciseren wat juist begrepen wordt onder « de kosten gemaakt voor de verdediging van ». Het gaat hier meer bepaald om kosten gemaakt in het kader van de procedure (kosten van oproeping van getuigen door de beschuldigde voor het Hof van Assisen) doch niet om bijvoorbeeld de kosten van een eenzijdige expertise.

Artikel 493

In dit artikel is bepaald dat ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde, tegen de rechtspersoon en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen veroordeelt in de kosten jegens de openbare partij.

Artikel 494

Deze bepaling is gebaseerd op de artikelen 162, 194 en 369 van het Wetboek van Strafvordering.

Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld slechts tot een deel van de kosten wordt veroordeeld. Het gaat hierbij om het geval waarbij een persoon slechts burgerlijke partij wordt tijdens de procedure.

Artikel 495

In dit artikel is bepaald dat de gerechtskosten in strafzaken bij koninklijk besluit worden vastgesteld.

In dat verband wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, meestal het Algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken genoemd. Dit koninklijk besluit werd meermaals gewijzigd en gelet op de snelle evolutie van de materie zal zulks nog vaak geschieden.

HOOFDSTUK 7

Het Centraal Strafregister

Artikel 496 tot 509

Deze teksten zijn overgenomen uit de artikelen 3 tot 16 van de wet betreffende het Centraal Strafregister, krachtens welke de artikelen 589 tot 602 van het Wetboek van Strafvordering opnieuw worden ingevoerd. Er wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij die wet.

Het tweede en het derde lid van artikel 499 zijn overgenomen uit artikel 20 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, waarin artikel 601 van het Wetboek van Strafvordering wordt aangevuld.

Artikel 501 werd gewijzigd door de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele en politiezaken.

TITEL IV

Wijzen van voorziening tegen arresten en vonnissen

Deze materie werd voorbehouden.

BOEK IV

RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD

Deze materie werd voorbehouden.

BOEK V

INTERNATIONAAL STRAFRECHT

Deze materie heeft het voorwerp uitgemaakt van een ander onderzoekscontract van de Federale overheidsdienst Justitie.

Hugo VANDENBERGHE.
Philippe MAHOUX.
Hugo COVELIERS.
Christine DEFRAIGNE.
Ludwig VANDENHOVE.
Clotilde NYSSENS.
Alain ZENNER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 77 en 78 van de Grondwet.

Art. 2

De hiernavolgende bepalingen vormen het Wetboek van Strafprocesrecht.

WETBOEK VAN STRAFPROCESRECHT

BOEK I

ALGEMENE BEGINSELEN

HOOFDSTUK 1

Voorafgaande bepaling

Artikel 1

Het Wetboek van Strafprocesrecht wordt toegepast met inachtneming van de fundamentele rechten gehuldigd in de Grondwet en in de internationale verdragen, en in het bijzonder de wettelijkheid van de strafrechtspleging, het recht op gelijke behandeling en niet-discriminatie, de rechten van de verdediging, het recht op een eerlijk proces en op een behandeling binnen een redelijke termijn, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de onschendbaarheid van de woning en van het briefgeheim. In overeenstemming met deze rechten worden de bepalingen van dit Wetboek toegepast met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

HOOFDSTUK 2

Het bewijs

Art. 2

Eenieder wordt geacht onschuldig te zijn totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. De bewijslast rust op de vervolgende partij of de burgerlijke partij.

Wanneer de beklaagde een rechtvaardigings- of een verschoningsgrond inroept en zijn aanvoering niet van elke grond van geloofwaardigheid is ontdaan, moet de vervolgende partij of de burgerlijke partij de onjuistheid ervan aantonen.

Art. 3

Het bewijs mag worden geleverd door alle wettelijke middelen, met uitzondering van middelen die niet verenigbaar zijn met de loyauteit van het proces en de algemene rechtsbeginselen.

De wet kan bijzondere vormen van bewijslevering bepalen.

Art. 4

Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, beoordeelt de rechter vrij de op regelmatige wijze ingewonnen bewijsmiddelen die hem worden voorgelegd.

HOOFDSTUK 3

De rechten van de verdediging

Art. 5

§ 1. Eenieder die deelneemt aan het proces heeft het recht de vorderingen, die er het voorwerp van zijn, tijdens iedere fase van de rechtspleging te ondersteunen of te bestrijden.

§ 2. Onverminderd de bepalingen voorzien in de internationale verdragen, omvatten de rechten van de verdediging, voor iedere partij betrokken bij het proces, in het bijzonder het recht om, onder de in de wet omschreven modaliteiten :

1. op loyale wijze in kennis te worden gesteld van haar rechten en van de tenlasteleggingen of vorderingen die ten aanzien van haar zijn geformuleerd;

2. over een gelijkwaardig initiatiefrecht te beschikken om de waarheid aan het licht te brengen;

3. over de werkelijke mogelijkheid te beschikken om alle elementen van het dossier voor het vonnisgerecht tegen te spreken.

Art. 6

Bewijzen verzameld met schending van de rechten van de verdediging worden uit de debatten geweerd, terwijl proceshandelingen welke die rechten schenden, worden nietig verklaard, hetgeen de nietigheid meebrengt van de daaruit voortvloeiende proceshandelingen.

HOOFDSTUK 4

De nietigheidsgronden

Art. 7

§ 1. De nietigheid is van openbare orde wanneer de wet dit uitdrukkelijk bepaalt en wanneer er een schending is van de bepalingen betreffende :

1º de organisatie en de bevoegdheden van de strafgerechten;

2º de huisvredebreuk, de huiszoeking, het afluisteren en de onderzoeksmaatregelen die een schending van de lichamelijke integriteit meebrengen;

3º de ondertekening van de akte;

4º de vermelding van de datum wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen.

§ 2. De nietigheid van openbare orde kan door de rechter ambtshalve worden uitgesproken en worden ingeroepen in elke stand van de rechtspleging, en zelfs voor de eerste keer voor het Hof van Cassatie.

Art. 8

Onder voorbehoud van de nietigheid van openbare orde kan geen enkele proceshandeling nietig worden verklaard indien de wet terzake niet uitdrukkelijk in nietigheid voorziet.

De termijnen bepaald om een rechtsmiddel aan te wenden worden voorgeschreven op straffe van verval. Andere termijnen worden slechts voorgeschreven op straffe van verval indien de wet daarin voorziet.

Art. 9

Met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 7 kan de rechter een proceshandeling slechts nietig verklaren indien het verzuim of de onregelmatigheid waarvan aangifte wordt gedaan, de belangen van de partij die de exceptie inroept of de billijkheid van de procedure schaadt.

Art. 10

Met uitzondering van de nietigheden van openbare orde, zijn de nietigheden gedekt :

1º indien uit de gedingstukken blijkt dat de niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen;

2º indien een vonnis of arrest van een feitenrechter dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, op tegenspraak is gewezen zonder dat zij werden voorgedragen, onverminderd het bepaalde in artikel 234, § 5.

HOOFDSTUK 5

Het rechterlijk gewijsde

Art. 11

Onder voorbehoud van herziening van veroordelingen, kan de beklaagde die door een definitief vonnis is vrijgesproken of veroordeeld, niet meer wegens dezelfde feiten worden vervolgd.

Het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken ten aanzien van latere burgerlijke rechtsvorderingen geldt als vermoeden van waarheid en is vatbaar voor tegenbewijs.

Art. 12

De artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op beslissingen met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering.

HOOFDSTUK 6

De samenhang, de ondeelbaarheid en de aanhangigheid

Art. 13

Er is samenhang wanneer tussen misdrijven een zodanig verband bestaat dat het vereist dat deze samen, door dezelfde rechter worden berecht.

Misdrijven zijn samenhangend hetzij wanneer zij tegelijkertijd gepleegd zijn door verscheidene personen tezamen; hetzij wanneer zij gepleegd zijn door verschillende personen, zelfs op onderscheiden tijdstippen en op onderscheiden plaatsen, maar ten gevolge van een door hen tevoren gemaakte afspraak, hetzij wanneer de schuldigen het ene misdrijf hebben gepleegd om zich de middelen te verschaffen tot het plegen van het andere, om de uitvoering ervan te vergemakkelijken of te voltooien, of om de straffeloosheid ervan te verzekeren; hetzij wanneer de band die bestaat tussen twee of meer misdrijven van zodanige aard is dat hij, met het oog op een behoorlijke rechtsbedeling en onder voorbehoud van de eerbiediging van de rechten van verdediging, vereist dat die misdrijven samen aan dezelfde strafrechtbank ter beoordeling worden voorgelegd.

In geval van samenhang kan om redenen van behoorlijke rechtsbedeling de samenvoeging van de verscheidene zaken worden gelast, en dit zonder dat het verband tussen die zaken het onderzoek van de ene zonder de andere verhindert.

Art. 14

In strafzaken is er ondeelbaarheid wanneer de vervolging wordt ingesteld tegen de daders en medeplichtigen van een zelfde misdrijf of wanneer de misdrijven onderling zo nauw verbonden zijn dat zij niet afzonderlijk kunnen worden berecht. In dit geval is samenvoeging verplicht wanneer zulks mogelijk is en wordt de bevoegdheid vastgesteld op grond van de plaats waar het misdrijf in hoofdzaak is gepleegd.

Art. 15

Er is aanhangigheid wanneer de vervolging van een zelfde misdrijf ten laste van een zelfde persoon tegelijkertijd wordt ingesteld voor twee rechtbanken, die beiden bevoegd zijn om kennis ervan te nemen en geroepen zijn om in eerste aanleg uitspraak te doen. In dit geval geeft de rechtbank bij wie de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, haar vrijwillig uit handen.

HOOFDSTUK 7

De betekening, de kennisgeving en de termijnen

Art. 16

De artikelen 32 tot 37 en 39 tot 46 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de betekening en de kennisgeving en de artikelen 48 tot 57 van hetzelfde Wetboek betreffende de termijnen zijn van toepassing op de strafrechtspleging, behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen.

Wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, op een zondag of een andere wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

Wanneer de wettelijke termijn om een handeling in strafzaken op een griffie te verrichten, eindigt op een dag dat deze gesloten is, wordt de handeling er op geldige wijze verricht, de eerstvolgende dag dat de griffie geopend is.

HOOFDSTUK 8

Rechtsbijstand en afschrift van stukken in strafzaken

Art. 17

De artikelen 664 tot 699 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

Art. 18

Een afschrift van een vonnis of arrest over de zaak ten gronde, dat overeenkomstig artikel 318 van dit wetboek wordt uitgereikt binnen vijf dagen vanaf de uitspraak, wordt kosteloos aan de partij en aan haar raadsman meegedeeld.

redenen bestaan om te vermoeden dat die persoon dader of medeplichtige is van een als misdrijf omschreven feit dat is gepleegd op het grondgebied van het Rijk of, in de bij wet bepaalde gevallen, in het buitenland.

Art. 21

Het openbaar ministerie kan niet verzaken aan de strafvordering, noch afstand doen van de vervolging of berusten in een gewezen beslissing.

Rekening houdend met de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, vastgesteld door de minister van Justitie krachtens artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek, oordeelt het openbaar ministerie over de opportuniteit van de vervolging. Hij geeft de reden aan van de beslissingen van seponering die hij terzake neemt.

HOOFDSTUK 2

De uitoefening van de strafvordering

Art. 22

Het openbaar ministerie oefent de strafvordering uit op de wijze door de wet bepaald.

Het vordert de toepassing van de wet gedurende de gehele rechtspleging, voor de onderzoeksrechter, voor de onderzoeksgerechten en voor de vonnisgerechten. Het wendt eventueel de rechtsmiddelen aan en ziet toe op de tenuitvoerlegging van beslissingen gewezen op de strafvordering.

Het stelt de strafvordering in door een vordering tot onderzoek, door een aanhangigmaking bij de strafgerechten door rechtstreekse dagvaarding of door een oproeping bij proces-verbaal, volgens de modaliteiten bepaald in dit wetboek.

Art. 23

Op straffe van nietigheid, moet de vordering geschreven, gedagtekend en ondertekend zijn. Zij vermeldt de feiten waarvoor de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig wordt gemaakt, alsook de voorlopige omschrijving ervan.

In spoedeisende gevallen kan de vordering mondeling geschieden, maar dan moet zij binnen de vierentwintig uren door een schriftelijke vordering worden bevestigd.

Art. 24

De dagvaarding wordt betekend door een gerechtsdeurwaarder of, in geval van vrijheidsberoving, eventueel, door de gevangenisdirecteur. Zij bevat de identiteit van de beklaagde, de nauwkeurige uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten, alsook de plaats, de dag en het uur van de zitting. Zij vermeldt dat de beklaagde het recht heeft een advocaat te kiezen.

Art. 25

De procureur des Konings kan een persoon die aangehouden is met toepassing van de artikelen 242 en 243 of die zich bij hem meldt, oproepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen, noch langer dan twee maanden.

Hij stelt hem in kennis van de feiten die hem ten laste worden gelegd alsook van de plaats, de dag en het uur van de zitting en deelt hem mede dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen.

Deze kennisgeving en mededeling worden in een proces-verbaal vermeld, waarvan hem onmiddellijk een kopie wordt overhandigd.

De kennisgeving geldt als dagvaarding om te verschijnen.

Art. 26

Afstand of verval van de burgerlijke rechtsvordering belet de uitoefening van de strafvordering niet.

Ingeval de wet de uitoefening van de strafvordering doet afhangen van een klacht van de benadeelde partij, belet de intrekking van de klacht de voortgang van de strafvordering, tenzij de wet anders bepaalt.

Art. 27

Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, beoordelen de rechtbanken de rechtsvragen die incidenteel voor hen worden opgeworpen naar aanleiding van de misdrijven die bij hen aanhangig zijn.

Art. 28

Wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan.

Art. 29

§ 1. De procureur des Konings kan, indien hij meent voor een misdrijf dat hetzij met geldboete, hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar, hetzij met die beide straffen, strafbaar is, enkel geldboete of enkel geldboete met verbeurdverklaring te moeten vorderen, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en de Registratie en Domeinen.

De procureur des Konings bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de betaling geschiedt. Die termijn is ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden; deze laatste termijn kan op zes maanden worden gebracht voor een wanbedrijf, wanneer bijzondere omstandigheden het wettigen.

De in het eerste lid bedoelde geldsom mag niet meer bedragen dan het maximum van de bij de wet bepaalde geldboete, verhoogd met de opdeciemen, en niet minder dan 10 euro, verhoogd met de opdeciemen. Voor de misdrijven bedoeld in artikel 12, 1º, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, in artikel 175, 2º, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, in artikel 15, 2º of 16 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, in artikel 11, § § 2, 3 en 4, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en in artikel 172, § § 1 en 2 van de programmawet van 22 december 1989, mag de in het eerste lid bedoelde geldsom niet minder bedragen dan het minimum vastgesteld voor de administratieve geldboeten bedoeld bij respectievelijk artikel 1bis, 1º, a), 2º, b), 3º, 5º en 6º, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. Voor de in voormelde zin bepaalde misdrijven, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in artikel 15, 2º en 16, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, wordt het bedrag van de in het eerste lid bedoelde geldsom vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een misdrijf werd vastgesteld. Voor de in de tweede zin van dit lid bepaalde misdrijven mag de in het eerste lid bedoelde geldsom niet minder bedragen dan 40 % van het minimum van de voormelde administratieve geldboeten of, wanneer het misdrijven betreft bedoeld in artikel 12, 1º van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, niet minder dan 80 % van het minimum van de voormelde administratieve geldboete.

Wanneer het misdrijf kosten van analyse of van deskundig onderzoek heeft veroorzaakt, kan de bepaalde som worden verhoogd met het bedrag van die kosten of met een gedeelte ervan; het gedeelte van de som dat gestort is om die kosten te dekken, wordt toegewezen aan de instelling waaraan of aan de persoon aan wie ze verschuldigd zijn.

De procureur des Konings verzoekt de dader van het misdrijf waarop verbeurdverklaring staat, binnen een door hem bepaalde termijn afstand te doen van de in beslag genomen voorwerpen of, indien de voorwerpen niet in beslag genomen zijn, deze af te geven op de door hem bepaalde plaats.

Betaling, afstand en afgifte doen de strafvordering vervallen, mits zij binnen de bepaalde termijn plaatshebben.

De aangestelden van de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde en van de Registratie en Domeinen geven de procureur des Konings kennis van de verrichte storting.

§ 2. Het recht, in § 1 aan de procureur des Konings toegekend, kan niet worden uitgeoefend wanneer de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of wanneer van de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek is gevorderd.

§ 3. Het bij de eerste § bepaalde recht behoort ook, ten aanzien van dezelfde misdrijven, aan de arbeidsauditeur, aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het militair gerecht, en ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.

§ 4. De eventueel aan een ander veroorzaakte schade dient geheel vergoed te zijn vooraleer de schikking kan worden voorgesteld. De schikking kan evenwel ook worden voorgesteld op voorwaarde dat de dader in een geschrift zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het schadeverwekkende feit heeft erkend en hij het bewijs heeft geleverd van de vergoeding van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan. In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde rechtbank. In dat geval is het aanvaarden van de minnelijke schikking door de dader een onweerlegbaar vermoeden van fout.

§ 5. De verzoeken bedoeld in dit artikel worden gedaan bij een ter post aangetekende brief of door middel van een waarschuwing afgegeven door een agent van de openbare macht.

Art. 30

§ 1. De procureur des Konings kan de dader van een misdrijf oproepen en, voor zover het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, hem verzoeken de door het misdrijf veroorzaakte schade te vergoeden of te herstellen en hem het bewijs hiervan voor te leggen.

In voorkomend geval organiseert de procureur des Konings een bemiddeling tussen dader en slachtoffer. Daartoe wijst hij een justitieassistent aan die optreedt als onpartijdige derde. In het kader van de bemiddeling zoeken de partijen een oplossing in verband met de schadevergoeding of het herstel, alsook hun desbetreffende regelingen.

Wanneer de dader van het misdrijf zich voor het misdrijf op een ziekteverschijnsel beroept of op een drank- of drugverslaving, kan de procureur des Konings hem verzoeken een geneeskundige behandeling of iedere andere passende therapie te volgen en hem hiervan op geregelde tijdstippen het bewijs te leveren gedurende een termijn die een jaar niet mag overschrijden.

Hij kan ook, nadat hij een maatschappelijk onderzoek heeft laten verrichten door de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie, de dader verzoeken in te stemmen met de uitvoering van een dienstverlening of met het volgen van een bepaalde vorming van ten hoogste 120 uren binnen een termijn die hij bepaalt. Deze termijn is ten minste een maand en ten hoogste een jaar.

De tenuitvoerlegging van de dienstverlening geschiedt volgens de regels bepaald in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie en volgens de besluiten tot uitvoering van die wet.

§ 2. Wanneer het misdrijf kosten van analyse of van deskundig onderzoek heeft veroorzaakt kunnen de maatregelen bedoeld in § 1 slechts worden voorgesteld mits de dader zich ook heeft verbonden deze kosten te zullen betalen binnen de termijn bepaald door de procureur des Konings.

§ 3. Wanneer bijzondere verbeurdverklaring kan worden toegepast, verzoekt de procureur des Konings de dader van het misdrijf binnen een bepaalde termijn afstand te doen van de in beslag genomen voorwerpen die zijn eigendom zijn; indien bedoelde voorwerpen niet in beslag zijn genomen, kan de procureur des Konings de dader verzoeken deze af te geven op een bepaalde plaats.

§ 4. De strafvordering vervalt wanneer de dader voldaan heeft aan alle door hem aanvaarde voorwaarden.

Het verval van de strafvordering doet geen afbreuk aan de rechten van gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer of van slachtoffers die niet betrokken werden in de procedure zoals voorzien in § 1 : tegenover hen wordt de fout van de dader als onweerlegbaar vermoed.

In geval de in de 1ste § voorziene procedure mislukt, stelt de justitieassistent een verslag op voor de procureur des Konings waarin wordt verduidelijkt of de mislukking het gevolg is van een gebrek aan medewerking van het slachtoffer van het misdrijf, van een gebrek aan medewerking van de dader, van de ontoereikendheid van de voorgestelde voorwaarden of modaliteiten, of van meerdere van die omstandigheden; het verslag zal geen melding maken van enig ander element, waarvan de justitieassistent tijdens zijn opdracht kennis zou hebben gekregen en dat de beoordeling van de procureur des Konings met betrekking tot de opportuniteit van het instellen van de vervolging ten aanzien van de dader ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

In de gevallen dat de strafvordering niet is vervallen, onder de voorwaarden voorzien in dit artikel, oordeelt de procureur des Konings over de opportuniteit van de vervolging overeenkomstig artikel 21 en kan hij de vervolging instellen of de bevoegdheden uitoefenen die hem zijn verleend krachtens artikel 29.

§ 5. De § § 2 en 3 van artikel 29 zijn van toepassing.

§ 6. Naar aanleiding van zijn oproeping door de procureur des Konings voor de toepassing van het huidige artikel, kan de dader zich laten bijstaan door een advocaat; hij kan zich niet laten vertegenwoordigen.

Het slachtoffer kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat.

§ 7. De Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie staat de procureur des Konings bij in de verschillende fasen van de rechtspleging voorzien in dit artikel en meer bepaald bij de uitvoering van de bemiddeling in strafzaken en bij de tenuitvoerlegging van de andere maatregelen bedoeld in § 1. De ambtenaren van deze dienst voeren hun taak uit in nauwe samenwerking met de procureur des Konings, die toezicht uitoefent op de uitvoering van de opdracht.

Per rechtsgebied van het hof van beroep worden er ambtenaren van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie ingeschakeld voor het bijstaan van de procureur-generaal bij het uitvoeren van het strafrechtelijk beleid voor de bemiddeling in strafzaken en de andere maatregelen bedoeld in § 1, voor de evaluatie, de coördinatie en het toezicht op de toepassing van de bemiddeling in strafzaken en de andere maatregelen in de verscheidene parketten van het rechtsgebied en voor het bijstaan van de ambtenaren bedoeld in het vorig lid. Zij werken nauw samen met de procureur-generaal.

HOOFDSTUK 3

Het verval van de strafvordering

Art. 31

§ 1. Onverminderd de rechten van de benadeelde partij, vervalt de strafvordering door de dood van de verdachte of van de beklaagde, door amnestie, door opheffing van de strafwet, door het strafrechterlijk gewijsde en door verjaring.

De strafvordering vervalt ook bij bepaalde misdrijven, overeenkomstig de artikelen 29 en 30.

§ 2. Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.

Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.

§ 3. Wanneer het om een rechtspersoon gaat, vervalt de strafvordering door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening.

De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend indien, de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging, of indien de rechtspersoon overeenkomstig artikel 143 door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld is voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid.

Art. 32

De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, vijf jaren of zes maanden, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding is.

De termijn is evenwel een jaar ingeval een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding.

In geval van samenloop van misdrijven, wordt de verjaring voor ieder misdrijf, afzonderlijk beschouwd, geregeld overeenkomstig de termijnen eigen aan ieder misdrijf.

In geval van valsheid en gebruik van valse stukken neemt de verjaringstermijn een aanvang vanaf het plegen van de valsheid en vanaf ieder gebruik, afzonderlijk beschouwd, tenzij de wet anders bepaalt.

Art. 33

In de gevallen bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 van het Strafwetboek begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt.

In geval een misdaad, bedoeld in het vorige lid, wordt omgezet in een wanbedrijf, blijft de verjaringstermijn van de strafvordering, die welke is bepaald voor een misdaad.

Art. 34

De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 32 bepaalde termijn.

Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.

Art. 35

De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen wanneer er een wettelijk beletsel is voor de vervolging en in het bijzonder :

1º vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid.

De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen :

­ vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat;

­ vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat;

­ vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 466, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 468, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid;

­ vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht;

2º in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil;

3º in de gevallen bepaald bij artikel 447, derde en vijfde lid, van het Strafwetboek;

4º gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.

Art. 36

De voorgaande bepalingen zijn toepasselijk op de verjaring van de strafvordering betreffende de misdrijven door bijzondere wetten omschreven, voor zover die wetten niet anders bepalen.

Wanneer echter het misdrijf verjaart door verloop van een termijn van minder dan zes maanden, wordt de verjaring gestuit door de daden van onderzoek of van vervolging, verricht niet alleen gedurende de eerste termijn, maar ook gedurende elke nieuwe termijn voortvloeiende uit een stuiting, maar zonder dat de termijn van verjaring aldus kan worden verlengd tot meer dan één jaar, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd.

Art. 37

De voorgaande bepalingen zijn van toepassing op de strafvordering, ingesteld wegens een feit dat door de wet misdrijf wordt genoemd en gepleegd is door een persoon die zich in staat van krankzinnigheid bevindt, of in een staat van ernstige geestesstoornis of zwakzinnigheid die hem voor de controle van zijn daden ongeschikt maakt.

TITEL II

De burgerlijke rechtsvordering

Art. 38

Slachtoffers van misdrijven en hun verwanten dienen zorgvuldig en correct te worden bejegend, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie en, in voorkomend geval, het bewerkstelligen van contact met de gespecialiseerde diensten en met name justitieassistenten.

Justitieassistenten zijn personeelsleden van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie die de bevoegde magistraten bijstaan bij de begeleiding van personen die betrokken zijn bij gerechtelijke procedures.

Per rechtsgebied van het hof van beroep worden er ambtenaren van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie ingeschakeld voor het bijstaan van de procureur-generaal bij het uitvoeren van het strafrechtelijk beleid inzake het onthaal van slachtoffers, voor de evaluatie, de coördinatie en het toezicht op de toepassing van het slachtofferonthaal in de verscheidene parketten van het rechtsgebied en voor het bijstaan van de ambtenaren bedoeld in het tweede lid, die belast zijn met het onthaal van de slachtoffers. Zij werken nauwkeurig samen met de procureur-generaal.

HOOFDSTUK 1

De benadeelde persoon

Art. 39

Degene die verklaart schade te hebben geleden veroorzaakt door een misdrijf verkrijgt de hoedanigheid van benadeelde persoon.

De verklaring, in persoon of door een advocaat gedaan, gebeurt door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de procureur des Konings of wordt ontvangen op zijn secretariaat, waarvan akte wordt genomen. Deze wordt bij het dossier gevoegd.

Deze verklaring bevat :

1º de naam, voornaam, plaats en datum van geboorte, beroep en woonplaats van de betrokkene of, indien het gaat om een rechtspersoon, de benaming, de maatschappelijke zetel, de bedrijfszetel, alsook de naam, voornaam, plaats en datum van geboorte, beroep, woonplaats en hoedanigheid van de persoon of personen gerechtigd om hem te vertegenwoordigen;

2º het feit dat de oorzaak is van de schade aangehaald door de betrokkene;

3º de aard van deze schade;

4º het persoonlijk belang dat de betrokkene doet gelden.

Art. 40

De benadeelde persoon heeft het recht bijgestaan of vertegenwoordigd te worden door een advocaat.

Hij mag ieder document dat hij nuttig acht doen toevoegen aan het dossier.

Hij wordt op de hoogte gebracht van de seponering en de reden daarvan, het instellen van een gerechtelijk onderzoek en de bepaling van een rechtsdag voor het onderzoek- en vonnisgerecht en van de beslissingen genomen door deze gerechten.

De persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft gedaan kan, op elk ogenblik, de procureur des Konings op de hoogte brengen, door middel van een van de vormen vermeld in artikel 39, dat zij geen informatie meer wenst te verkrijgen voorzien in het vorige lid.

Art. 41

De procureur des Konings weigert gevolg te geven aan de verklaring van de benadeelde persoon indien hij van oordeel is dat de persoon die deze verklaring heeft gedaan geen persoonlijk belang doet blijken of indien deze verklaring klaarblijkelijk niet op juiste motieven gegrond is.

Zijn met redenen omklede beslissing wordt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de persoon die de verklaring gedaan heeft en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na zijn beslissing.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open, onverminderd zijn recht om zich burgerlijke partij te stellen.

Art. 42

Elke belanghebbende derde die volgens de door de rechtspleging verschafte aanwijzingen en krachtens zijn rechtmatig bezit rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3º, 43bis en 43quater van het Strafwetboek of die rechten kan doen gelden op de zaken bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, wordt op de hoogte gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat uitspraak zal doen over de grond van de zaak.

HOOFDSTUK 2

De burgerlijke partij

Art. 43

Elke natuurlijke persoon en rechtspersoon, benadeeld door een misdrijf, beschikt over een burgerlijke rechtsvordering.

Het openbaar ministerie is niet bevoegd om de burgerlijke rechtsvordering uit te oefenen, maar wanneer de vordering slechts betrekking heeft op de burgerlijke belangen, kan het de nodige maatregelen nemen met het oog op de voortzetting van de rechtspleging tot zij is voltooid.

Art. 44

Om de burgerlijke rechtsvordering te kunnen uitoefenen moet de betrokkene de bekwaamheid, de hoedanigheid en het belang bezitten om in rechte op te treden. Bovendien kunnen alleen personen die beweren persoonlijk benadeeld te zijn door het misdrijf waarop de strafvordering betrekking heeft, voor het strafgerecht een burgerlijke rechtsvordering uitoefenen.

Elke burgerlijke partij is gehouden in België keuze van woonplaats te doen, indien zij er haar woonplaats niet heeft.

Art. 45

De burgerlijke rechtsvordering kan uitgeoefend worden tegen alle daders, mededaders of medeplichtigen van het misdrijf, tegen de burgerlijk aansprakelijke personen, de tussenkomende partijen, zowel natuurlijke als rechtspersonen, en tegen hun rechtsopvolgers.

Art. 46

De burgerlijke rechtsvordering kan terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook, in haar geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval kan zij worden geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.

De rechtbank waarbij de zaak overeenkomstig artikel 25 aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is.

Onverminderd het recht om de zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan een ieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het in het vorige lid bedoelde strafgerecht uitspraak doet over de burgerlijke belangen.

Dat verzoekschrift geldt als burgerlijke partijstelling.

Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van de advocaten gebracht onder vermelding van plaats, dag en uur van de zitting waarop de zaak wordt behandeld.

Art. 47

§ 1. Behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen kan de burgerlijke rechtsvordering door middel van een burgerlijke partijstelling worden ingeleid :

1º bij de rechter bij wie het gerechtelijk vooronderzoek aanhangig is;

2º bij de onderzoeksgerechten;

3º bij het vonnisgerecht in eerste aanleg, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, tot de sluiting van de debatten.

§ 2. Indien geen enkele rechter gevat is wegens het misdrijf, wordt de burgerlijke rechtsvordering ingeleid :

1º door middel van een burgerlijke partijstelling bij de bevoegde onderzoeksrechter;

2º door middel van rechtstreekse dagvaarding van de dader, behalve indien het misdrijf tot de bevoegdheid van het Hof van Assisen behoort.

§ 3. Op straffe van nietigheid vermelden de burgerlijke partijstelling en de rechtstreekse dagvaarding :

1º naam, voornaam, plaats en datum van geboorte, beroep en woonplaats in België van de persoon die zich burgerlijke partij stelt;

2º het strafbaar feit dat de oorzaak is van de schade aangehaald door de persoon die zich burgerlijke partij stelt;

3º de aard van de schade en de begroting ervan;

4º het persoonlijk belang waarop de persoon die zich burgerlijke partij stelt, zich beroept.

In de rechtstreekse dagvaarding moeten daarenboven, indien mogelijk, naam, voornaam en woon- of verblijfplaats van de gedagvaarde persoon worden vermeld.

Art. 48

De vordering van de burgerlijke partij in het strafproces is beperkt tot de opsporing van de bewijzen, het aantonen van het strafbaar feit en de kwalificatie ervan, alsook tot het herstel van de schade veroorzaakt door dat feit.

Art. 49

De burgerlijke partij heeft het recht te worden bijgestaan of te worden vertegenwoordigd door een advocaat; te worden gehoord omtrent de gegrondheid van haar vordering en bij het dossier de stukken te voegen die haar vordering verantwoorden; in kennis te worden gesteld, binnen de bij wet bepaalde termijnen, van de rechtsdag voor het onderzoeksgerecht en voor het vonnisgerecht en te beschikken over de rechten die haar tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek worden toegekend.

Zij wordt in kennis gesteld van de beslissingen van de onderzoeksgerechten en ontvangt, overeenkomstig artikel 318 van dit Wetboek, een afschrift van de beslissingen gewezen ten gronde.

HOOFDSTUK 3

De tussenkomende partij

Art. 50

De vrijwillige of de gedwongen tussenkomst kan geschieden voor de strafgerechten, overeenkomstig de artikelen 811 tot 813 van het Gerechtelijk Wetboek.

De tussenkomst mag de berechting van de strafvordering niet vertragen.

Verkrijgt de hoedanigheid van tussenkomende partij de persoon die, met de bedoeling in rechte op te treden of zich te verdedigen, vrijwillig tussenkomt of in gedwongen tussenkomst wordt gedagvaard of bij conclusie wordt opgeroepen.

Art. 51

De vrijwillige tussenkomst geschiedt bij verzoekschrift dat, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1026 en 1027 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt gericht aan de vonnisgerechten.

HOOFDSTUK 4

De burgerlijk aansprakelijke partij

Art. 52

Verkrijgt de hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke partij de persoon die, met de bedoeling zich te verdedigen tegen een veroordeling tot een boete, een schadevergoeding of de kosten, vrijwillig handelt of gedagvaard of opgeroepen wordt door het openbaar ministerie, de burgerlijke partij, de vrijwillige of gedwongen tussenkomende partij of door de beklaagde.

HOOFDSTUK 5

Het verval van de burgerlijke rechtsvordering

Art. 53

De burgerlijke rechtsvordering vervalt door afstand, dading, het burgerrechtelijk gewijsde en verjaring.

De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering.

Niettemin, beginnen de bijzondere verjaringstermijnen in sociale zaken, handelszaken en fiscale zaken te lopen vanaf het plegen van ieder feit dat schade heeft veroorzaakt.

Art. 54

De voorgaande bepalingen zijn van toepassing op de burgerlijke rechtsvordering, ingesteld wegens een feit dat door de wet misdrijf wordt genoemd en gepleegd is door een persoon die zich in staat van krankzinnigheid bevindt, of in een staat van ernstige geestesstoornis of zwakzinnigheid die hem voor de controle van zijn daden ongeschikt maakt.

BOEK III

HET STRAFPROCES

TITEL I

Het opsporingsonderzoek en de gerechtelijke politie

HOOFDSTUK 1

Het opsporingsonderzoek

Art. 55

Het opsporingsonderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering.

Het opsporingsonderzoek strekt zich uit over de proactieve recherche. Hieronder wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, en die worden of zouden worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, zoals gedefinieerd door de wet, of misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 180, § § 2, 3 en 4, uitmaken of zouden uitmaken. Het instellen van een proactieve recherche behoeft voorafgaande schriftelijke toestemming, door de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, of de federale procureur gegeven in het kader van hun respectieve bevoegdheid, onverminderd de naleving van de specifieke wettelijke bepalingen die de bijzondere opsporingstechnieken regelen.

Het opsporingsonderzoek wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings. Hij draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.

De procureur des Konings waakt voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.

Art. 56

De procureur des Konings heeft een algemene opsporingsplicht en een algemene opsporingsbevoegdheid.

Behoudens de wettelijke uitzonderingen mogen de opsporingshandelingen, op straffe van nietigheid, geen enkele dwangmaatregel inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 110 en 114, § 2 inhouden.

Art. 57

De procureur des Konings leidt in zijn arrondissement de opsporing en de vaststelling van misdrijven die tot de bevoegdheid van de politierechtbank, de correctionele rechtbank en het Hof van Assisen behoren.

De opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings blijven bestaan nadat de strafvordering is ingesteld. Deze plicht en dit recht houden evenwel op te bestaan voor de feiten die bij de onderzoeksrechter zijn aangebracht voor zover het opsporingsonderzoek zijn prerogatieven bewust zou aantasten, onverminderd de vordering bedoeld in artikel 138, tweede lid, en voor zover de met de zaak belaste onderzoeksrechter niet zou beslissen het gehele onderzoek zelf voort te zetten.

Art. 58

In het kader van het overeenkomstig de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde opsporingsbeleid, bepaalt de procureur des Konings de materies waarin in zijn arrondissement de misdrijven prioritair worden opgespoord.

Onverminderd artikel 5 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, vaardigt de procureur des Konings de algemene richtlijnen uit die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de opdrachten van gerechtelijke politie in zijn arrondissement. Deze richtlijnen blijven van toepassing behoudens tegenstrijdige beslissing van de onderzoeksrechter in het kader van zijn gerechtelijk onderzoek. Ze worden medegedeeld aan de procureur-generaal.

Art. 59

De procureur des Konings van de plaats van het misdrijf, die van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden en, wat betreft de rechtspersonen, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon, zijn bevoegd om de handelingen op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek te verrichten of te gelasten die tot hun bevoegdheid behoren.

De procureur des Konings die binnen die bevoegdheid kennis krijgt van een misdrijf, kan buiten zijn arrondissement alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek. Hij stelt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden hiervan in kennis.

Art. 60

Betreft het een misdaad of wanbedrijf buiten het Belgisch grondgebied gepleegd, in de gevallen bedoeld in de wet, zijn de procureur des Konings van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden en, wat betreft rechtspersonen, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon, bevoegd.

Art. 61

§ 1. De procureur des Konings heeft het recht de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, en alle andere officieren van gerechtelijke politie te vorderen om, met uitzondering van de door de wet ingestelde beperkingen, alle voor het opsporingsonderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen.

Deze vorderingen worden gedaan en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 en 8/6 tot 8/8 van de wet op het politieambt, en wat de federale politie betreft, overeenkomstig artikel 110 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. De gevorderde politiediensten zijn gehouden gevolg te geven aan de vorderingen en de voor de uitvoering noodzakelijke medewerking van de officieren en agenten van gerechtelijke politie te verlenen.

Wanneer een politiedienst aan de procureur des Konings niet het vereiste personeel en de nodige middelen kan geven, kan deze laatste het dossier meedelen aan de procureur-generaal, waarbij hij hem inlicht over de toestand. De procureur-generaal kan het dossier voorleggen aan het college van procureurs-generaal dat de nodige initiatieven neemt.

§ 2. De procureur des Konings kan de politiedienst of -diensten aanwijzen die in een bepaald onderzoek met de opdrachten van gerechtelijke politie worden belast en waaraan, behoudens uitzondering, de vorderingen zullen worden gericht. Indien meerdere diensten worden aangewezen, ziet de procureur des Konings toe op de coördinatie van hun optreden.

De politieambtenaren van de overeenkomstig het vorige lid aangewezen politiedienst lichten dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid in over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing op de door de procureur des Konings vastgestelde wijze. Voor al de opdrachten van gerechtelijke politie betreffende deze aanwijzing hebben deze politieambtenaren voorrang op de andere politieambtenaren, welke dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid en de aangewezen politiedienst inlichten over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing, op de wijze die de procureur des Konings bij richtlijn bepaalt.

Art. 62

De algemene beginselen volgens welke de politiediensten autonoom kunnen optreden, worden vastgelegd bij wet en volgens de bijzondere regels vastgesteld bij richtlijn uitgevaardigd overeenkomstig de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek.

De officieren en agenten van gerechtelijke politie die op eigen initiatief handelen, lichten de procureur des Konings in over de gevoerde opsporingen binnen de termijn en op de wijze die deze bij richtlijn vastlegt. Als deze opsporingen belang hebben voor een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek dat loopt in een ander arrondissement, wordt de betrokken gerechtelijke overheid hierover onmiddellijk ingelicht door de officieren en agenten van gerechtelijke politie en door de procureur des Konings.

Art. 63

§ 1. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het opsporingsonderzoek geheim.

Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporingsonderzoek, is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 2. De procureur des Konings kan, met uitsluiting van ieder ander, indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 3. De advocaat kan, indien het belang van zijn cliënt het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en de regels van het beroep. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 4. De procureur des Konings kan tevens aan een persoon die van een wettig belang doet blijken, toestemming verlenen om alle akten van rechtspleging van het dossier of een gedeelte ervan te raadplegen of een kopie daarvan te bekomen. Hij kan voorwaarden verbinden aan deze toestemming. Zijn beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep.

HOOFDSTUK 2

De modaliteiten van het opsporingsonderzoek

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Art. 64

De misdrijven worden ter kennis van de procureur des Konings gebracht door aangiften, door klachten, door de opsporing verricht door de politiediensten of langs elke andere weg.

Art. 65

De aangifte is een verklaring waarbij het misdrijf aan de bevoegde overheid wordt meegedeeld met of zonder aanwijzing van de dader ervan.

Art. 66

De klacht is een verklaring waarbij het misdrijf aan de bevoegde overheid wordt meegedeeld door de persoon die beweert door het misdrijf benadeeld te zijn.

Art. 67

De aangifte en de klacht zonder burgerlijke partijstelling vereisen geen bijzondere bekwaamheid. Zij zijn aan geen enkele andere bijzondere vormvoorwaarde onderworpen.

Art. 68

Aangiften en klachten worden toegezonden aan de procureur des Konings. Zij kunnen gericht zijn tot de officieren van gerechtelijke politie die deze overmaken aan de procureur des Konings. Ingeval de aangifte of de klacht gericht is aan de procureur-generaal, doet deze laatste ze aan de procureur des Konings toekomen.

Art. 69

Onverminderd het bepaalde in artikel 120, is iedere gestelde overheid, ieder openbaar ambtenaar of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte kan worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen.

De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechterlijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis te brengen van de procureur des Konings.

Art. 70

Ieder die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, is eveneens verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden.

Afdeling 2

De gerechtelijke politie

Art. 71

De gerechtelijke politie wordt, onder het gezag van de hoven van beroep en, binnen zijn bevoegdheden onder het gezag van de federale procureur, uitgeoefend volgens de hierna gemaakte onderscheidingen :

1º door de bijzondere veldwachters en door de boswachters, door de burgemeesters en de schepenen, door de procureurs des Konings en hun substituten, door de rechters in de politierechtbank en door de leden van de federale politie en van de lokale politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie;

2º door de federale procureur en, onder zijn gezag, door de federale magistraten en door de leden van de parketten-generaal en de arbeidsauditoraten-generaal binnen het kader van de hun overeenkomstig artikel 144bis, § 1, tweede en derde lid van de wet van 22 december 1998, betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van de procureurs des Konings, toevertrouwde opdrachten.

Art. 72

De gerechtelijke politie is, volgens de in de wet gemaakte onderscheidingen, belast met het opsporen, ambtshalve of op bevel, van misdrijven. Zij stelt de misdrijven vast, verzamelt de bewijzen ervan en vat de dader teneinde hem voor de magistraat van het openbaar ministerie of voor de onderzoeksrechter te brengen.

Art. 73

De gerechtelijke politie bestaat uit :

1º de politieambtenaren die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, in het bijzonder de politieambtenaren bekleed met de graad van officier en de politieambtenaren die de ambten uitoefenen en aan de anciënniteits- en opleidingsvoorwaarden voldoen bepaald door de Koning;

2º de personen aan wie de wet uitdrukkelijk de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekent;

3º de personen aan wie de wet, overeenkomstig artikel 3, punt vier, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, uitdrukkelijk de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie toekent;

4º de ambtenaren en agenten van een openbare dienst die door de wet belast worden het ambt van gerechtelijke politie uit te oefenen en de personen die zij machtigt dat ambt uit te oefenen.

Hun respectievelijke bevoegdheden worden door de wet bepaald.

Afdeling 3

De handelingen van het opsporingsonderzoek

Onderafdeling 1

De ondervraging en het verhoor

Art. 74

Eenieder kan tijdens het opsporingsonderzoek worden ondervraagd, gehoord of geconfronteerd, ongeacht of hij de hoedanigheid bezit van verdachte, getuige of slachtoffer en ongeacht om redenen van bloedverwantschap, aanverwantschap of leeftijd.

Art. 75

Personen die door een officier van gerechtelijke politie worden opgeroepen, voor de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek, zijn gehouden te verschijnen. Indien zij die verplichting niet nakomen, wordt daarvan bij proces-verbaal kennis gegeven aan de procureur des Konings, die hen door de openbare macht daartoe kan dwingen.

Eenieder die wordt opgeroepen kan niet langer worden opgehouden dan de tijd die strikt noodzakelijk is voor zijn verhoor.

§ 1 : Het verhoor in het algemeen

Art. 76

Bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, worden ten minste de volgende regels in acht genomen :

1º Ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat :

a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;

b) hij kan vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen;

c) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;

d) hij gebruik kan maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor worden gevoegd of ter griffie worden neergelegd;

e) hij later, maar voor de beëindiging van het opsporingsonderzoek, een memorie kan overleggen;

f) hij kan weigeren te antwoorden.

2º Het proces-verbaal vermeldt, op straffe van nietigheid, nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin zij is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.

3º Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen.

4º Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beedigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.

5º In geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden en in de gevallen omschreven in de wet, kan ambtshalve of op verzoek van de ondervraagde persoon de audiovisuele opname van het verhoor gelast worden.

Art. 77

Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten delen de procureur des Konings en elke politiedienst die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.

Deze kopie wordt onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of verstuurd.

Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

Wanneer het een minderjarige betreft en wanneer blijkt dat deze het gevaar loopt dat de kopie hem wordt ontnomen of hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren, kan de procureur des Konings hem de mededeling ervan weigeren, bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In dat geval kan de minderjarige, vergezeld door een advocaat of een justitieassistent van de dienst slachtofferonthaal van het parket, een kopie van de tekst van zijn verhoor raadplegen. Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze raadpleging uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In het geval bedoeld in het vierde lid en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het derde lid, kan de procureur des Konings beslissen dat een kosteloze kopie van de tekst van het verhoor van de minderjarige aan de advocaat van deze laatste medegedeeld wordt. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

§ 2 : Het verhoor van minderjarigen

Art. 78

Elke minderjarige die het slachtoffer of getuige is van de feiten bedoeld in de artikelen 347bis, 372 tot 377, 379, 380, 380bis, 380ter, 383, 383bis, 385, 386, 387, 398 tot 405ter, 409, 410, 422bis, 422ter, 423, 425, 426 en 428 van het Strafwetboek, heeft het recht zich tijdens elk verhoor vanwege de rechterlijke instanties te laten begeleiden door een meerderjarig persoon van zijn keuze, behalve wanneer het openbaar ministerie of de onderzoeksmagistraat ten aanzien van deze persoon bij een met redenen omklede beslissing anders oordeelt in het belang van de minderjarige of teneinde de waarheid aan het licht te brengen.

Art. 79

§ 1. De procureur des Konings of de onderzoeksrechter kan de audiovisuele opname bevelen van het verhoor van minderjarigen die het slachtoffer zijn van de in artikel 78 bedoelde misdrijven of daarvan getuige zijn, met hun toestemming.

Indien de minderjarige minder dan twaalf jaar oud is, is het voldoende hem hierover in te lichten.

§ 2. De audiovisuele opname van het verhoor van minderjarigen die slachtoffer of getuige zijn van andere misdrijven dan die bedoeld in § 1, kan worden bevolen in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, met hun toestemming.

Indien de minderjarige minder dan twaalf jaar oud is, is het voldoende hem hierover in te lichten.

Art. 80

Het opgenomen verhoor van de minderjarige wordt, afhankelijk van het stadium waarin de procedure zich bevindt, verricht door een magistraat van het openbaar ministerie, door de onderzoeksrechter of door een politieambtenaar die bij name door een van hen aangewezen wordt.

Art. 81

Het opgenomen verhoor van de minderjarige vindt plaats in een speciaal daartoe aangepaste ruimte. De personen die toegelaten kunnen worden om de opname bij te wonen zijn de verhoorder, de in artikel 78 bedoelde persoon, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of psycholoog-deskundige.

Art. 82

De verhoorder zet aan de minderjarige de redenen uiteen waarom hij wenst over te gaan tot de audiovisuele opnamen van het verhoor en deelt hem mede dat de minderjarige te allen tijde kan vragen de opname te onderbreken. De mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.

Tijdens het verhoor kan de minderjarige te allen tijde vragen de opname ervan te onderbreken. Aan dat verzoek wordt onmiddellijk gevolg gegeven en in het proces-verbaal wordt daarvan melding gemaakt.

Art. 83

Een proces-verbaal van het opgenomen verhoor wordt opgesteld binnen achtenveertig uur of onmiddellijk ingeval de verdachte van zijn vrijheid is beroofd. Behalve de vermeldingen bedoeld in artikel 76 worden in het proces-verbaal de belangrijkste elementen van het onderhoud, en eventueel de meest relevante passages overgeschreven.

Tot de volledige en letterlijke overschrijving van het verhoor wordt overgegaan op verzoek van de onderzoeksrechter, van de procureur des Konings, van de persoon die wordt gehoord of van de partijen die in het geding betrokken zijn. In die overschrijving worden het gedrag en de uitdrukkingen van de minderjarige weergegeven. De overschrijving wordt zo spoedig mogelijk bij het dossier gevoegd.

Art. 84

De opname van het verhoor wordt in twee exemplaren gemaakt. Beide beeld- of geluidsdragers worden als originelen beschouwd en ter griffie als overtuigingsstuk neergelegd.

Zo nodig, inzonderheid met het oog op de overschrijving of op het deskundigenonderzoek, kan een van de beeld- of geluidsdragers ter beschikking worden gesteld van de politiedienst of van de aangewezen deskundige.

Van de beeld- of geluidsdragers mag geen enkele kopie worden gemaakt.

Art. 85

Indien het onontbeerlijk is de minderjarige opnieuw te verhoren, het verhoor aan te vullen of over te gaan tot een confrontatie, beveelt de procureur des Konings, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht bij een met redenen omklede beslissing een nieuw verhoor of de confrontatie in de vorm en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 78 tot 84.

Art. 86

De beeld- of geluidsdrager mag enkel worden bekeken door de personen die in het kader van het gerechtelijk dossier beroepshalve betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of het vonnis, alsmede door de partijen in het geding.

De niet aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen hiertoe overeenkomstig artikel 206 bij de onderzoeksrechter een verzoek indienen.

Alle partijen hebben het recht om de beeld- of geluidsdrager te bekijken nadat de procureur des Konings overeenkomstig artikel 211 de regeling van de rechtspleging heeft gevorderd.

Art. 87

De processen-verbaal van het verhoor en de beeld- of geluidsdragers van de opname worden overgelegd aan het onderzoeksgerecht en aan het vonnisgerecht, zulks in de plaats van de persoonlijke verschijning van de minderjarige.

Wanneer het vonnisgerecht de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, kan het evenwel bij een met redenen omklede beslissing de verschijning bevelen.

Art. 88

De beeld- of geluidsdragers kunnen bij beslissing van het vonnisgerecht vernietigd worden. In de andere gevallen worden zij ter griffie bewaard en vernietigd na afloop van de verjaringstermijn van de strafvordering of van de burgerlijke rechtsvordering wanneer deze op een later tijdstip valt en, in geval van veroordeling, na de volledige tenuitvoerlegging of verjaring van de straf.

Onderafdeling 2

De bescherming van bedreigde getuigen

§ 1 : Definities van sommige in deze onderafdeling voorkomende uitdrukkingen

Art. 89

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

1º bedreigde getuige : een persoon die gevaar loopt als gevolg van afgelegde of af te leggen verklaringen in de loop van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek in het kader van een strafzaak, hetzij in België, hetzij voor een internationaal rechtscollege hetzij, wanneer terzake de wederkerigheid gewaarborgd is, in het buitenland, en die bereid is die verklaringen desgevraagd ter terechtzitting te bevestigen;

2º gezinsleden : de echtgenoot van de bedreigde getuige of de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, de inwonende bloedverwanten van de bedreigde getuige, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen;

3º andere bloedverwanten : de niet-inwonende bloedverwanten tot in de derde graad van de bedreigde getuige, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun niet-inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de niet-inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen tot in de tweede graad.

§ 2 : De organen van de bescherming

Art. 90

§ 1. De Getuigenbeschermingscommissie is bevoegd voor het toekennen, wijzigen en intrekken van beschermingsmaatregelen en van financiële hulpmaatregelen.

De Getuigenbeschermingscommissie is samengesteld uit de federale procureur, die als voorzitter fungeert, een procureur des Konings aangewezen door de Raad van procureurs des Konings, de procureur-generaal aan wie de specifieke taak van internationale betrekkingen is toegewezen, de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie, de directeur-generaal Operationele Ondersteuning van de federale politie, een vertegenwoordiger van de Federale overheidsdienst Justitie en een vertegenwoordiger van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De twee laatstgenoemden hebben slechts een adviserende bevoegdheid en hebben geen stemrecht.

De Getuigenbeschermingscommissie komt samen na bijeenroeping door haar voorzitter. De leden van de Getuigenbeschermingscommissie zijn in persoon aanwezig of laten zich vervangen overeenkomstig de regels die zij vastleggen in het huishoudelijk reglement. De Koning keurt het huishoudelijk reglement van de commissie goed.

§ 2. De coördinatie van de bescherming wordt verzorgd door de Getuigenbeschermingsdienst bij de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de federale politie.

§ 3. De tenuitvoerlegging van de bescherming van gedetineerde personen binnen de gevangenis wordt verzorgd door het Directoraat-generaal der Strafinrichtingen.

In alle andere gevallen wordt de tenuitvoerlegging van de bescherming verzekerd door de Algemene Directie Operationele Ondersteuning van de federale politie.

§ 3 : De toekenning van bescherming

Art. 91

§ 1. De Getuigenbeschermingscommissie kan, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, gewone beschermingsmaatregelen toekennen aan een bedreigde getuige en, in voorkomend geval en voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de door hem afgelegde of af te leggen verklaringen, aan zijn gezinsleden en andere bloedverwanten.

De gewone beschermingsmaatregelen kunnen inzonderheid omvatten :

1º het afschermen van de gegevens van de betrokken persoon bij de dienst bevolking en bij de burgerlijke stand;

2º het verstrekken van raadgevingen op het vlak van preventie;

3º het plaatsen van technopreventieve middelen;

4º het aanstellen van een contactambtenaar;

5º het voorzien in een alarmprocedure;

6º het verstrekken van psychologische bijstand;

7º het preventief patrouilleren door de politiediensten;

8º het registreren van in- en uitgaande gesprekken;

9º het op regelmatige tijdstippen controleren van de raadplegingen van het rijksregister en/of het afschermen van de gegevens van de betrokkene;

10º het ter beschikking stellen van een geheim telefoonnummer;

11º het ter beschikking stellen van een afgeschermde nummerplaat;

12º het ter beschikking stellen van een GSM voor noodoproepen;

13º het onmiddellijk en van nabij fysiek beveiligen van de betrokken persoon;

14º het elektronisch beveiligen van de betrokken persoon;

15º het reloceren van de betrokken persoon gedurende maximaal 45 dagen;

16º het plaatsen van de gedetineerde betrokken persoon in een bijzonder beveiligde afdeling van de gevangenis.

§ 2. Bovendien kan de Getuigenbeschermingscommissie, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, uitsluitend bijzondere beschermingsmaatregelen toekennen aan een bedreigde getuige wiens bescherming met gewone beschermingsmaatregelen niet kan worden verzekerd en wiens verklaringen betrekking hebben op een misdrijf zoals bedoeld in artikel 180, § § 2, 3 of 4, een misdrijf gepleegde in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek of een misdrijf zoals bedoeld in de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, en, in voorkomend geval, aan zijn gezinsleden en, voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de door hem afgelegde of af te leggen verklaringen, aan zijn andere bloedverwanten.

De bijzondere beschermingsmaatregelen kunnen omvatten :

1º het reloceren van de betrokken persoon gedurende meer dan 45 dagen;

2º het wijzigen van de identiteit van de betrokken persoon.

§ 3. De Getuigenbeschermingscommissie kan, rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken persoon, financiële hulpmaatregelen toekennen aan de bedreigde getuige aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.

De financiële hulpmaatregelen kunnen omvatten :

1º een maandelijkse uitkering om in het onderhoud van de bedreigde getuige en zijn samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en waarvan bepaalde gedeelten kunnen bestemd worden voor specifieke doeleinden;

2ºde eenmalige uitkering van een bedrag voor het opstarten van een zelfstandige activiteit;

3º een bijzondere financiële bijdrage voor specifieke doeleinden.

§ 4. De persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, heeft van rechtswege recht op psychologische begeleiding, op hulp bij het zoeken naar werk en op tussenkomst bij de uitoefening van verworven pecuniaire rechten, overeenkomstig de modaliteiten bepaald bij artikel 94, derde lid.

Art. 92

§ 1. De procureur des Konings, de procureur-generaal, de federale procureur of de onderzoeksrechter, naar gelang van het geval, kan bij een met redenen omkleed verzoekschrift, waarbij een afschrift van het dossier is gevoegd, om de toekenning van beschermingsmaatregelen en van financiële hulpmaatregelen verzoeken.

Het verzoekschrift vermeldt :

1º de dag, de maand en het jaar;

2º de naam en de functie van de magistraat die het verzoekschrift indient;

3º de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de personen voor wie de bedoelde maatregelen worden gevraagd;

4º of gewone, dan wel bijzondere beschermingsmaatregelen, en in voorkomend geval welke, en financiële hulpmaatregelen dienen te worden toegekend;

5º de gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in § 3, en de bijzondere redenen die deze wettigen.

De procureur des Konings, de procureur-generaal en de federale procureur zenden het verzoekschrift over aan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.

De onderzoeksrechter zendt het verzoekschrift over aan de procureur des Konings, die het onverwijld doorstuurt naar de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.

Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de bedreigde getuige kan de procureur des Konings, de procureur-generaal, de federale procureur of de onderzoeksrechter in zijn verzoekschrift aanduiden aan welke andere personen dan degenen bedoeld in artikel 89 beschermingsmaatregelen kunnen worden toegekend. Deze beschermingsmaatregelen kunnen door de Commissie slechts worden toegekend voor zover deze personen effectief gevaar lopen.

§ 2. Zodra de voorzitter van de Getuigencommissie het verzoekschrift tot het toekennen van beschermingsmaatregelen en desgevallend van financiële hulpmaatregelen heeft ontvangen, verzoekt hij de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie om een schriftelijk advies.

§ 3. Indien bij hoogdringendheid beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, kan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie na ruggespraak met de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie en in afwachting van diens advies, bij voorlopige beslissing gewone beschermingsmaatregelen toekennen.

De voorlopige beslissing is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de beschermingsmaatregelen die worden toegekend.

Van de voorlopige beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde getuige.

§ 4. De directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie zendt, binnen een maand na ontvangst van het verzoek bepaald in § 2, een omstandig advies over nopens het voldaan zijn van de wettelijke voorwaarden voor de gevraagde beschermingsmaatregelen in hoofde van de personen waarvoor bescherming wordt gevraagd en, in voorkomend geval en indien bijzondere beschermingsmaatregelen worden gevraagd, nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokken personen voor de toekenning van de gevraagde beschermingsmaatregelen, alsook nopens in voorkomend geval gevraagde financiële hulpmaatregelen.

Indien een persoon waarvoor bijzondere beschermingsmaatregelen worden gevraagd schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 29 of 30, houdt het advies nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokkene voor de toekenning van bijzondere beschermingsmaatregelen in elk geval een evaluatie in van het gevaar dat de betrokkene zou kunnen vormen voor de samenleving waarnaar hij wordt gereloceerd.

§ 5. Van zodra de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij de Commissie samen om over het verzoek te beslissen.

§ 6. De Getuigenbeschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.

§ 7. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiële hulpmaatregelen die in voorkomend geval worden toegekend.

Indien gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, wordt de Getuigenbeschermingscommissie ermee belast te bepalen welke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 91, § 1, concreet worden genomen.

§ 8. Wanneer de beslissing een wijziging van de identiteit betreft, wordt zij meegedeeld aan de minister van Justitie.

§ 9. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie heft van rechtswege de door de voorzitter bij voorlopige beslissing toegekende beschermingsmaatregelen op.

§ 10. Tegen de beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.

Art. 93

§ 1. In afwijking van de bepalingen van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, kan de minister van Justitie een verandering van naam en van voornamen toestaan op voorstel van de Getuigenbeschermingscommissie.

De nieuwe identiteit wordt vastgesteld in overleg met de Getuigenbeschermingsdienst en de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

§ 2. Een afschrift van het ministerieel besluit dat de verandering van naam en voornamen toestaat, wordt binnen tien dagen na de ondertekening overgezonden aan de Getuigenbeschermingsdienst en aan de procureur des Konings. De Getuigenbeschermingsdienst neemt onmiddellijk contact op met de procureur des Konings met het oog op de overschrijving van het dispositief van het besluit in de registers van de burgerlijke stand.

De procureur des Konings vordert de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van :

1º de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden is geboren;

2º de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden zijn gewone verblijfplaats heeft, wanneer geen van de begunstigden in België is geboren;

3º van Brussel, wanneer geen van de begunstigden in België is geboren noch er zijn gewone verblijfplaats heeft.

De verandering van naam en de verandering van voornamen hebben gevolg op de dag van de overschrijving. De naamsverandering geldt vanaf die dag voor de minderjarige kinderen tot wie zij is uitgebreid.

Door toedoen van de procureur des Konings wordt melding gemaakt van de overschrijving op de kant van de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigden.

§ 3. De verandering van naam en de verandering van voornamen zijn vrij van zegelrecht en registratierecht.

§ 4. In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek mag een uittreksel of afschrift van een akte van de burgerlijke stand met betrekking tot een persoon die met toepassing van dit artikel een wijziging van identiteit heeft verkregen, slechts worden gegeven met uitdrukkelijke toestemming van de procureur des Konings, op eensluidend advies van de Getuigenbeschermingsdienst.

Art. 94

De bedreigde getuige aan wie de beslissing tot het toekennen van beschermingsmaatregelen wordt overhandigd, ondertekent een schriftelijk memorandum, waarin hij zich ertoe verbindt om oprechte en volledige verklaringen af te leggen betreffende de zaak waarin hij zal getuigen, en om te getuigen telkens als hij hierom verzocht wordt.

Ingeval bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, verbindt hij zich er in het memorandum bovendien toe om oprechte en volledige verklaringen af te leggen over alle burgerrechtelijke verplichtingen die hetzij op hemzelf, hetzij op de samen met hem te beschermen gezinsleden of andere bloedverwanten rusten, en verzekert hij de integrale nakoming van deze verplichtingen.

Tevens verleent hij een algemene lastgeving aan de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie. Met instemming van de getuige kan de directeur-generaal Gerechtelijke Politie lastgevingsovereenkomsten sluiten met andere personen met het oog op het beheer van het vermogen van de getuige.

§ 4 : De wijziging en de intrekking van de bescherming

Art. 95

§ 1. De Getuigenbeschermingsdienst toetst op aangifte van de politie, de procureur des Konings, de federale procureur, de onderzoeksrechter, de directeur-generaal der Strafinrichtingen, de bedreigde getuige of ambtshalve, doch minimaal om de zes maanden, of er een grond is tot wijziging of intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen en, desgevallend, van de toegekende financiële hulpmaatregelen.

§ 2. De toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien deze niet volstaan of indien minder verstrekkende maatregelen volstaan om de bescherming van de bedreigde getuige of de leden van zijn gezin of andere bloedverwanten te verzekeren, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken.

§ 3. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :

1º hij ervan verdacht wordt een wanbedrijf of misdaad te hebben gepleegd na toekenning van de beschermingsmaatregelen;

2º hij na toekenning van de beschermingsmaatregelen schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 29 en 30;

3º hij enige handeling heeft gesteld die afbreuk doet aan de hem toegekende beschermingsmaatregelen;

4º de toegekende beschermingsmaatregelen kunnen bovendien worden ingetrokken indien de bepalingen van het memorandum niet worden nageleefd.

§ 4. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze geen gevaar meer loopt, voor zover dit door de wet als een voorwaarde door toekenning van de toegekende beschermingsmaatregelen wordt omschreven.

De aan een bedreigde getuige toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze formeel in verdenking gesteld wordt of vervolgd wordt door het openbaar ministerie voor de feiten die het voorwerp uitmaken van zijn getuigenis.

§ 5. De aan de bedreigde getuige toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien het bedrag ervan niet volstaat, dan wel een geringer bedrag volstaat om in het onderhoud van de bedreigde getuige en de samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken. De Getuigenbeschermingscommissie houdt rekening met de specifieke situatie van de betrokken persoon.

§ 6. De aan de bedreigde getuige toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :

1º de bedreigde getuige zelf in zijn onderhoud en dat van de samen met hem gereloceerde leden van zijn gezin en andere bloedverwanten kan voorzien of had kunnen voorzien, doch dit door eigen fout of nalatigheid heeft verhinderd;

2º in geval van aanwending van voor specifieke doeleinden bestemde gedeelten van de maandelijkse uitkering of van een bijzondere financiële bijdrage, voor andere dan de door de Getuigenbeschermingscommissie bepaalde doeleinden;

3º de bedreigde getuige overleden is, en de samen met hem gereloceerde gezinsleden en andere bloedverwanten zelf in hun onderhoud kunnen voorzien.

Art. 96

§ 1. Indien de Getuigenbeschermingsdienst van oordeel is dat een grond tot wijziging of intrekking, zoals bepaald in het voorgaande artikel, van de toegekende beschermingsmaatregelen of financiële hulpmaatregelen voorhanden is, zendt de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie binnen een maand een met redenen omkleed advies terzake over aan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.

Wordt de wijziging van de toegekende beschermingsmaatregelen geadviseerd, dan wordt het bepaalde in artikel 92, § 4, toegepast, met dien verstande dat de Getuigenbeschermingsdienst die een wijziging van gewone naar bijzondere beschermingsmaatregelen adviseert, zelf een voorstel tot financiële hulpmaatregelen kan formuleren.

§ 2. Van zodra de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij de Commissie samen om te beslissen.

§ 3. De Getuigenbeschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.

§ 4. De Getuigenbeschermingscommissie beslist met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en van proportionaliteit over de wijziging of de intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen of de financiële hulpmaatregelen, en over de desgevallend door de Getuigenbeschermingsdienst in toepassing van § 1 voorgestelde financiële hulpmaatregelen.

§ 5. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiële hulpmaatregelen die desgevallend worden toegekend.

Indien gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, wordt de Getuigenbeschermingsdienst ermee belast te bepalen welke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 91, § 1, concreet worden genomen.

§ 6. Van de beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde getuige.

§ 7. Tegen de beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.

Art. 97

§ 1. De beslissing van intrekking van de aan de bedreigde getuige toegekende beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van de aan zijn gezinsleden, andere bloedverwanten en de andere personen bedoeld in artikel 92, § 1, vijfde lid, toegekende beschermingsmaatregelen.

§ 2. De beslissing van intrekking van de aan de bedreigde getuige toegekende bijzondere beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van het recht op psychologische begeleiding, op hulp bij het zoeken naar werk en op tussenkomst bij de uitoefening van verkregen pecuniaire rechten, en van de toegekende financiële hulpmaatregelen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de beslissing van wijziging van bijzondere beschermingsmaatregelen « naar gewone beschermingsmaatregelen » gelijkgesteld met een beslissing tot intrekking.

Art. 98

Aan een persoon die een getuigenis heeft afgelegd met toepassing van de artikelen 161 en 162, en van wie de identiteitsgegevens door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil bekend zijn geraakt, kunnen gewone of bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend in de mate dat aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 89 en volgende is voldaan.

Onderafdeling 3

De opsporing van aanwijzingen en de materiële vaststelling van misdrijven

§ 1 : Algemene bepaling

Art. 99

Overeenkomstig de wettelijke bepalingen die deze materie regelen en onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten, kunnen de procureur des Konings en de gerechtelijke politie :

1º alle handelingen verrichten die de materiële vaststelling van misdrijven, de omstandigheden ervan, de verkrijging en de bewaring van aanwijzingen tot doel hebben;

2º zich naar de plaats van het misdrijf begeven;

3º een gerechtelijke fouillering verrichten van de personen die gerechtelijk zijn aangehouden, alsook van de personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdaad of een wanbedrijf in handen hebben;

4º een voertuig of enig ander vervoermiddel doorzoeken;

5º politionele technieken aanwenden met inachtneming van de beginselen bekrachtigd in artikel 1 en van de bijzondere wettelijke bepalingen die deze technieken eventueel regelen;

6º een autopsie bevelen;

7º alle publiciteits-, telecommunicatie- en televisiemiddelen vorderen om de berichten te verspreiden die het onderzoek en de vaststelling van het misdrijf vereisen.

§ 2 : Het deskundigenonderzoek

Art. 100

Indien men onverwijld dient over te gaan tot vaststellingen of technisch of wetenschappelijk onderzoek onverwijld dient te verrichten, kan de procureur des Konings of met toestemming van deze laatste, de officier van gerechtelijke politie, een beroep doen op ieder terzake gekwalificeerd persoon.

Art. 101

Wanneer de procureur des Konings van oordeel is dat hij in het kader van zijn onderzoek een gekwalificeerd persoon moet aanwijzen om een deskundigenonderzoek te verrichten, bepaalt hij een precieze opdracht. De aangewezen deskundige voert zijn opdracht uit onder toezicht van de procureur des Konings.

De procureur des Konings bepaalt de modaliteiten van het deskundigenonderzoek rekening houdend met het evenwicht tussen de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering. Wanneer de verdachte of de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd, gekend zijn, worden zij, in voorkomend geval, vooraleer het deskundigenverslag wordt opgemaakt, opgeroepen om alle verrichtingen van de deskundige bij te wonen, waarbij zij zich kunnen laten bijstaan door een advocaat en door een technisch raadsman.

Art. 102

Op straffe van nietigheid van het deskundigenonderzoek en van het verlies van bewijswaarde, mag de opdracht van de deskundigen alleen betrekking hebben op het onderzoek van wetenschappelijke of technische vragen die nader zijn omschreven in de beslissing tot aanwijzing, met uitzondering van elke beoordeling die tot de bevoegdheid van de magistraat behoort.

De deskundigen kunnen, tijdens de uitoefening van hun opdracht, geen handelingen verrichten die voorbehouden zijn aan de gerechtelijke en de politionele overheid. Zij moeten de algemene beginselen, omschreven in artikel 1 van dit wetboek, in acht nemen.

Art. 103

De procureur des Konings kiest de deskundigen :

­ hetzij uit een lijst van deskundigen die jaarlijks door de hoven van beroep wordt opgesteld na raadpleging van de procureur-generaal, de voorzitters van de rechtbanken, de procureurs des Konings, de onderzoeksrechters met de grootste anciënniteit en de stafhouders van de arrondissementen die deel uitmaken van het rechtsgebied van de hoven van beroep overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de Koning;

­ hetzij uit de personen bekleed met een openbaar ambt of met een opdracht van openbaar nut, met uitzondering van deze die deelnemen aan de uitoefening van de rechtsprekende functie;

­ hetzij uit de personen die een wetenschappelijke activiteit uitoefenen in een instelling voor hoger onderwijs of voor onderzoek, die is ingericht of wordt gesubsidieerd door de overheid.

In spoedeisende gevallen en indien geen van de personen bedoeld in het vorige lid de opdracht van deskundige kan uitoefenen, wijst de procureur des Konings te dien einde en bij een met redenen omklede beslissing elk ander gekwalificeerd persoon aan.

Art. 104

Behalve in de gevallen van verhindering bepaald in de wet of toegestaan door de procureur des Konings, is de aangewezen deskundige gehouden de opdracht waarmee hij is belast, binnen de gestelde termijn uit te oefenen.

De deskundige kan worden gewraakt om de redenen omschreven in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. De procureur des Konings neemt bij een met redenen omklede beslissing een standpunt in betreffende de wraking.

Deskundigen die weten dat er enige reden van wraking tegen hen bestaat, moeten dit onverwijld meedelen en zich van de zaak onthouden.

Art. 105

De verdachte en de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd overhandigen aan de procureur des Konings de stukken bestemd voor de deskundige, die volgens hen noodzakelijk zijn en maken alle dienstige opmerkingen.

Art. 106

Als de vereisten van de strafvordering zich daartegen niet verzetten,

1º deelt de procureur des Konings aan de verdachte en aan de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd een afschrift van de beslissing mee houdende de aanwijzing van de deskundige, alsook van de beslissingen die de opdracht waarmee hij werd belast, bepalen, wijzigen of uitbreiden;

2º brengt de deskundige schriftelijk, na beëindiging van de verrichtingen en alvorens zijn verslag en zijn conclusie op te maken, aan de procureur des Konings zijn vaststellingen ter kennis. Deze laatste deelt ze mee aan de verdachte en aan de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd en bepaalt de termijn waarover zij beschikken om schriftelijke opmerkingen te formuleren;

3º zijn de artikelen 979, behalve wat de eedaflegging betreft, 980 tot 983, 985 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het deskundigenonderzoek bevolen door de procureur des Konings.

De procureur des Konings kan zich verzetten tegen de toepassing van huidig artikel indien de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vereisen of indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privé-leven zou inhouden.

§ 3 : De telecommunicatie

Art. 107

§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing van de operator van een telecommunicatienetwerk of van de verstrekker van een telecommunicatiedienst vorderen :

1º de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een telecommunicatiedienst te identificeren;

2º de identificatiegegevens mee te delen met betrekking tot telecommunicatiediensten waarop een bepaald persoon geabonneerd is of die door een bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan iedere officier van gerechtelijke politie, na mondelinge en voorafgaande instemming van de procureur des Konings, bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing deze gegevens opvorderen. De officier van gerechtelijke politie deelt deze gemotiveerde en schriftelijke beslissing en de verkregen informatie binnen vierentwintig uur mee aan de procureur des Konings en motiveert tevens de uiterst dringende noodzakelijkheid.

§ 2. Iedere operator van een telecommunicatienetwerk en iedere verstrekker van een telecommunicatiedienst van wie gevorderd wordt de in § 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt de procureur des Konings of de officier van gerechtelijke politie de gegevens die werden opgevraagd binnen een termijn te bepalen door de Koning, op het voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Weigering de gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.

§ 4 : Het onderzoek in een informaticasysteem

Art. 108

§ 1. Onverminderd de specifieke bepalingen van dit artikel, zijn de regels van dit wetboek inzake inbeslagneming, met inbegrip van artikel 123, van toepassing op het kopiëren, ontoegankelijk maken en verwijderen van in een informaticasysteem opgeslagen gegevens.

§ 2. Wanneer de procureur des Konings in een informaticasysteem opgeslagen gegevens aantreft die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, maar de inbeslagneming van de drager daarvan evenwel niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.

§ 3. Hij wendt bovendien de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Indien de gegevens het voorwerp van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en indien de gegevens strijdig zijn met de openbare orde of de goede zeden, of een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wendt de procureur des Konings alle passende technische middelen aan om deze gegevens ontoegankelijk te maken.

Hij kan evenwel, behoudens in het geval bedoeld in het vorige lid, het verdere gebruik van het geheel of een deel van deze gegevens toestaan, wanneer dit geen gevaar voor de strafvordering oplevert.

§ 4. Wanneer de in § 2 vermelde maatregel niet mogelijk is om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens, wendt hij de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

§ 5. De procureur des Konings brengt de verantwoordelijke van het informaticasysteem op de hoogte van de zoeking in het informaticasysteem en deelt hem een samenvatting mee van de gegevens die zijn gekopieerd, ontoegankelijk gemaakt of verwijderd.

§ 6. De procureur des Konings wendt de passende technische middelen aan om de integriteit en de vertrouwelijkheid van deze gegevens te waarborgen.

Gepaste technische middelen worden aangewend voor de bewaring hiervan op de griffie.

Hetzelfde geldt, wanneer gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met hun drager in beslag worden genomen, overeenkomstig de vorige artikelen.

§ 5 : Het DNA-onderzoek

Art. 109

§ 1. Vergelijkend DNA-onderzoek in de zin van dit wetboek heeft alleen tot doel de DNA-profielen van aangetroffen of afgenomen menselijk celmateriaal te vergelijken teneinde bij een misdrijf betrokken personen direct of indirect te kunnen identificeren.

Dit vergelijkend onderzoek kan alleen betrekking hebben op niet-coderende DNA-segmenten.

§ 2. De procureur des Konings kan, bij gemotiveerde beslissing, een deskundige verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium aanwijzen om een DNA-profiel op te stellen van aangetroffen sporen van menselijk celmateriaal. De deskundige zorgt ervoor dat hij voldoende sporen van celmateriaal bewaart om een tegenonderzoek mogelijk te maken. Blijkt dat onmogelijk te zijn, dan maakt hij daarvan melding in zijn verslag.

De deskundige brengt een gemotiveerd verslag uit over de uitvoering van zijn opdracht.

De verkregen DNA-profielen, alsmede de in het vierde lid opgesomde gegevens met betrekking tot deze DNA-profielen, worden, op bevel van het openbaar ministerie, overgezonden aan het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie om er opgeslagen en verwerkt te worden.

Deze gegevens zijn :

1º het notitienummer van het strafdossier;

2º de naam van de magistraat belast met het strafdossier;

3º de naam en het adres van het laboratorium waar het DNA-profiel werd opgesteld, alsook het dossiernummer;

4º de biologische aard van het spoor;

5º het geslacht van de persoon waarvan het spoor afkomstig is;

6º in voorkomend geval, het door de magistraat toegekende codenummer waardoor het DNA-profiel kan worden verbonden met de naam van de betrokken persoon.

§ 3. De procureur des Konings kan in het belang van het opsporingsonderzoek aan een meerderjarige de toestemming vragen om van hem hetzij een hoeveelheid bloed, wangslijmvlies of haarwortels af te nemen, zoals die persoon verkiest.

De procureur des Konings kan alleen tot een dergelijke afname overgaan als op zijn minst een spoor van menselijke cellen is aangetroffen en verzameld in het raam van de zaak die bij hem aanhangig is gemaakt.

De toestemming van de betrokkene kan alleen worden gegeven als de procureur des Konings hem in kennis heeft gesteld van de omstandigheden van de zaak.

De procureur des Konings stelt de betrokkene tevens in kennis van het feit dat, indien het vergelijkend DNA-onderzoek een positief verband aantoont met het DNA-profiel van het betrokken spoor, zijn profiel in verband kan worden gebracht in de DNA-gegevensbank « Criminalistiek » met profielen van in andere strafzaken aangetroffen sporen.

Van die informatie wordt melding gemaakt in de schriftelijke toestemming van betrokkene.

De procureur des Konings vordert een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, of een arts om een hoeveelheid haarwortels of wangslijmvlies af te nemen.

Voor het afnemen van bloed kan hij alleen een arts vorderen.

Van de afname wordt proces-verbaal opgesteld door de officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

De procureur des Konings wijst een deskundige aan, verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium, om het DNA-profiel van het afgenomen staal op te maken en een vergelijkend DNA-onderzoek uit te voeren.

De deskundige die met het vergelijkend DNA-onderzoek is belast, zendt zijn verslag over binnen negentig dagen na ontvangst van de vordering van de procureur des Konings.

De procureur des Konings kan evenwel een bijkomende onderzoekstermijn toekennen op gemotiveerd verzoek van de deskundige.

§ 4. De uitslag van het DNA-onderzoek wordt, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, ter kennis gebracht van de betrokken persoon. Deze laatste kan, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, de procureur des Konings verzoeken een tegenonderzoek te doen uitvoeren door een door de betrokken aangewezen deskundige, verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium. De deskundige brengt hierover een gemotiveerd verslag uit bij de procureur des Konings, die de betrokken persoon hiervan op de hoogte brengt, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Het tegenonderzoek wordt verricht aan de hand van nieuw celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het gedeelte van het spoor van het celmateriaal dat bij het aanvankelijke onderzoek niet werd gebruikt.

Indien uit het verslag van het aanvankelijke onderzoek blijkt dat de hoeveelheid aangetroffen celmateriaal ontoereikend is om een nieuw DNA-profiel op te stellen, wordt het tegenonderzoek verricht aan de hand van nieuw celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor.

De kosten van het tegenonderzoek, beperkt tot een bedrag bepaald door de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit, zijn ten laste van de persoon die erom verzoekt. Indien het tegenonderzoek de uitslag van het aanvankelijk onderzoek niet bevestigt, wordt het door de betrokkene voorgeschoten bedrag door de Staat terugbetaald.

§ 5. De deskundige vernietigt het afgenomen celmateriaal van zodra hij door het openbaar ministerie geïnformeerd wordt hetzij van de afwezigheid van een tegenonderzoek hetzij van het feit dat de uitslag van het tegenonderzoek ter kennis werd gebracht van de betrokken persoon.

De deskundige deelt binnen een maand na voormelde kennisgeving door het openbaar ministerie aan dit laatste mee dat het celmateriaal vernietigd is.

Onderafdeling 4

De bewarende maatregelen

Art. 110

De procureur des Konings, de officieren van gerechtelijke politie en de politieambtenaren die door de wet gemachtigd zijn hen te vervangen, nemen alles in beslag wat een van de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek schijnt uit te maken, alsook alles wat ertoe kan bijdragen de waarheid aan het licht te brengen en dat zij aantreffen op de plaats waar zij hun ambt uitoefenen of dat hen vrijwillig wordt overhandigd door de personen die het in hun bezit hebben.

De procureur kan het bewarend beslag bevelen van goederen die in aanmerking komen voor teruggave of verbeurdverklaring.

Bij gebrek aan vrijwillige overhandiging, stelt de officier van gerechtelijke politie een bewaarder aan voor de in beslag te nemen voorwerpen tot dat een bevel tot inbeslagneming of, zo daartoe grond bestaat, een huiszoekingsbevel wordt afgeleverd. Deze bewaring neemt van rechtswege een einde na verloop van vierentwintig uur.

Art. 111

De officieren van gerechtelijke politie zijn, op straffe van nietigheid, gehouden de voorwerpen, papieren en documenten te inventariseren en te beschrijven die in beslag zijn genomen of die overeenkomstig het vorige artikel vrijwillig zijn overhandigd. Zij bepalen of stellen de precieze aard ervan vast, waarbij zij, zo daartoe grond bestaat, gebruik maken van alle nuttige technieken zoals de fotografie, de scheikundige analyse of het radiografisch, elektronisch of sonisch onderzoek. Indien het nuttig blijkt technieken te moeten gebruiken waarover zij niet beschikken, waarschuwen zij onverwijld de procureur des Konings.

De in beslag genomen of overhandigde voorwerpen en documenten worden verzegeld, beschermd tegen iedere inbreuk en neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank. Van deze handelingen en van de omstandigheden van de inbeslagneming wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van het onderzoek of in een afzonderlijk proces-verbaal.

Art. 112

De officieren van gerechtelijke politie die voorwerpen, papieren en documenten in beslag nemen ingevolge een bevel tot huiszoeking en een bevel tot inbeslagneming zijn gehouden zich, op straffe van nietigheid, te gedragen overeenkomstig de bepalingen van het vorige artikel.

Art. 113

De procureur des Konings en de gerechtelijke politie kunnen geen huiszoeking verrichten behalve in de uitzonderingsgevallen omschreven in de wet en met inachtneming van de bij wet vereiste vormvoorschriften.

Huiszoekingen kunnen worden verricht met voorafgaande schriftelijke toestemming van de persoon bij wie zij wordt verricht.

Art. 114

§ 1. Indien de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schijnen te vormen, onroerende goederen zijn, wordt bewarend beslag op onroerend goed gedaan, zulks bij deurwaardersexploot dat aan de eigenaar wordt betekend en op straffe van nietigheid een afschrift van de vordering van de procureur des Konings moet bevatten, alsmede de verschillende vermeldingen bedoeld in de artikelen 1432 en 1568 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de tekst van het derde lid van dit artikel.

Het beslagexploot moet op de dag zelf van de betekening ter overschrijving worden aangeboden op het kantoor der hypotheken van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Als dagtekening van de overschrijving geldt de dag van afgifte van het exploot.

Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende vijf jaren met ingang van de dagtekening der overschrijving, behoudens vernieuwing voor dezelfde termijn op vertoon aan de bewaarder, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de overschrijving, van een door de bevoegde procureur of onderzoeksrechter in dubbel opgemaakte vordering.

Het beslag wordt blijvend voor het verleden in stand gehouden door de beknopte melding op de kant van de overschrijving van het beslag, binnen haar geldigheidsduur, van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij de verbeurdverklaring van het onroerend goed werd bevolen.

Doorhaling van het bewarend onroerend beslag kan verleend worden door de voormelde procureur, of desgevallend door de beneficiant van de verbeurdverklaring, of kan ook bij rechterlijke beslissing bevolen worden.

§ 2. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3º, 43bis of artikel 43quater van het Strafwetboek heeft verkregen en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte kunnen aangetroffen worden, kan de procureur des Konings beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf. In zijn kantschrift motiveert de procureur des Konings de raming van dit bedrag en geeft hij aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden hernomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.

Zaken die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, kunnen in geen geval in beslag worden genomen.

Ingeval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften van § 1.

Art. 115

§ 1. Indien er in de woning van de verdachte papieren of zaken worden gevonden, die tot de overtuiging of tot ontlasting kunnen dienen, neemt de procureur des Konings deze papieren of zaken in beslag.

Ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming op basis van de artikelen 110 en 114, § 2, of op basis van het eerste lid, wordt door de procureur des Konings of door de officier van gerechtelijke politie een proces-verbaal opgemaakt waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld alsmede de door andere wetsbepalingen voorgeschreven vermeldingen. Voor zover mogelijk worden de zaken geïndividualiseerd in het proces-verbaal.

§ 2. In geval van beslag op vorderingen, met uitzondering van beslag op rechten aan order of aan toonder, gebeurt het beslag door schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar.

In geval deze kennisgeving niet gebeurt overeenkomstig het bepaalde in § 3, wordt ze aan de schuldenaar verzonden bij ter post aangetekende brief alsmede bij gewone brief.

Deze brieven bevatten de referenties eigen aan de zaak, alsmede een letterlijke weergave van de tekst van § 4, van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 123 of van artikel 208, naargelang het beslag uitgaat van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter.

§ 3. Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die kosteloos kopie van dit proces-verbaal kan ontvangen. In geval van beslag onder derden, hebben zowel de derde-beslagene als de beslagene zelf het recht op een kosteloze kopie van dit proces-verbaal. Deze kopie wordt onmiddellijk overhandigd of binnen de achtenveertig uur verstuurd. Binnen dezelfde termijn wordt aan de derde-beslagene een document overhandigd, bevattende de vermeldingen als bepaald in § 2, derde lid.

§ 4. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving of het proces-verbaal, mag de schuldenaar de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven. Binnen vijftien dagen na het beslag, is de schuldenaar gehouden om bij ter post aangetekende brief verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek.

De schuldenaar heeft recht op vergoeding van de kosten van de verklaring. Deze kosten, voorzien van de goedkeuring vanwege de procureur des Konings of de onderzoeksrechter van wie het beslag uitgaat, worden als gerechtskosten beschouwd.

Onderafdeling 5

De maatregelen met betrekking tot personen

Art. 116

Niemand kan van zijn vrijheid worden beroofd dan onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 242 en 243 van dit wetboek en de artikelen 15, 1º en 2º, en 32 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.

Artikel 117

De artikelen 37 en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt die betrekking hebben op het gebruik van geweld, zijn van toepassing op alle leden van de gerechtelijke politie.

Artikel 118

Artikel 35 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is eveneens van toepassing op alle leden van de gerechtelijke politie. De overtreding van dit artikel wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd tot vijfhonderd euro.

Onderafdeling 6

De verslagen en de processen-verbaal

Artikel 119

De inlichtingen die de officieren en agenten van de gerechtelijke politie hebben ingewonnen naar aanleiding van feiten die doen vermoeden dat een tot hun bevoegdheid behorend strafbaar feit is gepleegd of op het punt staat gepleegd te worden, worden onverwijld in de vorm van een schriftelijk verslag aan het openbaar ministerie overgezonden.

De vaststellingen van feiten en de verhoren van personen omtrent een strafbaar feit worden vastgelegd in de vorm van processen-verbaal die aan het openbaar ministerie of aan de onderzoeksrechter worden gericht.

Behoudens verhindering vastgesteld in de akte, worden de processen-verbaal gedagtekend en ondertekend door de personen die ze hebben opgemaakt. Deze vermelden :

1º de naam en de hoedanigheid van de verbalisanten;

2º de plaats waar het proces-verbaal geheel of gedeeltelijk is opgemaakt;

3º de feiten waarvan melding wordt gemaakt en de vaststellingen van de verbalisanten;

4º de volledige identiteit van de verhoorde persoon, namelijk zijn naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, burgerlijke stand, beroep en woonplaats of burgerlijke of administratieve verblijfplaats;

5º dat aan de comparanten lezing is gegeven van hun verklaring, dat zij deze bevestigen en dat zij deze hebben ondertekend. Indien een comparant weigert enige verklaring af te leggen, deze niet kan of niet wil ondertekenen, wordt bovendien melding gemaakt van de redenen die hij daarvoor inroept.

Artikel 120

De officier van gerechtelijke politie kan, door algemene richtlijnen van het openbaar ministerie, gemachtigd worden een vereenvoudigd proces-verbaal op te stellen als het strafbaar feit weinig ernstig schijnt te zijn. Hiervan wordt op beknopte wijze melding gemaakt in een bijzonder register waarvan de inhoud, op geregelde tijdstippen, aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld.

Artikel 121

Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, gelden processen-verbaal enkel als inlichting nopens de daarin vastgestelde materiële feiten.

Artikel 122

De gerechtelijke politie verzamelt, in het kader van het aanvankelijk proces-verbaal, alle dienstige gegevens alvorens het proces-verbaal aan het openbaar ministerie te doen toekomen.

De officieren en agenten van gerechtelijke politie kunnen, rechtstreeks aan andere politiediensten gevestigd buiten het grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn, bijkomende inlichtingen vragen.

Afdeling 4

De rechten van iedere persoon benadeeld door een opsporingshandeling, van de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en de rechten van de verdachte

Artikel 123

§ 1. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten kan eenieder die geschaad wordt door een opsporingshandeling met betrekking tot zijn goederen, aan de procureur des Konings de opheffing ervan vragen.

§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het openbaar ministerie en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De procureur des Konings doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.

De met redenen omklede beslissing wordt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De procureur des Konings kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet.

Hij kan een gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke opheffing toestaan. Eenieder die de vastgestelde voorwaarden niet naleeft, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 507bis van het Strafwetboek.

§ 4. De zaak kan bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aangebracht binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing aan de verzoeker.

De zaak wordt aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling door een verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De zaak wordt aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Brussel wanneer het opsporingsonderzoek gevoerd wordt door de federale procureur.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat.

De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.

De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden in de kosten.

§ 5. Indien de procureur des Konings geen beslissing heeft genomen binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De zaak wordt aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Brussel wanneer het opsporingsonderzoek gevoerd wordt door de federale procureur. De procedure verloopt overeenkomstig § 4, vierde tot zevende lid.

§ 6. Vanaf de aanhangigmaking bij een rechtbank of een hof, kan een verzoekschrift in de zin van § 2 worden ingediend op de griffie van deze rechtbank of dit hof. Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijftien dagen. De rechtbank of het hof kan het verzoek afwijzen om één van de redenen vermeld in § 3. Wanneer een hoger beroep bestaat of in geval de rechtbank geen uitspraak doet binnen vijftien dagen na de indiening van het verzoekschrift, kan de verzoeker een hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig § 4. Ingeval de rechtbank het verzoek toestaat, kan de procureur des Konings op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijn hoger beroep instellen.

§ 7. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

Artikel 124

Eenieder die verschillende malen is ondervraagd door de gerechtelijke of politionele instanties kan, door een verzoekschrift gericht aan de procureur des Konings of neergelegd op het secretariaat van het openbaar ministerie, vragen of hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.

De procureur des Konings moet antwoorden binnen de twee maanden te rekenen van de neerlegging van het verzoekschrift.

Ingeval bevestigend wordt geantwoord, geeft de procureur des Konings de aard van het strafbaar feit aan.

Bij ontstentenis van een antwoord binnen de vooropgestelde termijn, geniet de verzoeker van de rechten omschreven in de artikelen 125 en 126.

Artikel 125

§ 1. Eenieder die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar, kan de procureur des Konings verzoeken om inzage van het dossier.

De persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd geniet, binnen de grenzen van de feiten waardoor hij werd benadeeld, van hetzelfde recht.

§ 2. Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het openbaar ministerie en ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De procureur des Konings doet uitspraak uiterlijk een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.

De beslissing wordt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De procureur des Konings kan de inzage van het dossier of van bepaalde stukken verbieden indien de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vereisen of indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privé-leven zou inhouden. De procureur des Konings kan de inzage beperken tot het deel van het dossier betreffende de feiten die tot het opsporingsonderzoek hebben geleid.

§ 4. Ingeval het verzoek wordt ingewilligd, wordt, onverminderd de eventuele toepassing van § 3, het dossier binnen twintig dagen na de beslissing van de procureur des Konings in origineel of in kopie, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. Het secretariaat van het openbaar ministerie brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien.

De verdachte en de benadeelde persoon kunnen de door de inzage in het dossier verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van hun verdediging of de verdediging van hun rechten, op voorwaarde dat zij het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging van derden in acht nemen, alsook het privé-leven en de waardigheid van de persoon, onverminderd het recht waarin artikel 126 voorziet.

§ 5. Tegen deze beslissing van de procureur des Konings staat geen rechtsmiddel open.

§ 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

Artikel 126

§ 1. Eenieder die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste een jaar, kan de procureur des Konings verzoeken een bijkomende opsporingshandeling te verrichten.

De persoon, die een verklaring van benadeelde persoon heeft gedaan, geniet van hetzelfde recht.

§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde opsporingshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het openbaar ministerie en ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De procureur des Konings doet uitspraak, op straffe van nietigheid van zijn beslissing, uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.

De beslissing wordt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De procureur des Konings kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het opsporingsonderzoek.

§ 4. Tegen deze beslissing van de procureur des Konings staat geen rechtsmiddel open.

§ 5. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

HOOFDSTUK 3

De modaliteiten van het onderzoek bij ontdekking op heterdaad

Artikel 127

Het misdrijf ontdekt terwijl het gepleegd wordt of terstond nadat het gepleegd is, is een op heterdaad ontdekt misdrijf.

Wordt eveneens als ontdekking op heterdaad beschouwd, het geval dat de persoon die ervan wordt verdacht een misdaad of wanbedrijf te hebben gepleegd, binnen vierentwintig uur te rekenen van het feit door het openbaar geroep wordt vervolgd, in het bezit wordt gevonden van voorwerpen of papieren die doen vermoeden dat hij aan het misdrijf deelgenomen heeft, of sporen of aanwijzingen vertoont in verband met het misdrijf.

Hetzelfde geldt wanneer de persoon, die het recht heeft toegang tot een woning te verlenen, een beroep doet op een instantie belast met de uitoefening van de taken van gerechtelijke politie om in die woning een misdaad of wanbedrijf vast te stellen.

Artikel 128

Ingeval van ontdekking van een misdaad of wanbedrijf op heterdaad, verricht de procureur des Konings, overeenkomstig de vormen voorgeschreven in de bepalingen van dit wetboek, de ambtsverrichtingen die tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoren maar is hij gehouden, van zodra de omstandigheden het toelaten, het onderzoek aan de onderzoeksrechter over te dragen met het verzoek dit voort te zetten.

Artikel 129

De bevoegdheden toegewezen aan de procureur des Konings, zoals hierboven omschreven, betreffende de akten van op heterdaad ontdekte misdrijven worden hem eveneens toegewezen telkens, een misdaad of een wanbedrijf, zelf niet op heterdaad, gepleegd wordt binnen een huis. De procureur des Konings zal verzocht worden dit vast te stellen :

1º door de eigenaar van dit huis;

2º door het slachtoffer van het strafbaar feit, wanneer dat strafbaar feit genoemd wordt in de artikelen 398 tot 405 van het Strafwetboek en de vermoedelijke pleger van het strafbaar feit de echtgenoot van het slachtoffer is of de persoon met wie hij of zij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft.

HOOFDSTUK 4

De afsluiting van het opsporingsonderzoek

Artikel 130

Behoudens in de gevallen voorzien in de artikelen 25, 29 en 30 sluit de procureur des Konings het opsporingsonderzoek af door een seponering of door de strafvordering in te stellen.

Indien de procureur des Konings de bedoeling heeft de persoon, die ervan wordt verdacht het strafbaar feit te hebben gepleegd, rechtstreeks voor de correctionele rechtbank te dagvaarden, stelt hij deze laatste, alsook de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd, daarvan in kennis. Het dossier wordt gedurende ten minste vijftien dagen op de griffie ter beschikking van die personen gesteld. Zij kunnen de procureur des Konings verzoeken om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten, zonder dat deze laatste daartoe verplicht is wanneer hij dit niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen. Ingeval van weigering, kan het verzoek opnieuw worden ingesteld bij de rechtbank waarbij de zaak wordt aangebracht.

De bepalingen van het vorige lid zijn eveneens van toepassing in geval van dagvaarding voor de politierechtbank wanneer het gaat om een geval van persoonlijke verschijning bedoeld in artikel 326, § 2, van dit Wetboek.

TITEL II

Het gerechtelijk onderzoek en de onderzoeksgerechten

HOOFDSTUK 1

Het gerechtelijk onderzoek

Artikel 131

Het gerechtelijk onderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen.

Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter.

Artikel 132

De onderzoeksrechter draagt de verantwoordelijkheid voor het gerechtelijk onderzoek dat zowel à charge als à décharge wordt gevoerd.

Hij waakt voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld.

Hij mag zelf de handelingen verrichten die behoren tot de gerechtelijke politie, het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

De onderzoeksrechter heeft in de uitoefening van zijn ambtsverrichtingen het recht om het optreden van de openbare macht rechtstreeks te vorderen.

Hij beslist of het noodzakelijk is dwang te gebruiken of inbreuk te maken op individuele rechten en vrijheden.

Wanneer hij in de loop van een gerechtelijk onderzoek feiten ontdekt die een misdaad of een wanbedrijf kunnen uitmaken dat bij hem niet is aangebracht, stelt hij de procureur des Konings hiervan onmiddellijk in kennis.

Artikel 133

§ 1. De onderzoeksrechter heeft het recht de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, en alle andere officieren van gerechtelijke politie te vorderen om, met uitzondering van de door de wet ingestelde beperkingen, alle voor het gerechtelijk onderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen.

Deze vorderingen worden gedaan en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 en 8/6 tot 8/8 van de wet op het politieambt en, wat de federale politie betreft, overeenkomstig artikel 110 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. De gevorderde politiediensten zijn gehouden gevolg te geven aan de vorderingen en de voor de uitvoering noodzakelijke medewerking van de officieren en agenten van gerechtelijke politie te verlenen.

Wanneer een politiedienst aan de onderzoeksrechter niet het vereiste personeel en de nodige middelen kan geven, kan deze laatste bij beschikking het hoofd van de politie verzoeken op te treden na hem over de toestand te hebben ingelicht. De onderzoeksrechter zendt een kopie van zijn beschikking over aan de procureur des Konings en in voorkomend geval aan de procureur-generaal en aan de kamer van inbeschuldigingstelling.

De procureur des Konings kan zelf het dossier overzenden aan de procureur-generaal. Deze laatste kan het college van procureurs-generaal verzoeken op te treden en de nodige initiatieven te nemen.

§ 2. De onderzoeksrechter kan de politiedienst of diensten aanwijzen die in een bepaald onderzoek met de opdrachten van gerechtelijke politie worden belast en waaraan, behoudens uitzondering, de vorderingen en opdrachten zullen worden gericht. Indien meerdere diensten worden aangewezen, ziet de onderzoeksrechter toe op de coördinatie van hun optreden.

De politieambtenaren van de overeenkomstig het vorige lid aangewezen politiedienst lichten dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid in over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing op de door de procureur des Konings vastgestelde wijze, behoudens andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter. Voor al de opdrachten van gerechtelijke politie betreffende deze aanwijzing hebben deze politieambtenaren voorrang op de andere politieambtenaren, welke dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid en de aangewezen politiedienst inlichten over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing, op de wijze die de procureur des Konings bij richtlijn bepaalt.

Artikel 134

In geval van tekortkoming van met een onderzoek belaste officieren van gerechtelijke politie meldt de onderzoeksrechter dit aan de procureur-generaal en aan de bevoegde tuchtoverheid.

Artikel 135

De onderzoeksrechter neemt kennis van misdrijven die in de wet als misdaad of wanbedrijf zijn omschreven en, in geval van samenloop, van feiten die als overtreding zijn omschreven.

De onderzoeksrechter, de een bij gebrek aan de andere, van de plaats van het misdrijf, die van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar deze persoon wordt of kan worden gevonden, en met betrekking tot rechtspersonen, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon is bevoegd.

Wanneer het gaat om misdaden of wanbedrijven die, in de gevallen omschreven in de wet, gepleegd zijn buiten het Belgische grondgebied, is de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon verdacht van het misdrijf verblijft of zijn laatste verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar deze persoon wordt of kan worden gevonden en met betrekking tot rechtspersonen die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon bevoegd.

De onderzoeksrechter die binnen die bevoegdheid kennis krijgt van een misdrijf, kan buiten zijn arrondissement alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van gerechtelijke politie, opsporing of gerechtelijk onderzoek. Hij stelt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden, hiervan in kennis.

Ingeval de onderzoeksrechter territoriaal niet bevoegd is, verwijst hij, alvorens enige onderzoekshandeling te verrichten, de zaak naar de onderzoeksrechter die er kennis zou kunnen van nemen.

Artikel 136

§ 1. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het gerechtelijk onderzoek geheim.

Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 2. De procureur des Konings kan, met uitsluiting van ieder ander, met instemming van de onderzoeksrechter en indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 3. De advocaat kan, indien het belang van zijn cliënt het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en de regels van het beroep. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 4. De procureur des Konings kan evenwel, met instemming van de onderzoeksrechter, aan een derde die een wettig belang doet gelden, toestemming verlenen om alle akten van rechtspleging of een gedeelte ervan te raadplegen of een kopie daarvan te bekomen. Hij kan voorwaarden verbinden aan deze toestemming. Zijn beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep.

Artikel 137

Het dossier is samengesteld uit een origineel en twee eensluidende afschriften.

De griffier nummert en inventariseert de stukken van het dossier.

Het origineel van het dossier blijft permanent ter beschikking van de rechter tot de regeling van de rechtspleging. De afschriften kunnen aan het openbaar ministerie, aan de partijen en aan hun advocaten worden meegedeeld overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek.

HOOFDSTUK 2

De modaliteiten van het gerechtelijk onderzoek

Afdeling 1

De aanhangigmaking bij de onderzoeksrechter

Artikel 138

Een zaak wordt bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt :

1º door middel van een vordering tot onderzoek overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van dit wetboek;

2º door middel van een burgerlijke partijstelling door het slachtoffer overeenkomstig artikel 47, § 2, 1º en 47, § 3 van dit wetboek;

3º in alle gevallen van ontdekking op heterdaad of de als zodanig beschouwde gevallen kan de onderzoeksrechter het onderzoek van de feiten aan zich trekken en rechtstreeks de handelingen verrichten die tot de bevoegdheid van de procureur des Konings behoren.

De onderzoeksrechter geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de procureur des Konings om deze in staat te stellen de vorderingen te doen die hij nuttig acht.

De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 257, de volledige anonieme getuigenis bedoeld in artikel 161, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 180 en de huiszoeking, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling zendt deze dossier terug aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opsporingsonderzoek.

De met de zaak belaste onderzoeksrechter beslist of hij uitsluitend de gevorderde onderzoekshandeling verricht en het dossier terugzendt zoals in het vorige lid is bepaald, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1 en de andere bepalingen van dit hoofdstuk van deze titel.

Tegen deze beslissing van de onderzoeksrechter staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 139

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg regelt de verdeling van de zaken onder de onderzoeksrechters. Hij kan eveneens verscheidene onderzoeksrechters aanstellen voor éénzelfde zaak.

Hij kan voorzien in de specialisatie van bepaalde onderzoeksrechters.

Artikel 140

In geval van burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter, overeenkomstig de artikelen 47, § 1, 1º, 47, § 2, 1º en 47, § 3, maakt de onderzoeksrechter een proces-verbaal op en deelt dit mee aan de procureur des Konings.

Artikel 141

§ 1. In geval van burgerlijke partijstelling overeenkomstig artikel 47, § 1, 1º, zal de procureur des Konings, in voorkomend geval, vorderen teneinde de zaak bij de raadkamer aanhangig te maken omdat de burgerlijke partijstelling niet-ontvankelijk is, omdat de klager niet de hoedanigheid, de bekwaamheid of het belang bezit om op te treden, of omdat de burgerlijke partijstelling niet aan de voorwaarden voldoet bepaald in artikel 47, § 3.

§ 2. In geval van burgerlijke partijstelling overeenkomstig artikel 47, § 2, 1º, zal de procureur des Konings vorderen, met de bedoeling hetzij :

1º aan de onderzoeksrechter te vragen een onderzoek te voeren;

2º in voorkomend geval, de zaak bij de raadkamer aanhangig te maken om reden dat de klacht niet-ontvankelijk is, hetzij omdat het feit noch een misdaad noch een wanbedrijf oplevert, hetzij omdat er gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering bestaan, hetzij omdat de onderzoeksrechter ratione loci, ratione materiae of ratione personae onbevoegd is, hetzij omdat de klager niet de hoedanigheid, de bekwaamheid of het belang bezit om op te treden, of omdat de burgerlijke partijstelling niet aan de voorwaarden voldoet bepaald in artikel 47, § 3.

3º in voorkomend geval, de zaak bij de raadkamer aanhangig te maken omdat de opening van het gerechtelijk vooronderzoek en de uitvoering van de onderzoeksdaden die daaruit voortvloeien, niet in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bedoeld in artikel 1.

Artikel 142

In de gevallen bedoeld in artikel 141, § 1 en § 2, 2º en 3º laat de raadkamer, in een bijzonder register dat ter griffie wordt gehouden, de plaats, de dag en het uur van de verschijning optekenen. De griffier verwittigt, ten minste acht dagen op voorhand, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, de burgerlijke partij en haar raadsman. Bij de oproeping wordt een kopie van de vordering van de procureur des Konings gevoegd.

De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings en de burgerlijke partij gehoord te hebben. De burgerlijke partij kan zich door een raadsman laten bijstaan of kan zich door hem laten vertegenwoordigen.

Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt teneinde haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.

In de gevallen bedoeld in artikel 141, § 2, 2º en 3º, en indien zij de procureur des Konings in het gelijk stelt, onttrekt de raadkamer de zaak aan de onderzoeksrechter, en verwijst zij, in voorkomend geval, de zaak naar de procureur des Konings om te handelen als naar recht.

Tegen de beschikking van de raadkamer kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 228.

Afdeling 2

De onderzoekshandelingen

Onderafdeling 1

De inverdenkingstelling

Artikel 143

De onderzoeksrechter gaat over tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Deze inverdenkingstelling vindt plaats ter gelegenheid van een verhoor of door kennisgeving aan de betrokkene.

De onderzoeksrechter wijst de precieze feiten aan die bij hem aanhangig zijn gemaakt alsook de ernstige aanwijzingen van schuld. Hij deelt aan de inverdenkinggestelde mee dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen.

Dezelfde rechten als de inverdenkinggestelde geniet eenieder tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek.

Ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, wijst de onderzoeksrechter, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aan om deze te vertegenwoordigen.

Onderafdeling 2

De ondervraging van de inverdenkinggestelde, van de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd of van de persoon die om enige reden wordt ondervraagd

Artikel 144

De onderzoeksrechter ondervraagt de inverdenkinggestelde en de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, evenals eenieder die hij om enige reden wenst te horen maar zonder hem de eed te doen afleggen.

De ondervraging van de inverdenkinggestelde voor de regeling van de rechtspleging is op straffe van nietigheid van het gerechtelijk onderzoek voorgeschreven, behalve wanneer hij aan de oproeping van de onderzoeksrechter geen gevolg heeft gegeven.

Artikel 145

De persoon wordt opgeroepen hetzij door een gewone kennisgeving van de politie, hetzij door een ter post aangetekende brief, hetzij naar aanleiding van een aanhouding omschreven in de artikelen 242 en 243 of ten gevolge van een bevel tot medebrenging.

Art. 146

De ondervraging door de onderzoeksrechter, bijgestaan door zijn griffier en eventueel door agenten van de openbare macht, vindt plaats buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij en van de advocaten van de partijen, behalve indien de ondervraagde persoon vraagt dat zij aanwezig zouden zijn en indien de onderzoeksrechter daartegen geen bezwaar heeft.

De ondervraagde persoon legt geen eed af.

Artikel 147

De onderzoeksrechter vraagt aan de ondervraagde persoon zijn naam, voornamen, leeftijd, burgerlijke staat, beroep, persoonlijke of administratieve verblijfplaats, of hij in dienst is van de partijen of een bloed- of aanverwant van hen is en in welke graad. Hij stelt betrokkene de vraag of hij reeds werd veroordeeld.

De bepalingen bedoeld in artikel 76 zijn van toepassing op de ondervragingen verricht in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

Artikel 148

Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten delen de onderzoeksrechter en elke politiedienst die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.

Deze kopie wordt door de onderzoeksrechter onmiddellijk of binnen achtenveertig uur overhandigd of verstuurd, en onmiddellijk of binnen een maand door de politiediensten.

Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de onderzoeksrechter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen, voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beschikking wordt opgenomen in het dossier.

Wanneer het een minderjarige betreft en wanneer blijkt dat deze het gevaar loopt dat de kopie hem wordt ontnomen of hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren, kan de onderzoeksrechter hem de mededeling ervan weigeren, bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In dat geval kan de minderjarige, vergezeld door een advocaat of een justitieassistent van de dienst slachtofferonthaal van het parket, een kopie van de tekst van zijn verhoor raadplegen. Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze raadpleging uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In het geval bedoeld in het vierde lid en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het derde lid, kan de onderzoeksrechter beslissen dat een kosteloze kopie van de tekst van het verhoor van de minderjarige aan de advocaat van deze laatste medegedeeld wordt. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

Artikel 149

Het proces-verbaal van het verhoor wordt, op straffe van nietigheid, getekend door de onderzoeksrechter, door de griffier en door de verhoorde persoon nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en hij verklaard heeft daarbij te volharden. Indien de verhoorde persoon niet wil of niet kan tekenen, wordt daarvan melding gemaakt, evenals van de reden van de weigering.

Elke bladzijde van het proces-verbaal wordt getekend door de rechter, door de griffier en door de verhoorde persoon.

Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de onderzoeksrechter, door de griffier en door de verhoorde persoon goedgekeurd en getekend. Het tussen de regels geschrevene, de niet goedgekeurde doorhalingen en verwijzingen worden als niet bestaande beschouwd.

De onderzoeksrechter kan het verhoor laten opnemen na de verhoorde persoon daarvan in kennis te hebben gesteld. Ingeval het verhoor wordt opgenomen, zijn de artikelen 83, 84, eerste en tweede lid, 85, 86 en 88 van dit wetboek van toepassing.

Artikel 150

Vooraleer de onderzoeksrechter het dossier aan de procureur des Konings overmaakt, met het oog op de regeling van de rechtspleging, verricht hij op verzoek van de inverdenkinggestelde of van zijn raadsman een samenvattende ondervraging.

Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en in een daartoe bestemd register ingeschreven.

De griffier brengt de oproeping, ten laatste vijf werkdagen voor de verschijning, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de raadsman van de inverdenkinggestelde en van de procureur des Konings, die deze ondervraging kunnen bijwonen.

Het dossier wordt gedurende vier werkdagen vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman.

Tijdens deze ondervraging, kunnen de inverdenkinggestelde en zijn raadsman, mits toestemming van de onderzoeksrechter, relevante vragen stellen aan de verhoorde persoon en verklaringen afleggen die zij geschikt achten. Deze laatste dienen in het proces-verbaal opgetekend worden.

Onderafdeling 3

Het verhoor van slachtoffers en van getuigen

Artikel 151

De onderzoeksrechter verhoort, in hun hoedanigheid van getuige, alle personen van wie hij het getuigenis nuttig acht.

Voor zover als mogelijk verhoort hij ten minste eenmaal de slachtoffers. Het verhoor is verplicht wanneer het slachtoffer daarom verzoekt en wanneer het gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 347bis, 368, 373, 375 en 392 tot 410 van het Strafwetboek.

Art. 152

De getuigen verschijnen na een gewone kennisgeving van de politie of na een ter post aangetekend schrijven. Ingeval zij daaraan geen gevolg geven, laat de onderzoeksrechter hen dagvaarden en vaardigt hij, indien nodig, een bevel tot medebrenging uit.

Art. 153

De getuigen worden, ieder afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de inverdenkinggestelde, van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij en van hun raadsman, gehoord door de onderzoeksrechter, bijgestaan door zijn griffier.

Art. 154

De getuigen die ten minste vijftien jaar oud zijn, leggen de eed af. De slachtoffers die zich burgerlijke partij hebben gesteld, leggen de eed niet af.

De onderzoeksrechter vraagt ze hun naam, voornamen, leeftijd, burgerlijke staat, beroep, persoonlijke of administratieve verblijfplaats, of zij in dienst zijn van de partijen of een bloed- of aanverwant van hen zijn en in welke graad.

De bepalingen bedoeld in artikel 76 zijn van toepassing op de ondervragingen verricht in het kader van het gerechtelijk onderzoek, met uitzondering van punt 1º, f).

Art. 155

De onderzoeksrechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de getuige of van de persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek, de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat in het proces-verbaal van verhoor geen melding zal worden gemaakt van bepaalde identiteitsgegevens bedoeld in artikel 154, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de getuige of een persoon uit diens naaste omgeving, ten gevolge van het bekendmaken van deze gegevens en van het afleggen van zijn verklaring een ernstig nadeel zou kunnen ondervinden. De onderzoeksrechter maakt in een proces-verbaal melding van de redenen waarom hij hiertoe besluit. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij hij de gedeeltelijke anonimiteit toekent of weigert, staat geen rechtsmiddel open.

De procureur des Konings houdt een register bij van alle getuigen van wie identiteitsgegevens overeenkomstig dit artikel niet zijn opgenomen in het proces-verbaal van verhoor.

De procureur des Konings en de onderzoeksrechter nemen ieder voor zich de maatregelen die redelijkerwijze nodig zijn om de onthulling van de in het eerste lid bedoelde identiteitsgegevens te voorkomen.

Art. 156

In afwijking van artikel 154 dient geen melding te worden gemaakt van de woonplaats van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd en die in die hoedanigheid als getuigen worden gehoord. In plaats daarvan is het hun toegestaan hun dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen op te geven. De dagvaarding om te getuigen kan regelmatig op dat adres worden betekend.

Art. 157

Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten delen de onderzoeksrechter en elke politiedienst die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.

Deze kopie wordt door de onderzoeksrechter onmiddellijk of binnen achtenveertig uur overhandigd of verstuurd, en onmiddellijk of binnen een maand door de politiediensten.

Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de onderzoeksrechter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen, voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beschikking wordt opgenomen in het dossier.

Wanneer het een minderjarige betreft en wanneer blijkt dat deze het gevaar loopt dat de kopie hem wordt ontnomen of hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren, kan de onderzoeksrechter hem de mededeling ervan weigeren, bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In dat geval kan de minderjarige, vergezeld door een advocaat of een justitieassistent van de dienst slachtofferonthaal van het parket, een kopie van de tekst van zijn verhoor raadplegen. Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze raadpleging uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

In het geval bedoeld in het vierde lid en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het derde lid, kan de onderzoeksrechter beslissen dat een kosteloze kopie van de tekst van het verhoor van de minderjarige aan de advocaat van deze laatste medegedeeld wordt. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

Art. 158

Het proces-verbaal van het verhoor wordt, op straffe van nietigheid, getekend door de onderzoeksrechter, door de griffier en door de getuige nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en hij verklaard heeft daarbij te volharden. Indien de getuige niet wil of niet kan tekenen, wordt daarvan melding gemaakt, evenals van de reden van de weigering.

Elke bladzijde van het proces-verbaal wordt getekend door de rechter, door de griffier en door de getuige.

Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de onderzoeksrechter, door de griffier en door de getuige goedgekeurd en getekend. Het tussen de regels geschrevene, de niet goedgekeurde doorhalingen en verwijzingen worden als niet bestaande beschouwd.

De onderzoeksrechter kan het verhoor laten opnemen na de getuige daarvan in kennis te hebben gesteld. Ingeval het verhoor wordt opgenomen, zijn de artikelen 83, 84, eerste en tweede lid, 85, 86 en 88 van dit wetboek van toepassing.

Art. 159

De minderjarigen beneden de leeftijd van vijftien jaar worden gehoord zonder eedaflegging.

Elke minderjarige die het slachtoffer of getuige is van de feiten bedoeld in de artikelen 347bis, 372 tot 377, 379, 380, 380bis, 380ter, 383, 383bis, 385, 386, 387, 398 tot 405ter, 409, 410, 422bis, 422ter, 423, 425, 426 en 428 van het Strafwetboek, heeft het recht zich tijdens elk verhoor vanwege de rechterlijke instanties te laten begeleiden door een meerderjarig persoon van zijn keuze, behalve wanneer het openbaar ministerie of de onderzoeksmagistraat ten aanzien van deze persoon bij een met redenen omklede beslissing anders oordeelt in het belang van de minderjarige of teneinde de waarheid aan het licht te brengen.

De onderzoeksrechter kan met hun toestemming de audiovisuele opname bevelen van het verhoor van minderjarigen die het slachtoffer of getuige zijn van de in het vorige lid bedoelde misdrijven. Indien de minderjarige minder dan twaalf jaar oud is, is het voldoende hem hierover in te lichten.

Indien het onontbeerlijk is de minderjarige opnieuw te verhoren, het verhoor aan te vullen of over te gaan tot een confrontatie, beveelt de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht bij een met redenen omklede beslissing een nieuw verhoor of de confrontatie in dezelfde vorm en onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing waren tijdens het eerste opgenomen verhoor.

Wanneer het verhoor wordt opgenomen, zijn de artikelen 79, § 2, 80, 81, 82, 83, 84, eerste en tweede lid, 86, 87en 88 van toepassing.

Art. 160

Indien een getuige zich in de onmogelijkheid bevindt te verschijnen, verplaatst de onderzoeksrechter zich om hem te horen of geeft hij daartoe een ambtelijke opdracht.

Onderafdeling 4

De anonieme getuigenissen

Art. 161

§ 1. Indien de beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 155 niet lijkt te volstaan, kan de onderzoeksrechter hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, in voorkomend geval op verzoek van de persoon tegen wie een opsporingsonderzoek loopt, hetzij op verzoek van de getuige of van de persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek, de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij of hun raadslieden bevelen dat de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden op de wijze in artikel 162 bepaald, op voorwaarde :

1º dat er kan worden aangenomen dat de getuige of een persoon uit diens naaste omgeving zich redelijkerwijze door het afleggen van de getuigenis ernstig in zijn integriteit bedreigd voelt, en dat de getuige te kennen gegeven heeft wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen, of

2º dat er precieze en ernstige aanwijzingen bestaan dat deze getuige of een persoon uit diens naaste omgeving gevaar loopt, indien de getuige officier of agent van gerechtelijke politie is.

§ 2. De identiteit van de getuige kan enkel verborgen worden gehouden overeenkomstig artikel 162 indien er precieze en ernstige aanwijzingen bestaan dat de feiten waarover een getuigenverklaring zal worden afgelegd een misdrijf uitmaken zoals bedoeld in artikel 180, § § 2 tot 4, of enig misdrijf dat werd gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of een overtreding op de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, indien het onderzoek naar deze feiten zulks vereist en indien de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

§ 3. Vooraleer de onderzoeksrechter een beslissing neemt, neemt hij kennis van de volledige identiteit van de getuige en onderzoekt hij diens betrouwbaarheid.

§ 4. De overeenkomstig § 1 verleende beschikking wordt met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en maakt melding van de toepassing van de voorgaande paragrafen evenals van de wijze waarop de onderzoeksrechter de betrouwbaarheid van de getuige heeft onderzocht, dit alles op straffe van nietigheid van de met toepassing van artikel 162 afgelegde getuigenverklaring.

§ 5. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij hij de volledige anonimiteit toekent of weigert, staat geen rechtsmiddel open.

§ 6. De procureur des Konings houdt een register bij van alle getuigen van wie de identiteit overeenkomstig dit artikel verborgen wordt gehouden.

Art. 162

De beschikking waarbij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 161 beveelt dat de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden, wordt door de griffier aan de procureur des Konings meegedeeld, en bij een ter post aangetekende brief aan de getuige, de persoon tegen wie de strafvordering werd ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek of de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden ter kennis gebracht, samen met de oproeping waardoor ze worden uitgenodigd aanwezig te zijn op een door de onderzoeksrechter bepaalde plaats en een door hem bepaald tijdstip teneinde het verhoor van de getuige bij te wonen, op straffe van nietigheid van de afgelegde getuigenverklaring.

Voor het verhoor waarschuwt de onderzoeksrechter de getuige dat hij verantwoordelijk kan gesteld worden voor feiten, gepleegd in het kader van zijn getuigenis, die een misdrijf zouden uitmaken zoals bedoeld in hoofdstuk V van titel III of in hoofdstuk V van titel VIII van het tweede boek van het Strafwetboek.

Op de plaats en het tijdstip, bepaald in de in het eerste lid bedoelde oproeping, gaat de onderzoeksrechter over tot het verhoor van de getuige. De onderzoeksrechter neemt alle maatregelen die redelijkerwijze nodig zijn om de identiteit van de getuige verborgen te houden. Het openbaar ministerie, de persoon tegen wie de strafvordering werd ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek of de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden kunnen de onderzoeksrechter, vóór en tijdens het verhoor van de getuige, vragen opgeven, die zij gesteld wensen te zien. De onderzoeksrechter verhindert de beantwoording door de getuige van elke vraag die tot de bekendmaking van zijn identiteit zou kunnen leiden.

Indien het verbergen van de identiteit van de getuige het vereist, kan de onderzoeksrechter bevelen dat het openbaar ministerie, de persoon tegen wie de strafvordering werd ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek of de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden het verhoor van de getuige uitsluitend in een afzonderlijke ruimte kunnen bijwonen, in welk geval wordt gebruik gemaakt van een telecommunicatievoorziening. De Koning bepaalt de minimale vereisten waaraan deze telecommunicatievoorziening dient te beantwoorden.

De onderzoeksrechter gelast dat een proces-verbaal wordt opgesteld van het verhoor en maakt, naast de vermeldingen bedoeld in artikel 76, 3º, omstandig melding van de omstandigheden waarin het verhoor heeft plaatsgevonden, de vragen die werden gesteld en de antwoorden die werden gegeven in de gebruikte bewoordingen, dan wel de redenen waarom hij de beantwoording door de getuige verhinderd heeft. Hij leest het proces-verbaal voor, en na verklaring van de getuige dat hij volhardt, ondertekent de onderzoeksrechter en de griffier het proces-verbaal van verhoor. Deze vormen zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de afgelegde getuigenverklaring.

Art. 163

Indien er ernstige en precieze aanwijzingen bestaan dat de getuige wiens identiteit met toepassing van de artikelen 161 en 162 verborgen werd gehouden, in het kader van het afleggen van zijn getuigenis, feiten heeft gepleegd die een misdrijf uitmaken, zoals bedoeld in hoofdstuk V van titel III of in hoofdstuk V van titel VIII van het tweede boek van het Strafwetboek, is de onderzoeksrechter gehouden de identiteitsgegevens van deze getuige mede te delen aan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter belast met het onderzoek naar deze feiten. In dat geval kan, en dit tot op het ogenblik van de dagvaarding door het openbaar ministerie of de verwijzing naar de bevoegde rechtbank, de identiteit van deze getuige enkel aan deze magistraten en aan het onderzoeksgerecht worden onthuld.

Art. 164

Onverminderd de toepassing van artikel 69, kunnen de getuigenverklaringen die ingevolge de toepassing van de artikelen 161 en 162 werden verkregen, alleen in aanmerking worden genomen als bewijs van een misdrijf als bedoeld in artikel 180, § § 2 tot 4, of van een misdrijf dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of van een inbreuk op de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

De procureur des Konings aan wie ingevolge de toepassing van artikel 69 bericht wordt gegeven van een misdaad of van een wanbedrijf dat aan het licht gekomen is ten gevolge van een getuigenverklaring verkregen met toepassing van de artikelen 161 en 162, neemt alle nodige maatregelen teneinde de volledige anonimiteit van de getuige te waarborgen.

Onderafdeling 5

De bescherming van bedreigde getuigen

Art. 165

De artikelen 89 tot 98 van dit Wetboek zijn van toepassing op de bescherming, in het kader van het gerechtelijk onderzoek, verleend aan bedreigde getuigen.

Onderafdeling 6

De confrontaties

Art. 166

De onderzoeksrechter kan overeenkomstig artikel 207 ambtshalve, of op verzoek van de procureur des Konings of van een van de partijen overgaan tot confrontaties.

Behalve in spoedeisende gevallen, wordt de raadsman van de inverdenkinggestelde of van de betrokken burgerlijke partijen ten laatste vijf werkdagen voor de confrontatie per faxpost of bij een ter post aangetekende brief opgeroepen.

Tijdens deze confrontaties, kunnen de procureur des Konings en de raadslieden, mits toestemming van de onderzoeksrechter, relevante vragen stellen aan de partijen. De vragen, de antwoorden en eventueel de met redenen omklede weigering van de onderzoeksrechter moeten in het proces-verbaal van verhoor opgetekend worden.

Onderafdeling 7

De plaatsopnemingen en wedersamenstellingen

Art. 167

De onderzoeksrechter kan, overeenkomstig artikel 207, ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde of van hun raadsman, beslissen dat hij zich ter plaatse begeeft, vergezeld van zijn griffier. Hij kan eveneens, tegelijkertijd of later, overgaan tot een wedersamenstelling van de feiten.

Behalve in spoedeisende gevallen en indien de onderzoeksrechter het noodzakelijk acht, verwittigt hij, ten laatste vijf werkdagen voor de plaatsopneming of de wedersamenstelling, de procureur des Konings, de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun raadsman, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief van de datum ervan. Behoudens andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter kunnen zij deze bijwonen.

De procureur des Konings en de raadslieden kunnen, mits toestemming van de onderzoeksrechter, relevante vragen stellen. De vragen, de antwoorden en eventueel de met redenen omklede weigering van de onderzoeksrechter moeten in het proces-verbaal van de plaatsopneming opgetekend worden.

Wanneer de onderzoeksrechter één van deze onderzoeksmaatregelen beveelt, kan hij beslissen dat een deskundige deze bijwoont.

De deskundige legt de eed af in de volgende bewoordingen : « Ik zweer dat ik mijn taak naar eer en geweten nauwgezet en eerlijk zal vervullen ».

De eedaflegging en de toelichtingen van de deskundigen worden in het proces-verbaal aangetekend.

Art. 168

Op straffe van nietigheid, vermeldt het proces-verbaal, het voorwerp van de plaatsopneming, of van de wedersamenstelling, de beschikking en de vorderingen ingevolge dewelke zij wordt verricht, de plaats, de dagen en uren van de verrichtingen en de datum van de opstelling van het proces-verbaal, alsook de naam en hoedanigheid van de rechter, van de parketmagistraat, van de griffier en van alle personen die de plaatsopneming hebben bijgewoond.

Het proces-verbaal vermeldt eveneens de vaststellingen en de resultaten, alsook de omschrijving van de in beslag genomen voorwerpen, de naam van de deskundigen, hun eedaflegging en hun advies, de genomen maatregelen, alsook de handtekening van de onderzoeksrechter en van de griffier.

Onderafdeling 8

De huiszoekingen en inbeslagnemingen

Art. 169

De onderzoeksrechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, of op verzoek van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij, beslissen een huiszoeking te verrichten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze maatregelen de mogelijkheid zullen bieden het bewijs van schuld vast te stellen van een inverdenkinggestelde of van een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. De huiszoeking mag niet tot doel hebben misdrijven vast te stellen.

Art. 170

Onder voorbehoud van de bij wet bepaalde uitzonderingen, vereist iedere huiszoeking bevolen door de onderzoeksrechter, op straffe van nietigheid, een door hem uitgevaardigd bevel tot huiszoeking.

Het bevel tot huiszoeking vermeldt de naam van de onderzoeksrechter en van de griffier, de aard van het strafbaar feit en de op te sporen voorwerpen.

Geen huiszoeking mag in een voor het publiek niet toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur's morgens en na negen uur's avonds.

Het in het vorig lid gestelde verbod vindt geen toepassing :

1º wanneer een bijzondere wetsbepaling de huiszoeking's nachts toelaat;

2º wanneer een magistraat of een officier van gerechtelijke politie zich tot vaststelling op heterdaad van een misdaad of wanbedrijf ter plaatse begeeft;

3º in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 129, 2º;

4º in geval van oproep vanuit die plaats;

5º in geval van brand of overstroming.

Het verzoek of de toestemming waarvan sprake in het vierde lid, 3º, moet schriftelijk en voorafgaand aan de huiszoeking worden of gegeven.

Art. 171

De huiszoeking kan plaatsvinden in de woonplaats of in de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, teneinde er elk gegeven te zoeken dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

Art. 172

De onderzoeksrechter kan eveneens een huiszoeking verrichten of doen verrichten in andere plaatsen, waar hij vermoedt dat er gegevens kunnen worden ontdekt die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. In voorkomend geval kan een beroep worden gedaan op de openbare macht om zich te verzetten tegen de weigering van de bewoner of in geval deze laatste langdurig afwezig is.

Art. 173

Indien de inverdenkinggestelde afwezig is, of indien de inverdenkinggestelde geen vertegenwoordiger aanduidt, of indien de onderzoeksrechter beslist een huiszoeking te verrichten of te doen verrichten zonder de inverdenkinggestelde te verwittigen, vindt de huiszoeking plaats in aanwezigheid van twee getuigen.

Indien de huiszoeking wordt verricht op een andere plaats, wordt de persoon, bij wie de huiszoeking moet worden verricht, verzocht de huiszoeking bij te wonen. Indien deze persoon afwezig is, vindt de huiszoeking plaats in aanwezigheid van twee getuigen.

Art. 174

Van de huiszoeking wordt een proces-verbaal opgemaakt dat het precieze verloop, het tijdstip van het begin en het einde van de werkzaamheden, en de namen van de aanwezige personen vermeldt. In het proces-verbaal wordt het resultaat van de bhuiszoeking vermeldt, zelfs indien zij zonder succes was.

Art. 175

De onderzoeksrechter gaat over of geeft opdracht tot de inbeslagneming van alles wat een van de in artikel 42 van het Strafwetboek bedoelde zaken schijnt uit te maken en van alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te brengen en dat hij ter plaatse ontdekt of dat hem vrijwillig wordt overhandigd door de personen die het in hun bezit hebben.

De artikelen 110 tot 115 van dit wetboek zijn van toepassing op de inbeslagnemingen die de onderzoeksrechter verricht.

Art. 176

De onderzoeksrechter kan opdracht tot huiszoeking en inbeslagneming geven aan een officier van gerechtelijke politie van zijn arrondissement of van het arrondissement waar de handelingen moeten plaatshebben. Wanneer een onderzoeksrechter optreedt op vordering van een onderzoeksrechter van een ander arrondissement, kan hij opdracht geven aan een officier van gerechtelijke politie van dat arrondissement.

Hij geeft die opdracht bij een met redenen omklede beschikking en enkel wanneer het noodzakelijk is.

Het is verboden de opdracht over te dragen.

Onderafdeling 9

De voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen

Art. 177

Indien de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schijnen te vormen, onroerende goederen zijn, wordt bewarend beslag op onroerend goed gedaan, zulks bij deurwaardersexploot dat aan de eigenaar wordt betekend en op straffe van nietigheid een afschrift van de beschikking van de onderzoeksrechter moet bevatten, alsmede de verschillende vermeldingen bedoeld in de artikelen 1432 en 1568 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de tekst van het derde lid van dit artikel.

Het beslagexploot moet op de dag zelf van de betekening ter overschrijving worden aangeboden op het kantoor der hypotheken van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Als dagtekening van de overschrijving geldt de dag van afgifte van het exploot.

Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende vijf jaren met ingang van de dagtekening der overschrijving, behoudens vernieuwing voor dezelfde termijn op vertoon aan de bewaarder, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de overschrijving, van een door de bevoegde procureur of onderzoeksrechter in dubbel opgemaakte vordering.

Het beslag wordt blijvend voor het verleden in stand gehouden door de beknopte melding op de kant van de overschrijving van het beslag, binnen haar geldigheidsduur, van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij de verbeurdverklaring van het onroerend goed werd bevolen.

Doorhaling van het bewarend onroerend beslag kan verleend worden door de voormelde onderzoeksrechter, of desgevallend door de beneficiant van de verbeurdverklaring, of kan ook bij rechterlijke beslissing bevolen worden.

Art. 178

Wanneer gedurende een gerechtelijk onderzoek de onderzoeksrechter ernstige aanwijzingen van schuld bij een rechtspersoon vaststelt, kan hij de volgende maatregelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :

1º schorsing van de procedure van ontbinding of van vereffening van de rechtspersoon;

2º verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;

3º neerlegging van een borgsom tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.

Indien de in het vorige lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 177.

Onderafdeling 10

Het opsporen en het lokaliseren van telecommunicatie, het afluisteren, het kennisnemen en het opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie

Art. 179

§ 1. Wanneer de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van telecommunicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van telecommunicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij, zo nodig door daartoe de medewerking van de operator van een telecommunicatienetwerk of van de verstrekker van een telecommunicatiedienst te vorderen :

1º de oproepgegevens doen opsporen van telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;

2º de oorsprong of de bestemming van telecommunicatie laten lokaliseren.

In de gevallen bepaald in het eerste lid wordt voor ieder telecommunicatiemiddel waarvan de oproepgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de telecommunicatie wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur, en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.

De onderzoeksrechter vermeldt de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omklede bevelschrift dat hij meedeelt aan de procureur des Konings.

Hij vermeldt ook de duur van de maatregel, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing.

In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bevelen voor de strafbare feiten die opgesomd worden in artikel 180, § § 2, 3 en 4. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter.

De procureur des Konings kan evenwel de maatregel bevelen indien de klager erom verzoekt, wanneer deze maatregel onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een strafbaar feit bedoeld in artikel 114, § 8, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.

§ 2. Iedere operator van een telecommunicatienetwerk en iedere verstrekker van een telecommunicatiedienst deelt de gegevens waarom verzocht werd mee binnen een termijn te bepalen door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.

Art. 180

§ 1. De onderzoeksrechter kan in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, privé-communicatie of -telecommunicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit dat bij hem aanhangig is gemaakt een strafbaar feit is, bedoeld in een van de bepalingen opgesomd in § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van personen van wie op grond van precieze feiten vermoed wordt dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust.

§ 2. De strafbare feiten die een bewakingsmaatregel kunnen wettigen, zijn die welke bedoeld zijn in :

1º de artikelen 101 tot en met 110 van het Strafwetboek;

2º artikel 210bis van hetzelfde Wetboek;

3º de artikelen 246, 247, 248, 249, 250 en 251 van hetzelfde Wetboek;

4º artikel 259bis van hetzelfde Wetboek;

5º artikel 314bis van hetzelfde Wetboek;

6º de artikelen 324bis en 324ter van hetzelfde Wetboek;

7º de artikelen 327, 328, 329 of 330 van hetzelfde Wetboek, voor zover een klacht is ingediend;

8º artikel 331bis van hetzelfde Wetboek;

9º artikel 347bis van hetzelfde Wetboek;

10º de artikelen 379 en 380bis van hetzelfde Wetboek;

11º artikel 393 van hetzelfde Wetboek;

12º de artikelen 394 of 397 van hetzelfde Wetboek;

13º de artikelen 428 en 429 van hetzelfde Wetboek;

14º de artikelen 468, 470, 471 of 472 van hetzelfde Wetboek;

15º artikel 475 van hetzelfde Wetboek;

16º de artikelen 477, 477bis, 477ter, 477quater, 477quinquies, 477sexies of 488bis van hetzelfde Wetboek;

17º de artikelen 504bis en 504ter van hetzelfde Wetboek;

18º artikel 504quater van hetzelfde Wetboek;

19º artikel 505, eerste lid, 2º, 3º en 4º van hetzelfde Wetboek;

20º de artikelen 510, 511, eerste lid of 516 van hetzelfde Wetboek;

21º artikel 520 van hetzelfde Wetboek, indien de omstandigheden bedoeld in de artikelen 510 of 511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek verenigd zijn;

22º de artikelen 550bis en 550ter van hetzelfde Wetboek;

23º artikel 2bis, § 3, b, of § 4, b, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica;

24º artikel 114, § 8, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;

25º artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;

26º artikel 77bis, § 2 en § 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

27º artikel 10, § 1, 2º, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;

28º artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica straffen worden gesteld;

29º de artikelen 3 en 5 van het koninklijk besluit van 5 februari 1990 betreffende sommige stoffen met beta-adrenergische werking, welke artikelen betrekking hebben op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen straffen worden gesteld.

§ 3. Poging tot het plegen van een misdaad bedoeld in de voorgaande paragraaf kan eveneens een bewakingsmaatregel wettigen.

§ 4. Een strafbaar feit, bedoeld in de artikelen 322 of 323 van het Strafwetboek, kan eveneens een bewakingsmaatregel wettigen, voor zover de vereniging gevormd is met het doel een aanslag te plegen tegen de personen of eigendommen bedoeld in § 2.

§ 5. In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bedoeld in § 1 bevelen voor de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 347bis of 470 van het Strafwetboek.

In dat geval moet de maatregel binnen de 24 uur bevestigd worden door de onderzoeksrechter.

Art. 181

§ 1. Tot iedere bewakingsmaatregel op grond van artikel 180 wordt vooraf machtiging verleend bij een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter die de beschikking aan de procureur des Konings meedeelt.

Op straffe van nietigheid wordt de beschikking gedagtekend en vermeldt zij :

1º de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 180;

2º de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen;

3º de persoon, het communicatie- of telecommunicatiemiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewaking;

4º de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, welke niet langer mag zijn dan één maand te rekenen van de beslissing waarbij de maatregel wordt bevolen;

5º de naam en de hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel.

§ 2. Indien de maatregel een bewerking op een communicatienetwerk inhoudt, is de operator van dit netwerk of de verstrekker van de telecommunicatiedienst ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen, wanneer de onderzoeksrechter hierom verzoekt.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.

§ 3. De onderzoeksrechter mag voor de tenuitvoerlegging van zijn beschikking alleen officieren van gerechtelijke politie aanwijzen, die zich echter kunnen laten bijstaan door agenten van gerechtelijke politie wier namen vooraf aan de onderzoeksrechter worden meegedeeld.

De aangewezen officieren van gerechtelijke politie brengen ten minste om de vijf dagen schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter over de tenuitvoerlegging van de beschikking.

§ 4. De onderzoeksrechter kan personen waarvan hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van de telecommunicatiedienst waarop de bewakingsmaatregel betrekking heeft of van de diensten om gegevens, die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verlenen over de werking ervan en over de wijze om in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de inhoud van telecommunicatie die wordt of is overgebracht.

Hij kan personen bevelen om de inhoud van de telecommunicatie toegankelijk te maken in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.

Hij die weigert de overeenkomstig de vorige leden bevolen medewerking te verlenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of die ertoe wordt geroepen zijn technische medewerking te verlenen, is gebonden door het geheim van het gerechtelijk onderzoek. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 182

De onderzoeksrechter kan de uitwerking van zijn beschikking één of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn.

De bepalingen vervat in artikel 181, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging, bedoeld in het voorgaande lid. De beschikking vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen.

Indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 180 noodzakelijk maken, kan de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 180 en 181, in dat geval moet de beschikking de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.

Art. 183

De opnamen verricht als gevolg van de maatregelen genomen met toepassing van de artikelen 180, 181 en 182 worden samen met de overschrijving van de door de aangewezen officier van gerechtelijke politie voor het onderzoek van belang geachte communicaties of telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van het telecommunicatiemiddel waarnaar of van waaruit opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties door de aangewezen officieren van gerechtelijke politie aan de onderzoeksrechter toegezonden.

Onverminderd de selectie door de officier van gerechtelijke politie bedoeld in het vorige lid, beoordeelt de rechter welke van alle opgevangen inlichtingen, communicaties of telecommunicaties van belang zijn voor het onderzoek. In zoverre deze inlichtingen, communicaties of telecommunicaties niet overgeschreven of vertaald zijn overeenkomstig het eerste lid, moeten zij bijkomend overgeschreven en vertaald worden. De rechter laat daarvan proces-verbaal opmaken.

De communicatie en telecommunicatie die onder het beroepsgeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal. Gaat het om personen bedoeld in artikel 185, eerste lid, dan wordt terzake gehandeld zoals bepaald in artikel 185, tweede lid.

De beschikkingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 181, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, worden uiterlijk na het beëindigen van de maatregel bij het dossier gevoegd.

Art. 184

De communicatie of telecommunicatie opgevangen als gevolg van de maatregelen die genomen zijn met toepassing van de artikelen 180, 181 en 182, wordt opgenomen. Het voorwerp van de maatregel en de dagen en uren waarop deze is uitgevoerd, worden opgenomen bij het begin en op het einde van iedere opname die erop betrekking heeft.

Iedere aantekening in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bedoeld in het voorgaande lid door de daartoe aangewezen personen, die niet is opgetekend in een proces-verbaal, wordt vernietigd, met uitzondering van de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties van de opname, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties. De voor de uitvoering van de maatregel aangewezen officier van gerechtelijke politie gaat over tot deze vernietiging en vermeldt dit in een proces-verbaal.

De opnamen worden samen met de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan, de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties, en de afschriften van de processen-verbaal onder verzegelde omslag ter griffie bewaard.

De griffier vermeldt in een per dag bijgehouden, bijzonder dagregister :

1º het neerleggen van iedere opname, alsook van de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties;

2º het neerleggen van ieder afschrift van proces-verbaal;

3º de dag van neerlegging ervan;

4º de naam van de onderzoeksrechter die de maatregel heeft bevolen of bevestigd en het onderwerp ervan;

5º de dag waarop de zegels zijn verbroken en in voorkomend geval opnieuw zijn gelegd;

6º de datum van de kennisname van de opname, de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties of van de afschriften van de processen-verbaal, alsook de naam van de personen die er kennis van hebben genomen;

7º iedere andere gebeurtenis die erop betrekking heeft.

De passende middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de opgenomen communicatie of telecommunicatie te waarborgen, en voor zover mogelijk, de overschrijving of vertaling hiervan tot stand te brengen. Hetzelfde geldt voor de bewaring op de griffie van de opnamen en de overschrijving of vertaling hiervan en voor de vermeldingen in het bijzonder register. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, deze middelen en het ogenblik waarop ze de bewaring onder verzegelde omslag of het bijzonder register, bedoeld in het derde en het vierde lid, vervangen.

De rechter spreekt zich uit over het verzoek van de inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadsman, om het geheel of gedeelten van de ter griffie neergelegde opnamen en overschrijvingen die niet zijn opgetekend in een proces-verbaal, te raadplegen, en over hun verzoek tot overschrijving van bijkomende delen van de opnamen.

Het verzoek dat gericht is tot de onderzoeksrechter, wordt behandeld overeenkomstig artikel 207. De onderzoeksrechter kan dit verzoek bovendien afwijzen om redenen die verband houden met de bescherming van andere rechten of belangen van personen.

Onverminderd hetgeen in de vorige leden is bepaald, spreekt de rechter zich uit over het verzoek van de inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadsman om de gedeelten van de ter griffie neergelegde opnamen van privé-communicatie of -telecommunicatie waaraan de betrokkene heeft deelgenomen en die niet zijn overgeschreven en opgetekend in een proces-verbaal, te raadplegen, en over hun verzoek tot overschrijving van bijkomende delen van deze opnamen.

Art. 185

De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of op de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 180 te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Dezelfden zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet wordt opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 183, derde lid.

Art. 186

Uiterlijk vijftien dagen nadat de beslissing over de regeling van de rechtspleging definitief is geworden of nadat de dagvaarding bedoeld in artikel 321, § 6, ter griffie van de rechtbank of het hof werd neergelegd, stelt de griffier, op vordering van de procureur des Konings of in voorkomend geval van de procureur-generaal, iedere persoon ten aanzien van wie een maatregel bedoeld in artikel 180 is genomen, schriftelijk in kennis van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.

Art. 187

De minister van Justitie brengt elk jaar verslag uit aan het Parlement over de toepassing van de artikelen 180 tot en met 186.

Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van de duur van die maatregelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten.

Hij brengt tegelijkertijd verslag uit over de toepassing van de artikelen 108 en 114.

Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in deze artikelen, van het aantal betrokken personen, van de misdrijven waarop ze betrekking hadden en van de behaalde resultaten.

Hij brengt tegelijkertijd verslag uit over de toepassing van de artikelen 89 tot 98 en 388 en stelt de federale Wetgevende Kamers in kennis van het aantal betrokken dossiers, personen en misdrijven.

Onderafdeling 11

Het onderzoek in een informaticasysteem

Art. 188

§ 1. Wanneer de onderzoeksrechter een zoeking beveelt in een informaticasysteem of een deel daarvan, kan deze zoeking worden uitgebreid naar een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt :

­ indien deze uitbreiding noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen ten aanzien van het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking; en

­ indien andere maatregelen disproportioneel zouden zijn, of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding bewijselementen verloren gaan.

§ 2. De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.

§ 3. Inzake de door uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem aangetroffen gegevens, die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, wordt gehandeld zoals bepaald in artikel 108. De onderzoeksrechter brengt de verantwoordelijke van dit informaticasysteem op de hoogte, tenzij diens identiteit of woonplaats redelijkerwijze niet achterhaald kan worden.

Wanneer blijkt dat deze gegevens zich niet op het grondgebied van het Rijk bevinden, worden ze enkel gekopieerd. In dat geval deelt de onderzoeksrechter dit, via het openbaar ministerie, onverwijld mee aan het ministerie van Justitie, dat de bevoegde overheid van de betrokken Staat hiervan op de hoogte brengt, indien deze redelijkerwijze kan worden bepaald.

§ 4. Artikel 176 is van toepassing op de uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem.

Art. 189

§ 1. De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De onderzoeksrechter vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de procureur des Konings.

§ 2. De onderzoeksrechter kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informaticasysteem te bedienen of de terzake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.

Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegeven aan de inverdenkinggestelde en aan de personen bedoeld in artikel 294.

§ 3. Hij die weigert de in § § 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.

§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 Strafwetboek.

§ 5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die onopzettelijk door de gevorderde personen aan een informaticasysteem of de gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wordt veroorzaakt.

Onderafdeling 12

De DNA-analyse

Art. 190

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 132, derde lid, van dit Wetboek, kan de onderzoeksrechter, in het belang van het gerechtelijk onderzoek, de afname van menselijk celmateriaal op een persoon bevelen met het oog op een vergelijkend DNA-onderzoek, indien het feit dat bij hem aanhangig is gemaakt, een strafbaar feit is waarop een maximumstraf staat van vijf jaar gevangenis of een zwaardere straf.

De afname kan slechts worden bevolen indien de onderzoeksrechter over aanwijzingen beschikt dat de betrokkene een directe band heeft met de totstandkoming van de feiten.

De onderzoeksrechter mag een dergelijke afname slechts bevelen indien, bij het onderzoek waarmee hij is gelast, ten minste een spoor van menselijk celmateriaal aangetroffen en verzameld werd.

Voor de uitvoering van die maatregel is de toestemming van betrokkene niet vereist.

Tot die maatregel wordt vooraf bevel gegeven door een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de procureur des Konings.

§ 2. Vooraleer de onderzoeksrechter een DNA-onderzoek beveelt, hoort hij de persoon die er het voorwerp van uitmaakt.

De onderzoeksrechter stelt hem in kennis van de omstandigheden van de zaak en van het feit dat zijn DNA-profiel kan worden vergeleken, in de gegevensbank « Criminalistiek », met de profielen van in andere strafzaken aangetroffen sporen.

Van de redenen van de eventuele weigering of van de instemming van de betrokkene met die maatregel wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van de onderzoeksrechter.

§ 3. De onderzoeksrechter vordert een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, of een arts om een hoeveelheid wangslijmvlies of haarwortels af te nemen.

Voor het afnemen van bloed kan hij alleen een arts vorderen.

De persoon die met de afname van het staal is belast, neemt een voldoende hoeveelheid af om een tegenonderzoek mogelijk te maken.

Van de afname wordt proces-verbaal opgesteld door de officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Indien de maatregel onder fysieke dwang moet worden uitgevoerd, wordt die dwang uitgeoefend door politieambtenaren onder het bevel van de officier van gerechtelijke politie. In dat geval is de bloedafname verboden.

De onderzoeksrechter wijst een deskundige aan, verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium om het DNA-profiel van het afgenomen celmateriaal op te stellen en een vergelijkend DNA-onderzoek uit te voeren.

De deskundige die met het vergelijkend DNA-onderzoek belast is, zendt zijn verslag over binnen negentig dagen na ontvangst van de vordering van de onderzoeksrechter.

Deze kan evenwel een bijkomende onderzoekstermijn toestaan op gemotiveerd verzoek van de deskundige.

§ 4. De uitslag van het DNA-onderzoek wordt, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, ter kennis gebracht van de betrokken persoon. Deze laatste kan, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, de onderzoeksrechter verzoeken een tegenonderzoek te doen uitvoeren door een door de betrokkene aangewezen deskundige, verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium. De deskundige brengt hierover een gemotiveerd verslag uit bij de onderzoeksrechter, die de betrokken persoon hiervan op de hoogte brengt, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Het tegenonderzoek wordt verricht aan de hand van nieuw menselijk celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het gedeelte van het spoor van menselijk celmateriaal dat niet werd gebruikt tijdens het aanvankelijke onderzoek. Indien uit het verslag van het aanvankelijke onderzoek blijkt dat de hoeveelheid aangetroffen menselijk celmateriaal ontoereikend is om een nieuw DNA-profiel op te stellen, wordt het tegenonderzoek verricht aan de hand van nieuw celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA- profiel van het aangetroffen spoor.

De kosten van het tegenonderzoek, beperkt tot een bedrag bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, zijn ten laste van de persoon die erom verzoekt. Indien het tegenonderzoek de uitslag van het aanvankelijke onderzoek niet bevestigt, wordt het door de betrokkene voorgeschoten bedrag door de Staat terugbetaald.

§ 5. De deskundige vernietigt het afgenomen celmateriaal van zodra hij door het openbaar ministerie geïnformeerd wordt hetzij van de afwezigheid van een tegenonderzoek hetzij van het feit dat de uitslag van het tegenonderzoek ter kennis werd gebracht van de betrokken persoon.

De deskundige deelt binnen een maand na de voormelde kennisgeving door het openbaar ministerie aan dit laatste mee dat het celmateriaal vernietigd is.

Onderafdeling 13

Het onderzoek aan het lichaam

Art. 191

Buiten de gevallen van een op heterdaad ontdekt of als zodanig beschouwd misdrijf en het geval waarin een meerderjarige schriftelijke toestemming geeft, kan een onderzoek aan het lichaam enkel bevolen worden door de onderzoeksrechter, door de kamer van inbeschuldigingstelling en door de rechtbank of het hof die van de misdaad of het wanbedrijf kennis neemt.

Het slachtoffer of de verdachte kan zich tijdens het onderzoek aan het lichaam waaraan hij onderworpen wordt, laten bijstaan door een arts naar zijn keuze. De erelonen van de arts worden aangerekend in de gerechtskosten.

Onderafdeling 14

De autopsie

Art. 192

Wanneer een autopsie wordt bevolen, worden de verwanten gemachtigd het lichaam van de overledene te zien. De magistraat die de autopsie bevolen heeft, beoordeelt de hoedanigheid van verwant van de verzoekers en beslist over het tijdstip wanneer hen het lichaam zal getoond worden. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.

Onderafdeling 15

Ambtelijke opdrachten en delegaties

Art. 193

Wanneer de onderzoeksrechter handelingen moet verrichten buiten de grenzen van zijn territoriale bevoegdheid en wanneer hij niet handelt of handelt overeenkomstig artikel 135, vierde lid, van dit wetboek, richt hij een ambtelijke opdracht aan de territoriaal bevoegde rechter en bepaalt hij nauwkeurig de te vervullen taken.

Deze laatste is gebonden door de bewoordingen van de opdracht. Hij verricht zelf de gevraagde onderzoekshandelingen of laat ze door een officier van gerechtelijke politie verrichten.

Het resultaat van de onderzoekshandeling wordt opgetekend in een proces-verbaal dat de aangezochte rechter doet toekomen aan de verzoekende rechter en bij het dossier wordt gevoegd.

Art. 194

Indien de onderzoekshandelingen in het buitenland moeten worden verricht, handelt de rechter op dezelfde wijze, overeenkomstig de verdragen en de bepalingen van het internationaal recht. De wet die de uitvoering van een dergelijke ambtelijke opdracht regelt is deze van de aangezochte instantie.

De onderzoeksrechter kan op dezelfde wijze gevolg geven aan ambtelijke opdrachten die hem werden gericht door buitenlandse collega's. Hij vraagt daartoe de toestemming aan het ministerie van Justitie behalve indien hij op grond van een internationaal verdrag onmiddellijk kan optreden.

Art. 195

De onderzoeksrechter kan aan officieren van gerechtelijke politie opdracht geven onderzoekshandelingen uit te voeren voorzover hij zijn rechtsmacht niet overdraagt. Behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen, is subdelegatie toegelaten. De handelingen verricht ingevolge een delegatie hebben dezelfde uitwerking als wanneer zij door de magistraat zelf zouden zijn verricht.

De uitslag van de overgedragen handelingen wordt opgetekend in een proces-verbaal dat de officier van gerechtelijke politie dagtekent, ondertekent en aan de onderzoeksrechter doet toekomen.

Onderafdeling 16

Het persoonlijkheidsdossier

Art. 196

De onderzoeksrechter verricht alle handelingen en laat alle nuttige onderzoeken uitvoeren om de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde te achterhalen.

Hij kan een moraliteitsonderzoek door de politie, een maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsrapport door een justitieassistent laten uitvoeren en kan de inverdenkinggestelde aan een psychiatrische of psychologische expertise onderwerpen.

Onderafdeling 17

Het deskundigenonderzoek

Art. 197

De onderzoeksrechter kan ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, of op vraag van de partijen, een deskundigenonderzoek bevelen.

De deskundigen voeren hun opdracht uit onder toezicht van de onderzoeksrechter.

Art. 198

Het deskundigenonderzoek wordt in principe op tegenspraak verricht.

De onderzoeksrechter bepaalt evenwel de modaliteiten van het deskundigenonderzoek rekening houdend met de rechten van de verdediging en de vereisten van de strafvordering.

De partijen kunnen, vooraleer het deskundigenverslag wordt opgemaakt, opgeroepen worden om alle verrichtingen van de deskundige bij te wonen, waarbij zij zich kunnen laten bijstaan door een advocaat en een technisch raadsman.

Art. 199

Op straffe van nietigheid van het deskundigenonderzoek en van het verlies van bewijswaarde, mag de opdracht van de deskundigen alleen betrekking hebben op het onderzoek van wetenschappelijke of technische vragen die nader zijn omschreven in de beschikking tot aanwijzing, met uitzondering van elke beoordeling die tot de bevoegdheid van de rechter behoort.

De deskundigen kunnen, tijdens de uitoefening van hun opdracht, geen handelingen verrichten die voorbehouden zijn aan de gerechtelijke en de politiële overheid. Zij moeten de algemene beginselen, omschreven in artikel 1 van dit Wetboek in acht nemen.

Art. 200

De onderzoeksrechter kiest de deskundigen :

­ hetzij uit een lijst van deskundigen die jaarlijks door de hoven van beroep wordt opgesteld na raadpleging van de procureur-generaal, de voorzitters van de rechtbanken, de procureurs des Konings, de onderzoeksrechters met de grootste anciënniteit en de stafhouders van de arrondissementen die deel uitmaken van het rechtsgebied van de hoven van beroep overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de Koning;

­ hetzij uit de personen bekleed met een openbaar ambt of met een opdracht van openbaar nut, met uitzondering van deze die deelnemen aan de uitoefening van de rechtsprekende functie;

­ hetzij uit de personen die een wetenschappelijke activiteit uitoefenen in een instelling voor hoger onderwijs of voor onderzoek, die is ingericht of wordt gesubsidieerd door de overheid.

In spoedeisende gevallen en indien geen van de personen bedoeld in het vorige lid de opdracht van deskundige kan uitoefenen, wijst de onderzoeksrechter te dien einde bij een met redenen omklede beschikking elk ander gekwalificeerd persoon aan.

Art. 201

Behalve in de gevallen van verhindering bepaald in de wet of toegestaan door de onderzoeksrechter, is de aangewezen deskundige gehouden de opdracht waarmee hij is belast, binnen de gestelde termijn uit te voeren.

De deskundige kan worden gewraakt om de redenen omschreven in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. De wraking wordt door een beschikking van de onderzoeksrechter beslecht.

Deskundigen die weten dat er enige reden van wraking tegen hen bestaat, moeten dit onverwijld meedelen en zich van de zaak onthouden.

Art. 202

De partijen overhandigen aan de onderzoeksrechter de stukken bestemd voor de deskundige, die volgens hen noodzakelijk zijn en maken alle dienstige opmerkingen.

Art. 203

Als de vereisten van de strafvordering zich daartegen niet verzetten,

1º deelt de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie en aan de partijen een afschrift van de beschikking mee houdende de aanwijzing van de deskundige, alsook van de beschikkingen die de opdracht waarmee hij werd belast, bepalen, wijzigen of uitbreiden;

2º brengt de deskundige schriftelijk, na beëindiging van de verrichtingen en alvorens zijn verslag en zijn conclusie op te maken, aan de onderzoeksrechter zijn vaststellingen ter kennis. Deze laatste deelt ze mee aan het openbaar ministerie en aan de partijen, en bepaalt de termijn waarover zij beschikken om vorderingen te doen of om schriftelijke opmerkingen te formuleren;

3º zijn de artikelen 979 tot 983, 985 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter.

De onderzoeksrechter kan zich verzetten tegen de toepassing van huidig artikel indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen, indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privé-leven zou inhouden, indien de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk lijkt of indien de burgerlijke partij van geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken.

Afdeling 3

De rechten van de procureur des Konings, van de burgerlijke partij, van de inverdenkinggestelde en van ieder persoon geschaad door een onderzoekshandeling en de rechtsmiddelen

Art. 204

De procureur des Konings kan zich, tijdens het gerechtelijk onderzoek, op ieder tijdstip, een kopie van het dossier laten bezorgen teneinde de vorderingen te doen die hij gepast acht.

Art. 205

De procureur des Konings kan iedere vordering doen die hij geraden acht om een bepaalde onderzoeksverrichting te bekomen.

De onderzoeksrechter kan deze bij een met redenen omklede beschikking afwijzen.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep aangetekend worden bij de kamer van inbeschuldigingstelling binnen de vijftien dagen, te rekenen van het tijdstip waarop deze beschikking aan de procureur des Konings is meegedeeld. Het hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

Art. 206

§ 1. De niet aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken om inzage van het dossier.

§ 2. Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg ten vroegste een maand na de inverdenkingstelling, het instellen van de strafvordering of de burgerlijke partijstelling. Het wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie over aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan de inzage van het dossier of van bepaalde stukken verbieden indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen of indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privé-leven zou inhouden, indien de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk lijkt of indien de burgerlijke partij van geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken. De onderzoeksrechter kan voor de niet aangehouden inverdenkinggestelde de inzage beperken tot het deel van het dossier betreffende de feiten die tot de inverdenkingstelling hebben geleid en voor de burgerlijke partij tot dat deel dat tot de burgerlijke partijstelling heeft geleid.

§ 4. Ingeval het verzoek wordt ingewilligd, wordt, onverminderd de eventuele toepassing van § 3, het dossier binnen twintig dagen na de beschikking van de onderzoeksrechter en ten vroegste na de termijn, bepaald in § 5, eerste lid, in origineel of in kopie, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. De griffier brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien.

De inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij kan de door de inzage in het dossier verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privé-leven en de waardigheid van de persoon, onverminderd het recht waarin artikel 207 voorziet.

§ 5. De procureur des Konings en de verzoeker kunnen bij de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak aanbrengen bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat wordt neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, binnen een termijn van acht dagen, en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Ten aanzien van de procureur des Konings gaat die termijn in op de dag waarop de beschikking hem wordt meegedeeld en, ten aanzien van de verzoeker, op de dag waarop die hem ter kennis wordt gebracht. De aanwending door de procureur des Konings van het rechtsmiddel heeft opschortende werking ten aanzien van de beschikking van de onderzoeksrechter.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak zonder debat binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift.

De griffier stelt de verzoeker en, in voorkomend geval diens advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief uiterlijk achtenveertig uur vooraf in kennis van de plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal kan zijn schriftelijke vorderingen richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling en de onderzoeksrechter kan een rapport richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling kan afzonderlijk de procureur-generaal, de onderzoeksrechter, de verzoeker of diens advocaat horen.

§ 6. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 5, tweede tot vierde lid.

§ 7. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

Art. 207

§ 1. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten.

§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoekshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek.

§ 4. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 208, § 5.

§ 5. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig artikel 208, § 6.

§ 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

Art. 208

§ 1. Eenieder die geschaad wordt door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen kan aan de onderzoeksrechter de opheffing ervan vragen.

§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen, indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet.

Hij kan een gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke opheffing toestaan. Eenieder die de vastgestelde voorwaarden niet naleeft, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 507bis van het Strafwetboek.

§ 4. Ingeval het verzoek wordt ingewilligd, kan de onderzoeksrechter voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissing uitspreken wanneer vertraging zou leiden tot een onherstelbaar nadeel.

§ 5. De procureur des Konings en de verzoeker kunnen hoger beroep instellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter binnen een termijn van vijftien dagen. Ten aanzien van de procureur des Konings gaat die termijn in op de dag waarop de beschikking hem wordt medegedeeld en, ten aanzien van de verzoeker, op de dag waarop die hem ter kennis wordt gebracht.

Het hoger beroep wordt ingesteld door verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat.

De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.

Het hoger beroep heeft opschortende werking, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen.

De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden in de kosten.

§ 6. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 5, derde tot zesde lid.

§ 7. Vanaf de aanhangigmaking bij een rechtbank of een hof, kan een verzoekschrift in de zin van § 2 worden ingediend op de griffie van deze rechtbank of dit hof. Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijftien dagen. De rechtbank of het hof kan het verzoek afwijzen om één van de redenen vermeld in § 3. Wanneer hoger beroep bestaat, of in geval de rechtbank geen uitspraak doet binnen de vijftien dagen na de indiening van het verzoekschrift, kan de verzoeker hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig § 5. Ingeval de rechtbank het verzoek toestaat, kan de procureur des Konings op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijn hoger beroep instellen.

§ 8. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

HOOFDSTUK 3

De regeling van de rechtspleging en de onderzoeksgerechten

Afdeling 1

De raadkamer

Onderafdeling 1

Organisatie en bevoegdheid

Art. 209

De raadkamer komt bijeen volgens het reglement van de rechtbank. Onverminderd de bijzondere wetten, zijn de territoriale bevoegdheid en de volstrekte bevoegdheid van de raadkamer die van de onderzoeksrechter.

Art. 210

Onverminderd de andere bij de wet bepaalde bevoegdheden, heeft de raadkamer tot taak de rechtspleging in eerste aanleg te regelen.

Deze taak bestaat onder meer uit :

­ haar bevoegdheid en die van de onderzoeksrechter nagaan;

­ de ontvankelijkheid van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering nagaan;

­ de middelen van niet-ontvankelijkheid beoordelen;

­ de regelmatigheid en de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek beoordelen;

­ de rechtvaardigingsgronden beoordelen;

­ de verzachtende omstandigheden en de verschoningsgronden beoordelen;

­ bepalen of er voldoende aanwijzingen van schuld voorhanden zijn en in dat geval de zaak verwijzen en bij het bevoegde gerecht aanhangig maken met een weergave van een voorlopige omschrijving van de feiten;

­ indien er geen voldoende bezwaren voorhanden zijn, een beschikking tot buitenvervolgingstelling wijzen;

­ beoordelen of de opening van het vooronderzoek en het verrichten van onderzoekshandelingen die daaruit voortvloeien in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals omschreven in artikel 1.

Onderafdeling 2

Het verslag van de onderzoeksrechter en de rechtspleging

Art. 211

Wanneer de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij het dossier over aan de procureur des Konings.

Indien de procureur des Konings geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.

De griffier van de raadkamer stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd en hun advocaten per faxpost of bij een ter post aangetekende brief in kennis dat het dossier in origineel of in kopie neergelegd is ter griffie gedurende ten minste een maand, dat ze er inzage van kunnen hebben en er een kopie van kunnen opvragen.

Binnen deze termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 207, behoudens het hoger beroep voorzien in § 4, verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten.

Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Deze termijnen kunnen verlengd worden op verzoek van de verdediging,

Wanneer het onderzoek volledig is, laat de raadkamer, ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, de benadeelde persoon en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt.

De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij gehoord te hebben. De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat.

De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.

De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en de beslissing geldt als op tegenspraak gewezen.

De raadkamer kan op vraag van één van de partijen beslissen dat de zitting, evenals de uitspraak van het arrest, openbaar zal zijn.

Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.

Onderafdeling 3

De beschikkingen van de raadkamer

Art. 212

Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.

De beschikking tot buitenvervolgingstelling, wegens ontoereikende bezwaren, heeft voorlopig gezag van rechterlijk gewijsde. Zij belet tijdelijk de voortzetting van de strafvordering maar staat de burgerlijke rechtsvordering ingesteld voor de burgerlijke gerechten niet in de weg.

Het onderzoek kan, op vordering van het openbaar ministerie, altijd weer worden geopend in geval van nieuwe bezwaren. Alleen de onderzoeksgerechten beslissen of er nieuwe bezwaren bestaan.

Als nieuwe bezwaren worden beschouwd de verklaringen van getuigen, de stukken en de processen-verbaal, die niet konden worden onderworpen aan het onderzoek van het onderzoeksgerecht en toch geschikt zijn om de bewijzen te versterken die dit gerecht te zwak heeft bevonden, of om aangaande de feiten nadere gegevens te verstrekken die het vinden van de waarheid kunnen bevorderen.

Art. 213

Indien zij van oordeel is dat het feit slechts een overtreding of een van de in artikel 323 bedoelde wanbedrijven is, wordt de inverdenkinggestelde naar de politierechtbank verwezen.

De bepalingen van dit artikel en van het vorige artikel kunnen geen afbreuk doen aan de rechten van de burgerlijke partij of van de openbare partij, zoals hierna wordt bepaald.

Art. 214

Indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen, wordt de inverdenkinggestelde behoudens het geval bedoeld in artikel 213, eerste lid naar de correctionele rechtbank verwezen.

Art. 215

In alle gevallen van verwijzing, hetzij naar de politierechtbank, hetzij naar de correctionele rechtbank, is de procureur des Konings gehouden onverwijld alle stukken, na ze genummerd te hebben, te doen toekomen aan de griffie van de rechtbank die uitspraak moet doen.

Art. 216

Indien de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter, van oordeel is dat het feit strafbaar is met criminele straffen en dat de tenlastelegging tegen de inverdenkinggestelde voldoende gegrond is, worden de stukken van het onderzoek, het proces-verbaal waarbij het bestaan van het misdrijf wordt vastgesteld, een staat van overtuigingsstukken en eventueel de beschikking tot gevangenneming, met of zonder voorlopige tenuitvoerlegging, door de procureur des Konings onverwijld toegestuurd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat zal worden gehandeld zoals bepaald in de afdeling 2 « De kamer van inbeschuldigingstelling ».

De overtuigingstukken blijven berusten bij de rechtbank waar het onderzoek heeft plaatsgehad, behoudens andersluidende bepalingen.

Art. 217

Indien de raadkamer vaststelt dat het onderzoek onvolledig is en dat de rechtspleging niet in staat is om geregeld te worden, geeft zij een beschikking van niet-instaatverklaring. Zij somt de ontbrekende handelingen op en verwijst de zaak naar de procureur des Konings.

Art. 218

§ 1. De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op :

1º een handeling van het onderzoek;

2º de bewijsverkrijging.

§ 2. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, indien er geen hoger beroep is ingesteld binnen de bij artikel 228 bepaalde termijn.

Mits de toestemming van de rechter kunnen deze stukken enkel maar ten ontlaste gebruikt worden.

Art. 219

De procureur des Konings en de partijen kunnen voor de raadkamer de onregelmatigheden, verzuimen of gronden van nietigheid opwerpen die invloed hebben op een onderzoekshandeling en op de bewijsverkrijging.

De raadkamer vaardigt een beschikking tot buitenvervolgingstelling uit indien er geen toereikende bezwaren meer zijn of, overeenkomstig artikel 217, een beschikking van niet-instaatverklaring, wanneer het onderzoek kan worden aangevuld na de nietigverklaarde handelingen geweerd te hebben.

Art. 220

Wanneer blijkt dat een zaak bij de onderzoeksrechter en bij de raadkamer aanhangig is gemaakt terwijl zij onbevoegd waren of wanneer de feiten samenhangend zijn met feiten die voor een ander gerecht worden vervolgd, vaardigt de raadkamer een beschikking van ontslag van onderzoek uit en verwijst zij de zaak naar de procureur des Konings om te handelen als naar recht, na de onderzoeksrechter, de procureur des Konings, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij gehoord te hebben overeenkomstig artikel 211.

Art. 221

De beoordeling van de verzachtende omstandigheden, in de gevallen bij hoofdstuk IX, le boek van het Strafwetboek voorzien, berust bij het rechtsprekende college en zoals hierna is bepaald, bij de rechtsmachten belast met het onderzoek en bij het openbaar ministerie.

Die verzachtende omstandigheden worden in de arresten en vonnissen medegedeeld.

Art. 222

In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beschikking de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

Alleen in de volgende gevallen kan de raadkamer wegens verzachtende omstandigheden verwijzen of het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen :

1º als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2º als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis van het Strafwetboek, wanneer de gijzeling voor de gegijzelden geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, ongeacht de leeftijd van de gegijzelde persoon;

3º als het gaat om een misdaad bedoeld bij artikel 472 van het Strafwetboek die met toepassing van artikel 473 van hetzelfde Wetboek met opsluiting van twintig tot dertig jaar wordt gestraft, wanneer het geweld of de bedreiging voor het slachtoffer geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid;

4º als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 510 van het Strafwetboek die met toepassing van artikel 513, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt gestraft met opsluiting van twintig tot dertig jaar omdat de brand bij nacht is gesticht;

5º als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, eerste lid, van het Strafwetboek die wordt gestraft met toepassing van het tweede lid van hetzelfde artikel met tweeëntwintig jaar opsluiting;

6º als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft met opsluiting van twintig tot dertig jaar wanneer het geweld of de bedreiging geen andere gevolgen heeft dan een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid bepaald in artikel 400 van hetzelfde Wetboek;

7º als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid, van het Strafwetboek.

Art. 223

De correctionele rechtbank naar welke de verdachte is verwezen, kan zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de reden van verschoning.

Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning wanneer zij gevat is met toepassing van artikel 222, tweede lid.

Art. 224

Wanneer het ten laste gelegde feit strafbaar is met gevangenisstraf of met geldboete en de raadkamer op het verslag van de onderzoeksrechter of op de vordering van het openbaar ministerie van oordeel is dat er grond is om die straffen tot politiestraffen te verminderen, kan zij de verdachte naar de bevoegde politierechtbank verwijzen, met vermelding van de verzachtende omstandigheden.

Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de bevoegde politierechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een politiestraf.

Art. 225

De politierechtbank waar de beklaagde naar verwezen wordt, kan haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet afwijzen, en zij kan de politiestraffen uitspreken.

Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden indien de zaak bij haar aanhangig gemaakt is met toepassing van artikel 224, tweede lid.

Art. 226

§ 1. Tot opschorting kan worden besloten door de raadkamer op het ogenblik dat zij zich dient uit te spreken over de regeling van de rechtspleging in de vorm en onder de voorwaarden bepaald in artikel 211.

§ 2. De opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan, met instemming van de verdachte, door de raadkamer worden gelast indien de beklaagde nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden, en indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en de tenlastelegging bewezen is verklaard.

§ 3. De opschorting kan ambtshalve gelast, door het openbaar ministerie gevorderd of door de verdachte gevraagd worden.

§ 4. De beslissing die de opschorting gelast, stelt de duur van de proeftijd vast, welke niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar mag bedragen met ingang van de datum van de beslissing, alsmede, in voorkomend geval, de opgelegde probatievoorwaarden.

§ 5. De beslissing maakt een einde aan de vervolgingen, indien zij niet wordt herroepen.

§ 6. De beslissing waarbij de opschorting wordt toegestaan, wordt steeds in openbare terechtzitting uitgesproken. De beslissing waarbij de opschorting en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd moet met redenen omkleed zijn, overeenkomstig de bepalingen van artikel 340 van dit wetboek.

§ 7. De raadkamer kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de verdachte, bevelen dat er getuigen zullen worden gehoord.

§ 8. Wordt de opschorting gelast, dan wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.

§ 9. Is de raadkamer van oordeel dat er geen reden bestaat om de opschorting uit te spreken, dan verleent zij een beschikking van buitenvervolgingstelling of een beschikking van verwijzing naar het bevoegde gerecht, of spreekt zij de straf uit onder de voorwaarden gesteld in artikel 227.

§ 10. De kamer van inbeschuldigingstelling neemt kennis van het hoger beroep tegen de beschikkingen van de raadkamer waarbij de opschorting wordt uitgesproken en waarbij, in voorkomend geval, de burgerlijke belangen worden geregeld. Dat hoger beroep wordt ingesteld binnen dezelfde termijn, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vormen als het hoger beroep in correctionele zaken.

Art. 227

§ 1. De raadkamer kan, met instemming van de verdachte, over de zaak zelf beslissen op grond van artikel 226 of een geldboete opleggen of een gevangenisstraf uitspreken waarvan de duur een jaar niet te boven gaat.

In dit geval, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.

De procureur des Konings maakt in zijn vordering melding van zijn voornemen dit artikel toe te passen.

De verdachte kan hierom verzoeken door middel van een verzoekschrift ter griffie neer te leggen, twee dagen voor de datum van verschijning.

De verdachte moet door een advocaat worden bijgestaan.

De griffier van de raadkamer stelt de burgerlijke partij, de persoon die een verklaring van benadeelde partij heeft afgelegd, eventueel de burgerlijk aansprakelijke partij en hun advocaten, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief in kennis van de verschijning.

De terechtzitting is openbaar.

De raadkamer kan de beslissing over de burgerlijke vordering aanhouden.

De procureur des Konings, de verdachte en de burgerlijke partij kunnen bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen in de vormen en binnen de termijn als het hoger beroep in correctionele zaken.

§ 2. Is de raadkamer van oordeel dat er geen reden bestaat om over de zaak zelf te beslissen, dan verleent zij een beschikking van buitenvervolgingstelling of een beschikking van verwijzing naar het bevoegde gerecht.

Onderafdeling 4

Rechtsmiddelen tegen de beschikkingen van de raadkamer

Art. 228

§ 1. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer.

§ 2. De inverdenkinggestelde kan in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 218, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 213 en 214, onverminderd het in artikel 539 van het Wetboek van Strafvordering beoogde hoger beroep. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 218, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer.

§ 3. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen door een verklaring ter griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gewezen. Deze termijn gaat in op de dag waarop de beschikking is gewezen.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal.

De griffier stelt de partijen en hun advocaten per faxpost of bij een ter post aangetekende brief in kennis van plaats, dag en uur van de zitting. Het dossier wordt ten laatste vijftien dagen voor de zitting ter beschikking gesteld.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak over het hoger beroep, nadat de procureur-generaal, de partijen en hun advocaten zijn gehoord.

Zij hoort, in openbare terechtzitting indien ze op vraag van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde.

§ 4. Wanneer echter een van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid is beroofd, dan wordt het hoger beroep ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie en elk van de partijen, begint te lopen vanaf de dag waarop de beschikking is gewezen.

Afdeling 2

De kamer van inbeschuldigingstelling

Onderafdeling 1

Organisatie en bevoegdheid

Art. 229

Een kamer van het hof van beroep, daartoe bepaaldelijk samengesteld, is gehouden te vergaderen overeenkomstig het reglement van het hof.

Zij vormt het centrum van het gerechtelijk onderzoek voor criminele en correctionele zaken. Haar territoriale bevoegdheid strekt zich uit tot het hele ressort van het hof van beroep. In de bij wet bepaalde gevallen heeft zij bovendien een bevoegdheid ratione personae.

Art. 230

Onverminderd andere bij de wet bepaalde bevoegdheden, oefent de kamer van inbeschuldigingstelling toezicht uit op het gerechtelijk onderzoek en bezit zij terzake volheid van bevoegdheid. Zij is het gerecht in hoger beroep inzake het gerechtelijk onderzoek. In die hoedanigheid neemt zij kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de rechterlijke beschikkingen van de onderzoeksrechter, alsook tegen de beslissingen van de raadkamer. Zij is het enige gerecht bevoegd om de inbeschuldigingstelling van inverdenkinggestelden uit te spreken en hen wegens misdaden, politieke misdrijven en drukpersmisdrijven naar het Hof van Assisen te verwijzen.

Indien zij oordeelt dat de verdachte moet worden verwezen naar een politierechtbank of naar een correctionele rechtbank, spreekt zij de verwijzing uit en wijst de rechtbank aan die van de zaak kennis moet nemen.

Wordt de verdachte verwezen naar een politierechtbank, dan wordt hij in vrijheid gesteld.

De beschikking tot gevangenneming, door de raadkamer of door het hof gegeven, wordt opgenomen in het arrest van inbeschuldigingstelling, welk arrest het bevel zal inhouden de beschuldigde te brengen naar het huis van arrest gevestigd bij het hof waarnaar hij verwezen wordt.

Onderafdeling 2

Toezicht op het gerechtelijk onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling

Art. 231

De kamer van inbeschuldigingstelling houdt ambtshalve toezicht op het verloop van de onderzoeken, kan verslag vragen over de stand van zaken en kan kennis nemen van de dossiers. Zij kan een van haar leden machtigen en uitspraak doen overeenkomstig de artikelen 233, 234 en 238.

Als het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij. De kamer van inbeschuldigingstelling treedt op overeenkomstig het vorige lid en artikel 232. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.

Art. 232

De procureur des Konings doet verslag aan de procureur-generaal omtrent alle zaken waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste vordering.

Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het onderzoek, de wettigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht.

In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, de bij de artikelen 231, 233, 234 en 238 bepaalde maatregelen nemen.

De procureur-generaal wordt gehoord.

De kamer van inbeschuldigingstelling kan de onderzoeksrechter in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan.

Art. 233

In alle zaken kan de kamer van inbeschuldigingstelling, die gevat wordt in welke hoedanigheid ook en zolang zij geen uitspraak gedaan heeft over de regeling van de rechtspleging, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort.

Art. 234

§ 1. Bij de regeling van de rechtspleging onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen.

§ 2. De kamer van inbeschuldigingstelling handelt op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak.

§ 3. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan, beveelt ze de debatten te heropenen.

§ 4. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde. Zij kan, op vraag van een van de partijen, beslissen dat de zitting openbaar zal zijn.

§ 5. De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 218, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 218, § 2, of overeenkomstig § 6 van dit artikel.

§ 6. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 218, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep. Mits de toestemming van de rechter kunnen deze stukken enkel maar ten ontlaste gebruikt worden.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Art. 235

De procureur des Konings zendt de stukken onverwijld over aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Deze laatste brengt het dossier in staat van wijzen, neemt de schriftelijke vorderingen en laat de zaak vaststellen op het eerste nuttige tijdstip, onverminderd de bijzondere bepalingen vastgesteld door de wet.

Art. 236

De kamer van inbeschuldigingstelling laat, ten minste vijftien dagen op voorhand, in een bijzonder register dat ter griffie wordt gehouden, de plaats, dag en uur van de verschijning optekenen. De griffier verwittigt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, de benadeelde persoon en hun raadsman, en doet hen een kopie van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal toekomen.

Art. 237

Het dossier wordt ten minste vijftien dagen vóór de verschijning op de griffie ter beschikking gesteld van de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadsman. Zij mogen een afschrift ervan nemen.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak op verslag van de procureur-generaal, na de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij gehoord te hebben. De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat.

De kamer van inbeschuldigingstelling kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen dit arrest staat geen rechtsmiddel open.

Het arrest wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur-generaal en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en het arrest geldt als op tegenspraak gewezen.

De kamer van inbeschuldigingstelling kan op vraag van één van de partijen beslissen dat de zitting, evenals de uitspraak van het arrest, openbaar zal zijn.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak in beraad houdt om haar arrest uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.

Onderafdeling 4

Arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling

Art. 238

Onverminderd de vorige bepalingen met betrekking tot het toezicht op het gerechtelijk onderzoek, kan de kamer van inbeschuldigingstelling, in hoger beroep, alle beslissingen wijzen die tot de bevoegdheid van de raadkamer behoren.

Indien zij van oordeel is dat het gerechtelijk onderzoek onvolledig of onregelmatig is, kan zij de onderzoeksrechter verzoeken zijn dossiers aan te vullen en de nog uit te voeren onderzoekshandelingen vermelden.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling gevat wordt door een hoger beroep tegen een beschikking van de onderzoeksrechter, kan zij haar beslissing in de plaats stellen van zijn beschikking.

De kamer van inbeschuldigingstelling kan zo nodig nieuwe onderzoekingen bevelen.

Zij kan de overbrenging bevelen van de overtuigingsstukken die op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg zijn neergelegd, dit alles binnen de kortst mogelijke tijd.

De kamer van inbeschuldigingstelling beslist bij een en hetzelfde arrest over de samenhangende misdrijven waarvan de stukken terzelfdertijd zijn voorgelegd.

Art. 239

Indien het feit door de wet misdaad wordt genoemd, en het hof voldoende bezwaren aanwezig acht om de inbeschuldigingstelling te wettigen, verwijst het de inverdenkinggestelde naar het Hof van Assisen.

Indien het feit in de beschikking tot gevangenneming verkeerd omschreven is, vernietigt het hof die beschikking en geeft het een nieuwe.

Indien het hof bij het uitspreken van de inbeschuldigingstelling van de inverdenkinggestelde beslist over een hoger beroep tegen zijn invrijheidstelling, beslist zij overeenkomstig artikel 267, § 5.

Art. 240

Indien het hof een beschikking tot buitenvervolgingstelling teniet doet of een arrest wijst dat de toestand van de verdachte verzwaart, doet zij uitspraak met eenparigheid van stemmen.

Onderafdeling 5

Rechtsmiddelen tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling

Art. 241

Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen zich in cassatie voorzien tegen de arresten van buitenvervolgingstelling.

Het openbaar ministerie, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde kunnen zich daarenboven in cassatie voorzien ingeval een arrest gewezen is over de bevoegdheid of overeenkomstig de artikelen 228 en 234 van dit Wetboek.

Wanneer een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt de voorziening in cassatie ingesteld binnen de termijn bepaald in artikel 272. In de andere gevallen, wordt de voorziening in cassatie ingesteld binnen vijftien dagen te rekenen van de dag van het arrest.

De voorziening in cassatie wordt ingesteld door een verklaring op de griffie van het hof van beroep dat het arrest heeft gewezen.

HOOFDSTUK 4

De voorlopige hechtenis

Afdeling 1

De aanhouding

Art. 242

Voor de aanhouding bij op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf gelden de volgende regels :

1º de vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren;

2º de agenten van de openbare macht stellen de verdachte van wie zij de vlucht hebben verhinderd, onmiddellijk ter beschikking van de officier van gerechtelijke politie. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1º, gaat in op het ogenblik dat de verdachte, ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

3º iedere particulier die iemand vasthoudt die bij een misdaad of wanbedrijf op heterdaad betrapt werd, geeft de feiten onverwijld aan bij een agent van de openbare macht. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1º, gaat in op het ogenblik dat die aangifte wordt gedaan;

4º zodra de officier van gerechtelijke politie tot aanhouding is overgegaan, deelt hij dit onverwijld mee aan de procureur des Konings door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsbeneming als wat de uit te voeren plichten betreft;

5º indien het misdrijf het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek, wordt de in het 4º bedoelde mededeling gedaan aan de onderzoeksrechter;

6º de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, kan een naaste of een derde van zijn keuze inlichten over zijn aanhouding door middel van een kort telefoongesprek. Indien echter kan worden gevreesd dat dit telefoongesprek collusie tussen de aangehouden persoon en zijn gesprekpartner tot gevolg kan hebben, belast de magistraat die de vrijheidsbeneming heeft bevolen, de officier van gerechtelijke politie om zelf het telefoongesprek te voeren of deze te beluisteren;

7º de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, heeft het recht een onderzoek door een arts van zijn keuze te vragen. Indien hij niet over de nodige middelen beschikt, wordt het ereloon van de arts in aanmerking genomen als gerechtskosten;

8º wanneer een persoon die van zijn vrijheid is beroofd in een cel moet overnachten alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen, kan hij verzoeken het bezoek te krijgen van zijn advocaat of van een ambtshalve aangewezen advocaat, hetzij tussen 20 en 21 uur, hetzij de volgende morgen tussen 7 en 8 uur;

9º van de aanhouding wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :

a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

b) de mededelingen gedaan overeenkomstig het 4º en 5º, met opgave van het juiste uur en van de beslissingen genomen door de magistraat;

c) de kennisgeving aan de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, van de rechten bedoeld in het 6º, 7º en 8º, alsook van de rechten omschreven in artikel 76.

Tevens wordt hem kennis gegeven dat hij, binnen de vierentwintig uren na zijn vrijheidsbeneming, voor een onderzoeksrechter zal verschijnen, tenzij hij in tussentijd terug in vrijheid wordt gesteld.

Dit proces-verbaal wordt ofwel onmiddellijk aan de aangehouden persoon overhandigd, ofwel op het tijdstip van de betekening van het bevel tot aanhouding, samen met het afschrift van het proces-verbaal van zijn verhoor door de onderzoeksrechter en met het afschrift van de andere stukken bedoeld in artikel 257, § 7.

Het origineel van dit proces-verbaal wordt gevoegd bij een individueel dossier betreffende de voorlopige hechtenis van de aangehouden persoon. Dit dossier omvat bovendien de uitgevoerde opdrachten met betrekking tot de vrijheidsbeneming, alsook elke bijzondere omstandigheid die zich tijdens de hechtenis zou kunnen voordoen.

Art. 243

Buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf, kan een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter worden gesteld, en voor een termijn die niet langer duurt dan vierentwintig uren, met inachtneming van de volgende regels :

1º de beslissing tot vrijheidsbeneming kan alleen worden genomen door de procureur des Konings;

2º indien deze persoon poogt te vluchten of poogt zich te onttrekken aan het toezicht van een agent van de openbare macht, mogen bewarende maatregelen worden getroffen in afwachting dat de procureur des Konings, onverwijld door de snelste communicatiemiddelen op de hoogte gebracht, een beslissing neemt;

3º van de beslissing tot aanhouding wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene. Deze kennisgeving bestaat in het mondeling mededelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, en wordt bevestigd door het proces-verbaal bedoeld in 7º;

4º de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, kan een naaste of een derde van zijn keuze inlichten over zijn aanhouding door middel van een kort telefoongesprek. Indien echter kan worden gevreesd dat dit telefoongesprek collusie tussen de aangehouden persoon en zijn gesprekpartner tot gevolg kan hebben, vraagt de magistraat aan de officier van gerechtelijke politie om zelf het telefoongesprek te voeren of deze te beluisteren;

5º de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, heeft het recht een onderzoek door een arts van zijn keuze te vragen. Indien hij niet over de nodige middelen beschikt, wordt het ereloon van de arts in aanmerking genomen als gerechtskosten;

6º wanneer een persoon die van zijn vrijheid is beroofd in een cel moet overnachten alvorens voor de onderzoeksrechter te verschijnen, kan hij verzoeken het bezoek te krijgen van zijn advocaat of van een ambtshalve aangewezen advocaat, hetzij tussen 20 en 21 uur, hetzij de volgende morgen tussen 7 en 8 uur;

7º er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :

a) de beslissing van de procureur des Konings, de door hem getroffen maatregelen en de wijze waarop deze zijn medegedeeld;

b) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

c) het juiste uur van de kennisgeving aan de betrokkenen van de beslissing tot aanhouding;

d) de kennisgeving aan de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, van de rechten bedoeld in het 4º, 5º en 6º, alsook van de rechten omschreven in artikel 76.

Dit proces-verbaal wordt ofwel onmiddellijk aan de aangehouden persoon overhandigd, ofwel op het tijdstip van de betekening van het bevel tot aanhouding, samen met het afschrift van het proces-verbaal van zijn verhoor door de onderzoeksrechter en met het afschrift van de andere stukken bedoeld in artikel 257, § 7.

Het origineel van dit proces-verbaal wordt gevoegd bij een individueel dossier betreffende de voorlopige hechtenis van de aangehouden persoon. Dit dossier omvat bovendien de uitgevoerde verrichtingen met betrekking tot de vrijheidsbeneming, alsook elke bijzondere omstandigheid die zich tijdens de hechtenis zou kunnen voordoen.

8º de aangehouden of vastgehouden persoon wordt in vrijheid gesteld zodra de maatregel niet langer noodzakelijk is. De vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren te rekenen van de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende dwangmaatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

9º wanneer de zaak aanhangig is bij de onderzoeksrechter, oefent deze de bevoegdheden uit die dit artikel aan de procureur des Konings opdraagt.

Afdeling 2

Het bevel tot medebrenging

Art. 244

De onderzoeksrechter kan een met redenen omkleed bevel tot medebrenging uitvaardigen tegen elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan en die niet reeds te zijner beschikking is gesteld.

Dit bevel tot medebrenging geldt niet als inverdenkingstelling, in de zin van artikel 143, lid 3.

Art. 245

Ook tegen de getuigen die weigeren te verschijnen op de dagvaarding die hun werd gedaan, kan de onderzoeksrechter bevelen tot medebrenging uitvaardigen overeenkomstig artikel 152.

Art. 246

De onderzoeksrechter ondervraagt binnen vierentwintig uren na de betekening van het bevel tot medebrenging.

Art. 247

Het bevel tot medebrenging wordt ondertekend door de magistraat die het verleend heeft en wordt met zijn zegel bekleed.

De persoon tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, wordt erin met name genoemd of zo duidelijk mogelijk aangewezen.

Art. 248

Het bevel tot medebrenging wordt betekend op het ogenblik van de aanhouding zo hiertoe wordt overgegaan ter uitvoering van dat bevel of uiterlijk binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming indien de aflevering van het bevel is voorafgegaan door een maatregel getroffen door agenten van de openbare macht of door de procureur des Konings.

Er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :

1º het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming;

2º het juiste uur van de betekening van het bevel tot medebrenging aan de betrokkene;

3º alles wat de agenten van de openbare macht hebben verricht om de betrokkene ter beschikking van de onderzoeksrechter te stellen.

Art. 249

Het bevel tot medebrenging wordt betekend door een agent van de openbare macht, die een afschrift van het bevel aan de betrokkene ter hand stelt en daarvan een akte opmaakt.

Indien het bevel tot medebrenging niet betekend is binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming, wordt de betrokkene terug in vrijheid gesteld.

Art. 250

Het bevel tot medebrenging is uitvoerbaar over het gehele grondgebied van het Rijk.

Art. 251

Het bevel tot medebrenging wordt onmiddellijk uitgevoerd. De onderzoeksrechter kan die uitvoering evenwel uitstellen wanneer de persoon tegen wie ze gericht is, nog niet van zijn vrijheid is beroofd.

Art. 252

Indien de persoon weigert aan het bevel tot medebrenging te gehoorzamen of indien hij poogt te ontvluchten na te hebben verklaard dat hij bereid is te gehoorzamen, moet tegen hem dwang gebruikt worden.

De houder van het bevel tot medebrenging vordert desnoods het optreden van de openbare macht van de dichtsbijgelegen plaats, die verplicht is gevolg te geven aan de in het bevel vervatte vordering.

Art. 253

Het bevel tot medebrenging dekt een periode van vrijheidsbeneming van hoogstens vierentwintig uren, te rekenen van de vrijheidsbeneming ter uitvoering van het bevel tot medebrenging of, indien de verdachte reeds van zijn vrijheid beroofd was, te rekenen van de betekening van het bevel.

Art. 254

De onderzoeksrechter bij wie de zaak rechtstreeks of door verwijzing overeenkomstig artikel 193 aanhangig is gemaakt, doet aan de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon gevonden is tegen wie het bevel tot medebrenging is uitgevaardigd, de stukken, nota's en inlichtingen betreffende het misdrijf toekomen, teneinde die persoon te doen verhoren.

Evenzo worden alle stukken vervolgens, met het proces-verbaal van verhoor, teruggezonden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is.

Art. 255

Indien de persoon tegen wie een bevel tot medebrenging uitgevaardigd is, niet gevonden kan worden, wordt dat bevel vertoond aan de burgemeester of aan een schepen of aan de zonechef van de lokale politie waar die persoon verblijft.

De burgemeester, de schepen of de zonechef viseert het origineel van de akte van betekening.

Art. 256

Het verzuim van de vormen die voorgeschreven zijn voor het bevel tot medebrenging, wordt altijd gestraft met geldboete van ten minste vijftig euro ten laste van de griffier en kan aanleiding geven tot vermaning van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, en zelfs tot verhaal op de rechter.

Afdeling 3

Het bevel tot aanhouding

Art. 257

§ 1. Slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding verlenen.

Deze maatregel mag niet worden getroffen met het oog op onmiddellijke bestraffing, noch met het oog op de uitoefening van enige andere vorm van dwang.

Indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, mag het bevel slechts worden verleend als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.

§ 2. Tenzij de inverdenkinggestelde voortvluchtig is of zich verbergt, moet de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de inverdenkinggestelde ondervragen over de hem ten laste gelegde feiten en zijn opmerkingen horen.

Hij moet de inverdenkinggestelde eveneens meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij moet hem in zijn opmerkingen terzake horen.

Al deze gegevens worden vermeld in het proces-verbaal van het verhoor.

§ 3. Het bevel tot aanhouding wordt dadelijk na de eerste ondervraging van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter verleend, tenzij de rechter onderzoeksmaatregelen treft om een gegeven van de ondervraging te controleren, terwijl de inverdenkinggestelde te zijner beschikking blijft.

§ 4. De onderzoeksrechter deelt de inverdenkinggestelde mede dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen. Indien de inverdenkinggestelde geen advocaat gekozen heeft of kiest, verwittigt de rechter de stafhouder van de Orde of diens gemachtigde. Van die formaliteit wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van het verhoor.

§ 5. Het bevel tot aanhouding bevat de opgave van het feit waarvoor het wordt verleend, vermeldt de wetsbepaling die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en stelt het bestaan vast van ernstige aanwijzingen van schuld.

De rechter vermeldt daarin de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in § 1.

Het bevel tot aanhouding vermeldt eveneens dat de inverdenkinggestelde vooraf is gehoord.

§ 6. Het bevel wordt ondertekend door de rechter die het heeft verleend, en wordt met zijn zegel bekleed.

De inverdenkinggestelde wordt erin met name genoemd of zo duidelijk mogelijk aangewezen.

§ 7. De tekst van het verhoor van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter, evenals alle teksten van de verhoren die van de inverdenkinggestelde werden afgenomen tussen het tijdstip van zijn vrijheidsbeneming en het tijdstip waarop hij naar de onderzoeksrechter wordt verwezen, moeten het uur vermelden van het begin van de ondervraging, van het begin en het einde van de eventuele onderbrekingen en van het einde van de ondervraging.

Art. 258

Wanneer de onderzoeksrechter weigert een door de procureur des Konings gevorderd bevel tot aanhouding te verlenen, geeft hij een met redenen omklede beschikking die hij hem onmiddellijk mededeelt.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.

Art. 259

§ 1. Het bevel tot aanhouding wordt aan de inverdenkinggestelde betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming of, indien het bevel tot aanhouding verleend wordt tegen een inverdenkinggestelde die op grond van een bevel tot medebrenging reeds aangehouden is, te rekenen van de betekening van dit bevel.

De betekening geschiedt door de griffier van de onderzoeksrechter, door de directeur van een strafinrichting of door een agent van de openbare macht.

Ze bestaat in het mondeling meedelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, met afgifte van een volledig afschrift van de akte. Zelfs indien de inverdenkinggestelde zich reeds in hechtenis bevindt, wordt het bevel tot aanhouding hem vertoond en wordt hem daarvan afschrift gegeven.

Bij ontstentenis van regelmatige betekening binnen de wettelijke termijn, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

§ 2. Bij de betekening van het bevel tot aanhouding wordt aan de inverdenkinggestelde een afschrift overhandigd van de tekst van zijn verhoor door de onderzoeksrechter, alsmede een afschrift van de andere in artikel 257, § 7, bedoelde stukken.

Art. 260

§ 1. Het bevel tot aanhouding wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd. Het is niet vatbaar voor hoger beroep, noch voor cassatieberoep. Het is uitvoerbaar over het gehele grondgebied van het Rijk.

§ 2. De onderzoeksrechter bij wie de zaak rechtstreeks of door verwijzing overeenkomstig artikel 193 aanhangig is gemaakt, doet aan de onderzoeksrechter van de plaats waar de inverdenkinggestelde gevonden is tegen wie een bevel is uitgevaardigd, de stukken, nota's en inlichtingen betreffende het misdrijf toekomen, teneinde die inverdenkinggestelde te doen verhoren.

Evenzo worden alle stukken vervolgens, met het proces-verbaal van verhoor, teruggezonden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is.

§ 3. Indien de rechter bij wie de zaak aanhangig is, in de loop van het onderzoek een bevel tot aanhouding verleent, kan hij bij dat bevel gelasten dat de inverdenkinggestelde zal worden overgebracht naar het huis van arrest van de plaats waar het onderzoek gedaan wordt.

Wordt in het bevel tot aanhouding niet bepaald dat de inverdenkinggestelde aldus zal worden overgebracht, dan blijft hij in het huis van arrest van het arrondissement waar hij gevonden is, totdat de raadkamer beschikt heeft overeenkomstig de artikelen 211 tot 216.

§ 4. De houder van een bevel tot aanhouding vordert desnoods het optreden van de openbare macht van de dichtstbijgelegen plaats, die verplicht is gevolg te geven aan de in het bevel vervatte vordering.

§ 5. De inverdenkinggestelde, gevat krachtens een bevel tot aanhouding, wordt zonder verwijl naar het in het bevel aangewezen huis van arrest gebracht.

§ 6. De officier belast met de uitvoering van het bevel tot aanhouding, geeft de inverdenkinggestelde over aan de bewaarder van het huis van arrest, die hem daarvan ontlasting geeft.

Vervolgens brengt hij de stukken betreffende de aanhouding naar de griffie van de correctionele rechtbank en krijgt daarvan een ontvangstbewijs.

Hij vertoont het bewijs van ontlasting en het ontvangstbewijs binnen vierentwintig uren aan de onderzoeksrechter; deze voorziet beide stukken van zijn visum, dat hij dagtekent en ondertekent.

§ 7. Het verzuim van de vormen die voorgeschreven zijn voor het bevel tot aanhouding, wordt altijd gestraft met geldboete van ten minste vijftig euro ten laste van de griffier en kan aanleiding geven tot vermaning van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, en zelfs tot verhaal op de rechter.

Art. 261

Onmiddellijk na het eerste verhoor kan de inverdenkinggestelde vrij verkeer hebben met zijn advocaat, onverminderd de bepalingen voorzien in de artikelen 242, 8º en 243, 6º.

Wanneer zulks voor het onderzoek noodzakelijk is, kan de rechter het vrije verkeer met andere personen dan de advocaat verbieden. Hij geeft te dien einde een met redenen omklede beschikking, die zal worden overgeschreven in het register van de gevangenis. Het verbod geldt ten hoogste voor drie dagen na het eerste verhoor. Het kan niet worden vernieuwd.

Afdeling 4

De handhaving van de voorlopige hechtenis

Art. 262

§ 1. Het bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter is geldig voor een termijn van ten hoogste vijf dagen, te rekenen van zijn tenuitvoerlegging.

Vóór het verstrijken van die termijn en onverminderd de bepalingen van artikel 266, § 1, beslist de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter en na de procureur des Konings, de inverdenkinggestelde en zijn raadsman te hebben gehoord, of de voorlopige hechtenis gehandhaafd moet blijven.

§ 2.Ten minste vierentwintig uren vóór de verschijning voor de raadkamer, worden de plaats, de dag en het uur daarvan opgetekend in een bijzonder register dat ter griffie wordt gehouden en de griffier geeft hiervan per faxpost of bij ter post aangetekende brief, bericht aan de inverdenkinggestelde en aan zijn raadsman.

§ 3. Het dossier wordt gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman.

Deze terbeschikkingstelling aan de inverdenkinggestelde kan gebeuren in de vorm van afschriften die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard.

Indien de voorafgaande dag geen werkdag is, wordt het dossier opnieuw te hunner beschikking gehouden gedurende de voormiddag van de dag van verschijning; in dat geval heeft de verschijning voor de raadkamer's namiddags plaats.

§ 4.De raadkamer gaat na of het bevel tot aanhouding regelmatig is ten aanzien van de bepalingen van dit hoofdstuk. Zij oordeelt bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis, volgens de in artikel 257, § 1, bepaalde criteria.

§ 5.Oordeelt de raadkamer dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 257, § 5, eerste en tweede lid.

§ 6.De beschikking tot handhaving van de hechtenis is één maand geldig vanaf de dag waarop ze wordt gegeven.

Art. 263

Zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, oordeelt de raadkamer van maand tot maand over het handhaven van de voorlopige hechtenis.

Op verzoek van de inverdenkinggestelde of van zijn raadsman roept de onderzoeksrechter, binnen tien dagen die aan elke verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 272, § 4, uitspraak doet na verwijzing voorafgaan, de inverdenkinggestelde op voor een samenvattende ondervraging; de griffier brengt de oproeping, schriftelijk of per faxpost, onmiddellijk ter kennis van de raadsman van de inverdenkinggestelde en van de procureur des Konings, die deze ondervraging kunnen bijwonen.

Het dossier wordt gedurende twee dagen vóór de verschijning, of vóór de in het vorige lid bedoelde samenvattende ondervraging, ter beschikking gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman. De griffier geeft hun hiervan bericht per faxpost of bij ter post aangetekende brief.

Deze terbeschikkingstelling aan de inverdenkinggestelde kan gebeuren in de vorm van afschriften.

De raadkamer onderzoekt of er tegen de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan en of er met artikel 257, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de hechtenis te handhaven.

Oordeelt zij dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 257, § 5, eerste en tweede lid.

Art. 264

Voor de toepassing van de artikelen 262 en 263 gelden de volgende regels :

1ºde rechtspleging verloopt met gesloten deuren, hetgeen wordt vermeld in de beslissing;

2ºindien de inverdenkinggestelde in de onmogelijkheid verkeert op de terechtzitting te verschijnen, machtigt de raadkamer zijn advocaat hem te vertegenwoordigen. Indien de advocaat, regelmatig verwittigd, niet verschijnt of geen machtiging vraagt om zijn cliënt te vertegenwoordigen, kan uitspraak worden gedaan in afwezigheid van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman; hetzelfde geldt wanneer de inverdenkinggestelde weigert te verschijnen;

3ºin elk stadium van de rechtspleging kan de raadkamer, indien zij de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten niet passend acht, en na de partijen de gelegenheid te hebben geboden hun standpunt daarover mede te delen, de kwalificatie wijzigen. Zij mag er evenwel geen andere feiten voor in de plaats stellen;

4ºde raadkamer moet antwoorden op de conclusies van de partijen. Betwisten de partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld, onder vermelding van feitelijke gegevens, dan moet de raadkamer, indien zij de voorlopige hechtenis handhaaft, preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken.

Art. 265

Na zes maanden vrijheidsbeneming indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, of na een jaar in het andere geval, kan de inverdenkinggestelde bij zijn verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artikelen 263, 266 of 271, vragen om in openbare terechtzitting te verschijnen.

Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd :

­ indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de orde, de goede zeden of de nationale veiligheid;

­ indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van de slachtoffers of van de andere inverdenkinggestelden dit vereisen;

­ indien de openbaarheid de belangen van de justitie kan schaden wegens de gevaren die zij meebrengt voor de veiligheid van de slachtoffers of van de getuigen.

Afdeling 5

De opheffing van het bevel tot aanhouding

Art. 266

§ 1. Vóór de in artikel 262 bedoelde verschijning van de inverdenkinggestelde voor de raadkamer kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.

§ 2. Na de in artikel 262 bedoelde beslissing van de raadkamer, kan de onderzoeksrechter in de loop van het onderzoek, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen. De griffier geeft hiervan onverwijld schriftelijk bericht aan de inverdenkinggestelde en zijn raadsman.

Indien de procureur des Konings binnen vierentwintig uren na de aan hem gedane mededeling geen verzet doet tegen deze beschikking, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

Doet de procureur des Konings verzet, dan onderzoekt de raadkamer of er ten laste van de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan en of er met artikel 257, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de hechtenis te handhaven.

Oordeelt zij dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 257, § 5, eerste en tweede lid.

Nadat de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde of diens raadsman zijn gehoord, beslist de raadkamer, met inachtneming van artikel 262, § § 2 en 3, binnen vijf dagen te rekenen van de mededeling van de beschikking van de onderzoeksrechter aan de procureur des Konings.

Heeft de raadkamer niet beslist binnen die termijn, dan wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld. Beslist zij dat het bevel tot aanhouding niet wordt opgeheven, dan gaat de in artikel 263 bepaalde termijn van een maand in op de dag waarop die beslissing is genomen.

Indien de beschikking van de onderzoeksrechter wordt genomen terwijl voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep van de procureur des Konings of van de inverdenkinggestelde aanhangig is tegen een beschikking door de raadkamer gegeven met toepassing van artikel 262 of artikel 263, dan heeft zij alleen gevolg wanneer de procureur des Konings geen verzet doet binnen vierentwintig uren nadat hij er mededeling van heeft gekregen.

§ 3. In alle gevallen waarin met toepassing van de voorgaande bepalingen opheffing van het bevel tot aanhouding is verleend, is de inverdenkinggestelde verplicht om bij de proceshandelingen te verschijnen zodra zulks van hem wordt gevorderd.

Afdeling 6

De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen

Art. 267

§ 1. Ingeval van beschikking tot buitenvervolgingstelling of van beschikking tot verwijzing naar de politierechtbank, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld tenzij hij werd verwezen wegens een feit dat een inbreuk uitmaakt op de artikelen 418 en 419 van het Strafwetboek of op de artikelen 33, § 2, en 36 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

§ 2. Indien de raadkamer de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit dat geen gevangenisstraf van een jaar of meer tot gevolg kan hebben, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld, onder verplichting om op een te bepalen dag voor de bevoegde rechtbank te verschijnen.

§ 3. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, kan zij de inverdenkinggestelde in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 257, § § 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de inverdenkinggestelde aangehouden blijft of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 276.

Wanneer de beschikking tot verwijzing wordt vernietigd, geldt de afzonderlijke beschikking, voorzien in het vorige lid, als titel van vrijheidsbeneming voor een maand te rekenen van het arrest van regeling van rechtsgebied van het Hof van Cassatie.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van regeling van rechtsgebied, de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, handelt zij overeenkomstig het eerste lid.

§ 4. In geval uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren; in de gevallen bedoeld in de bovenstaande § § 1 en 2, kan hij dit slechts doen na hoger beroep ingesteld te hebben tegen de beslissing in zoverre zij de regeling van de rechtspleging betreft.

De inverdenkinggestelde blijft aangehouden tot na verloop van de voormelde termijn.

Het hoger beroep heeft schorsende werking.

§ 5. De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen, in de gevallen van de artikelen 216 en 239, een beschikking tot gevangenneming geven en de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan bevelen.

Deze beschikkingen bevatten de naam van de inverdenkinggestelde, zijn persoonsbeschrijving, zijn woonplaats, indien zij bekend zijn, de uiteenzetting van het feit en de aard van het misdrijf.

Wanneer een beschikking tot gevangenneming gegeven wordt ten aanzien van een inverdenkinggestelde of een beschuldigde die wegens wanbedrijf wordt vervolgd, worden de bepalingen van artikel 257, § § 1 en 5, eerste en tweede lid, in acht genomen.

De beschikkingen van de raadkamer en van de kamer van inbeschuldigingstelling worden door de rechters bij meerderheid van stemmen genomen.

Art. 268

§ 1. Wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en ofwel het onderzoek afgesloten is, ofwel toepassing werd gemaakt van artikel 216 en van artikel 267, § 5, kan de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat gericht wordt :

1º aan de correctionele rechtbank of aan de politierechtbank waar de zaak aanhangig is, vanaf de verwijzende beschikking tot het vonnis;

2º aan de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep, of aan de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep, vanaf het instellen van het beroep tot de beslissing in hoger beroep;

3º aan de kamer van inbeschuldigingstelling :

a) vanaf de beschikking gegeven overeenkomstig artikel 216 totdat het Hof van Assisen einduitspraak heeft gedaan;

b) tijdens het geding tot regeling van rechtsgebied, wanneer de inverdenkinggestelde gevangen gehouden wordt ter uitvoering van een beschikking tot gevangenneming gegeven door de raadkamer;

c) tijdens het geding voor de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in de artikelen 228, 233 en 234;

4º aan de kamer van inbeschuldigingstelling, vanaf het cassatieberoep tot het arrest.

§ 2. De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend.

§ 3. Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en het wordt er ingeschreven in het register vermeld in artikel 262, § 2.

Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 262, § 2.

Indien er binnen de termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 273, geen uitspraak over het verzoekschrift is gedaan, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.

De beslissing tot verwerping wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 257, § 5, eerste en tweede lid.

Art. 269

§ 1. De onderzoeksrechter kan in elke stand van de zaak een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde inverdenkinggestelde :

1º als deze verzuimt bij enige proceshandeling te verschijnen;

2º indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. In dit laatste geval vermeldt het bevel de nieuwe en ernstige omstandigheden die de aanhouding wettigen.

De bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 zijn mede van toepassing.

§ 2. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval bedoeld in § 1, 1º.

Art. 270

De voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat de betrokkene bij ter post aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan.

Afdeling 7

Het hoger beroep

Art. 271

§ 1. De inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 262, 263, 266 en 269. Over het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank of van de politierechtbank, gewezen overeenkomstig artikel 268, wordt uitspraak gedaan, naar het geval, door de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep of door de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep.

§ 2. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die, ten aanzien van het openbaar ministerie, begint te lopen vanaf de dag van de beslissing en ten aanzien van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde, vanaf de dag waarop die hem betekend is in de vorm bepaald in artikel 259.

Deze betekening wordt gedaan binnen vierentwintig uren. In de akte van betekening wordt aan de inverdenkinggestelde kennis gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit recht moet worden uitgeoefend.

De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de rechtbank die uitspraak heeft gedaan, en wordt ingeschreven in het register van hoger beroep in correctionele zaken.

De stukken worden, in voorkomend geval, door de procureur des Konings bezorgd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Deze laatste brengt het dossier in staat van wijzen, neemt de schriftelijke vorderingen en laat de zaak vaststellen binnen een termijn van vijftien dagen na de akte van hoger beroep. De griffier verwittigt, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, de inverdenkinggestelde en diens raadsman. Het dossier wordt hun, gedurende achtenveertig uren voor de verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling, op de griffie van het hof van beroep ter beschikking gesteld. Het dossier omvat de schriftelijke vordering van de procureur-generaal.

Die terbeschikkingstelling aan de inverdenkinggestelde kan geschieden in de vorm van afschriften.

§ 3. Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan met voorrang boven alle andere zaken, het openbaar ministerie, de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde en zijn raadsman gehoord.

De verdachte blijft in hechtenis totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld; de inverdenkinggestelde wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn.

In geval van hoger beroep tegen een beslissing bedoeld in artikel 266, § 2, wordt die termijn op acht dagen gesteld.

§ 4. Het gerecht dat over het hoger beroep beslist, doet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 262, 263, 266 en 269, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor een maand te rekenen van de beslissing.

§ 5. Wanneer, bij toepassing van de artikelen 228 en 233, de kamer van inbeschuldigingstelling een onderzoeksmagistraat met een zaak belast en de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, doet de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak over de voorlopige hechtenis in een afzonderlijk arrest dat, in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis, geldt als titel van vrijheidsbeneming voor een maand.

In dit geval, en zolang geen einde wordt gesteld aan de voorlopige hechtenis en dat het gerechtelijk onderzoek niet afgesloten is, oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling van maand tot maand over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

Wanneer, in dit geval, het arrest van verwijzing wordt vernietigd, geldt het afzonderlijke arrest, gewezen krachtens artikel 267, § 3, als titel van vrijheidsbeneming voor een maand te rekenen van het arrest van regeling van rechtsgebied van het Hof van Cassatie.

Afdeling 8

Het cassatieberoep

Art. 272

§ 1. De arresten en vonnissen waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, worden binnen vierentwintig uren aan de inverdenkinggestelde betekend in de vorm bepaald in artikel 259.

§ 2. Tegen deze beslissingen kan cassatieberoep worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing aan de inverdenkinggestelde wordt betekend.

§ 3. Het dossier wordt binnen vierentwintig uren te rekenen van het instellen van het cassatieberoep aan de griffie van het Hof van Cassatie toegestuurd. Cassatiemiddelen kunnen worden voorgedragen, hetzij in de akte van voorziening, hetzij in een bij die gelegenheid neergelegd geschrift, hetzij in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening.

Het Hof van Cassatie beslist binnen de vijftien dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, terwijl de inverdenkinggestelde inmiddels in hechtenis blijft. De inverdenkinggestelde wordt in vrijheid gesteld als het arrest niet gewezen is binnen die termijn.

§ 4. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak verwezen is, uitspraak binnen de vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de inverdenkinggestelde inmiddels in hechtenis blijft. De inverdenkinggestelde wordt in vrijheid gesteld als het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet gewezen is binnen die termijn.

Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 271, § § 3 en 4, mede van toepassing.

Als het gerecht waarnaar de zaak verwezen is de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt zijn beslissing als titel van hechtenis voor een maand te rekenen van de beslissing.

§ 5. Als het cassatieberoep wordt verworpen, dient de raadkamer uitspraak te doen binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de inverdenkinggestelde inmiddels in hechtenis blijft. Hij wordt in vrijheid gesteld als de beschikking van de raadkamer niet gewezen wordt binnen deze termijn.

Afdeling 9

De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek

Art. 273

De termijnen bepaald in de artikelen 262, § 1, 263, 266, § 2, 268, § 3, 271, § 3 en 272, § 3, worden geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de inverdenkinggestelde of van zijn raadsman.

Art. 274

§ 1. Tenzij de beklaagde of de beschuldigde gevangen gehouden wordt om een andere reden, wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, onmiddellijk in vrijheid gesteld als hij wordt vrijgesproken, veroordeeld wordt met uitstel of alleen tot een geldboete of indien hij opschorting heeft gekregen van de uitspraak der veroordeling. De onmiddellijke invrijheidstelling van de beklaagde of de beschuldigde brengt met zich dat jegens hem geen dwangmiddelen mogen worden gebruikt.

Wordt hij tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel veroordeeld, dan wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, in vrijheid gesteld zodra de ondergane hechtenis gelijk is aan de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; zoniet, dan blijft hij aangehouden voor zover de straf wordt uitgesproken wegens het feit dat de voorlopige hechtenis heeft gewettigd.

§ 2. Wanneer de hoven en de rechtbanken de beklaagde of de beschuldigde tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, veroordelen, kunnen zij, op vordering van het openbaar ministerie, zijn onmiddellijke aanhouding gelasten, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de tenuitvoerlegging van de straf zou pogen te onttrekken. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees bepaaldelijk wettigen.

Indien op verzet of hoger beroep de straf verminderd wordt tot minder dan een jaar, kan het hof of de rechtbank, met eenparigheid van stemmen, op vordering van het openbaar ministerie en na de beklaagde en zijn raadsman te hebben gehoord als zij aanwezig zijn, de gevangenhouding handhaven.

Over de krachtens deze paragraaf genomen beslissingen moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de straf. De beklaagde of de beschuldigde en zijn raadsman worden gehoord als ze aanwezig zijn. Deze beslissingen zijn niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Art. 275

§ 1. Wanneer de inverdenkinggestelde voortvluchtig is of zich verbergt of wanneer er grond bestaat om zijn uitlevering te vragen, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding bij verstek uitvaardigen.

§ 2. Wordt dit bevel uitgevoerd vóór het onderzoek is afgesloten, dan moet de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter worden ondervraagd. Oordeelt de onderzoeksrechter dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan kan hij een nieuw bevel tot aanhouding uitvaardigen, waarop de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 mede van toepassing zijn.

Dit nieuw bevel tot aanhouding wordt aan de inverdenkinggestelde betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van de betekening op het Belgisch grondgebied van het bevel tot aanhouding bij verstek, welke betekening moet geschieden binnen vierentwintig uren na de aankomst of de vrijheidsbeneming op het Belgisch grondgebied.

§ 3. De beklaagde of de beschuldigde kan zijn invrijheidstelling alleen vragen overeenkomstig artikel 268.

Afdeling 10

De vrijheid onder voorwaarden en de invrijheidstelling onder voorwaarden

Art. 276

§ 1. In de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 257, § 1, bepaalde voorwaarden, kan de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de inverdenkinggestelde, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden.

§ 2. Alle beslissingen waarbij aan de inverdenkinggestelde of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, moeten met redenen omkleed zijn, zoals bepaald in artikel 257, § 5, eerste en tweede lid.

§ 3. De rechter bepaalt de op te leggen voorwaarden. Deze moeten betrekking hebben op een van de redenen genoemd in artikel 257, § 1, derde lid, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak.

§ 4. De rechter kan ook de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom vorderen, waarvan hij het bedrag bepaalt.

Hij kan zijn beslissing met name gronden op ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden.

De borgsom wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort en het openbaar ministerie doet, op vertoon van het ontvangbewijs, de beschikking of het arrest van invrijheidstelling ten uitvoer leggen.

Niettegenstaande de termijn bepaald in artikel 276, § 1, en onverminderd de toepassing van artikel 277, wordt de borgsom teruggegeven indien de inverdenkinggestelde bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, verschenen is. Wanneer de veroordeling voorwaardelijk is, is het voldoende dat de inverdenkinggestelde bij alle proceshandelingen verschenen is.

De borgsom wordt toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de inverdenkinggestelde zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is bij enige proceshandeling of ter tenuitvoerlegging van het vonnis. In geval echter van buitenvervolgingstelling, vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of voorwaardelijke veroordeling, beveelt het vonnis of het arrest de teruggave, onder afhouding van de buitengewone kosten waartoe de niet-verschijning aanleiding mocht hebben gegeven.

De niet-verschijning van de inverdenkinggestelde bij een proceshandeling wordt vastgesteld door het vonnis of door het arrest van veroordeling, waarbij eveneens verklaard wordt dat de borgsom aan de Staat vervalt.

De niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt, op vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het vonnis verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.

§ 5. De onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten beschikken over dezelfde bevoegdheden wanneer een inverdenkinggestelde of een beklaagde in vrijheid wordt gesteld.

§ 6. Indien de voorwaarden die krachtens § 3 bepaald zijn, het volgen van een begeleiding of een behandeling opleggen, nodigt de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht de inverdenkinggestelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Die keuze wordt aan de rechter of het gerecht ter goedkeuring voorgelegd.

Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de rechter of aan het gerecht, binnen de maand na de invrijheidstelling en telkens als die dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de rechter of van het gerecht en ten minste om de twee maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.

Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.

De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de rechter of het gerecht op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.

Art. 277

§ 1. De onderzoeksrechter kan in de loop van het gerechtelijk onderzoek, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, een of meer nieuwe voorwaarden opleggen, reeds opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk opheffen, wijzigen of verlengen.

Deze beslissing wordt genomen voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden.

Hij kan vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of van sommige daarvan.

De inverdenkinggestelde kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd; hij kan ook vragen te worden vrijgesteld van alle voorwaarden of van sommige daarvan.

Doet de raadkamer binnen vijf dagen geen uitspraak over het verzoek van de inverdenkinggestelde, dan vervallen de bevolen maatregelen.

§ 2. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit dat de toepassing wettigt van een van de voorwaarden bedoeld in artikel 276, kan zij bij een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 257, § § 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de bedoelde voorwaarde wordt gehandhaafd of ingetrokken. Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen.

De kamer van inbeschuldigingstelling beschikt over dezelfde bevoegdheden gedurende de procedure voorzien in artikel 228, evenals vanaf de beschikking, gewezen overeenkomstig artikel 216.

§ 3. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de inverdenkinggestelde, de opgelegde voorwaarden verlengen voor maximum drie maanden en uiterlijk tot het vonnis. Het vonnisgerecht kan die voorwaarden ook intrekken of vrijstelling verlenen van de naleving van sommige daarvan. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen.

Art. 278

De beslissingen genomen ter uitvoering van de artikelen 276 en 277 worden aan de partijen betekend met inachtneming van de vormen bepaald voor de voorlopige hechtenis. Tegen deze beslissingen staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen.

Art. 279

§ 1. Voor het toezicht op de naleving van de voorwaarden kan een beroep worden gedaan op de politiediensten en op de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie.

Al wie ingeschakeld wordt bij het toezicht op de naleving van de voorwaarden, is gebonden door het beroepsgeheim.

Het toezicht op het volgen van een begeleiding of een behandeling gebeurt overeenkomstig artikel 276, § 6.

§ 2. Bij niet-naleving van de voorwaarden kan de onderzoeksrechter, de rechtbank of het hof van beroep, al naar het geval, een bevel tot aanhouding uitvaardigen onder de voorwaarden bepaald in artikel 269.

TITEL III

Het vonnis en de vonnisgerechten

HOOFDSTUK 1

Het vonnis

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Art. 280

Alleen de strafrechtbanken zijn bevoegd om aan vervolgde personen straffen of maatregelen op te leggen waarin de strafwetten voorzien. Zij waken bij de uitvoering van hun opdracht op de rechten van de burgers en op de rechten van de partijen in het geding.

Afdeling 2

De kenmerken van de rechtspleging

Art. 281

Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, is de rechtspleging voor de vonnisgerechten openbaar, op straffe van nietigheid.

Een met redenen omkleed vonnis kan bevelen dat de zaak gedurende het gehele proces of een deel daarvan met gesloten deuren wordt behandeld, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.

Het sluiten der deuren kan, hetzij ambtshalve bevolen worden, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie of van een partij in het geding. Ook een getuige kan daarom verzoeken indien zijn verklaring op een openbare terechtzitting zijn veiligheid in gevaar zou brengen of zijn privé-leven zou schenden of de veiligheid van zijn familieleden in gevaar zou brengen of hun privé-leven zou schenden.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Art. 282

De hoven en rechtbanken kunnen onder dezelfde voorwaarden als deze waaronder zij het sluiten der deuren kunnen bevelen, de publicatie en verspreiding via geschriften of audiovisuele middelen verbieden van teksten, tekeningen, foto's of enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer, de benadeelde persoon, de burgerlijke partij, de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de getuigen.

Overtreding van dit artikel wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd tot tienduizend euro, of met een van die straffen alleen.

Alle bepalingen van boek 1 van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op die overtredingen.

Art. 283

De rechtspleging voor de vonnisgerechten is mondeling.

De rechter en de partijen kunnen niettemin op de terechtzitting gebruik maken van stukken uit het opsporingsonderzoek en stukken uit het gerechtelijk onderzoek.

Art. 284

De rechtspleging voor de vonnisgerechten geschiedt op tegenspraak.

De rechter kan alleen beslissen over gegevens, waarover de partijen, in het geding, tegenspraak hebben kunnen voeren. Elke partij heeft het recht kennis en kopie te nemen van alle stukken voorgelegd aan de rechter.

Afdeling 3

De rechtspleging ter terechtzitting

Onderafdeling 1

De aanhangigmaking, het dossier en de stukken

Art. 285

De vonnisgerechten kunnen alleen oordelen over feiten die bij hen op wettige wijze aanhangig zijn gemaakt, door middel van een akte van rechtsingang ten aanzien van met name genoemde personen. Deze inleidende akte van rechtsingang moet, op straffe van nietigheid, nauwkeurig de feiten die de beklaagde ten laste worden gelegd, omschrijven, zulks met de datum ervan en met de aan de rechtbank voorgestelde omschrijving.

Art. 286

Onverminderd artikel 25, moet tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste een maand gelaten worden, die in voorkomend geval verlengd wordt wegens de afstand, op straffe van nietigheid van de veroordeling die bij verstek tegen de gedaagde mocht worden uitgesproken.

Deze nietigheid kan echter niet worden ingeroepen dan op de eerste terechtzitting en vóór alle exceptie of verweer.

Wanneer de beklaagde of een van de beklaagden zich in voorlopige hechtenis bevindt, kunnen de termijnen worden verkort en de partijen gedagvaard om te verschijnen binnen een termijn die niet korter mag zijn dan acht dagen.

In andere dringende gevallen kan dezelfde verkorting worden toegestaan, krachtens een beschikking verleend door de kamervoorzitter van het rechtscollege.

De vormen van aanhangigmaking worden in dit Wetboek bepaald naar gelang van de gerechten.

Art. 287

Het strafdossier dat de stukken uit het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek bevat, alsook de overtuigingsstukken, moet ten laatste op het ogenblik van de dagvaarding in origineel worden neergelegd op de griffie van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is.

De partijen hebben het recht kennis ervan te nemen en om een afschrift ervan te verzoeken.

Zij kunnen nieuwe stukken aan het dossier doen toevoegen.

Onderafdeling 2

De behandeling ter terechtzitting van de vonnisgerechten met uitzondering van het Hof van Assisen

Art. 288

Op de in de akte van rechtsingang vastgestelde dag opent de voorzitter de debatten en roept hij de partijen, andere dan het openbaar ministerie, op.

Hij vraagt aan de natuurlijke personen hun naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, woonplaats of persoonlijke of administratieve verblijfplaats, beroep en, in voorkomend geval, hun hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of het ambachtsregister.

Bij rechtspersonen gaat de voorzitter hun benaming, maatschappelijke zetel en bedrijfszetel, inschrijving in het handelsregister of het ambachtsregister na, alsook de identiteit en de hoedanigheid van de personen gerechtigd om hen te vertegenwoordigen.

Ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, wijst de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de strafvordering tegen de rechtspersoon, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aan om deze te vertegenwoordigen.

Art. 289

Overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek, verschijnen de partijen op de dag en het uur in de dagvaarding bepaald. Indien de beklaagde, of de raadsman die hem vertegenwoordigt, niet verschijnt, wordt hij bij verstek gevonnist. Hetzelfde geldt voor de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, in hun hoedanigheid van natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Art. 290

Indien de zaak niet in staat is om onmiddellijk behandeld te worden, beslist het hof of de rechtbank over :

1º de verzoeken om uitstel;

2º de verzoeken strekkende tot het doen verrichten van bijkomende onderzoeksmaatregelen;

3º de bepaling van de zaak op een latere terechtzitting teneinde de personen en de deskundigen op te roepen wiens getuigenis gevorderd wordt of gevraagd wordt door een van de partijen.

De rechter kan deze beslissingen ook ambtshalve nemen.

Indien een van de partijen onregelmatigheden, verzuimen, nietigheden, of de niet-ontvankelijkheid van de vervolging of de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling inroept, moet zij deze, op straffe van uitsluiting, op de inleidingszitting opwerpen, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen. Het gerecht kan bij tussenvonnis oordelen over de aangevoerde middelen of het tussengeschil bij de zaak zelf voegen.

Art. 291

Vanaf de aanvang van de terechtzitting, laat de voorzitter de opgeroepen getuigen en de deskundigen ontbieden en laat hij hen naar de voor hen bestemde kamer brengen. Zo daartoe grond bestaat, neemt hij maatregelen om te beletten dat zij zich met elkaar onderhouden vóór het afleggen van hun getuigenis.

Art. 292

De beklaagde wordt, indien hij aanwezig is, zowel in het belang van de verdediging als in het belang van de vervolging door de voorzitter ondervraagd over de feiten van de tenlastelegging. Deze onderzoeksmaatregel is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Na de ondervraging door de voorzitter kunnen het openbaar ministerie en de partijen in het geding, door tussenkomst van de voorzitter, de vragen stellen die zij nuttig achten. De voorzitter kan hen niettemin toelaten de vragen rechtstreeks te stellen.

Art. 293

Het openbaar ministerie en de partijen in het geding kunnen het verhoor van getuigen à charge en à décharge vragen, die tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek werden gehoord, of die nieuwe gegevens zouden kunnen verstrekken.

Het openbaar ministerie kan, ambtshalve, of op schriftelijk verzoek van de partijen, getuigen ter terechtzitting oproepen. Ingeval van weigering van het openbaar ministerie, kunnen de partijen de getuigen ter terechtzitting dagvaarden.

De rechter hoort de getuigen die het openbaar ministerie en de partijen hebben opgeroepen of neemt, ingeval van weigering, een met redenen omklede beslissing terzake.

De rechter kan aan het openbaar ministerie vragen andere getuigen waarvan hij het verhoor beveelt op een latere terechtzitting op te roepen.

Niettemin kan de voorzitter de personen die als deskundige of getuige worden gehoord, de toestemming geven of verzoeken tijdens hun verklaring notities te gebruiken, die vooraf of ter zitting worden neergelegd en bij het dossier worden gevoegd.

Art. 294

De getuigen doen ter terechtzitting, op straffe van nietigheid, de eed dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen; de griffier houdt, overeenkomstig artikel 306, daarvan aantekening, evenals van hun naam, voornamen, leeftijd, beroep, woon- of verblijfplaats, alsmede van hun voornaamste verklaringen.

De bloedverwanten van een der partijen in de opgaande of de nederdalende lijn, hun broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, hun echtgenoten of hun wettelijk samenwonende, zelfs nadat echtscheiding is uitgesproken of nadat het contract van wettelijke samenwoning is ontbonden, worden niet opgeroepen of toegelaten om te getuigen, zonder dat evenwel het horen van de voormelde personen nietigheid kan teweegbrengen, wanneer het openbaar ministerie of de partijen in het geding zich ertegen niet hebben verzet dat zij gehoord werden.

Art. 295

De rechtbank die een getuige wil verhoren die niet door de onderzoeksrechter gehoord is, kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de getuige, hetzij op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, beslissen dat ter terechtzitting en in het proces-verbaal van de terechtzitting geen melding wordt gemaakt van bepaalde van de identiteitsgegevens bedoeld in artikel 294, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de getuige, of een persoon uit diens naaste omgeving, ingevolge het bekend worden van deze gegevens en ingevolge het afleggen van zijn verklaring een ernstig nadeel zou kunnen ondervinden. Van de redenen hiertoe wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van de terechtzitting. Tegen de beslissing van de rechtbank waarbij zij de gedeeltelijke anonimiteit toekent of weigert, staat geen rechtsmiddel open.

De getuige aan wie reeds gedeeltelijke anonimiteit werd toegekend overeenkomstig artikel 155, behoudt zijn gedeeltelijke anonimiteit. De gedeeltelijke anonimiteit toegekend overeenkomstig artikel 155 of overeenkomstig het eerste lid van dit artikel staat het verhoor van de getuige ter terechtzitting niet in de weg.

De procureur des Konings houdt een register bij van alle getuigen van wie identiteitsgegevens overeenkomstig dit artikel niet zijn opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

De procureur des Konings en de rechtbank nemen ieder voor zich de maatregelen die redelijkerwijze nodig zijn om de onthulling van de in het eerste lid bedoelde identiteitsgegevens te voorkomen.

Art. 296

In afwijking van artikel 294 dient geen melding te worden gemaakt van de woonplaats van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd, en die in die hoedanigheid als getuigen worden gehoord. In de plaats daarvan is het hun toegestaan hun dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen op te geven. De dagvaarding om te getuigen ter terechtzitting kan regelmatig op dat adres worden betekend.

Art. 297

Indien de getuige niet verschijnt, kan de rechtbank bevelen dat hij wordt gedagvaard bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat de plaats, de dag en het uur van de zitting vaststelt waarop hij zal worden gehoord.

De niet verschenen getuige wordt, op vordering van het openbaar ministerie, door de rechtbank waarvoor hij moest verschijnen veroordeeld tot geldboete van honderd tot tienduizend euro, onverminderd de schadevergoeding ten gunste van de persoon benadeeld door zijn tekortkoming. Bovendien kan het gerecht ten laste van de niet verschenen getuige een bevel tot medebrenging uitvaardigen.

De voorzitter ondervraagt de getuigen.

Vervolgens geeft hij het woord aan het openbaar ministerie of aan de partij die het getuigenverhoor heeft gevraagd, zodat zij hen de vragen kunnen stellen die zij nuttig achten. De andere partijen hebben het recht een tegenverhoor van de getuigen af te nemen.

De partijen kunnen elkaar, door tussenkomst van de voorzitter, ondervragen.

De raadslieden beschikken over dezelfde rechten als de partij die zij bijstaan of vertegenwoordigen. Zij kunnen de partij die zij bijstaan ondervragen.

De artikelen 927 tot 931, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de artikelen 932, 935, 937 en 939 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verschijning en het verhoor van getuigen, zijn van toepassing op het verhoor voor de strafgerechten.

Art. 298

Op de eerste terechtzitting ondervraagt de rechter de deskundigen en de technische raadslieden die door het openbaar ministerie, ambtshalve, of op schriftelijk verzoek van een van de partijen, werden opgeroepen.

Indien tijdens de terechtzitting nieuwe gegevens aan het licht komen, hoort de rechter hieromtrent de deskundigen en de technische raadslieden, van wie het openbaar ministerie of de partijen het verhoor vragen.

De deskundigen leggen de eed af in de volgende bewoordingen : « Ik zweer dat ik mijn taak naar eer en geweten nauwgezet en eerlijk zal vervullen ».

Indien de deskundigen of de technische raadslieden niet verschijnen, worden zij gedagvaard bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat de dag en het uur van de zitting vaststelt waarop zij zullen worden gehoord. Indien zij niet verschijnen, kunnen zij, op vordering van het openbaar ministerie, worden veroordeeld tot dezelfde geldboete als de niet verschenen getuigen. Op dezelfde wijze als bij de getuigen wordt tot de ondervraging van de deskundigen en van de technische raadslieden overgegaan.

De rechtbank kan tevens een nieuw of een aanvullend deskundigenonderzoek bevelen

Indien het gerecht een deskundigenonderzoek beveelt zijn de artikelen 197 tot 202 van dit Wetboek van toepassing.

Art. 299

Artikel 952 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de woordelijke opname van het getuigenverhoor is van toepassing op het verhoor van getuigen en deskundigen voor de feitenrechter.

Art. 300

Wat de minderjarige getuigen betreft, past de rechtbank, in voorkomend geval, de artikelen 79 tot 88 inzake het opgenomen verhoor toe.

Wanneer de rechtbank de verschijning van de minderjarige noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen, wordt deze verschijning bij wege van videoconferentie georganiseerd, tenzij de minderjarige de wil uitdrukt op de zitting te getuigen.

In geval van verhoor door middel van videoconferentie wordt de minderjarige gehoord in een afzonderlijk lokaal in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de in artikel 78 bedoelde persoon, zijn advocaat, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of psycholoog-deskundige.

Wanneer de rechtbank dit noodzakelijk acht voor de sereniteit van de getuigenis, kan zij het oogcontact tussen de minderjarige en de beklaagde in alle gevallen beperken of uitsluiten.

Dit artikel is van toepassing op minderjarigen van wie het verhoor werd opgenomen met toepassing van artikel 79 en die de leeftijd van de meerderjarigheid hebben bereikt op het moment van de zitting.

Art. 301

Overeenkomstig hetgeen bepaald is voor de onderzoeksrechter, kan de rechter confrontaties, plaatsopnemingen, wedersamenstellingen, verhoren en getuigenissen verrichten of doen verrichten. Indien er geen gerechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden of indien nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen, kan de rechter bovendien huiszoekingen, inbeslagnemingen of onderzoeken aan het lichaam verrichten of gelasten, tenzij hij een vonnis wijst waarbij hij nieuwe onderzoeksmaatregelen beveelt. In dat geval adieert de procureur des Konings een onderzoeksrechter.

Wanneer hij deze opdracht vervuld heeft, stuurt hij het dossier terug naar de rechtbank en de griffie brengt dit ter kennis van de procureur des Konings en alle andere partijen.

Onderafdeling 3

De debatten

Art. 302

Na de behandeling ter terechtzitting en het onderzoek van de bewijsstukken krijgt de burgerlijke partij het woord teneinde haar optreden toe te lichten.

Vervolgens krijgen het openbaar ministerie, de vrijwillig tussenkomende partijen en de verdediging het woord. Alle partijen hebben het recht te antwoorden, maar de beklaagde en zijn advocaat hebben altijd het laatste woord.

Onderafdeling 4

De splitsing van het geding

Art. 303

Indien het openbaar ministerie of de beklaagde zulks, door middel van een verzoekschrift ingediend vóór de vordering en de pleidooien, vragen, gelast de rechter dat eerst over het bestaan van de feiten en over de schuld van de beklaagde zal geoordeeld worden.

Indien één van de beklaagden om de toepassing van deze procedure verzoekt, is zij van toepassing op alle beklaagden betrokken in dezelfde zaak.

Nadat over de feiten en over de schuldvraag is geoordeeld, worden de debatten binnen de maand hervat. Er wordt enkel maar gevorderd en gepleit over de toepasselijke straf of maatregel en over de modaliteiten ervan, alsook over de burgerlijke vergoedingen.

De rechtbank doet ten gronde uitspraak door middel van één enkele beslissing, die betrekking heeft op alle beklaagden die op tegenspraak worden gevonnist.

Het hoger beroep tegen het vonnis over de feiten en de schuld is slechts ontvankelijk samen met het hoger beroep tegen het vonnis ten gronde, en het adieert de rechter in hoger beroep met de strafvordering in haar geheel. Hetzelfde geldt in geval verzet werd ingesteld door een niet verschenen partij.

Onderafdeling 5

De sluiting van de debatten

Art. 304

Na het verhoor van de partijen, verklaart de voorzitter dat de debatten gesloten zijn.

Vanaf dat ogenblik kunnen de partijen niet meer pleiten, kan geen enkel stuk of argument nog aan de rechter worden voorgelegd en kan geen enkele onderzoekshandeling meer worden verricht, op straffe van nietigheid van het vonnis.

De artikelen 772 tot 776 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

Onderafdeling 6

Het proces-verbaal van de terechtzitting

Art. 305

De griffier maakt voor elke zaak een proces-verbaal van de terechtzitting op dat hijzelf en vervolgens de voorzitter, op straffe van nietigheid, moeten ondertekenen.

Art. 306

Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt de dag en het uur van de aanvang en het einde van de terechtzitting, alsook alle verrichte proceshandelingen.

Op straffe van nietigheid, moet het proces-verbaal van de terechtzitting de taal vermelden die het openbaar ministerie, de partijen, de getuigen en de deskundigen gebruikt hebben.

Het vermeldt de betrokken rechtbank, de identiteit van de magistraten, zowel van de zetel als van het openbaar ministerie, de identiteit van de griffier, alsook of de zitting openbaar was of dat de behandeling met gesloten deuren werd uitgesproken.

Art. 307

De griffier moet de belangrijkste verklaringen van de beklaagden, van de getuigen en van de personen die louter ter informatie werden gehoord optekenen, tenzij de rechtbank, met instemming van het openbaar ministerie en de partijen, hem daarvan uitdrukkelijk heeft vrijgesteld.

De griffier beoordeelt, onder het toezicht van de voorzitter, welke de belangrijkste elementen van de verklaringen zijn, teneinde daarvan slechts een samenvatting op te schrijven. De partijen mogen evenwel vragen dat bepaalde verklaringen woordelijk worden opgetekend.

Indien de voorzitter weigert de verklaringen ter terechtzitting op die wijze te laten aantekenen, dient de partij terzake te concluderen en de rechter spreekt een vonnis uit.

Art. 308

De verplichting om de belangrijkste verklaringen op te tekenen geldt voor alle strafgerechten, met uitzondering van het Hof van Assisen.

Art. 309

Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt de verschillende uitgevoerde onderzoeksmaatregelen, zoals het zich ter plaatse begeven. Het vermeldt eveneens dat is voldaan aan de verschillende bij wet voorgeschreven formaliteiten. Doorhalingen en overschrijvingen moeten worden goedgekeurd.

Art. 310

De processen-verbaal van de terechtzittingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.

Onderafdeling 7

De beraadslaging

Art. 311

De rechter of de rechters kunnen onmiddellijk na de sluiting van de debatten uitspraak doen, of kunnen zich in raadkamer terugtrekken om te beraadslagen. De voorzitter kan meedelen dat de zaak in beraad wordt gehouden en bepaalt de dag waarop het vonnis zal worden uitgesproken.

Art. 312

Wanneer de rechtbank uit verscheidene rechters bestaat, wordt hun beslissing bij meerderheid van stemmen genomen nadat iedere rechter zijn gevoelen heeft geuit, de recentst benoemde rechter als eerste en de voorzitter als laatste. De beslissing moet evenwel met eenparigheid van stemmen worden genomen wanneer, ingevolge het hoger beroep van een partij met betrekking tot de strafvordering, de rechtbank de strafrechtelijke toestand van de beklaagde verzwaart. Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op vonnissen uitgesproken in strafzaken.

Art. 313

Op straffe van nietigheid van de beslissing mag, met uitzondering van de griffier indien hem dat wordt gevraagd, niemand bij de beraadslaging van de rechters aanwezig zijn wanneer zij zich in raadkamer terugtrekken.

Afdeling 4

De uitspraak van de beslissing

Art. 314

Op straffe van nietigheid moet elk vonnis in openbare terechtzitting worden uitgesproken.

Art. 315

Naast de motieven en het beschikkend gedeelte, vermeldt het vonnis op straffe van nietigheid :

1º de rechtbank van wie het uitgaat; de naam van de leden van de zetel, de naam en de hoedanigheid van de magistraat van het openbaar ministerie en van de griffier die bij de uitspraak aanwezig was;

2º de naam, voornaam, woon- of verblijfplaats opgegeven door de partijen die in de zaak zijn verschenen of tussengekomen en bovendien de plaats en datum van geboorte van de beklaagde;

3º de naam van de raadsman die een partij heeft bijgestaan of vertegenwoordigd, alsmede de balie waartoe hij behoort;

4º de plaats, de datum en de omschrijving van het feit waarop het vonnis betrekking heeft;

5º het onderwerp van de vorderingen en van de beslissingen inzake de burgerlijke belangen;

6º de datum van de uitspraak in openbare terechtzitting;

7º de taal van de rechtspleging.

Art. 316

De toegepaste wettelijke bepalingen moeten worden vermeld, zowel deze waardoor het feit strafbaar wordt gesteld, als deze waardoor een straf of een veiligheidsmaatregel wordt bepaald, zonder dat dit een nietigheidsgrond kan zijn.

Art. 317

Het vonnis wordt door de rechters die het hebben uitgesproken en door de griffier ondertekend.

Indien een of meer rechters zich in de onmogelijkheid bevinden om te tekenen, dan tekenen alleen de anderen, onder vermelding van die onmogelijkheid.

Bevindt de griffier zich in zulke onmogelijkheid, dan is het voldoende dat de rechters daarvan bij het ondertekenen melding maken.

Art. 318

Onder voorbehoud van artikel 332 wat de politierechtbank betreft, verstuurt de griffier, binnen de vijf dagen na de uitspraak van het vonnis, een afschrift van het vonnis aan het openbaar ministerie, aan alle partijen en, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Deze termijn is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en heeft geen invloed op de termijn vastgesteld voor de aanwending van rechtsmiddelen.

Art. 319

Elk definitief vonnis heeft vanaf de uitspraak gezag van gewijsde. De artikelen 23 tot 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

Art. 320

De artikelen 793 tot 801 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de uitlegging en de verbetering van het vonnis zijn van toepassing.

Afdeling 5

Bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen

Art. 321

§ 1. De rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan het ten laste gelegde feit kan, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3º, artikel 43bis en 43quater van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen zal worden gevoerd met het oog op het bepalen van deze vermogensvoordelen.

Het voeren van dit bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is evenwel enkel mogelijk indien het openbaar ministerie door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde uit het misdrijf of uit identieke feiten in de zin van artikel 43quater van het Strafwetboek, vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald.

De vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen kan nooit voor het eerst in tweede aanleg worden gesteld.

§ 2. Het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. Hij waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.

Het instellen van een rechtsmiddel verhindert niet dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen reeds wordt aangevat.

§ 3. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 4. De handelingen die in het kader van het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen worden verricht, mogen geen enkele dwangmaatregel inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 110 en 114, § 2, inhouden. Ingeval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de voorschriften van artikel 114, § 1.

In geval van beslag overeenkomstig het eerste lid, is artikel 123 van toepassing.

§ 5. De procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal kan de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast, schriftelijk verzoeken over te gaan tot het aanstellen van een deskundige, het bevelen van de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 180 of het bevelen van een huiszoeking.

Over dit onderzoek wordt uitspraak gedaan binnen vijftien dagen. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan het openbaar ministerie. Tegen een weigering om de gevraagde dwangmaatregel te bevelen staat geen rechtsmiddel open.

Indien het verzoek strekt tot het bevelen van een bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 180, neemt de rechtbank of het hof een beschikking overeenkomstig artikel 181, § 1, en gelast de rechtbank of het hof een onderzoeksrechter met de uitvoering van de maatregel overeenkomstig de artikelen 181, §§ 2 en 3 tot 185.

§ 6. Wanneer de procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal oordeelt dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen voltooid is, maakt hij de vordering tot verbeurdverklaring aanhangig bij de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast. Dit gebeurt door een dagvaarding rechtstreeks gericht aan de veroordeelde, en in voorkomend geval aan de burgerlijke partij.

Een termijn van tien dagen, die in voorkomend geval verlengd wordt wegens de afstand, moet tussen de dagvaarding en de verschijning gelaten worden, op straffe van nietigheid van de veroordeling tot verbeurdverklaring die bij verstek tegen de gedaagde mocht worden uitgesproken. Deze nietigheid kan echter niet worden ingeroepen dan op de eerste terechtzitting en vóór alle exceptie of verweer.

§ 7. De aanhangigmaking van de vordering tot verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 6, dient op straffe van verval van de vordering tot verbeurdverklaring te geschieden vóór het verstrijken van een termijn van twee jaar vanaf de dag waarop het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen door de rechter werd gelast, voor zover de uitspraak over de schuld reeds in kracht van gewijsde is gegaan.

Indien de uitspraak over de schuld na het verstrijken van deze termijn nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de termijn verlengd tot één maand vanaf de dag waarop de uitspraak waarbij het misdrijf voor bewezen werd verklaard in kracht van gewijsde is gegaan.

Indien de appelrechter in de bodemprocedure feiten bewezen verklaart waarvoor de beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken, kan hij op vordering van het openbaar ministerie de in het eerste lid bedoelde termijn met een termijn van maximum zes maanden verlengen.

Art. 322

§ 1. Indien de rechter de vordering tot verbeurdverklaring, bedoeld in artikel 321, § 6, ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de verbeurdverklaring uitgesproken van het door hem bepaalde wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel.

§ 2. Tegen de beslissing over de vordering tot verbeurdverklaring staan alle in dit wetboek opgenomen gewone en buitengewone rechtsmiddelen open.

HOOFDSTUK 2

De vonnisgerechten

Afdeling 1

De politierechtbank

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Art. 323

De politierechtbank neemt kennis van de overtredingen.

Onverminderd het recht van de procureur des Konings om een opsporingsonderzoek in te stellen of een gerechtelijk onderzoek te vorderen inzake wanbedrijven, neemt zij bovendien kennis :

1. van de misdrijven in het Veldwetboek omschreven;

2. van de misdrijven in het Boswetboek omschreven;

3. van de misdrijven omschreven in de besluitwet betreffende de beteugeling van dronkenschap, met uitzondering van die van artikel 8 en van artikel 11, eerste en tweede lid;

4. van de misdrijven omschreven in de wetten op de riviervisserij;

5. van de misdrijven omschreven in de wetten en verordeningen op de barelen, de openbare en geregelde diensten van gemeenschappelijk vervoer te land en te water, de wegen te land en te water en het wegverkeer;

6. van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 418 tot 420 van het Strafwetboek, wanneer de doding, de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval;

7. van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 22, 23 en 26 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

8. van de misdrijven omschreven in de artikelen 56 en 57 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999;

9. van de misdrijven omschreven in de provincieverordeningen, met uitzondering van de verordeningen door de provinciegouverneurs en de arrondissementscommissarissen vastgesteld krachtens de artikelen 128 en 139 van de provinciewet;

10. van de misdrijven omschreven in de gemeenteverordeningen;

11. van de misdrijven omschreven in het koninklijk besluit van 6 december 1897 betreffende de politie over het militair domein;

12. van het misdrijf omschreven in artikel 4 van de wet van 30 juli 1922 waarbij een verlofbrief voor de vogelvangst met netten ingevoerd wordt;

13. van de misdrijven omschreven in de wet van 24 juli 1923 ter bescherming van militaire duiven en ter beteugeling van het aanwenden van duiven voor verspieding, met uitzondering van de misdrijven van artikel 11;

14. van de misdrijven omschreven in de artikelen 77 tot 79 van de besluitwet van 25 februari 1947 tot coördinatie en wijziging van de wetten betreffende de pensioenregeling voor de mijnwerkers en de ermee gelijkgestelden;

15. van de misdrijven omschreven in de artikelen 155 en 158 van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 19 december 1939;

16. van de wanbedrijven waarvan de kennisneming hun door een bijzondere bepaling is opgedragen.

Na verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen te hebben overeenkomstig de artikelen 224 en 225, neemt de politierechtbank tevens kennis van de gecontraventionaliseerde wanbedrijven.

Art. 324

Gelijkelijk bevoegd zijn de politierechtbank van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de beklaagde, die van de plaats waar de beklaagde is gevonden, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Art. 325

Een zaak kan bij de politierechtbank aanhangig worden gemaakt :

1º door een beschikking tot verwijzing van de raadkamer of door een arrest tot verwijzing van de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer het feit slechts een overtreding oplevert of wanneer verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen. Deze beslissing wordt gevolgd door een dagvaarding om te verschijnen, die op verzoek van de procureur des Konings aan de beklaagde wordt betekend;

2º door een rechtstreekse dagvaarding betekend aan de beklaagde, op verzoek van de procureur des Konings of op verzoek van de benadeelde partij, in de vorm en op de wijze bepaald in dit Wetboek;

3º krachtens een arrest van het Hof van Cassatie waarbij de zaak na de procedure van regeling van rechtsgebied naar de politierechtbank wordt verwezen;

4º door vrijwillige verschijning van de beklaagde op gewoon bericht, zonder dat de procureur des Konings een dagvaarding moet uitbrengen, of door een gewoon verzoek van de magistraat op de terechtzitting, indien de beklaagde het debat aanvaardt over een andere tenlastelegging dan deze bedoeld in de dagvaarding;

5º door middel van een oproeping bij proces-verbaal overeenkomstig artikel 25.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Art. 326

§ 1. De beklaagde, de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij verschijnen in persoon of bij advocaat.

§ 2. De beklaagde verschijnt nochtans in persoon indien hij een natuurlijk persoon is en hij wordt vervolgd wegens :

1º onopzettelijke doding;

2º het plegen van een vluchtmisdrijf na een ongeval waarbij aan een andere persoon slagen of verwondingen zijn toegebracht, of het veroorzaken van een ongeval met dezelfde gevolgen terwijl betrokkene in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat verkeerde ten gevolge van het gebruik van verdovende middelen, van hallucinogenen, van geneesmiddelen, of van alcoholhoudende dranken.

§ 3. De rechtbank kan altijd toestaan dat de beklaagde zich laat vertegenwoordigen wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is persoonlijk te verschijnen.

§ 4. In elke stand van het geding kan de rechtbank de persoonlijke verschijning bevelen, zonder dat tegen haar beslissing enig rechtsmiddel kan worden ingesteld.

Het vonnis dat deze verschijning beveelt, wordt ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de betrokken partij betekend, met dagvaarding om te verschijnen op de door de rechtbank vastgestelde datum.

§ 5. Er wordt vonnis bij verstek gewezen indien niet voldaan is aan de in § § 2 of 4 bedoelde verplichting om persoonlijk te verschijnen, of aan de mogelijkheid zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen.

De persoon die geen gevolg geeft aan het bevel tot persoonlijke verschijning wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot honderd euro.

Art. 327

Vóór de dag van de terechtzitting kan de rechter in de politierechtbank, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de burgerlijke partij, de schade schatten of doen schatten, processen-verbaal opmaken of doen opmaken en alle spoedeisende handelingen verrichten of bevelen.

Art. 328

Indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, ontslaat de rechtbank de beklaagde van rechtsvervolging en verklaart zij zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tot schadevergoeding. Indien het feit een misdrijf oplevert dat niet tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoort, verklaart zij zich onbevoegd.

Indien de beklaagde schuldig bevonden wordt aan een misdrijf dat onder zijn bevoegdheid valt, spreekt de rechtbank de straf uit en beslist bij hetzelfde vonnis over de vorderingen tot teruggave en tot schadevergoeding, indien er voor haar zijn aangebracht. Indien geen burgerlijke vordering voor haar aanhangig is of indien de zaak wat dit punt betreft, niet in staat van wijzen is, houdt zij de burgerlijke belangen ambtshalve aan.

Art. 329

Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen, verwijst hen in de kosten.

Art. 330

De burgerlijke partij en de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij die in het ongelijk worden gesteld, kunnen worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. De burgerlijke partij kan worden veroordeeld in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald.

Art. 331

Het vonnis vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. Wanneer hij veroordeelt tot een geldboete kan hij voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening houden met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand.

Art. 332

In afwijking van artikel 318, wordt het afschrift van het vonnis niet toegezonden wanneer de beslissing alleen betrekking heeft op een verkeersmisdrijf en er geen burgerlijke partij optreedt.

Afdeling 2

De correctionele rechtbank

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Art. 333

De correctionele rechtbank neemt kennis van :

1º het beroep ingesteld tegen vonnissen van de politierechtbank;

2º misdrijven die bij wet worden gestraft met een correctionele straf en waarvan de kennisneming niet aan de politierechtbank is opgedragen;

3º misdaden die gecorrectionaliseerd zijn omdat, overeenkomstig artikel 222, een verschoningsgrond of verzachtende omstandigheden in aanmerking wordt genomen;

4º overtredingen die samenhangen met wanbedrijven welke tot haar bevoegdheid behoren.

Art. 334

De correctionele rechtbank van de plaats van het misdrijf, die van de laatste verblijfplaats van de beklaagde, die van de plaats waar de beklaagde is gevonden, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon zijn bevoegd.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Art. 335

Een zaak kan bij de correctionele rechtbank aanhangig worden gemaakt :

1º door een beschikking tot verwijzing van de raadkamer of door een arrest tot verwijzing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze beslissing wordt gevolgd door een dagvaarding om te verschijnen, die op verzoek van de procureur des Konings aan de beklaagde wordt betekend;

2º door een rechtstreekse dagvaarding gedaan door de procureur des Konings of door de benadeelde partij ingeval de zaak niet bij de onderzoeksrechter aanhangig werd gemaakt, of door bepaalde openbare besturen wanneer de wet hen dat recht toekent;

3º door vrijwillige verschijning van de beklaagde;

4º door akte van hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de politierechtbank, wanneer de correctionele rechtbank als gerecht in hoger beroep zetelt; waarbij de daarop volgende dagvaarding tot verschijning alleen geldt als officiële kennisgeving van de zittingsdag;

5º krachtens een arrest van het Hof van Cassatie waarbij, na vernietiging van een vonnis gewezen door de correctionele rechtbank zetelend in hoger beroep, de zaak verwezen wordt naar een andere correctionele rechtbank of krachtens een arrest waarbij de zaak na de procedure van regeling van rechtsgebied naar de correctionele rechtbank wordt verwezen;

6º door middel van een oproeping bij proces-verbaal overeenkomstig artikel 25.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Art. 336

§ 1. Een beklaagde die rechtspersoon is, de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij verschijnen in persoon of bij advocaat.

§ 2. Een beklaagde die een natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. Hij kan zich echter door een advocaat laten vertegenwoordigen in zaken betreffende misdrijven waarop geen hoofdgevangenisstraf is gesteld, of in debatten die slechts betrekking hebben op een exceptie, op een tussengeschil dat de zaak zelf niet raakt, of op de burgerlijke belangen.

§ 3. De rechtbank kan altijd toestaan dat de beklaagde zich laat vertegenwoordigen wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is in persoon te verschijnen.

§ 4. In elke stand van het geding kan de rechtbank de persoonlijke verschijning bevelen, zonder dat tegen haar beslissing enig rechtsmiddel kan worden ingesteld.

Het vonnis dat deze verschijning beveelt, wordt ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de betrokken partij betekend, met dagvaarding om te verschijnen op de door de rechtbank vastgestelde datum.

§ 5. Er wordt vonnis bij verstek gewezen indien niet voldaan is aan de in §§ 2 of 4 bedoelde verplichting om persoonlijk te verschijnen, of indien de partij niet bij advocaat vertegenwoordigd is.

De persoon die geen gevolg geeft aan het bevel tot persoonlijke verschijning wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot honderd euro.

Art. 337

De getuige wiens identiteit met toepassing van de artikelen 161 en 162 verborgen werd gehouden, kan niet ter terechtzitting worden gedagvaard, tenzij hij daarin toestemt. Indien de getuige erin toestemt ter terechtzitting te getuigen, behoudt hij zijn volledige anonimiteit.

In dit geval neemt de rechtbank de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuige te waarborgen.

De rechtbank kan hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, de onderzoeksrechter gelasten om deze getuige opnieuw te verhoren of om een nieuwe getuige te verhoren met toepassing van de artikelen 161 en 162, teneinde de waarheid aan de dag te brengen. Tegen deze beslissing van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open. De rechtbank kan beslissen dat zij aanwezig zal zij bij het verhoor van de getuige door de onderzoeksrechter.

De veroordeling van een persoon mag niet uitsluitend of zelfs in overheersende mate gegrond zijn op anonieme getuigenverklaringen die met toepassing van de artikelen 161 en 162 zijn verkregen. Die laatste moeten in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Art. 338

Indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, ontslaat de rechtbank de beklaagde van rechtsvervolging en verklaart zij zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tot schadevergoeding.

Indien het feit slechts een politieovertreding oplevert of een wanbedrijf waarvan de kennisneming aan de politierechter is opgedragen, past de rechtbank de straf toe en beslist zij, in voorkomend geval, over de vorderingen tot schadevergoeding die bij haar zijn ingesteld.

Art. 339

Indien het feit strafbaar is met een criminele straf, verklaart de rechtbank zich onbevoegd.

Art. 340

Het vonnis vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. Wanneer hij veroordeelt tot een geldboete kan hij voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening houden met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand.

Afdeling 3

Het hof van beroep

Onderafdeling 1

De bevoegdheid

Art. 341

Onverminderd de bevoegdheid van het hof van beroep om kennis te nemen van de zaken waarmee het krachtens de wet in het bijzonder is belast, neemt het kennis van het hoger beroep ingesteld tegen vonnissen gewezen door de correctionele rechtbanken uit zijn rechtsgebied.

Onderafdeling 2

De vormen van aanhangigmaking

Art. 342

Een zaak kan bij het hof van beroep aanhangig worden gemaakt :

1º door akte van hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de correctionele rechtbank wanneer het hof van beroep als gerecht in hoger beroep zetelt; waarbij de daarop volgende dagvaarding tot verschijning alleen geldt als officiële kennisgeving van de zittingsdag;

2º krachtens een arrest van het Hof van Cassatie waarbij, na vernietiging van een arrest gewezen door het hof van beroep, de zaak verwezen wordt naar een ander hof van beroep, of waarbij de zaak na de procedure van regeling van rechtsgebied naar het hof van beroep wordt verwezen;

3º naar gelang het geval, na rechtstreekse dagvaarding gedaan door de procureur-generaal of krachtens een arrest tot verwijzing van het Hof van Cassatie voor de berechting van personen die voorrang van rechtsmacht genieten.

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Art. 343

De partijen verschijnen voor het hof van beroep op dezelfde wijze als is bepaald inzake de verschijning voor de correctionele rechtbank, overeenkomstig de procedureregels die eveneens in deze rechtbank van toepassing zijn.

Art. 344

Indien het vonnis wordt teniet gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding, ontslaat het hof de beklaagde van rechtsvervolging en verklaart het zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering.

Art. 345

Indien het vonnis wordt teniet gedaan, omdat het feit slechts een overtreding oplevert of een wanbedrijf waarvan de kennisneming aan de politierechter is opgedragen, spreekt het hof de straf uit en beslist het eveneens over de vorderingen tot schadevergoeding die bij hem zijn ingesteld.

Art. 346

Indien het vonnis wordt teniet gedaan, omdat het feit strafbaar is met een criminele straf, verklaart het hof zich onbevoegd.

Art. 347

Indien het vonnis wordt teniet gedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof mede over de zaak zelf.

Afdeling 4

Het Hof van Assisen

Onderafdeling 1

De bevoegdheid, de ambtsverrichtingen van de voorzitter en de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep

§ 1 : De bevoegdheid

Art. 348

Het Hof van Assisen is bevoegd om kennis te nemen van misdaden, politieke misdrijven, drukpersmisdrijven en daarmee samenhangende misdrijven, behoudens drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn.

§ 2 : De ambtsverrichtingen van de voorzitter

Art. 349

De voorzitter is er persoonlijk mee belast de gezworenen bij de uitoefening van hun taak te leiden, de zaak waarover zij moeten beraadslagen uiteen te zetten, zelfs hen op hun plicht te wijzen, het gehele onderzoek voor te zitten en te bepalen in welke volgorde het woord zal worden verleend aan hen die het vragen.

Hij is belast met de handhaving van de orde ter terechtzitting.

Hij mag evenwel op voorbehouden plaatsen geen personen toelaten waarvan de tegenwoordigheid niet is verantwoord, hetzij door het onderzoek van de zaak of door de dienst bij de terechtzitting, hetzij wegens hun ambt of beroep.

Art. 350

De voorzitter bezit een discretionaire macht, krachtens welke hij alles vermag te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden; de wet schrijft hem voor naar eer en geweten al zijn krachten in te spannen om de waarheid aan de dag te brengen.

Art. 351

Hij kan in de loop van de debatten alle personen oproepen, zelfs bij bevel tot medebrenging, en hen verhoren, of zich alle nieuwe stukken doen brengen, die, volgens de nadere gegevens ter terechtzitting verstrekt door de beschuldigden of door de getuigen, naar zijn oordeel op het betwiste feit meer licht kunnen werpen.

De aldus opgeroepen getuigen worden gehoord overeenkomstig de bij de artikelen 388 en volgende bepaalde voorschriften.

Art. 352

Alles wat de debatten zou verlengen zonder hoop te geven op meer zekerheid omtrent de uitkomst, moet door de voorzitter worden afgewezen.

§ 3 : De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep

Art. 353

De procureur-generaal vervolgt, hetzij zelf, hetzij door zijn substituut, elke persoon die in beschuldiging gesteld is in de vorm voorgeschreven in het eerste hoofdstuk van deze titel. Hij mag geen andere beschuldiging voor het hof brengen op straffe van nietigheid, en, indien daartoe grond bestaat, kan tegen hem verhaal op de rechter worden ingesteld.

Art. 354

Zodra de procureur-generaal of zijn substituut de stukken ontvangen heeft, draagt hij er de grootste zorg voor dat de voorbereidende handelingen verricht worden en dat alles in gereedheid is om de debatten op het tijdstip van de opening van de assisen te kunnen beginnen.

Art. 355

Hij woont de debatten bij; hij vordert de toepassing van de straf; hij is tegenwoordig bij de uitspraak van het arrest.

Art. 356

De procureur-generaal geeft aan de procureur des Konings ambtshalve of op bevel van de minister van Justitie opdracht om de misdrijven waarvan hij kennis draagt, te vervolgen.

Art. 357

Hij ontvangt de aangiften en de klachten die rechtstreeks bij hem ingediend worden, hetzij door het hof van beroep, hetzij door een openbaar ambtenaar, hetzij door een gewoon burger, en hij tekent ze op in een register.

Hij doet ze aan de procureur des Konings toekomen.

Art. 358

Hij doet in naam van de wet alle vorderingen die hij nuttig oordeelt; het hof is gehouden hem akte ervan te verlenen en erover te beslissen.

Art. 359

De vorderingen van de procureur-generaal moeten door hem getekend worden; die welke gedaan worden in de loop van de debatten, worden door de griffier in zijn proces-verbaal opgenomen en eveneens door de procureur-generaal getekend; alle beslissingen waartoe die vorderingen aanleiding hebben gegeven, worden getekend door de rechter die heeft voorgezeten en door de griffier.

Art. 360

Wanneer het hof de vordering van de procureur-generaal niet inwilligt, wordt noch het onderzoek noch de uitspraak gestuit of geschorst, met dien verstande evenwel dat de procureur-generaal na het arrest zich in cassatie kan voorzien, indien daartoe grond bestaat.

Art. 361

Alle officieren van gerechtelijke politie staan onder toezicht van, al naar gelang van het door de wet gemaakte onderscheid, de procureur-generaal bij het hof van beroep of de federale procureur.

Al degenen die, volgens artikel 73 van dit wetboek, uit hoofde van een ambt, zelfs van een bestuursambt, door de wet belast zijn met het verrichten van sommige daden van gerechtelijke politie, staan, doch alleen in dit verband, onder hetzelfde toezicht.

Art. 362

De officieren van gerechtelijke politie worden, in geval van nalatigheid, door de procureur-generaal gewaarschuwd; hij tekent deze waarschuwing op in een daartoe gehouden register.

Art. 363

In geval van herhaling klaagt de procureur-generaal hen aan bij het hof.

Met machtiging van het hof doet de procureur-generaal hen dagvaarden voor de raadkamer.

Het hof maant hen aan in het vervolg nauwgezetter te zijn en veroordeelt hen in de kosten zowel van de dagvaarding als van de uitgifte en van de betekening van het arrest.

Art. 364

Herhaling bestaat wanneer de ambtenaar in enigerlei zaak opnieuw in gebreke wordt bevonden binnen een jaar te rekenen van de dag van de in het register opgetekende waarschuwing.

Art. 365

De aanmaning, krachtens artikel 363 door het hof gedaan, evenals elke nieuwe waarschuwing door de procureur-generaal gegeven aan een commissaris voor gerechtelijke opdrachten of een gerechtelijk officier bij het parket, aan een lid van de gemeentepolitie, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings of een adjunct-commissaris van politie, aan een officier van de rijkswacht, aan een veldwachter of aan een boswachter, zelfs na verloop van een jaar te rekenen van de eerste waarschuwing, hebben het verlies van acht dagen wedde ten gevolge.

Art. 366

In alle gevallen waarin de procureurs des Konings en de voorzitters gemachtigd zijn om de ambtsverrichtingen van officier van gerechtelijke politie of van onderzoeksrechter waar te nemen, kunnen zij aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter en de vrederechter, zelfs van een rechterlijk arrondissement gelegen nabij de plaats van het misdrijf, de ambtsverrichtingen waarmee zij onderscheidenlijk belast zijn, opdragen, met uitzondering van het verlenen tegen de verdachten van de bevelen tot medebrenging, tot bewaring en tot aanhouding.

Onderafdeling 2

De aanhangigmaking

Art. 367

Het arrest van verwijzing naar het Hof van Assisen wordt aan de beschuldigde en aan de andere partijen betekend.

Die betekening moet aan de persoon worden gedaan indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt.

Art. 368

In alle gevallen waarin de verdachte naar het Hof van Assisen wordt verwezen, is de procureur-generaal gehouden een akte van beschuldiging op te stellen.

De akte van beschuldiging beschrijft :

1º de aard van het misdrijf dat aan de beschuldiging ten grondslag ligt;

2º het feit en alle omstandigheden die de straf komen verzwaren of verminderen; de beschuldigde wordt met name erin genoemd en duidelijk aangewezen.

De akte van beschuldiging eindigt met de volgende samenvatting :

« Bijgevolg wordt N ... beschuldigd dit bepaald misdrijf, met die en die omstandigheid, te hebben gepleegd. »

Onderafdeling 3

De rechtspleging

Art. 369

De procureur-generaal en de andere partijen hebben het recht een voorziening in cassatie in te stellen tegen het arrest van verwijzing naar het Hof van Assisen. Die voorziening moet in elk geval binnen vijftien dagen na de bij artikel 367 bepaalde betekening worden ingesteld, door een verklaring gedaan op de griffie van het hof van beroep in de bij artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm.

Art. 370

In de verklaring moet de grond van de voorziening worden opgegeven.

Onverminderd artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, kan de voorziening alleen worden ingesteld tegen het arrest van verwijzing naar het Hof van Assisen in een van de volgende gevallen :

1º wanneer het feit geen misdaad is volgens de wet;

2º wanneer het openbaar ministerie niet gehoord is;

3º wanneer het arrest niet gewezen is door het bij de wet bepaalde aantal rechters;

4º wanneer de wettelijke voorschriften betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken niet werden nageleefd;

5º wanneer de in artikel 237 voorgeschreven regels van de tegenspraak niet werden nageleefd.

Art. 371

Zodra de griffier de verklaring ontvangen heeft, doet de procureur-generaal bij het hof van beroep een uitgifte van het arrest toekomen aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, dat gehouden is, met voorrang boven alle andere zaken, uitspraak te doen.

Art. 372

Ten minste vijftien dagen voor de opening van de terechtzitting en uiterlijk de eerste zittingsdag vergewist de voorzitter er zich van dat de beschuldigde een raadsman heeft gekozen om hem in zijn verdediging bij te staan; anders voegt de rechter hem dadelijk een raadsman toe, op straffe van nietigheid van alles wat zal volgen.

Die toevoeging wordt als ongedaan beschouwd en de nietigheid wordt niet uitgesproken, indien de beschuldigde een raadsman kiest.

De voorzitter kan de beschuldigde ondervragen. In dat geval wordt de ondervraging vastgesteld bij een proces-verbaal dat wordt ondertekend door de voorzitter, de griffier, de beschuldigde en, in voorkomend geval, de tolk.

Art. 373

De procureur-generaal laat in één exploot de akte van beschuldiging en de dagvaarding om voor het Hof van Assisen te verschijnen aan de beschuldigde betekenen. Die betekening moet aan de persoon worden gedaan indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt.

Art. 374

De termijn van dagvaarding is twee maanden, tenzij de partijen daar uitdrukkelijk afstand van doen. Bij niet-naleving van deze termijn en op voorwaarde dat een van de partijen die niet-naleving opwerpt uiterlijk bij de opening van de zitting en vóór alle exceptie of verweer, bepaalt de voorzitter van het Hof van Assisen bij beschikking ambtshalve een nieuwe datum en een nieuw uur voor de opening van de zitting.

De beschuldigde kan vóór de opening van de zitting afzien van die termijn door een verklaring op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het Hof van Assisen zitting zal houden. Indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt, kan die verklaring worden gedaan in de vorm bepaald bij de wet van 25 juli 1893 betreffende de verklaringen van hoger beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen.

Art. 375

Na de verwijzing behoudt de beschuldigde het recht om vrij verkeer te hebben met zijn raadsman.

Art. 376

Ter griffie aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij inzage in het dossier verleend. De beschuldigde alsook de burgerlijke partij kunnen, op hun verzoek, kosteloos een afschrift van het dossier verkrijgen.

Art. 377

Zo de voorzitter het gerechtelijk onderzoek onvolledig acht of zo er sedert het afsluiten van het onderzoek nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen, kan hij alle onderzoeksdaden bevelen die hij nuttig acht, met uitzondering van een bevel tot aanhouding. De processen-verbaal en andere stukken of documenten die tijdens dat aanvullend gerechtelijk onderzoek worden verzameld, worden neergelegd ter griffie en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.

De griffier stelt de procureur-generaal en de partijen van die neerlegging in kennis en bezorgt aan elk van de partijen kosteloos een afschrift van het aanvullend dossier.

Art. 378

Vóór de opening van de zitting kan de voorzitter van ambtswege of op verzoek van het openbaar ministerie, de beschuldigde of de burgerlijke partij bevelen een zaak die niet in staat van wijzen is, naar een latere zitting te verwijzen of het tijdstip waarop de debatten zullen aanvatten, uit te stellen.

Art. 379

Wanneer wegens een zelfde misdrijf verscheidene akten van beschuldiging zijn opgemaakt tegen verschillende beschuldigden, kan de procureur-generaal de samenvoeging vorderen en kan de voorzitter deze zelfs ambtshalve bevelen.

Art. 380

Wanneer de akte van beschuldiging verscheidene niet samenhangende misdrijven bevat, kan de procureur-generaal vorderen dat de beschuldigden vooralsnog slechts voor één of voor sommige van die misdrijven zullen terechtstaan, en de voorzitter kan dit ambtshalve bevelen.

Onderafdeling 4

Het onderzoek, het arrest en de tenuitvoerlegging

§ 1 : Het onderzoek

Art. 381

De beschuldigde verschijnt ongeboeid en wordt slechts vergezeld door bewakers om te beletten dat hij ontvlucht. De voorzitter vraagt hem zijn naam, zijn voornamen, zijn leeftijd, zijn beroep, zijn woonplaats en zijn geboorteplaats.

Art. 382

De voorzitter richt tot de gezworenen, die hem rechtstaand aanhoren, de volgende toespraak :

« Gij zweert en belooft dat gij de aan N. ten laste gelegde feiten met de grootste aandacht zult onderzoeken; dat gij geen afbreuk zult doen aan de belangen van de beschuldigde of aan de belangen van de maatschappij, die hem beschuldigt; dat gij met niemand in verbinding zult komen voordat uw verklaring is afgelegd; dat gij geen gehoor zult geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; dat gij zult beslissen op grond van de aangevoerde bezwaren en de middelen van verdediging, naar uw geweten en uw innige overtuiging, met onpartijdigheid en vastberadenheid zoals het een vrij en rechtschapen mens betaamt. ».

Of :

« Vous jurez et promettez d'examiner avec l'attention la plus scrupuleuse les charges qui seront portées contre N., de ne trahir ni les intérêts de l'accusé, ni ceux de la société qui l'accuse; de ne communiquer avec personne jusqu'après votre déclaration; de n'écouter ni la haine ou la méchanceté, ni la crainte ou l'affection; de vous décider d'après les charges et les moyens de défense, suivant votre conscience et votre intime conviction, avec l'impartialité et la fermeté qui conviennent à un homme probe et libre. ».

Of :

« Sie schwören und versprechen, die gegen N. erhobenen Beschuldigungen mit grösster Aufmerksamkeit zu prüfen, weder das Interesse des Angeklagten noch das der menschlichen Gesellschaft, die Anklage gegen ihn erhebt, zu verletzen; mit niemandembis zur Abgabe Ihrer Erklärung in Verbindung zu treten; sich weder von Hass noch Bosheit, Furcht oder Zuneigung leiten zu lassen; Ihre Entscheidung aufgrund der vorgebrachten Belastungs- und Entlastungsmittel zu füllen, und zwar nach Ihrem Gewissen und Ihrer festen Ueberzeugung, mit der Unparteilichkeit und Standhaftigkeit eines freien und anständigen Menschen. ».

De gezworenen, een voor een door de voorzitter genoemd, antwoorden met opgeheven hand « Ik zweer het « , op straffe van nietigheid.

Art. 383

De partijen dienen, vooraleer tot de voorlezing bedoeld in artikel 384 wordt overgegaan, de middelen bedoeld in artikel 234 die zij aan de feitenrechter kunnen onderwerpen bij conclusie te omschrijven. Het hof doet daarover onmiddellijk uitspraak. De eis tot cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 445.

Art. 384

Onmiddellijk daarna kan de voorzitter de griffier bevelen het arrest van verwijzing voor te lezen.

Hij doet aan elke gezworene een afschrift overhandigen van de akte van beschuldiging en van de akte van verdediging, zo er een bestaat.

De procureur-generaal leest de akte van beschuldiging voor en de beschuldigde of zijn raadsman de akte van verdediging.

Art. 385

De procureur-generaal zet het onderwerp van de beschuldiging uiteen; daarna legt hij de lijst over van de getuigen die hetzij op zijn verzoek, hetzij op verzoek van de burgerlijke partij of op verzoek van de beschuldigde moeten worden gehoord.

Die lijst wordt door de griffier luidop voorgelezen.

Daarin mogen slechts voorkomen de getuigen wier namen, beroep en verblijfplaats ten minste vierentwintig uren vóór hun verhoor aan de beschuldigde zijn betekend door de procureur-generaal of de burgerlijke partij, en door de beschuldigde aan de procureur-generaal evenals het aantal getuigen van wie bepaalde identiteitsgegevens overeenkomstig artikel 389 ter terechtzitting niet zullen worden vermeld, onverminderd de bevoegdheid aan de voorzitter verleend bij artikel 351.

De beschuldigde en de procureur-generaal kunnen zich dientengevolge verzetten tegen het horen van een getuige die niet vermeld of niet duidelijk aangewezen is in de akte van betekening.

Het hof doet over dat verzet duidelijk uitspraak.

Art. 386

De getuige wiens identiteit met toepassing van de artikelen 161 en 162 verborgen werd gehouden, kan niet ter terechtzitting worden gedagvaard, tenzij hij daarin toestemt. De voorzitter leest zijn getuigenverklaring voor ter terechtzitting en vermeldt dat de identiteitsgegevens van deze getuige verborgen werden gehouden met toepassing van de artikelen 161 en 162. Indien de getuige erin toestemt ter terechtzitting te getuigen, behoudt hij zijn volledige anonimiteit. In dit geval neemt de voorzitter de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuige te waarborgen.

De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, de onderzoeksrechter gelasten om deze getuige opnieuw te verhoren of om een nieuwe getuige te verhoren met toepassing van de artikelen 161 en 162, teneinde de waarheid aan de dag te brengen. De voorzitter kan beslissen dat hij aanwezig zal zij bij het verhoor van de getuige door de onderzoeksrechter.

Art. 387

De voorzitter beveelt aan de getuigen zich te begeven naar de voor hen bestemde kamer. Zij zullen die slechts verlaten om hun getuigenis af te leggen. Zo nodig neemt de voorzitter maatregelen om de getuigen te beletten zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar te onderhouden over het misdrijf en over de beschuldigde.

Art. 388

De getuigen worden ieder afzonderlijk gehoord, in de door de voorzitter bepaalde volgorde. Alvorens te getuigen leggen zij, op straffe van nietigheid, de eed af dat zij zullen spreken zonder haat en zonder vrees, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.

De voorzitter vraagt ze hun naam, voornamen, leeftijd, beroep, woonplaats of verblijfplaats, of zij de beschuldigde kenden vóór het feit dat in de akte van beschuldigde vermeld is, of zij bloedverwant of aanverwant zijn, hetzij van de beschuldigde, hetzij van de burgerlijke partij, en zo ja in welke graad; hij vraagt hun ook of zij niet in dienst zijn van een van beiden; daarna leggen de getuigen mondeling hun verklaring af.

Niettemin kan de voorzitter de personen die als deskundige of getuige worden gehoord, de toestemming geven of verzoeken tijdens hun verklaring notities te gebruiken, die vooraf of ter zitting worden neergelegd en bij het dossier worden gevoegd.

Getuigen van wie de identiteit veranderd is, overeenkomstig de toepassing van artikel 91, § 2, leggen hun verklaring steeds onder hun oude identiteit af.

Art. 389

De voorzitter die een getuige wil verhoren die niet door de onderzoeksrechter gehoord is, kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de getuige, hetzij op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, beslissen dat ter terechtzitting en in het proces-verbaal van de terechtzitting geen melding wordt gemaakt van bepaalde identiteitsgegevens bedoel in artikel 388, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de getuige, of een persoon uit diens naaste omgeving, ingevolge het bekend geraken van deze gegevens en ingevolge het afleggen van zijn verklaring een ernstig nadeel zou kunnen ondervinden. De voorzitter vermeldt de redenen hiervan ter terechtzitting. Deze worden opgenomen in het proces-verbaal.

De getuige aan wie reeds gedeeltelijke anonimiteit werd toegekend overeenkomstig artikel 155, behoudt zijn gedeeltelijke anonimiteit. De gedeeltelijke anonimiteit toegekend overeenkomstig artikel 155 of overeenkomstig het eerste lid van dit artikel staat het verhoor van de getuige ter terechtzitting niet in de weg.

De procureur-generaal houdt een register bij van alle getuigen waarvan identiteitsgegevens overeenkomstig dit artikel niet werden vermeld ter terechtzitting.

De procureur-generaal en de voorzitter nemen ieder voor zich de maatregelen die redelijkerwijze nodig zijn om de onthulling van de in het eerste lid bedoelde identiteitsgegevens te voorkomen.

Art. 390

In afwijking van artikel 388 dient geen melding te worden gemaakt van de woonplaats of verblijfplaats van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd, en die in die hoedanigheid als getuigen worden gehoord. In de plaats daarvan is het hun toegestaan hun dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen op te geven. De dagvaarding om te getuigen kan regelmatig op dit adres worden betekend.

Art. 391

De voorzitter doet de griffier aantekening houden van de toevoegingen, veranderingen of verschillen die in het getuigenis mochten voorkomen ten opzichte van de vorige verklaringen van de getuige.

De procureur-generaal, de burgerlijke partij en de beschuldigde kunnen vorderen dat de voorzitter aantekening doet houden van die veranderingen, toevoegingen en verschillen.

Art. 392

De voorzitter kan aan de getuigen en de beschuldigde alle ophelderingen vragen die hij nodig acht om de waarheid aan de dag te brengen.

De rechters en de gezworenen hebben hetzelfde recht, maar moeten aan de voorzitter het woord vragen. De beschuldigde en zijn raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, aan de getuige vragen stellen. De procureur-generaal, de burgerlijke partij en haar raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, vragen stellen aan de getuige of aan de beschuldigde.

De voorzitter kan evenwel verbieden dat bepaalde vragen worden gesteld.

Art. 393

Na elke getuigenis vraagt de voorzitter aan de getuige of deze bij zijn verklaringen blijft. Is dat het geval, dan vraagt hij aan de procureur-generaal, de beschuldigde en de burgerlijke partij of ze opmerkingen hebben in verband met hetgeen werd gezegd.

Nadat de getuige zijn getuigenis heeft afgelegd, kan de voorzitter hem bevelen ter beschikking van het Hof van Assisen te blijven totdat het hof zich in de beraadslagingskamer heeft teruggetrokken.

Art. 394

De kosten van de dagvaardingen, op verzoek van de beschuldigde gedaan, komen te zijnen laste, evenals het loon van de gedagvaarde getuigen, indien zij loon verlangen; de procureur-generaal en de voorzitter kunnen evenwel de getuigen die de beschuldigde of de burgerlijke partij hen hebben aangewezen, op eigen verzoek doen dagvaarden, indien zij oordelen dat hun verklaring dienstig kan zijn om de waarheid aan de dag te brengen.

Art. 395

§ 1. De volgende personen worden niet toegelaten om te getuigen :

1º De vader, de moeder, de grootvader, de grootmoeder en de andere bloedverwanten in de opgaande lijn van de beschuldigde of van een van de medebeschuldigden die aanwezig zijn en in hetzelfde debat betrokken zijn;

2º De zoon, de dochter, de kleinzoon, de kleindochter en de andere bloedverwanten in de nederdalende lijn;

3º De broeders en de zusters;

4º De aanverwanten in dezelfde graden;

5º De echtgenoot of de wettelijk samenwonende, zelfs nadat echtscheiding is uitgesproken of nadat het contract van wettelijke samenwoning is ontbonden;

6º De aangevers wier aangifte door de wet met geld beloond wordt;

7º De burgerlijke partij;

8º Kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar.

§ 2. Het horen van de personen vermeld in § 1, kan geen nietigheid teweeg brengen wanneer, noch de procureur-generaal, noch de burgerlijke partij, noch de beschuldigde zich ertegen verzet hebben dat zij gehoord worden.

In geval van verzet van de procureur-generaal of van één of meer partijen, kan de voorzitter die personen buiten eed horen. Hun verklaringen worden als gewone inlichtingen beschouwd.

§ 3. Kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar en wettelijk ontzetten mogen nooit onder eed worden gehoord.

Art. 396

De getuigen, voorgebracht door de procureur-generaal of door de beschuldigde, worden bij de debatten gehoord, zelfs wanneer zij tevoren geen schriftelijk getuigenis hebben afgelegd en zelfs wanneer zij geen dagvaarding hebben ontvangen, mits die getuigen in elk geval op de in artikel 385 vermelde lijst voorkomen.

Art. 397

De getuigen, door welke partij ook voorgebracht, mogen nooit tot elkaar het woord richten.

Art. 398

De beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen vragen dat de getuigen die zij aanwijzen, na hun getuigenis de gehoorzaal verlaten, en dat een of meer onder hen opnieuw binnengeroepen en, hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, gehoord worden.

De procureur-generaal heeft hetzelfde recht.

De voorzitter kan zulks ook ambtshalve bevelen.

Art. 399

De voorzitter kan voor, gedurende of na het verhoor van een getuige een of meer beschuldigden doen verwijderen en hen afzonderlijk ondervragen over bepaalde omstandigheden van de zaak; maar hij draagt zorg dat de algemene debatten niet worden hervat dan nadat hij elke beschuldigde heeft ingelicht over wat in zijn afwezigheid gedaan is en over wat eruit gevolgd is.

Art. 400

Wat de minderjarige getuigen betreft, past de voorzitter in voorkomend geval, de artikelen 79 tot 88 inzake het opgenomen verhoor toe.

Wanneer hij de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, wordt deze verschijning bij wege van videoconferentie georganiseerd, tenzij de minderjarige de wil uitdrukt op de zitting te getuigen.

In geval van verhoor door middel van videoconferentie wordt de minderjarige gehoord in een afzonderlijk lokaal in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de in artikel 78 bedoelde persoon, zijn advocaat, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of pycholoog-deskundige.

Wanneer de voorzitter het noodzakelijk vindt voor de sereniteit van de getuigenis, kan hij het oogcontact tussen de minderjarige en de beschuldigde in alle gevallen beperken of uitsluiten.

Dit artikel is van toepassing op minderjarigen van wie het verhoor werd opgenomen met toepassing van artikel 79 en die de leeftijd van de meerderjarigheid hebben bereikt op het moment van de zitting.

Art. 401

Gedurende het onderzoek kunnen de gezworenen, de procureur-generaal en de rechters optekenen wat hun gewichtig lijkt in de verklaringen van de getuigen of in de verdediging van de beschuldigde, mits het debat daardoor niet onderbroken wordt.

Art. 402

In de loop van het getuigenverhoor of daarna doet de voorzitter aan de beschuldigde alle stukken vertonen die op het misdrijf betrekking hebben en tot overtuiging kunnen dienen; hij vraagt hem om persoonlijk te antwoorden of hij die stukken herkent; de voorzitter doet ze ook aan de getuigen vertonen, indien daartoe redenen zijn.

Art. 403

Indien volgens de debatten de verklaring van een getuige vals schijnt te zijn, kan de voorzitter, op vordering van de procureur-generaal, van de burgerlijke partij of van de beschuldigde en zelfs ambtshalve, de getuige terstond doen aanhouden en hij kan zelfs het ambt van onderzoeksrechter tegenover hem waarnemen, of hem in staat van aanhouding naar de bevoegde onderzoeksrechter verwijzen.

Wanneer de voorzitter het ambt van onderzoeksrechter waarneemt, treedt de procureur-generaal op als officier van gerechtelijke politie en spreekt de kamer van inbeschuldigingstelling zich uit zowel over de bevestiging van het bevel tot aanhouding als over de inbeschuldigingstelling.

Art. 404

In het geval van het vorige artikel kan de procureur-generaal, de burgerlijke partij of de beschuldigde dadelijk vorderen, en het hof, zelfs ambtshalve, bevelen dat de zaak naar de eerstvolgende zitting verwezen wordt.

Art. 405

Ingeval de beschuldigde, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve, op straffe van nietigheid, een tolk, ten minste eenentwintig jaar oud, en doet hem, eveneens op straffe van nietigheid, de eed afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken.

De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven.

Het hof doet uitspraak.

Zelfs met instemming van de beschuldigde en van de procureur-generaal kan de tolk niet worden gekozen uit de getuigen, de rechters en de gezworenen, zulks op straffe van nietigheid.

Art. 406

Indien de beschuldigde doofstom is en niet kan schrijven, benoemt de voorzitter ambtshalve tot zijn tolk de persoon die het meest gewoon is met hem om te gaan.

Hetzelfde geschiedt ten aanzien van een doofstomme getuige.

De overige bepalingen van het vorige artikel zijn van toepassing.

Ingeval de doofstomme kan schrijven, worden de tot hem gerichte vragen en opmerkingen door de griffier op schrift gesteld; zij worden overhandigd aan de beschuldigde of de getuige, die zijn antwoord of zijn verklaring schriftelijk geeft. De griffier leest alles voor.

Art. 407

De voorzitter wijst uit de beschuldigden diegene aan die bij de debatten het eerst aan de beurt moet komen, te beginnen met de hoofdbeschuldigde, indien er een is.

Vervolgens wordt een bijzonder debat gehouden over elk van de andere beschuldigden.

Art. 408

Na de verklaringen van de getuigen en de beweringen waartoe die over en weer aanleiding hebben gegeven, worden de burgerlijke partij of haar raadsman en de procureur-generaal gehoord en zij zetten de middelen tot staving van de beschuldiging uiteen.

De beschuldigde en zijn raadsman kunnen hun antwoorden.

De burgerlijke partij en de procureur-generaal hebben recht van repliek; maar de beschuldigde of zijn raadsman heeft altijd het laatste woord.

De voorzitter verklaart vervolgens de debatten gesloten.

Art. 409

De voorzitter herinnert de gezworenen aan de ambtsverrichtingen die zij te vervullen hebben.

Hij stelt de vragen zoals hierna bepaald is.

Art. 410

De vraag die uit de akte van beschuldiging volgt, wordt gesteld in de volgende bewoordingen :

« Is de beschuldigde schuldig aan die bepaalde doodslag, die bepaalde diefstal of die bepaalde andere misdaad ? »

Art. 411

Indien de debatten een of meer verzwarende omstandigheden naar voren doen komen, die niet vermeld zijn in de akte van beschuldiging, stelt de voorzitter nog de volgende vraag :

« Heeft de beschuldigde de misdaad gepleegd met die of die omstandigheid ? »

Art. 412

Wanneer de beschuldigde een verschonend feit heeft aangevoerd, dat als zodanig door de wet wordt aangemerkt, wordt de vraag aldus gesteld :

« Staat dat feit vast ? »

Art. 413

Na de vragen gesteld te hebben, overhandigt de voorzitter die aan de gezworenen in de persoon van de hoofdman van de jury; hij overhandigt hun tevens de akte van beschuldiging, de processen-verbaal die het misdrijf vaststellen, en de processtukken, met uitzondering van de schriftelijke verklaringen van de getuigen.

Hij waarschuwt de gezworenen dat, indien de beschuldigde bij eenvoudige meerderheid schuldig wordt verklaard aan het hoofdfeit, zij daarvan bovenaan in hun verklaring melding moeten maken.

In voorkomend geval waarschuwt de voorzitter de gezworenen dat getuigenverklaringen die ingevolge de toepassing van de artikelen 161 en 162 werden verkregen slechts in aanmerking kunnen genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Hij doet de beschuldigde uit de gehoorzaal verwijderen.

Art. 414

Nadat de vragen gesteld en overhandigd zijn aan de gezworenen, begeven dezen zich naar hun kamer om te beraadslagen.

Hoofdman van de jury is de gezworene wiens naam de eerste uit de bus gekomen is, of hij die door de gezworenen wordt benoemd en de opdracht aanvaardt.

Alvorens de beraadslaging te beginnen, leest de hoofdman van de jury de volgende aanwijzingen voor, die bovendien in grote letters op de meest in het oog vallende plaats van hun kamer worden opgehangen :

« De wet vraagt aan de gezworenen geen rekenschap van de middelen waardoor zij tot hun overtuiging zijn gekomen; zij schrijft hun geen bijzondere regels voor om uit te maken of een bewijs volkomen en genoegzaam is; zij schrijft hun voor, zich in stilte te bezinnen en in de oprechtheid van hun geweten na te gaan welke indruk de tegen de beschuldigde aangevoerde bewijzen en zijn middelen van verdediging op hun geest hebben gemaakt. De wet zegt hun niet, Gij zult voor waar houden alles wat door een bepaald aantal getuigen verklaard wordt; zij zegt hun evenmin, Gij zult niet als voldoende gegrond beschouwen een bewijs dat niet berust op dat bepaald proces-verbaal, op die bepaalde stukken, op zoveel getuigenissen of op zoveel aanwijzingen van schuld; zij stelt alleen deze vraag, waarin hun gehele plicht besloten is, Zijt gij in gemoede overtuigd ? »

Art. 415

De gezworenen mogen hun kamer eerst verlaten wanneer zij hun verklaring hebben opgemaakt.

Niemand heeft tijdens de beraadslaging, om welke reden ook, toegang tot die kamer, zonder schriftelijk verlof van de voorzitter. Deze zal er niet binnentreden, tenzij hij geroepen wordt door de hoofdman van de jury en vergezeld is door zijn assessoren de beschuldigde en zijn verdediger, door de burgerlijke partij en haar raadsman, door het openbaar ministerie en de griffier. Van het incident wordt melding gemaakt in het proces-verbaal.

De voorzitter is gehouden aan de dienstdoende bevelhebber van de betrokken politiedienst schriftelijk het bepaalde bevel te geven om de uitgangen van hun kamer te doen bewaken; die bevelhebber wordt in het bevel met naam en hoedanigheid aangewezen.

De voorzitter neemt de maatregelen die nodig zijn opdat de plaatsvervangende gezworenen gedurende de beraadslaging van de jury niet in betrekking komen met andere personen.

Het hof kan de gezworene die het bevel overtreedt, straffen met geldboete van ten hoogste vijfhonderd euro. Ieder ander die het bevel overtreedt, of hij die het niet doet uitvoeren, kan worden gestraft met gevangenisstraf van vierentwintig uren.

Art. 416

De gezworenen beraadslagen over het hoofdfeit en daarna over elke omstandigheid.

Art. 417

Na iedere stemming neemt het hoofd van de jury de stemmen op in tegenwoordigheid van de gezworenen en tekent de beslissing onmiddellijk aan naast de vraag, zonder het aantal stemmen te vermelden, behalve in geval dat de bevestigende verklaring omtrent het hoofdfeit slechts bij eenvoudige meerderheid is tot stand gekomen.

Art. 418

De beslissing van de jury voor of tegen de beschuldigde wordt genomen bij meerderheid van stemmen, op straffe van nietigheid.

Bij staking van stemmen is de beslissing ten gunste van de beschuldigde.

Art. 419

De gezworenen komen daarna in de gehoorzaal terug en nemen opnieuw hun plaats in.

De voorzitter vraagt hun welke de uitslag is van hun beraadslaging.

De hoofdman van de jury staat op en zegt, met de hand op het hart :

« In eer en geweten, de verklaring van de jury is : Ja, de beschuldigde, enz.; Neen, de beschuldigde, enz. ».

of :

« En honneur et conscience, la déclaration du jury est : Oui, l'accusé, etc.; Non l'accusé, etc. ».

of :

« Auf Ehre und Gewissen, die Geschworenen erklären : Ja, der Angeklagte, usw.; Nein, der Angeklagte, usw. ».

Art. 420

De verklaring wordt door de hoofdman van de jury ondertekend en door hem aan de voorzitter afgegeven, een en ander in tegenwoordigheid van de gezworenen.

De voorzitter ondertekent de verklaring en doet ze ondertekenen door de griffier.

Art. 421

Tegen de verklaring van de jury kan in geen geval enig rechtsmiddel worden ingesteld.

Art. 422

Indien de beschuldigde slechts bij eenvoudige meerderheid aan het hoofdfeit schuldig wordt verklaard, beraadslagen de rechters onder elkaar over hetzelfde punt. Hij wordt vrijgesproken indien de meerderheid van het hof zich niet met de meerderheid van de jury verenigt.

Art. 423

Indien de rechters, buiten het geval van artikel 118 van de wet van 18 juni 1869 op de rechtelijke organisatie, eenparig overtuigd zijn dat de gezworenen, al hebben zij de vormen in acht genomen, zich in de zaak zelf hebben vergist, verklaart het hof dat het vonnis uitgesteld wordt en het verwijst de zaak naar de volgende zitting, om te worden onderworpen aan een nieuwe jury, waarvan geen van de eerste gezworenen deel mag uitmaken.

Niemand heeft het recht die maatregel uit te lokken; het hof kan hem slechts ambtshalve gelasten en wel dadelijk nadat de verklaring van de jury in het openbaar is afgelegd, maar alleen ingeval de beschuldigde schuldig is bevonden, nooit wanneer hij niet-schuldig verklaard is.

Het hof zal dadelijk na de verklaring van de tweede jury uitspraak doen, zelfs wanneer deze verklaring met de eerste mocht overeenstemmen.

Art. 424

Wanneer het onderzoek en de debatten eenmaal begonnen zijn, moeten zij worden voortgezet zonder onderbreking, en zonder enigerlei verbinding met de buitenwereld, tot na de verklaring van de jury. De voorzitter mag ze alleen schorsen voor de nodige rustpozen ten behoeve van de rechters, de gezworenen, de getuigen en de beschuldigden.

Art. 425

Wanneer een gedagvaarde getuige niet verschijnt of wanneer een getuige overleden is, kan de voorzitter voorlezing doen van diens tijdens het onderzoek, zelfs onder eed, afgelegde verklaringen. De voorzitter kan, behoudens verzet van de partijen, beslissen dat een gedagvaarde getuige die verschijnt, niet in zijn getuigenis wordt gehoord.

Hij kan, onder dezelfde voorwaarde, beslissen dat er geen grond is om de persoon die met toepassing van artikel 336, eerste lid, is opgeroepen om te getuigen, in zijn getuigenis te horen.

Art. 426

Indien de zaak naar de volgende zitting verwezen wordt omdat een getuige niet verschenen is, komen alle kosten van dagvaarding, akten, reizen van getuigen, en andere die strekken tot het vonnissen van de zaak, ten laste van die getuige; hij wordt in die kosten veroordeeld, op vordering van de procureur-generaal, bij het arrest dat de debatten naar de volgende zitting verwijst.

Niettemin wordt de getuige die niet verschijnt of die weigert hetzij de eed te doen, hetzij zijn getuigenis af te leggen, in alle gevallen veroordeeld tot de bij artikel 297 bepaalde straf.

Art. 427

Tegen deze veroordeling staat verzet open gedurende tien dagen na de betekening ervan aan de veroordeelde getuige of aan zijn woonplaats; het verzet wordt ontvangen, indien hij bewijst dat hij wettig verhinderd was of dat de tegen hem uitgesproken geldboete moet worden verminderd.

§ 2. Het arrest en de tenuitvoerlegging

Art. 428

De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en de griffier leest in zijn tegenwoordigheid de verklaring van de jury voor.

Art. 429

Wanneer de beschuldigde niet-schuldig verklaard wordt, spreekt de voorzitter hem vrij van de beschuldiging en beveelt dat hij in vrijheid zal worden gesteld, indien hij niet om een andere reden wordt gevangen gehouden.

De vrijgesproken beschuldigde kan ten laste van zijn aangevers schadevergoeding verkrijgen uit hoofde van laster, zonder dat echter de leden van de gestelde overheid op die wijze kunnen worden vervolgd ter oorzake van de berichten die zij gehouden zijn te geven aangaande de misdrijven waarvan zij in de uitoefening van hun ambt menen kennis gekregen te hebben, en behoudens het instellen tegen hen van verhaal op de rechter, indien daartoe grond bestaat.

Op verzoek van de beschuldigde is de procureur-generaal verplicht hem zijn aangevers bekend te maken.

Art. 430

De eisen tot schadevergoeding ingesteld hetzij door de beschuldigde tegen zijn aangevers of tegen de burgerlijke partij, hetzij door de burgerlijke partij tegen de beschuldigde of tegen de veroordeelde, worden voor het Hof van Assisen gebracht.

De burgerlijke partij is gehouden haar eis tot schadevergoeding in te stellen vóór het vonnis; later is die niet-ontvankelijk.

Hetzelfde geldt voor de beschuldigde, indien zijn aangever hem bekend was.

Ingeval de beschuldigde eerst na het vonnis, doch vóór het einde van de zitting, te weten komt wie zijn aangever is, moet hij zijn eis, op straffe van verval, voor het Hof van Assisen brengen; indien hij het eerst na de sluiting van de zitting te wetten komt, wordt zijn eis voor de burgerlijke rechtbank gebracht.

Ten aanzien van derde personen die geen partij in het geding geweest zijn, wenden zij zich tot de burgerlijke rechtbank.

Art. 431

De beschuldigde die door een Hof van Assisen is vrijgesproken kan niet meer worden vervolgd wegens dezelfde feiten, ongeacht de juridische omschrijving daarvan.

Art. 432

Wanneer in de loop van de debatten een ander feit aan de beschuldigde wordt ten laste gelegd, hetzij op grond van stukken, hetzij op grond van verklaringen van getuigen, geeft de voorzitter, na hem te hebben vrijgesproken van de beschuldiging, het bevel dat hij wegens het nieuwe feit zal worden vervolgd; dientengevolge verwijst hij hem, onder bevel tot verschijning of tot medebrenging, volgens de onderscheidingen in artikel 91 van het Wetboek van Strafvordering gemaakt, en zo nodig onder bevel tot aanhouding, naar de onderzoeksrechter van het arrondissement waar het hof zitting houdt, ten einde een nieuw onderzoek te doen plaatshebben.

Deze bepaling wordt alleen toegepast ingeval het openbaar ministerie, vóór het sluiten van de debatten, voorbehoud heeft gemaakt met het oog op vervolging.

Art. 433

Wanneer de beschuldigde schuldig verklaard is, vordert de procureur-generaal de toepassing van de wet.

De voorzitter vraagt aan de beschuldigde of hij niets tot zijn verdediging heeft in te brengen.

De beschuldigde en zijn raadsman mogen niet meer pleiten dat het feit niet gepleegd is, maar alleen dat het door de wet niet verboden is of volgens de wet geen misdrijf is of nog dat het niet de straf verdient waarvan de procureur-generaal de toepassing heeft gevorderd.

Art. 434

Het hof ontslaat de beschuldigde van rechtsvervolging, indien het feit waaraan hij schuldig is verklaard, niet door een strafwet verboden is.

Art. 435

Indien dit feit verboden is, zelfs wanneer het niet meer behoort tot de bevoegdheid van het Hof van Assisen, doet de voorzitter de beschuldigde verwijderen uit de gehoorzaal en het hof begeeft zich met de gezworenen naar hun kamer. Het aldus samengestelde college, door de voorzitter van het hof voorgezeten, beraadslaagt over de straf die overeenkomstig de strafwet moet worden uitgesproken.

De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

De voorzitter doet hoofdelijke omvraag; eerst brengen de gezworenen hun gevoelen uit, te beginnen met de jongste, vervolgens de magistraten-assessoren, te beginnen met de jongstbenoemde, en tenslotte de voorzitter.

Indien verschillende gevoelens zijn uitgedrukt, wordt opnieuw gestemd.

Blijven na deze tweede stemming meer dan twee gevoelens bestaan zonder dat een ervan de volstrekte meerderheid heeft behaald, dan zijn de rechters of de gezworenen, die zich het minst gunstig ten aanzien van de beschuldigde hebben uitgesproken, verplicht zich met een van de andere gevoelens te verenigen.

Blijven nadien nog meer dan twee meningen bestaan zonder dat een ervan de volstrekte meerderheid heeft behaald, dan wordt de bepaling van het vorige lid opnieuw toegepast, totdat een van de gevoelens de volstrekte meerderheid heeft behaald.

Op voorstel van de voorzitter wordt bij volstrekte meerderheid vervolgens beslist over de formulering van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf.

Art. 436

Ieder veroordelend arrest maakt melding van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf.

Art. 437

De beschuldigde die veroordeeld wordt, wordt verwezen in de kosten jegens de Staat.

Art. 438

Het hof en de gezworenen keren vervolgens naar de gehoorzaal terug en nemen opnieuw hun plaats in. De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en leest luidop het arrest voor; hij wijst ook de tekst aan van de wet waarop de veroordeling gegrond is.

Na uitspraak van het arrest kan de voorzitter naar gelang van de omstandigheden de beschuldigde aansporen tot moed, tot gelatenheid of tot verbetering van zijn gedrag. Hij deelt hem mee dat hij zich in cassatie kan voorzien en binnen welke termijn.

Art. 439

In geval van ontslag van rechtsvervolging zowel als in geval van veroordeling, doet het hof uitspraak over de schadevergoeding of de teruggaven waarop de burgerlijke partij aanspraak maakt.

Deze stelt haar eis. De beschuldigde en zijn raadsman mogen slechts pleiten dat het feit geen grond oplevert tot schadevergoeding aan de burgerlijke partij of dat deze de haar verschuldigde schadevergoeding te hoog stelt. De procureur-generaal wordt gehoord in zijn advies.

Art. 440

Vervolgens beraadslagen de rechters en brengen hun gevoelen uit met gedempte stem; zij kunnen zich te dien einde naar de raadkamer begeven, maar het arrest wordt door de voorzitter luidop uitgesproken in tegenwoordigheid van het publiek en de beschuldigde.

Het hof kan een van de rechters opdracht geven om partijen te horen, kennis te nemen van de stukken en over een en ander verslag uit te brengen zoals bepaald is in artikel 429.

Art. 441

Het hof veroordeelt de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten jegens de burgerlijke partij; het kan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, veroordelen in de kosten jegens de Staat en jegens de beschuldigde of in een gedeelte ervan.

Art. 442

Het hof beveelt dat de in beslag genomen voorwerpen aan de eigenaar zullen worden teruggegeven.

In geval van veroordeling evenwel geschiedt die teruggave slechts indien de eigenaar bewijst dat de veroordeelde de termijn heeft laten verstrijken zonder zich in cassatie te voorzien of, heeft hij zich wel voorzien, dat de zaak definitief afgedaan is.

Art. 443

De arresten worden geschreven door de griffier en getekend door de voorzitter, of, indien deze verhinderd is te tekenen, door de oudstbenoemde rechter; zij vermelden, op straffe van geldboete van honderd euro ten laste van de griffier, de aanwijzing door de voorzitter van de tekst van de toegepaste strafwet.

Art. 444

De griffier maakt een proces-verbaal van de terechtzitting op, teneinde vast te stellen dat de voorgeschreven vormen in acht genomen zijn.

In het proces-verbaal wordt geen melding gemaakt van de antwoorden der beschuldigden of van de inhoud der getuigenissen; onverminderd evenwel de toepassing van artikel 391 aangaande de veranderingen, verschillen en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuigen.

Het proces-verbaal wordt getekend door de voorzitter en door de griffier.

Ontbreekt het proces-verbaal, dan wordt de griffier gestraft met geldboete van vijfhonderd euro.

Art. 445

De veroordeelde heeft vijftien dagen na de dag waarop het arrest vóór hem is uitgesproken, om ter griffie te verklaren dat hij een eis tot cassatie instelt.

De procureur-generaal kan binnen dezelfde termijn ter griffie verklaren dat hij zich in cassatie voorziet tegen het arrest.

De burgerlijke partij beschikt ook over dezelfde termijn; maar zij kan de eis tot cassatie slechts instellen ten opzichte van de beschikkingen betreffende haar burgerlijke belangen.

De tenuitvoerlegging van het arrest van het hof is geschorst gedurende die vijftien dagen en, indien er een voorziening in cassatie is ingesteld, tot de ontvangst van het arrest van het Hof van Cassatie.

Art. 446

De veroordeling wordt ten uitvoer gelegd binnen vierentwintig uren na de in artikel 445 vermelde termijnen, indien er geen voorziening in cassatie is, of, in geval van voorziening, binnen vierentwintig uren na de ontvangst van het arrest van het Hof van Cassatie waarbij de eis is verworpen.

Art. 447

De veroordeling wordt ten uitvoer gelegd op bevel van de procureur-generaal; hij heeft het recht te dien einde rechtstreeks de bijstand van de openbare macht te vorderen.

Indien het veroordelend arrest de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken die zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden, stelt het openbaar ministerie de minister van Justitie daarvan in kennis en zendt het hem een afschrift van het strafdossier toe.

Art. 448

Indien de veroordeelde een verklaring wenst te doen, wordt deze afgenomen door een van de rechters van de plaats der tenuitvoerlegging, bijgestaan door de griffier.

Art. 449

Het proces-verbaal van tenuitvoerlegging wordt, op straffe van geldboete van honderd euro, door de griffier binnen vierentwintig uren opgemaakt en onderaan op de minuut van het arrest overgeschreven. De overschrijving wordt door hem getekend en hij maakt van alles, op straffe van een zelfde geldboete, melding op de kant van het proces-verbaal. Die vermelding wordt eveneens getekend en de overschrijving heeft bewijskracht zoals het proces-verbaal zelf.

Art. 450

Wanneer aan de beschuldigde, tijdens de debatten die het veroordelend arrest zijn voorafgegaan, andere misdaden dan die waarvan hij beschuldigd was, worden ten laste gelegd, hetzij op grond van stukken, hetzij op grond van verklaringen van getuigen, en indien op deze nieuw aan het licht gekomen misdaden een zwaardere straf staat dan op de eerste, of indien de beschuldigde aangehouden medeplichtigen heeft, beveelt het hof dat hij wegens deze nieuwe feiten zal worden vervolgd met inachtneming van de bij dit wetboek voorgeschreven vormen.

In beide gevallen schorst de procureur-generaal de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij de eerste veroordeling is uitgesproken, totdat uitspraak is gedaan in het tweede geding.

Art. 451

Alle minuten van de arresten, door de assisen gewezen, worden verzameld en neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg in de hoofdplaats van de provincie.

Dit geldt niet voor de minuten van de arresten, gewezen door het Hof van Assisen van de provincie waar het hof van beroep zijn zetel heeft; zij blijven op de griffie van dit hof berusten.

Onderafdeling 5

De verstekprocedure en het verzet

Art. 452

Wanneer de beschuldigde, die zich niet in hechtenis bevindt, zich niet aanmeldt of zich niet door een advocaat laat vertegenwoordigen op de voor de opening van de debatten vastgestelde datum, geeft de voorzitter van het Hof van Assisen terstond een beschikking houdende dat die beschuldigde bij verstek zal worden berecht.

Vervolgens zal te werk worden gegaan zoals bepaald in onderafdeling 3 van deze afdeling.

Art. 453

De arresten van het Hof van Assisen houdende veroordeling bij verstek van de beschuldigde worden aan deze laatste betekend.

De bij verstek veroordeelde kan in verzet komen op de wijze bepaald in de artikelen 457 en volgende.

Art. 454

Het verzet wordt betekend aan de procureur-generaal en aan de partijen tegen wie het gericht is.

Art. 455

Er wordt volgens de gewone vormvoorschriften een rechtsdag bepaald op een volgende zitting van het Hof van Assisen.

Art. 456

Het Hof van Assisen, dat zitting houdt zonder bijstand van de jury, doet uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzet. Indien de eiser in verzet of de advocaat die hem vertegenwoordigt niet verschijnt, wordt het verzet ongedaan verklaard.

Zo het verzet ontvankelijk wordt verklaard, wordt de veroordeling nietig verklaard en wordt de zaak berecht overeenkomstig de bepalingen in onderafdeling 3 van deze afdeling.

HOOFDSTUK 3

De gewone rechtsmiddelen

Afdeling 1

Het verzet

Art. 457

Een beslissing wordt geacht bij verstek te zijn gewezen indien de partij, of de advocaat die haar vertegenwoordigt, afwezig was bij de vordering van het openbaar ministerie en geen tegenspraak heeft kunnen voeren omtrent de feiten die tot de vervolging aanleiding hebben gegeven, of indien zij haar vordering niet heeft kunnen stellen of zich niet heeft kunnen verdedigen met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering.

Art. 458

Elke bij verstek veroordeelde partij, kan tegen de beslissing in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het vonnis is betekend.

Is de betekening van de beslissing niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen op ten laatste binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.

Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening van de beslissing kennis heeft gekregen, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.

Art. 459

Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie en aan de andere partijen in de zaak.

Wanneer de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt, kan hij in verzet komen, wat de veroordelingen tot straf betreft, door middel van een verklaring gericht aan de directeur van de strafinrichting of aan zijn gemachtigde. Deze laatste maakt van die verklaring proces-verbaal op en stelt het openbaar ministerie en de betrokken partijen onverwijld hiervan kennis.

Art. 460

Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt.

Het wordt als ongedaan beschouwd indien noch de eiser in verzet, noch de advocaat die hem vertegenwoordigt, verschijnen, en het vonnis, op het verzet gewezen, kan door de partij die verzet heeft gedaan, alleen worden bestreden door hoger beroep.

Art. 461

Het ontvankelijk verklaard verzet doet het vonnis van rechtswege teniet en brengt de eiser in verzet in dezelfde toestand alsof de beslissing, inzake de bestreden bepalingen, niet was uitgesproken. Het verzet laat evenwel de daarvoor gevoerde rechtspleging bestaan. Onder voorbehoud van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, kan de rechter derhalve steunen op getuigenverhoren, deskundigenonderzoeken en andere onderzoeksmaatregelen verricht tijdens de rechtspleging bij verstek.

De door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is.

Art. 462

Het verzet kan alleen ten goede komen aan de partij die in verzet is gekomen en kan in de regel geen aanleiding geven tot een verzwaring van haar toestand.

Met uitzondering van de onmiddellijke aanhouding bedoeld in artikel 274, § 2, kan een vonnis waartegen verzet is gedaan niet ten uitvoer worden gelegd.

De gewone termijn van verzet heeft eveneens schorsende kracht ten aanzien van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke en burgerrechtelijke veroordelingen.

Indien het verzet niet werd betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, zal kunnen overgegaan worden tot de tenuitvoerlegging van de veroordelingen.

Art. 463

Een benadeelde partij kan zich evenwel voor het eerst burgerlijke partij stellen, tijdens een debat over het verzet, gedaan door de beklaagde in eerste aanleg.

Afdeling 2

Het hoger beroep

Art. 464

Tegen vonnissen in correctionele zaken en politiezaken staat hoger beroep open, behalve indien de wet daar anders over beslist of indien het gaat om een maatregel van inwendige aard die aan een partij geen enkel nadeel berokkent.

Art. 465

Het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en door de correctionele rechtbanken behoort :

1º aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij;

2º aan de burgerlijke partij wat haar burgerlijke belangen betreft, alsook aan de tussenkomende partij;

3º aan de besturen die bij wet gemachtigd zijn de strafvordering uit te oefenen;

4º aan het openbaar ministerie bij het hof die over het beroep uitspraak moet doen;

5º naar gelang van het geval aan de procureur des Konings of aan de arbeidsauditeur;

6º aan de personen die, zonder partij geweest te zijn in het geding dat door het vonnis wordt beëindigd, partij worden bij het geding omdat tegen hen een veroordeling of een sanctie uitgesproken wordt.

Art. 466

§ 1. Behoudens de uitzondering van artikel 468 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats.

§ 2. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over een bijkomende termijn van vijf dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke partijen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig § 4.

§ 3. Gedurende die termijnen en gedurende de rechtspleging in hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep.

§ 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.

Art. 467

De beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de burgerlijke partij en de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij kunnen hoger beroep instellen, hetzij in persoon, hetzij door een advocaat.

Art. 468

Het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, moet, op straffe van verval, binnen vijfentwintig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis, zijn beroep betekenen, hetzij aan de beklaagde, hetzij aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke partij, hetzij aan de tussenkomende partij. Het exploot bevat dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van hetzelfde tijdstip.

Art. 469

Tegen alle definitieve vonnissen gewezen in eerste aanleg staat hoger beroep open.

Het hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, ongeacht of het gaat om een incidentele beslissing, een beslissing alvorens recht te doen of een beslissing ten gronde die op tegenspraak of bij verstek is gewezen.

Art. 470

Bij akte van hoger beroep wordt de zaak aanhangig gemaakt bij het gerecht in hoger beroep en wordt de draagwijdte van de aanhangigmaking bepaald, onverminderd de mogelijkheid voor het gerecht in hoger beroep om de zaak overeenkomstig artikel 347 aan zich te trekken.

Art. 471

Indien een partij hoger beroep heeft ingesteld, kan de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt geen beslissing wijzen welke voor die partij minder gunstig is dan de oorspronkelijke, onder voorbehoud van het hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie, wat de strafvordering betreft, en ingesteld door de andere partijen, wat de burgerlijke rechtsvordering betreft.

Art. 472

Is er een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Dit geldt eveneens inzake voorlopige hechtenis om een voor de beklaagde gunstige beschikking te kunnen wijzigen.

HOOFDSTUK 4

De tenuitvoerlegging van vonnissen

Art. 473

Overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van de Grondwet worden de arresten en vonnissen in naam des Konings ten uitvoer gelegd.

De arresten en vonnissen worden, wat de bepalingen over de strafvordering betreft, ten uitvoer gelegd op verzoek van het openbaar ministerie en wat de burgerlijke belangen betreft, op vraag van de burgerlijke partij. Het openbaar ministerie kan te dien einde rechtstreeks de bijstand van de openbare macht vorderen.

De vervolgingen tot invordering van geldboeten en van verbeurdverklaarde zaken worden evenwel in naam van de procureur des Konings gedaan door de directeur van registratie en domeinen.

Indien het veroordelend vonnis de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken die zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden, stelt het openbaar ministerie de minister van Justitie daarvan in kennis en zendt het hem een afschrift van het strafdossier toe.

Art. 474

De wijzen van tenuitvoerlegging van de verscheidene straffen en maatregelen uitgesproken door de strafgerechten worden bij wet bepaald.

Art. 475

Indien de veroordeelde stelt dat de beslissing van het openbaar ministerie strijdig is met de wettelijke voorschriften of met de inhoud van rechterlijke beslissingen, is het gerecht dat de beslissing heeft gewezen bevoegd om de moeilijkheid te beslechten.

HOOFDSTUK 5

De uitwissing en het herstel in eer en rechten

Afdeling 1

De uitwissing

Art. 476

Veroordelingen tot een politiestraf worden uitgewist na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken.

Het vorige lid is niet van toepassing op veroordelingen die een vervallenverklaring of ontzetting inhouden uitgesproken volgens het vonnis waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, tenzij het gaat om een verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid, uitgesproken op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer.

Art. 477

Uitwissing van veroordelingen heeft de gevolgen van herstel in eer en rechten.

Afdeling 2

Het herstel in eer en rechten

Art. 478

Iedere veroordeelde tot straffen die niet kunnen worden uitgewist overeenkomstig artikel 476, kan in eer en rechten hersteld worden, indien hij sedert ten minste tien jaar geen zodanig herstel heeft genoten.

Indien het herstel in eer en rechten sedert minder dan tien jaar is verleend en alleen betrekking heeft op de veroordelingen bedoeld in artikel 484, kan het Hof evenwel beslissen dat zulks geen beletsel vormt voor een nieuw herstel in eer en rechten voor het verstrijken van deze termijn.

Art. 479

De veroordeelde moet de vrijheidsstraffen hebben ondergaan en de geldstraffen hebben gekweten, tenzij die straffen krachtens het recht van genade kwijtgescholden zijn, of, indien zij voorwaardelijk zijn uitgesproken of voorwaardelijk zijn geworden bij genademaatregel, als niet bestaande worden beschouwd. Is de straf verjaard, dan kan de veroordeelde alleen in eer en rechten hersteld worden wanneer de niet-uitvoering niet aan hem te wijten is.

Art. 480

De veroordeelde moet voldaan hebben aan de in het vonnis bepaalde verplichting tot teruggave, schadevergoeding en betaling van kosten, en indien hij veroordeeld is wegens overtreding van artikel 489ter van het Strafwetboek moet hij het passief van het faillissement, hoofdsom, interesten en kosten, hebben gekweten.

Het hof dat over het verzoek tot eerherstel moet beslissen, kan de veroordeelde evenwel van deze voorwaarde ontslaan, indien hij aantoont dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om aan die verplichtingen te voldoen hetzij wegens zijn onvermogen, hetzij wegens enig ander feit waaraan hij geen schuld heeft. Het hof kan in dat geval, onverminderd de rechten van de schuldeisers, ook het gedeelte bepalen van de teruggave, de schadevergoeding, de gerechtskosten en het passief, dat de veroordeelde moet hebben voldaan alvorens hem herstel in eer en rechten kan worden toegestaan.

Art. 481

Herstel in eer en rechten is afhankelijk van een proeftijd gedurende welke de verzoeker een vaste verblijfplaats in België of in het buitenland moet hebben gehad, blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag moet zijn geweest.

Het hof moet bij zijn beoordeling inzonderheid rekening houden met de moeite door de verzoeker gedaan om de uit de misdrijven voortvloeiende schade die niet gerechtelijk mocht zijn vastgesteld, te herstellen.

Art. 482

De proeftijd, die voortduurt tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen, loopt :

1º van de dag van de voorwaardelijke veroordeling;

2º van de dagtekening van het koninklijk genadebesluit waarbij de straf voorwaardelijk wordt gemaakt;

3º van de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, mits de definitieve invrijheidstelling verkregen is ten tijde van het indienen van de aanvraag;

4º in de overige gevallen bedoeld bij artikel 479, van de dag van het verval van de straffen of van de dag waarop zij verjaren, voor zover de niet-uitvoering niet te wijten is aan de verzoeker.

Art. 483

De minimumduur van de proeftijd is bepaald op drie jaar voor veroordelingen tot politiestraffen of correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar niet te boven gaan. Die termijn wordt echter op ten minste zes jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de regering is gesteld ingevolge artikel 23, tweede lid, van de wet van 9 april 1930, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers.

De minimumduur van de proeftijd is bepaald op vijf jaar voor veroordelingen tot criminele straffen of tot correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar te boven gaan. Die termijn wordt echter op ten minste tien jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de regering is gesteld ingevolge artikel 23, tweede lid, van de wet van 9 april 1930, als gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers.

Wat de voorwaardelijke veroordelingen betreft, mag de duur van de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel, tenzij deze bij genademiddel werd verminderd.

Art. 484

Indien de verzoeker tijdens de proeftijd bedoeld in de vorige artikelen veroordeeld is tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van :

­ de artikelen 242, 263, 283, 285, 294, 295, tweede lid, 361, 362, 419, 420, 421, 422 en 519 van het Strafwetboek;

­ de artikelen 333 en 334 van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op gevallen van nalatigheid;

­ bijzondere wetten en verordeningen, kan het hof beslissen dat deze veroordelingen geen beletsel vormen voor de toekenning van het herstel in eer en rechten.

Art. 485

De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft, waarbij hij de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft, de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven en, in voorkomend geval, de in artikel 484 bedoelde veroordelingen moet vermelden.

Verblijft hij in het buitenland, dan wordt de aanvraag gericht aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.

De aanvraag kan ten vroegste een jaar vóór het verstrijken van de in artikel 483 bedoelde termijn worden ingediend.

Art. 486

De procureur des Konings laat zich afgeven :

1º een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;

2º een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken de verzoeker betreffende.

Die uittreksels vermelden, benevens de juiste aard der feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten;

3º een uittreksel uit het moraliteitsregister van de verzoeker gehouden tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraffen of van de maatregelen van vrijheidsbeneming die hij heeft ondergaan;

4º de verklaringen van de burgemeesters der gemeenten waar de verzoeker gedurende de proeftijd heeft verbleven, betreffende het tijdstip en de duur van zijn verblijf in elke gemeente, zijn beroepsbezigheid, zijn middelen van bestaan en zijn gedrag gedurende die tijd.

Wanneer de verzoeker in het buitenland verblijft of heeft verbleven, bepaalt de procureur des Konings welke verklaringen moeten worden overgelegd ter vervanging van de hierboven bedoelde, of verschaft zich de nodige bescheiden.

De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal. Wanneer de veroordeelde een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld bij de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld bij de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, moet het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten bevatten.

Art. 487

Binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag legt de procureur-generaal de processtukken voor aan de kamer van inbeschuldigingstelling die binnen een maand de zaak behandelt en beslist met gesloten deuren.

Oordeelt de procureur-generaal dat het verschijnen van de verzoeker niet onontbeerlijk is en dat er grond bestaat om de aanvraag in te willigen, dan kan het hof zonder verdere formaliteiten herstel in eer en rechten verlenen.

In de overige gevallen worden de procureur-generaal, de verzoeker en zijn raadsman gehoord.

Het dossier wordt gedurende ten minste vijf dagen ter beschikking gesteld van de verzoeker en van zijn raadsman.

De verzoeker verschijnt op een dagvaarding die hem door de procureur-generaal ten minste acht vrije dagen vóór de vastgestelde dag wordt gedaan.

Oordeelt het hof, na de verschijning, dat een onderzoek nodig is, dan bepaalt het de feiten waarop dit moet slaan, wijst het de getuigen aan en stelt een dag vast voor hun verhoor.

Dadelijk na het verhoor van de getuigen worden de procureur-generaal, de verzoeker en zijn raadsman opnieuw gehoord.

De getuigen worden opgeroepen door de zorg van de procureur-generaal. Hun verschijning, verhoor en vergoedingen worden geregeld als voor de getuigen in correctionele zaken.

De verzoeker moet in persoon verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken.

Indien hij niet verschijnt zonder een wettige reden van verschoning aan te voeren, wijst het hof zijn aanvraag af.

Voert hij zodanige reden wel aan, dan zet het hof, na de raadsman te hebben gehoord, de behandeling van de zaak voort of stelt deze uit.

Art. 488

Indien het hof de aanvraag afwijst, mag deze pas worden hernieuwd na verloop van twee jaren na de dagtekening van het arrest. In het afwijzend arrest mag het hof een kortere termijn stellen, behalve wanneer het herstel in eer en rechten geweigerd wordt wegens gemis van verbetering of van goed gedrag.

Indien het hof herstel verleent, wordt het arrest door de zorg van de procureur-generaal ten uitvoer gelegd.

Art. 489

Van het herstel in eer en rechten wordt melding gemaakt op de kant van de eindarresten of -vonnissen waarvoor het wordt verleend; een uittreksel uit het arrest wordt gezonden aan de minister van Justitie, aan de procureur des Konings die verslag heeft gedaan, aan de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker zijn woonplaats heeft en, wanneer deze laatste nog dienstplichtig is, aan de auditeur-generaal.

De in eer en rechten herstelde kan zich een uitgifte van het arrest van herstel doen afgeven.

Art. 490

De kosten van de rechtspleging tot herstel in eer en rechten komen ten laste van de verzoeker. Zij worden geregeld zoals in correctionele zaken.

De griffier van het Hof stelt de verzoeker bij een ter post aangetekende brief in kennis van het bedrag van de procedurekosten, waarbij aan betrokkene wordt gevraagd daarvan binnen twee maanden na de uitspraak ter griffie betaling te doen.

Een kopie van de kwitantie wordt bij het dossier gevoegd en het arrest wordt vervolgens ten uitvoer gelegd overeenkomstig artikel 488, tweede lid.

Art. 491

Herstel in eer en rechten doet voor het toekomende alle gevolgen van de veroordeling ophouden in de persoon van de veroordeelde, onverminderd de rechten door derden verkregen,

en met name :

het doet in de persoon van de veroordeelde de onbekwaamheden ophouden die uit de veroordeling zijn voortgevloeid;

het verhindert dat die beslissing als grondslag dient voor de herhaling, een beletsel vormt voor de voorwaardelijke veroordeling of in de uittreksels uit het strafregister of uit het militair stamboek wordt vermeld;

het herstelt de veroordeelde niet in de titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen die hij door afzetting verloren heeft;

het ontheft hem niet van de onwaardigheid om te erven;

het verhindert noch de rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, noch de rechtsvordering tot schadevergoeding, die op de rechterlijke beslissing gegrond is.

HOOFDSTUK 6

De gerechtskosten

Art. 492

De gerechtskosten omvatten de kosten die ambtshalve of op verzoek van de openbare partij zijn gemaakt met het oog op de opsporing en de vervolging van misdrijven, alsook op de tenuitvoerlegging van beslissingen van strafgerechten, alsook de kosten gemaakt op verzoek van en voor de verdediging van de burgerlijke partij, de beklaagde of de beschuldigde.

Art. 493

Ieder veroordelend vonnis uitgesproken tegen de beklaagde, de rechtspersoon en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen voor het misdrijf, veroordeelt hen jegens de openbare partij in de kosten.

Art. 494

De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in een gedeelte van de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde. Zij wordt veroordeeld in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald.

Art. 495

De gerechtskosten in strafzaken worden vastgesteld bij koninklijk besluit.

HOOFDSTUK 7

Het Centraal Strafregister

Art. 496

Het Centraal strafregister, hierna « Strafregister » genoemd, is een systeem van geautomatiseerde verwerking gehouden onder het gezag van de minister van Justitie waarin, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, gegevens betreffende beslissingen genomen in strafzaken of ter bescherming van de maatschappij worden geregistreerd, bewaard en gewijzigd.

De doelstelling van het Strafregister bestaat erin de daarin geregistreerde gegevens mede te delen aan :

1º de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken;

2º de administratieve overheden met het oog op de toepassing van bepalingen waarvoor kennis is vereist van het gerechtelijk verleden van de personen op wie administratieve maatregelen betrekking hebben;

3º particulieren ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;

4º buitenlandse overheden in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten.

De gegevens worden geregistreerd door de griffies van de hoven en rechtbanken of door de dienst van het Strafregister van het ministerie van Justitie.

Overeenkomstig artikel 8, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens kunnen deze gegevens dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van het ministerie van Justitie.

Art. 497

Volgende persoonsgegevens worden in het Strafregister opgenomen :

1º veroordelingen tot criminele, correctionele of politiestraffen;

2º beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatie-opschorting, beslissingen tot herroeping van de opschorting of van de probatie-opschorting, alsook beslissingen waarbij een gewone opschorting wordt vervangen door een probatie-opschorting, overeenkomstig artikel 226 en de artikelen 3 tot 6 en 13 van de wet van 29 juni 1964 betreffende het uitstel, de opschorting en de probatie;

3º beslissingen tot herroeping van het probatie-uitstel, overeenkomstig artikel 14 van dezelfde wet;

4º beslissingen tot internering, tot definitieve invrijheidstelling of invrijheidstelling op proef, tot wederopneming in de maatschappij, die zijn genomen ten aanzien van abnormalen overeenkomstig de artikelen 7 en 18 tot 20 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers;

5º beslissingen tot terbeschikkingstelling van de regering en internering die overeenkomstig de artikelen 22, 23, 23bis, 25bis en 26 van dezelfde wet zijn genomen ten aanzien van recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele misdrijven;

6º beslissingen tot internering van de veroordeelden bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet, alsook beslissingen op grond waarvan hun terugkeer naar de strafinrichting wordt gelast;

7º ontzettingen uit de ouderlijke macht en herstel ervan, de maatregelen opgesomd in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming die worden uitgesproken ten aanzien van minderjarigen, alsook opheffingen en wijzigingen van die maatregelen welke overeenkomstig artikel 60 van dezelfde wet door de jeugdrechtbank worden uitgesproken;

8º vernietigingsarresten uitgesproken op grond van de artikelen 416 tot 442 of van de artikelen 443 tot 447bis van het Wetboek van Strafvordering;

9º intrekkingsbeslissingen genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof;

10º beslissingen tot uitlegging of verbetering;

11º arresten van herstel in eer en rechten uitgesproken op grond van de artikelen 478 tot 491 van dit wetboek;

12º besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 9 december 1943 op het herstel in eer en rechten van zeelieden en op het verdwijnen van strafvervolgingen en straffen voor bepaalde maritieme inbreuken;

13º besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 22 april 1918 op het militair eerherstel;

14º genadebesluiten;

15º beslissingen tot toekenning of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

16º beslissingen in strafzaken genomen door buitenlandse rechtscolleges ten aanzien van Belgen, die krachtens internationale overeenkomsten ter kennis van de Belgische regering worden gebracht, alsook maatregelen tot amnestie, uitwissing van de veroordeling of herstel in eer en rechten, genomen door een buitenlandse overheid, welke een invloed kunnen hebben op die beslissingen en aan de Belgische regering zijn medegedeeld.

In het Strafregister worden ook bijkomende straffen, vervangende straffen en veiligheidsmaatregelen geregistreerd, alsook het gewone of het probatie-uitstel verbonden aan veroordelingen.

Reeds geregistreerde veroordelingen vernietigd ingevolge een verzet aangetekend tijdens de buitengewone verzetstermijn of een verwijzing na nietigverklaring, worden uit het Strafregister gewist.

Art. 498

De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de dienst van het Strafregister van het ministerie van Justitie, alsook de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1º tot 8º, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen.

Voornoemde overheidspersonen mogen de identificatienummers van het Rijksregister van natuurlijke personen alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen personen.

Zij kunnen de bevoegdheden bedoeld in de vorige leden overdragen aan één of meer, schriftelijk bij naam aangewezen personen, die ermee worden belast de gegevens in het Strafregister in te voeren. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord zijn door de behoeften van de dienst.

De personen bedoeld in artikel 500 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1º tot 9º, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die machtigingen worden verleend.

Art. 499

De griffiers maken de in artikel 497 opgesomde beslissingen over aan het Strafregister, binnen de drie dagen volgend op de dag waarop die in kracht van gewijsde zijn gegaan.

Wanneer de veroordeling een rechtspersoon betreft, zenden de griffiers deze beslissingen toe aan de griffie van de rechtbank waar de statuten van die rechtspersoon zijn neergelegd.

Indien de rechtspersoon in België geen statuten heeft neergelegd of indien het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon, worden die beslissingen toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Ze zijn verantwoordelijk voor de conformiteit van de overgezonden gegevens met de door de rechtscolleges uitgesproken beslissingen.

Art. 500

De magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de politieambtenaren bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voorzien in artikel 3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de inlichtingendiensten in de zin van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, de leden van de Cel voor de verwerking van financiële informatie alsook de personeelsleden ervan die bekleed zijn met een graad welke overeenstemt met niveau 1 bij de ambtenaren, schriftelijk bij naam aangewezen, hebben steeds en uitsluitend in het kader van hun bij wet bepaalde opdrachten waarvoor kennis van gegevens uit het Strafregister is vereist, toegang tot de daarin opgenomen persoonsgegevens, met uitzondering van :

1º veroordelingen waarvoor amnestie is verleend;

2º beslissingen vernietigd op grond van de artikelen 416 tot 442 of van de artikelen 443 tot 447bis van het Wetboek van Strafvordering;

3º beslissingen tot intrekking genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof;

4º veroordelingen en beslissingen uitgesproken op grond van een opgeheven wetsbepaling, op voorwaarde dat de strafbaarheid van het feit is opgeheven.

De magistraten van het openbaar ministerie kunnen deze bevoegdheid binnen het openbaar ministerie overdragen aan een of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen. De onderzoeksrechters kunnen deze bevoegdheid overdragen aan hun griffier.

Art. 501

De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van :

1º de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 500, 1º tot 4º;

2º arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;

3º beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatie-opschorting;

4º de beslissingen die veroordeelden tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek.

Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 euro en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan die overheden absoluut kennis moeten hebben om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen.

Zij hebben wel toegang tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming, onder de voorwaarden vastgesteld in dat artikel.

Art. 502

Een ieder die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, met uitzondering van :

1º de in artikel 501, 1º tot 4º bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen;

2º maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964;

3º de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.

Veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 euro en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden niet meer op dit uittreksel vermeld na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve als ze in het vonnis, voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring waarvan de gevolgen de duur van 3 jaar overstijgen.

Dit uittreksel wordt uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats van betrokkene onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van het ministerie van Justitie.

Een ieder die zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, conform artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Art. 503

Wanneer het uittreksel evenwel wordt aangevraagd teneinde toegang te krijgen tot een activiteit waarvan de toegangs- of uitoefeningsvoorwaarden bij wets- of verordeningsbepalingen zijn vastgesteld, worden de veroordelingen bedoeld in artikel 502, tweede lid vermeld indien zij een ontzetting of een vervallenverklaring inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken en die de betrokkene verbieden deze activiteit uit te oefenen.

Wanneer het uittreksel wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt, worden alle veroordelingen en de beslissingen bedoeld in artikel 497, 4º en 5º, voor feiten voorzien in de artikelen 354 tot 360, 368, 369, 372 tot 386ter, 398 tot 410, 422bis en 422ter van het Strafwetboek vermeld indien zij zijn gepleegd werden ten aanzien van een minderjarige en dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart.

Deze uittreksels worden uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats van de betrokkene onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, worden deze uittreksels uitgereikt door de dienst van het Strafregister van het ministerie van Justitie.

Art. 504

Uittreksels uit het Strafregister worden aan buitenlandse overheden uitgereikt in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten.

Art. 505

De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden personen, worden éénmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.

Art. 506

De raadpleging van het Strafregister en de afgifte van uittreksels kunnen aanleiding geven tot vergoedingen vastgesteld door de Koning.

Art. 507

De door het Strafregister meegedeelde gegevens vormen geen bewijs van de rechterlijke of administratieve beslissingen waarop zij betrekking hebben.

Art. 508

De personen die in de uitoefening van hun ambt meewerken aan het verzamelen, het verwerken of het toezenden van de in artikel 497 bedoelde gegevens, zijn gebonden door het beroepsgeheim. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.

Zij moeten alle maatregelen nemen die nodig zijn om de veiligheid van de geregistreerde gegevens te waarborgen, waarbij zij inzonderheid moeten verhinderen dat zij worden vervalst, beschadigd of meegedeeld aan personen die geen machtiging hebben om kennis ervan te nemen.

Zij moeten nagaan of de programma's voor de geautomatiseerde verwerking van de gegevens geschikt zijn en rechtmatig worden toegepast.

Zij moeten ervoor zorgen dat de gegevens op rechtmatige wijze worden overgezonden.

De identiteit van de personen die om raadpleging van het Strafregister verzoeken, wordt geregistreerd in een controlesysteem. Deze gegevens worden gedurende zes maanden bewaard.

Art. 509

De Koning kan maatregelen vaststellen die erop zijn gericht de veiligheid van de gegevens opgenomen in het Strafregister te waarborgen.

8 januari 2004.

Hugo VANDENBERGHE.
Philippe MAHOUX.
Hugo COVELIERS.
Christine DEFRAIGNE.
Ludwig VANDENHOVE.
Clotilde NYSSENS.
Alain ZENNER.

(1) Belgisch Staatsblad van 11 november 1991.

(2) Regeringsverklaring van 5 juni 1990, Parl. St. Senaat 1989-1990, 2051.

(3) Wetsontwerp tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 857/1.

(4) Belgisch Staatsblad van 2 april 1998.

(5) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6 (eerste verslag dd. 14 april 1997) en nr. 713/8 (tweede verslag dd. 16 februari 1998.

(6) Belgisch Staatsblad van 5 januari 1999.

(7) Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van het artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen, Belgisch Staatsblad van 17 maart 2001.

(8) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 158 tot 180.

(9) Cass. 16 november 1994, Pas. 1994, I, nr. 490 en AC 1994, nr. 490; Cass. 1 februari 1995, Pas. 1995, I, nr. 62 en AC 1995, nr. 62.

(10) Zie P. Lambert, « Interprétation de la Convention européenne des droits de l'homme », in Actes du colloque des 13 et 14 mars 1998, Institut de droit européen des droits de l'homme, Faculté de droit de l'université de Montpellier, Brussel, Bruylant, 1998, blz. 83; M.-A. Eyssen, « La Convention européenne des droits de l'homme », commentaires article par article, (ed.) L. Petiti, E. Decaux, Th. Imbert, Paris, Economica, 1995, blz. 65; J.-O. Vioux, « La Cour européenne des droits de l'homme et le principe de proportionalité, in Le principe de la proportionalité en droit belge et en droit français, Handelingen van het colloquium georganiseerd door de balies van Luik en Lyon van 24 november 1994, (ed.) Jeune Barreau de Liège, 1995, blz. 187 en volgende.

(11) EHRM, arrest Lehideux en Isorni t. Frankrijk van 23 september 1998, Receuil de arrêts et décisions 1998, VII, nrs 57 en 58, blz. 152; RTDH, 1999, blz. 351, noot G. Cohen-Jonathan : het Hof is van oordeel dat de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker in een democratische maatschappij disproportioneel en onnodig is, ermee rekening houdend dat op andere wijzen kan worden opgetreden, inzonderheid via burgerrechtelijke weg en besluit dat artikel 10 van het EVRM geschonden werd; zie ook EHRM, arrest Fresoz en Roire t. Frankrijk van 21 januari 1999, Receuil de arrêts et décisions 1999, I, nr. 36, 10; RTDH 1999, nr. 39, blz. 673 en volgende, noot Ch. Bigot.

(12) EHRM, arrest Kopp van 25 maart 1998, Recueil de arrêts et décisions 1998, II, blz. 524.

(13) EHRM, arrest Z. t. Finland van 25 februari 1997, Recueil de arrêts et décisions 1997, I, blz. 323.

(14) EHRM, arrest Puts t. Oostenrijk van 22 februari 1996, Recueil de arrêts et décisions 1996, I, blz. 312.

(15) Francqui ­ leerstoel 1992, Larcier, 1992.

(16) Léon Cornil, « De la nécessité de rendre à l'instruction préparatoire en matière pénale le caractère légal qu'elle a perdu », Openingsrede uitgesproken tijdens de plechtige terechtzitting naar aanleiding van de opening van de werkzaamheden van het hof van beroep te Brussel op 15 september 1931, RDP 1931, blz. 823.

(17) Commissie Straprocesrecht, Tussentijds verslag van 15 december 1998. De studie is gemaakt in samenwerking met de heer Christophe Meunier.

(18) Cass. 2 oktober 1997, Pas. 1997, I, 936; AC 1997, blz. 889, concl. Dubrulle; RW 1997-1998, blz. 814.

(19) Cass., veren. kam., 16 september 1998, JLMB 1998, blz. 1340 tot 1356, zaak Agusta-Dassault : « La Cour aura à apprécier, lors de l'examen du fond, s'il existe un lien de connexité »; AJT 1998-1999, blz. 207.

(20) Zie G. Demanet, « De l'incidence du concours, de la connexité et de l'indivisibilité sur la compétence des juridictions répressives. Quelques cas d'application. », RDP, 1991, blz. 77-108.

(21) Ibid.

(22) Zie Cass. 27 mei 1992, Pas. 1992, I, nr. 508; AC 1991-92, blz. 917, nr. 508; RDP, 1992, blz. 998, noot H. Bosly en JLMB 1992, blz. 983, noot A. Masset; Cass. 1 februari 1994, Pas. 1994, I, nr. 62; AC 1994, I nr. 62; Cass., veren. kam., 9 december 1997, AC 1997, blz. 1333, concl. Bresseleers; JT 1998, blz. 792, noot F. Kuty : arrest krachtens hetwelk het Hof beslist dat in geval van overschrijding van de redelijke termijn de rechter de straf kan beperken tot het wettelijke minimum, ofwel zich kan beperken tot de schuldigverklaring van de beklaagde en dit zonder een straf uit te spreken.

(23) Zie de conclusie van de heer procureur-generaal Krings onder Cass. 22 oktober 1996, Pas 1987, I, nr. 117; AC 1987, nr. 117.

(24) Zie KI Luik 20 maart 1986, JL 1986, blz. 263; Brussel 10 januari 1992, JT 1993, blz. 266, noot O. Klees; Kortrijk 20 september 1993, TMR 1996, blz. 371; Gent 28 september 1993, TGR 1994, blz. 128; Corr. Luik 30 mei 1996, JLMB 1996, blz. 1606, Corr. Brussel 30 mei 1997, JLMB 1997, blz. 1171; Corr. Namen 5 februari 1998, JLMB 1999, blz. 250.

(25) Wat de rechtsleer betreft, zie L. Arnou, « Is er nog toekomst voor de onontvankelijkheid van de strafvordering als sanctie van het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken », AJT 1995-1996, blz. 548-552; Ph. Traest, « Einde van de ontvankelijkheidssanctie bij overschrijding van de redelijke termijn », noot onder Cass. 1 februari 1994, TGR 1994, blz. 126-128; A. Khol, « Le dépassement du délai raisonnable et les juridictions d'instruction », noot onder RK Brussel 18 mei 1989, RTDH 1992, blz. 99-104.

(26) Zie Luik 25 juni 1986, JL 1986, blz. 678; Brussel 10 januari 1992, JLMB 1992, blz. 779; Corr. Luik, 30 mei 1996, JLMB 1996, blz. 1606; zie ook de conclusie van de hher procureur-generaal Krings onder Cass. 22 oktober 1986, Pas. 1987, blz. 241-245, in het bijzonder blz. 244; AC 1987, nr. 117.

(27) Het wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 21ter in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, van de heer G. Bourgeois (Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1961/001), krachtens hetwelk de overschrijfding van de redelijke termijn een vermindering van straf of een envoudige schuldigverklaring meebrengt, heeft aanleiding gegeven tot verschillende amendementen pleitend voor het verval van de strafvordering als sanctie voor de voerschrijding van de redelijke termijn : amendement nr. 1 van de heer du Bus de Warnaffe, Parl. St. Kamer 1998-1999, blz. 1961/2; amendement nr. 3 van de heer Giet, Parl. St. Kamer 1998-1999, 1961/0003.

(28) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 159 en volgende.

(29) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(30) Parl. stuk Kamer, 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(31) Parl. stuk Senaat, 1997-1998, nr. 1-704/4, blz. 349 tot 361.

(32) Ibid., blz. 361.

(33) A. Fettweis, Manuel de procédure civile, 2e uitgave, 1987, nr. 564, blz. 409 , verwijzing naar Cuche en Vincent, 11e uitgave, nr. 553.

(34) A.Fettweis, o.c., nr. 590, blz. 419-420.

(35) Cass. 24 maart 1947, Pas. 1947, I, blz. 123, concl. advocaat-generaal Hayoit de Termicourt en RDP 1946-1947, blz. 962, noot J. Richard, arrest dat meer dan een is bevestigd, zie de rechtspraak geciteerd door M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, 1989, blz. 132-133.

(36) JL Fagnart, « Les assurances de responsabilité dans la loi du 25 juin 1992 », in Question de droit des assurances, Colloque du 5 mai 1995, ULG, blz. 27.

(37) Zie Cass. 6 december 1995, JLMB 1996, 578, noot P. Monville en O. Klees; RW 1995-1996, noot A. De Nauw.

(38) Zie terzake het arrest van het Arbitragehof van 1 februari 1996, Belgisch Staatsblad van 28 februari 1996, blz. 4288, waarin is gested dat artikel 182 van het Wetboek van strafvordering geen schending inhoud van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

(39) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 165.

(40) Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het recht niet te antwoorden integraal deel uitmaakt van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, zie in ht bijzonder EHRM arrest Funke t. Frankrijk van 25 februari 1993, Publ. Cour eur. DH 1993, serie A, vol. 256, Jurisprudence fondamentale, 1993/4, 11, Dall., 1993, blz. 387, noot van J. Renucci, JCP, 1993, II, nr. 22.073, blz. 240; EHRM arrest Murray t. Verenigd Koninkrijk van 8 februari 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996, I, blz. 30; RDP 1996, blz. 960, noot I. Wattier en JLMB 1997, noot M. Neve en A. Sadzot.

(41) Parl. stuk Kamer, 1996-1997, nr. 713/6, blz. 160.

(42) Parl. stuk Kamer, 1996-1997, nr. 713/6, blz. 160.

(43) Arbitragehof 24 juni 1998, Belgisch Staatsblad van 25 september 1998, blz. 31.445; Journal des procès 1998, nr. 353 van 4 september 1998, 25, commentaar P. Chome en N. Galand, JLMB 1998, blz. 1280, noot A. Sadzot, « Le caractère contradictoire des expertises aux différents stades de la procédure pénale : derniers rebondissements »; Wat het belang van de tegenspraak in het kader van het deskundigenonderzoek betreft, zie in het bijzonder het arrest van het Arbitragehof van 30 april 1997 betreffende het deskundigenonderzoek gelast door een strafrechter in de hoedanigheid van feitenrechter, Belgisch Staatsblad van 19 juni 1997, blz. 16.447 en JLMB 1997, 788, noot A. Masset, « L'expertise au fond (enfin) contradictoire ».

(44) Parl. St. Senaat 1997-1998, nr. 704/4, blz. 43.

(45) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(46) A. Braas, Précis de procédure pénale, nr. 518, blz. 429.

(47) Parl. St. Kamer 1996-1997,nr. 713/6, blz. 160.

(48) Amendement nr. 153, neergelegd door mevrouw Delcourt-Pêtre, Parl. St. Senaat, 1997-1998, 1-704/4, Verslag namens de commissie voor de Justitie, blz. 333.

(49) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(50) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(51) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 161-162.

(52) Zie Hoeffler, Traité de l'instruction préparatoire, blz. 80, nr. 77.

(53) Artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek stelt : « De deskundigen vervullen hun opdracht onder toezicht van de rechter. Deze kan te allen tijde, ambtshalve of op verzoek, de verrichtingen bijwonen. »

(54) Zie P. E. Trousse, Les Novelles de droit pénal, I., blz. 84, nr. 3 640; Hoeffler, Traité de l'instruction préparatoire, nr. 77; P. Lurquin, Traité de l'expertise, II, 1987, blz. 29, nr. 536.

(55) Arbitragehof 24 juni 1998, Belgisch Staatsblad van 25 september 1998, blz. 445; Journal des Procès 1998, nr. 353 van 4 september 1998, 25 met commentaar door P. Chome en N. Galand, JLMB 1998, 1280, noot A. Sadzot, « Le caractère contradictoire des expertises aux différents stades de la procédure pénale : dernier rebondissements. », o.c., blz.1 288.

(56) Parl. St. Kamer, 1996-1997, nr. 713/6, blz. 163.

(57) Parl. St. Kamer 1996-1997, nr. 713/6, blz. 162.

(58) Cass. 24 april 2001, RW 2000-2001, blz. 918, noot B. De Smet.

(59) Zie Parl. St. Senaat 1997-1998, 1-704/4, Verslag namens de commissie voor de Justitie, 295 en volgende; Parl. St. Kamer 1996-1997, 857/17, blz. 33, 48 en 49.

(60) Op een bepaald ogenblik werd in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik aan de inverdenkinggestelde en aan diens raadsman de inzage in het strafdossier voor de behandeling door de kamer van inbeschuldigingstelling geweigerd met het voorwendsel dat dit niet door de wet was bepaald.

(61) Constant, Précis de droit pénal, principes généraux, Uitg. 1975, blz. 571, nr. 573.