Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-53

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer

Vraag nr. 1917 van de heer Steverlynck d.d. 21 februari 2002 (N.) :
Zeehaven van Zeebrugge. ­ Ontsluiting per spoor.

De haven van Zeebrugge dringt al vele jaren aan op een doeltreffende spoorwegontsluiting. Concreet gaat het om de aanleg van een derde spoor tussen de Zeebrugse haven en Brugge en van een derde en vierde spoor tussen Brugge en Gent.

De verwezenlijking van die spoorwegontsluiting dringt zich om twee redenen op. Vooreerst is het een noodzaak voor de verdere ontwikkeling van de haven van Zeebrugge, maar ook voor die van Oostende, dat er een volwaardige ontsluiting door het spoor komt.

Ten tweede, en nog belangrijker in het kader van het algemeen belang, is de vermindering van het goederenvervoer over de weg. Het spreekt voor zich dat minder goederenvervoer over de weg leidt tot meer verkeersveiligheid, meer leefbaarheid en een beter milieu.

Niettegenstaande het feit dat u in uw antwoord, gegeven in de commissie voor de Infrastructuur, het Verkeer en de Overheidsbedrijven van 28 november 2001, stelt dat en ik citeer : « de capaciteitsuitbreiding tussen Gent en Brugge noodzakelijk is voor een betere afwikkeling van het (toeristische) personenvervoer en voor de ontsluiting van Zeebrugge », deelde u in hetzelfde antwoord mee dat het vooropgestelde tienjarenplan niet zal worden gevolgd. Immers, de aanleg van bijkomende sporen werd ingeschreven in het tienjarenplan 1996-2005 dat door de Ministerraad werd goedgekeurd in juli 1996. Alhoewel u eraan toevoegt dat de trajecten Gent-Landegem en Beernem-Brugge prioritair zijn voor de NMBS deelt u mee dat deze werken tussen 2005 en 2012 zullen plaatsvinden. En u voegt eraan toe dat het overblijvende traject (Landegem-Beernem) pas na 2012 aan bod zal komen.

Als enig argument geeft u op dat het op die manier mogelijk moet zijn « om het treinverkeer gewoon te laten doorgaan ».

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen bekomen :

1. Klopt het dat de regering afstapt van het tienjarenplan zoals het destijds werd opgesteld ?

2. Waarom erkent de geachte minister enerzijds de noodzaak van de extra sporen en verschuift ze anderzijds het project met vele jaren naar de toekomst ?

3. Is het verplaatsen van het goederenvervoer van de weg naar het spoor voor de regering enkel een prioriteit in woorden maar niet in daden ?

Antwoord : 1. Het ontwerp van het meerjareninvesteringsplan 2001-2012 voorziet in bedragen voor het op drie sporen brengen van lijn 51A tussen Brugge en de vertakking van Dudzele (60,1 miljoen euro, aanzienlijke bedragen vanaf 2006 tot in 2009).

Volgens datzelfde plan werd trouwens 47,6 miljoen euro uitgetrokken voor capaciteitsuitbreidingen en de elektrificatie in Zeebrugge-vorming (vooral vanaf 2004 tot in 2008). Het is immers vooral daar dat het grootste knelpunt ligt voor de ontwikkeling van het spoorverkeer in de haven van Zeebrugge.

Een ander belangrijk project in het district Noordwest (276,5 miljoen euro) heeft betrekking op het op vier sporen brengen van twee baanvakken van lijn 50A, namelijk Brugge ­ Beernem en Landegem ­ Gent-Sint-Pieters (einde werken in 2012).

Het op drie en vier sporen brengen van het baanvak Beernem ­ Landegem werd ingevolge budgettaire beperkingen uitgesteld tot na 2012.

De regering heeft het meerjarige investeringsplan niet gewijzigd.

2. Deze projecten hebben als doel de groei van het goederen verkeer van en naar de haven van Zeebrugge en de verdere uitbouw van het reizigersverkeer naar de kust mogelijk te maken. De capaciteitsuitbreidingen zijn eerst gepland op de baanvakken die nu, of in de nabije toekomst, met verzadigingsproblemen te kampen hebben. De geplande programmering laat toe tegemoet te komen aan de noden inzake capaciteit.

Bijvoorbeeld : met vier sporen zal de capaciteit van het baanvak Gent-Sint-Pieters ­ Landegem met ongeveer 30 % toenemen in vergelijking met de huidige toestand.

3. Dankzij de aanzienlijke verhogingen van de spoorwegcapaciteit die het meerjarige investeringsplan mogelijk maakt, vormt dit investeringsplan de concretisering van de wil om het spoorverkeer te heroriėnteren op het goederenvervoer.