2-717/2 | 2-717/2 |
23 JANUARI 2002
De commissie voor de Justitie heeft dit wetsontwerp behandeld tijdens haar vergaderingen van 16 en 23 januari 2002, in aanwezigheid van de minister van Justitie.
Dit ontwerp werd haar overgezonden op 5 juni 2001, ingevolge een adviesaanvraag vanwege de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
De minister van Justitie deelt mee dat deze bij de Europese Unie afgesloten overeenkomst ingegeven is door enerzijds artikel 66 van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, en anderzijds het Benelux-Uitleveringsverdrag. De degelijke resultaten behaald met de hierin vervatte procedures heeft ertoe bijgedragen dat de Unie het Verdrag van 1995 op basis van dezelfde principes goedkeurde.
De minister wijst erop dat er een fout geslopen is in het Nederlandse opschrift van het wetsontwerp. Er staat « verkorte procedure » in plaats van « vereenvoudigde procedure ».
Deze vergissing werd in het verdrag begaan, maar zal rechtgezet worden in een circulaire die aangeeft hoe het opschrift begrepen moet worden in het licht van de correcte terminologie. Ze is louter van taalkundige aard.
De minister verduidelijkt verder dat de overeenkomst in de eerste plaats ingegeven is door artikel 66 van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, die de uitlevering zonder formele procedure en waarborgen toestaat, met de instemming van de betrokken persoon enerzijds, en toestemming van de betrokken overheid anderzijds.
Ten slotte vormt de voorlopige aanhouding het uitgangspunt van de procedure.
Mevrouw Nyssens vraagt zich af wat de levensduur van deze tekst kan zijn, gelet op het feit dat hij opgesteld werd in 1995 en dat ontwerpen van kaderbeslissingen, onder andere over het Europees aanhoudingsbevel, op komst zijn. Zal men dit wetsvoorstel niet moeten wijzigen bij de omzetting van de kaderbeslissing over het Europees aanhoudingsbevel ?
Reden genoeg dus om het verband tussen de toekomstige wetgeving betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de vereenvoudigde uitleveringsprocedure ter discussie te stellen.
Spreekster merkt verder op dat de Raad van State dezelfde opmerking blijft maken wanneer hij adviezen uitbrengt over de door verdragen geregelde uitleveringsprocedures.
De Raad van State moet immers regelmatig oordelen over de grondwettigheid en de verenigbaarheid van dergelijke verdragen met de nationale wetgeving, en herhaalt telkens dat de nationale uitleveringswetten niet overeenkomen met de aangegane internationale overeenkomsten.
De gemachtigde ambtenaar antwoordt telkens dat het intern recht niet hoeft te worden aangepast omdat de internationaalrechtelijke bepalingen voorgaan. Hij geeft toe dat ons intern recht aangaande uitlevering niet meer aangepast is aan het verdragenrecht op dat punt, maar bevestigt dat een studie wordt uitgevoerd met het oog op de aanpassing.
Spreekster vraagt of dat nodig is en hoe een magistraat moet reageren als hij vaststelt dat een bepaling uit ons strafprocesrecht strijdig is met bepalingen van het wetsontwerp.
Spreekster vraagt zich ten slotte af welke regels in het kader van dit verdrag gelden voor politieke misdrijven. Dat is een steeds terugkerend probleem met betrekking tot uitlevering.
Spreekster meent te weten dat België geen voorbehoud heeft geformuleerd bij de ondertekening van het verdrag, terwijl dat toch mogelijk was.
De heer Vandenberghe heeft twee vragen, waarvan de eerste aansluit bij de opmerkingen van de vorige spreekster.
Het lid stelt vast dat het doel van het verdrag dat thans ter ratificatie voorligt erin bestaat een vereenvoudigde uitlevering in het leven te roepen gebaseerd op de toestemming van de betrokkene.
Wat dit betreft vindt het verdrag zijn inspiratie in de regeling die thans binnen de Benelux geldt.
Er rijzen echter twee vragen.
1. In hoeverre is de Belgische wetgeving reeds aangepast aan het verdrag ?
De regering stelt zelf dat de eerste zes artikelen van het verdrag grosso modo met de vigerende wetgeving overeenstemmen. Maar zij geeft zelf toe dat voor het overige een grondige aanpassing nodig is. De regering heeft trouwens een studie besteld aan de RUG over de conformiteit van het Belgisch recht met de conventie.
De Raad van State stelt bovendien dat een aanpassing van de Belgische wetgeving dringend is en dat de regering geenszins met omzendbrieven zal kunnen werken. Vraag is dan waarom men tot nu heeft gewacht om een studie over de conformiteit van het Belgisch recht te laten uitvoeren indien men wist dat men dit zeer goed verdrag ter ratificatie ging voorleggen.
Het risico van tegenstrijdigheid is reëel in de mate dat de conventie rechtstreeks toepasbaar is.
2. De tweede opmerking heeft betrekking op de verklaring die de Belgische regering beoogt af te leggen bij het neerleggen van de instrumenten van bekrachtiging.
De conventie laat aan de lidstaten de mogelijkheid over om al dan niet afstand te doen van het specialiteitsbeginsel (artikel 9 van de conventie) : « Elke lidstaat kan bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op ieder ander tijdstip verklaren dat het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende de uitlevering niet van toepassing is indien de betrokkene, overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige overeenkomst :
a) met de uitlevering instemt of
b) met de uitlevering instemt en uitdrukkelijk afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. »
De lidstaten hebben immers de keuze tussen, enerzijds, een verklaring waarbij zij stellen dat de betrokkene afstand doet van het specialiteitsbeginsel van zodra hij met zijn uitlevering heeft ingestemd, hetgeen tot gevolg heeft dat hij in het land van bestemming voor andere feiten vervolgd kan worden dan die welke de uitleveringsaanvraag hebben gemotiveerd en, anderzijds, en een verklaring waarbij wordt aangenomen dat de betrokkene pas afstand doet van het voordeel van de specialiteit wanneer hij hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd.
De Belgische regering wil verklaren dat de instemming met de uitlevering ipso facto inhoudt dat de betrokkene afstand doet van het specialiteitsbeginsel.
De regering baseert haar redenering op de gedachte dat de Belgische regering in het verleden dezelfde verklaring zou hebben afgelegd bij de ratificatie van het Europese uitleveringsverdrag.
Spreker meent dat de regering zich echter vergist.
België heeft namelijk naar aanleiding van de neerlegging van de akte van bekrachtiging van het Europese uitleveringsverdrag over artikel 14 de volgende verklaring afgelegd :
« België is van oordeel dat het specialiteitsbeginsel niet toepasselijk is, wanneer de betrokken persoon uitdrukkelijk toegestemd heeft om op om het even welke grond vervolgd en gestraft te worden door de gerechtelijke overheid van de aangezochte Staat, indien deze mogelijkheid voorzien is in het recht van deze Staat. Indien daarentegen de uitlevering aan België gevraagd wordt, gaat België ervan uit dat, wanneer de uit te leveren persoon formeel afstand gedaan heeft van de formaliteiten en waarborgen van de uitlevering, het specialiteitenbeginsel niet meer toepasselijk is. »
Hieruit volgt dat in de huidige Belgische wetgeving terzake het specialiteitsbeginsel wel degelijk de regel is en dat slechts afstand kan worden gedaan van dit beginsel met de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, zodat België niet de verklaring dient af te leggen die onder punt a) van artikel 9 van de overeenkomst is vermeld, maar wel degelijk de verklaring onder punt b).
Spreker besluit dat de commissie voor de Justitie een positief advies kan verlenen mits de verklaring die de Belgische regering moet afleggen bij het neerleggen van de ratificatie-instrumenten wel degelijk overeenstemt met artikel 9, b) (en niet a) van de overeenkomst.
Mevrouw de T' Serclaes verklaart dat haar opmerkingen aansluiten bij die van de twee vorige sprekers.
Spreekster stelt vast dat het debat rond het advies van de Raad van State geregeld plaatsvindt wanneer een Europese bepaling rechtstreekse werking heeft in ons intern recht.
Spreekster meent dat een positief advies moet worden gegeven aan de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Zij benadrukt wel dat ons intern recht moet worden aangepast aan de internationale en Europese bepalingen hierover, bijvoorbeeld op basis van de opdracht die is gegeven aan professor Van den Wyngaert.
Mevrouw Nyssens vraagt of ons intern recht moet worden aangepast telkens wanneer België toetreedt tot een verdrag inzake uitlevering of dat daarentegen eens en voor altijd een algemene wet hierover moet worden goedgekeurd.
Die vraag zal ook op politiek vlak rijzen wanneer het Europees aanhoudingsbevel moet worden omgezet.
Duidelijk is dat wanneer men een kaderbeslissing omzet in intern recht, niet noodzakelijk het hele uitleveringsrecht opnieuw wordt bekeken.
De heer Dubié wijst erop dat hij deze vraag ook al heeft gesteld in de verenigde commissies voor de Justitie van de Kamer en Senaat, en dat de minister hem toen heeft geantwoord dat het algemeen kader gerespecteerd moet worden maar dat aanpassingen in het nationale recht mogelijk waren.
Het is alleen zaak te weten hoe ver men kan gaan. Het probleem is al eerder opgedoken met betrekking tot de definitie van terrorisme, waar niet iedereen zich in kon vinden. Toen is de meer algemene vraag gerezen in hoever het nationale recht Europese kaderbeslissingen kan beïnvloeden.
De minister merkt op dat het Europees aanhoudingsbevel een ander aspect van de zaak is. Met betrekking tot de politieke misdrijven kan worden verwezen naar het verdrag van 1996.
De commissie geeft een positief advies over dit wetsontwerp, maar maakt de volgende opmerkingen :
1. De Nederlandse tekst van het opschrift is taalkundig niet correct geformuleerd : « verkorte procedure tot uitlevering », terwijl er « vereenvoudigde procedure tot uitlevering » hoort te staan.
Genoteerd wordt dat een omzendbrief zal verduidelijken hoe het opschrift gelezen moet worden en welke de juiste terminologie is.
2. Het ontwerp haalt het probleem aan dat het Belgische recht niet volledig in overeenstemming is met de overeenkomst, die van rechtstreekse toepassing is. Ook de algemene kwestie van de aanpassing van het interne recht telkens als een verdrag terzake wordt aangenomen, wordt aangekaart.
3. De verklaring die de Belgische regering moet afleggen bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, moet overeenstemmen met punt b) (en niet a)) van artikel 9 van de overeenkomst.
Het advies en dit verslag worden aangenomen bij eenparigheid van de 8 aanwezige leden.
| De rapporteur, Nathalie de T' SERCLAES. |
De voorzitter, Josy DUBIÉ. |