2-1380/2

2-1380/2

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

10 DECEMBER 2002


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER STEVERLYNCK


Dit wetsontwerp werd op 5 december 2002 aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het ontwerp op 6 december 2002 geëvoceerd. De onderzoekstermijn verstreek op 15 januari 2003.

De commissie heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 10 december 2002.

1. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE STAATSSECRETARIS VOOR ENERGIE EN DUURZAME ONTWIKKELING

Het ontwerp strekt ertoe te voorzien in een volledige controle van de regulator op de netbeheerder, ook als die dochterondernemingen opricht.

Daartoe wordt de wet van 29 april 1999 gewijzigd, zodat zowel de controle als de belastingneutraliteit die gepaard gaat met de kwestie van dochterondernemingen, worden geregeld.

Met betrekking tot de controle moet rekening gehouden worden met de nieuwe structuur : de onderneming ESO NV richt een dochteronderneming voor het beheer op, ELIA NV, die op haar beurt andere dochterondernemingen kan oprichten met specifieke taken.

De controletaken van de CREG mogen niet in het gedrang komen, en ze moet ten opzichte van de dochterondernemingen evenveel bevoegdheden hebben als ten opzichte van de moedermaatschappij.

Artikel 3, § 3, van dit ontwerp bevat de controlebepalingen.

De samenstelling van de raden van bestuur en de directiecomités van de dochterondernemingen moet dan ook dezelfde zijn als die van de moedermaatschappij.

In de wet van 29 april 1999 was het geval van dochterondernemingen niet opgenomen omdat het probleem toen niet aan de orde was.

De oprichting van dochterondernemingen mag echter niet leiden tot wederzijdse participaties aangezien dat een fictieve verhoging van de kosten zou kunnen veroorzaken.

Om een overschatting van de kosten te voorkomen, werd een methode voor de waardering van kapitaal uitgewerkt om een normaal rendement mogelijk te maken.

Die cijfers moeten verzameld worden op basis van vier richtnormen die op het net staan.

De hoogte van het rendement zal afhangen van de overeenstemming over de kosten.

Dat wordt behandeld in artikel 5 van het ontwerp.

Artikel 4 regelt de fiscale neutraliteit.

Het proces bestaat uit 2 verrichtingen.

De eerste verrichting bestaat erin dat de gewezen eigenaars van het netwerk, de infrastructuur van het transmissienet inbrengen in wat men « de vennootschap C » noemt, met andere woorden in de NV ELIA.

De tweede verrichting bestaat uit de verkoop door « vennootschap A » van 2/3 van deze aandelen « vennootschap C » (met schuldcreatie) en de inbreng van het resterende 1/3 van de aandelen-« vennootschap C » in de NV ESO (ELIA Systems Operator).

Teneinde ongewenste fiscale gevolgen te vermijden wordt door de ontworpen wetgeving gedaan alsof het gaat om belastingneutrale verrichtingen, dit wil zeggen alsof de activa niet van eigenaar zouden zijn veranderd.

Met andere woorden beide transacties worden geherkwalificeerd als belastingneutrale inbrengverrichtingen.

Zulks heeft onder meer tot gevolg dat geen fiscaal gestort kapitaal wordt gecreëerd ten name van de NV ESO dat het gevolg zou zijn van inbrengmeerwaarden.

De onaantastbaarheidsvoorwaarde als vermeld in artikel 190, WIB 92 is van toepassing met betrekking tot de uitgedrukte boekhoudkundige meerwaarde ingevolge de verkoop en de inbreng van de NV ELIA-aandelen door de oorspronkelijke eigenaar « vennootschap A » aan de NV ESO : die meerwaarde moet « als het ware » als een uitgedrukte, doch niet verwezenlijkte meerwaarde worden aangemerkt in het kader van een belastingneutrale verrichting. Er wordt gehandeld alsof de activa niet van eigenaar zijn veranderd; ook ten aanzien van de vermogensbestanddelen wordt in feite gehandeld zoals bij belastingneutrale inbrengverrichtingen (weliswaar rekening houdend met de schuldcreatie).

2. BESPREKING

De heer Steverlynck heeft een vraag over de toepasbaarheid van artikel 4.

In feite is dit systeem op het lijf geschreven van de bestaande vennootschappen.

Is het niet mogelijk dat andere venootschappen van dit systeem gebruik zouden maken ?

De minister verklaart dat het ontwerp inderdaad rekening houdt met de bestaande situatie (cf. artikel 10, § 3, W. 24 april 1999).

De moedervennootschap, ELIA System Operators, die het netwerk beheert heeft aandelen in haar dochter, de NV ELIA.

De inbreng van het transmissienet is gebeurd in de NV ELIA. De aandelen bevinden zich bij de NV ESO, door verkoop en inbreng van die aandelen.

De regering ging ervan uit dat deze operatie belastingneutraal moest zijn omdat zoniet onder andere een kunstmatig fiscaal gestort kapitaal zou kunnen worden gecreëerd (cf. artikel 192, WIB 92).

De heer D'Hooghe vraagt welke de reden kan zijn van de splitsing in moedervennootschap en filialen, als het personeel en de directie toch dezelfden zijn.

De minister benadrukt dat het vanuit het standpunt van de overheid niet uitmaakt of een operator al dan niet met dochterondernemingen werkt. Wat telt is dat de elektriciteitsvoorziening tegen een redelijke prijs plaats heeft. De Ministerraad heeft trouwens zopas goedgekeurd dat de operator zijn activiteiten in het buitenland via een dochteronderneming uitbouwt. Dat is in het belang van de consument, aangezien de bijbehorende prijsdaling hun ten goede komt.

De prijs die de klant voor de elektriciteitstransmissie betaalt, daalt voortdurend, ondanks de lasten voor maatschappelijke fondsen en ondanks het feit dat een gedeelte van het nucleaire passief wordt verrekend in de prijs van de elektriciteitstransmissie.

Artikel 10, § 3 van de wet van 29 april 1999 maakte de inbreng van infrastructuur of uitrusting die deel uitmaken van het transmissienet door de eigenaar ervan in de vennootschap die netbeheerder zou worden, mogelijk.

Nu gebeurt de inbreng a rato van ongeveer 100 % in de dochtervennootschap van de netbeheerder. Daardoor was een specifieke wetgeving nodig.

Het gaat niet om een algemene regel, vermits deze bepalingen enkel slaan op activiteiten in de elektriciteitssector, en dan nog alleen voor deze specifieke materie.

3. STEMMINGEN

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Jan STEVERLYNCK. Paul DE GRAUWE.

De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst
van het door Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden wetsontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 50-2050/5)