2-717/3 | 2-717/3 |
29 JANUARI 2002
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft het wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995, (zie stuk Senaat, nr. 2-717/1, 2000-2001) besproken tijdens haar vergaderingen van 5 juni 2001 en 29 januari 2002.
Tijdens de eerste bespreking beslist de commissie, op voorstel van mevrouw Willame-Boonen, om het advies van de commissie voor de Justitie over dit wetsontwerp in te winnen.
De commissie voor de Justitie heeft op 23 januari 2002 een positief advies verleend (zie stuk Senaat, nr. 2-717/2, 2001-2002).
Mevrouw Willame-Boonen vraagt of er technische of politieke redenen zijn die ertoe hebben geleid dat onderhavig wetsontwerp betreffende een overeenkomst gedaan in 1995 pas in 2002 aan de commissie wordt voorgelegd.
Verder vraagt spreekster wat het toepassingsgebied van deze overeenkomst is, gezien de recente discussies over het Europees aanhoudingsmandaat. Bestaat er hier geen probleem van overlapping ? Indien de kaderovereenkomst betreffende het Europees aanhoudingsmandaat immers inderdaad in werking zou treden in 2004 wat ons land betreft, zoals overeengekomen tijdens de Europese Top van Laken, zou onderhavig wetsontwerp slechts twee jaar geldig zijn.
Ten slotte had spreekster graag van de regering vernomen wanneer de bepalingen van het bewuste Europees aanhoudingsmandaat in het intern Belgisch recht zouden worden omgezet.
De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken verklaart dat de kaderovereenkomst betreffende het Europees aanhoudingsmandaat uiteraard nu nog niet van toepassing is. De politieke beslissing werd door de 15 lidstaten te Laken genomen, maar de omzetting van deze kaderovereenkomst zal pas vanaf 2004, wat België betreft, kunnen geschieden. De regering heeft zich er toe verbonden deze omzetting zo spoedig mogelijk te verwezenlijken.
De voorzitter verwijst naar de conclusies van het advies verstrekt door de commissie voor de Justitie (zie stuk Senaat, nr. 2-717/2, 2001-2002, blz. 6).
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging beaamt deze conclusies.
Tevens dringt zij erop aan dat de omzendbrief waarvan sprake in punt 1 van de conclusies van het verslag van de commissie voor de Justitie, zo spoedig mogelijk zou worden opgesteld.
Wat punt 2 van de conclusies betreft, verklaart de vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken dat er door de minister van Justitie een wetsontwerp wordt voorbereid teneinde het Belgisch intern recht in overeenstemming te brengen met de afgesloten internationale overeenkomsten en verdragen.
De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken verklaart ten slotte dat de in punt 3 van de conclusies vermelde verklaring die de Belgische regering moet afleggen bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging wel degelijk moet overeenstemmen met punt a) van artikel 9 van de Overeenkomst, en niet met punt b) zoals gesteld in het advies van de commissie voor de Justitie.
Artikelen 1 en 2, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Jacques DEVOLDER. | Marcel COLLA. |
De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst
van het wetsontwerp
(zie stuk Senaat nr. 2-717/1 - 2000/2001)