Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-64

ZITTING 2002-2003

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Eerste minister

Vraag nr. 2498 van de heer Steverlynck d.d. 29 oktober 2002 (N.) :
Handelstransacties. ­ Betalingsachterstand. ­ Betalingscultuur van de overheid.

Recentelijk werd de richtlijn 2000/35/EG inzake de strijd tegen de betalingsachterstanden omgezet in Belgische wetgeving (wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties). Doel van deze wetgeving is de vaak te lange betalingstermijnen terug te dringen en zo de financiële situatie van onze ondernemingen te versterken. Vooral KMO's moeten het voordeel van de nieuwe regeling voelen.

De richtlijn 2000/35/EG is van toepassing op handelstransacties, waaronder ook worden begrepen de overheidsopdrachten en de transacties met overheidsondernemingen. De overheid wordt dus expliciet geviseerd door de regeling die de betalingsachterstanden moet bestrijden. Dit laatste is niet verwonderlijk, aangezien heel wat ondernemingen voornamelijk de overheid of overheidsbedrijven als voornaamste of een van hun voornaamste klanten hebben. In dit verband is het overbodig te verwijzen naar de onderhandelingsmacht welke de overheid of overheidsbedrijven hebben ten aanzien van heel wat leveranciers.

De overheid en de overheidsbedrijven hebben inzake betalingscultuur dus een voorbeeldfunctie te vervullen. Bijkomend kan erop gewezen worden dat de huidige wetgeving op de overheidsopdrachten niet in overeenstemming is met de richtlijn, en dat bijgevolg ondernemingen de richtlijn tegen de overheid kunnen inroepen wegens de verticale directe werking van de richtlijn.

Om deze redenen stelde ik graag de volgende vragen aan de eerste minister, bevoegd voor de federale overheidsdienst Kanselarij en Algemene Diensten.

1. Welke is de gemiddelde bedongen betalingstermijn van de overheid voor betalingen voor transacties zoals geviseerd in de wetgeving op de overheidsopdrachten ? Kan de minister een overzicht geven van de gemiddelde bedongen termijnen voor de verschillende departementen ? Graag een opsplitsing naar gelang de algemene aannemingsvoorwaarden al dan niet toepasselijk zijn, en een opsplitsing naargelang er al dan niet een termijn van 90 dagen geldt voor de eindvereffening.

2. Welke is de gemiddelde effectieve betalingstermijn van de overheid voor betalingen voor transacties zoals geviseerd in de wetgeving op de overheidsopdrachten ? Kan de geachte minister een overzicht geven van de gemiddelde termijnen waarbinnen werd betaald voor de verschillende departementen ?

3. Kan de geachte minister een overzicht geven van de achterstanden voor de verschillende departementen ?

4. Hoeveel verwijlinteresten kunnen op rekening van de verschillende departementen worden geschreven ?

5. Wanneer zal de wetgeving overheidsopdrachten in overeenstemming worden gebracht met de richtlijn ? In welke zin zal de wetgeving aangepast worden en wanneer zal de nieuwe regeling van kracht worden ?

6. Worden er bijzondere instructies gegeven aan de verschillende departementen om de betalingstermijnen te verkorten en in overeenstemming te brengen met de nieuwe wet ? Welke zijn precies deze instructies ?

Antwoord : 1. Artikel 15 van de algemene aannemingsvoorwaarden die de bijlage vormen van het koninklijk besluit van 26 september 1996, is meer bepaald van toepassing op overheidsopdrachten waarvan het bedrag hoger is dan 5 500 euro exclusief BTW. De in dit artikel vastgelegde betalingstermijnen zijn geen gemiddelde termijnen, maar maximumtermijnen waarboven automatisch verwijlinteresten verschuldigd zijn.

De maximale betalingstermijn voor de leveringen en diensten bedraagt 50 dagen en die voor de werken 60 of 90 dagen. Deze termijn van 90 dagen, waarvan ook sprake is in de vraag, heeft enkel betrekking op de betaling van het saldo van de aannemingssom, alsook op de enige betaling. De termijn van 60 dagen is daarentegen van toepassing op het heel frequente geval van de betalingen in mindering in de loop van de uitvoering van een werf. Er dient overigens te worden onderstreept dat de termijn van 90 dagen niet alleen een betalingstermijn is, maar de aanbestedende overheid ook de mogelijkheid biedt het werkelijk verschuldigde bedrag te controleren.

2. Het is onmogelijk een afdoend antwoord te geven op deze vraag. De wetgeving inzake overheidsopdrachten is immers van toepassing op talloze aanbestedende overheden die onderworpen zijn aan soms zeer uiteenlopende controleregels. Deze regels zijn echter ook bepalend voor de betalingen.

Wat de federale overheidsdiensten betreft, dient men rekening te houden met het voorafgaandelijk toezicht op de betaling dat wordt uitgeoefend door het Rekenhof en kan men er dus van uitgaan dat de termijnen bedoeld in artikel 15 van de algemene aannemingsvoorwaarden noodzakelijk zijn alvorens tot de werkelijke betaling wordt overgegaan.

3 en 4. Deze vragen zouden aan elke betrokken federale overheidsdienst moeten worden gesteld. Momenteel heeft de FOD Kanselarij van de eerste minister alleszins geen betalingsachterstand en zijn geen verwijlinteresten verschuldigd.

5 en 6. De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is ook van toepassing op overheidsopdrachten. Krachtens artikel 3, laatste lid, van deze wet doet de wet evenwel geen afbreuk aan de bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten. Daaruit vloeit dus voort :

­ dat de wet volledig van toepassing is op de overheidsopdrachten die niet tot het toepassingsgebied van de algemene aannemingsvoorwaarden behoren, met andere woorden op de opdrachten waarvan het bedrag exclusief BTW niet hoger is dan 5 500 euro;

­ dat het koninklijk besluit van 26 september 1996 en de bijlage ervan binnenkort zullen worden aangepast wat de overheidsopdrachten betreft die tot het toepassingsgebied van de algemene aannemingsvoorwaarden behoren. Het ontwerp van koninklijk besluit werd inderdaad aangepast om rekening te houden met het advies van de Raad van State. Hij wordt thans voor akkoord aan de minister van Begroting voorgelegd.