2-778/3

2-778/3

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

17 OKTOBER 2001


Wetsontwerp tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 12 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Het voorgestelde artikel 37quinquies wijzigen als volgt :

A. in § 2, na de woorden « die er de veroordeelde » de woorden « en diens advocaat » invoegen;

B. in dezelfde paragraaf, de woorden « bij aangetekende brief » doen vervallen.

Verantwoording

Het is efficiënter en minder duur als de identiteit van de justitieassistent wordt meegedeeld aan de advocaat van de veroordeelde. Immers, het komt vaak voor dat de veroordeelde aangetekende brieven niet ophaalt bij de post. Een advocaat daarentegen is verplicht zijn cliënt op de hoogte te brengen.

Zowel de veroordeelde als zijn advocaat moeten op de hoogte worden gebracht van de identiteit van de justitieassistent.

Nr. 13 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Het eerste lid van § 3 van het voorgestelde artikel 37quinquies vervangen als volgt :

« De probatiecommissie bepaalt, na de betrokkene gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter, § 4, en op basis van het beknopt voorlichtingsverslag of de maatschappelijke enquête bedoeld in artikel 37quater, § 2, de aard en de nadere uitvoeringsregels van de uit te voeren werkstraf, volgens de fysieke en intellectuele vermogens van de veroordeelde, alsook in welke instelling of vereniging de werkstraf uitgevoerd moet worden.

De beslissing van de commissie wordt met redenen omkleed. De justitieassistent brengt de betrokkene en het openbaar ministerie ervan op de hoogte. Dit geschiedt binnen een termijn van drie dagen, zaterdagen, zondagen en feestdagen niet inbegrepen, bij aangetekende brief. »

Verantwoording

De voorgestelde tekst kent de justitieassistent een buitensporige rol toe, ook na het in de Kamer aangenomen amendement waardoor de probatiecommissie « controleert » hoe de inhoud van de straf wordt ingevuld (het voordeel van deze commissie is dat zij voorgezeten wordt door een magistraat en ervaring heeft met deze problematiek). De tekst voorziet in geen enkele vorm van overleg tussen de justitieassistent en de veroordeelde betreffende de bepaling van de inhoud van de straf. Dit gebrek aan overleg verhoogt het risico op falen van een maatregel die de resocialisatie van het individu beoogt. Hoe meer de veroordeelde erbij betrokken wordt, hoe meer kans van slagen. Wanneer men op basis van de voorgestelde tekst de beklaagde vraagt in te stemmen met de beslissing van de rechter, vraagt men hem in feite een blanco cheque te tekenen.

Dit amendement wil, naar het voorbeeld van wat bestaat (bestond) inzake dienstverlening en opleiding in het kader van de opschorting en het probatieuitstel, dat de concrete inhoud van de straf (aard van de straf en wijze van uitvoering) en de plaats waar de straf wordt verricht, bepaald worden door de probatiecommissie. Dit wordt slechts vastgelegd nadat de commissie de betrokkene gehoord heeft en met diens opmerkingen rekening heeft gehouden. De rollen mogen niet door elkaar gehaald worden. Bij gebrek aan een rechtbank voor de tenuitvoerlegging van straffen, dient men zich voorlopig te houden aan de procedure, ingevoerd door de wet van 1964 betreffende de probatie. De probatiecommissie blijft bevoegd inzake de controle op de tenuitvoerlegging van de straf (cf. artikel 37quinquies van de voorgestelde tekst) terwijl de justitieassistent verantwoordelijk is voor de maatschappelijke begeleiding.

Nr. 14 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quinquies een § 3bis en een § 3ter invoegen, luidende :

« § 3bis. De probatiecommissie kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde, te allen tijde de concrete invulling van de straf preciseren of aanpassen. Zij mag de straf evenwel niet verzwaren. Ten minste tien dagen vóór de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de voorzitter in dit geval de veroordeelde op bij een ter post aangetekende brief. Het dossier van de commissie wordt gedurende tien dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en diens eventuele advocaat.

De beslissing van de commissie wordt met redenen omkleed. De justitieassistent stelt de betrokkene en het openbaar ministerie ervan in kennis bij een ter post aangetekende brief binnen een termijn van drie dagen, zaterdagen, zondagen en feestdagen niet inbegrepen.

§ 3ter. Het openbaar ministerie kan door middel van een vordering en de veroordeelde kan door middel van een verzoekschrift bij de rechtbank van eerste aanleg waarbij de commissie is ingesteld, beroep instellen tegen de beslissingen die door haar krachtens § 3bis zijn genomen.

De vordering en het verzoekschrift moeten schriftelijk geschieden en met redenen omkleed zijn. Het beroep moet worden ingesteld binnen tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de commissie. Het gaat om een opschortend beroep tenzij de commissie hierover anders beslist.

De voorzitter van de rechtbank die een uitspraak moet doen, laat ten minste tien dagen tevoren in een bijzonder ter griffie gehouden register, de plaats, de dag en het uur van verschijning opnemen. De griffier deelt die gegevens ten minste tien dagen vóór de verschijning bij aangetekende brief mee aan de veroordeelde. In die periode ligt het dossier ter griffie ter beschikking van de betrokkene en van diens eventuele advocaat. De rechtbank houdt zitting en doet uitspraak in raadkamer.

Willigt de rechtbank het beroep in, dan kan zij de beslissing van de commissie herzien.

Tegen de beslissing over dit beroep staat geen hoger beroep, of verzet open. »

Verantwoording

Met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging en naar het voorbeeld van wat bestaat inzake probatie, is het belangrijk de procedure nauwkeurig af te bakenen in de gevallen waarin de probatiecommissie de invulling van de werkstraf of de uitvoering ervan wijzigt. Men mag niet vergeten dat het gaat om een autonome straf. Meer nog dan bij de probatievoorwaarden (de probatievoorwaarden zijn immers geen straffen maar maatregelen die gevolgen hebben voor de strafuitvoering) moet de precieze rol van de justitieassistent en van de probatiecommissie met betrekking tot de straf die in principe door de rechter wordt bepaald, nauwkeurig worden afgebakend. Daarenboven moet ook voorzien worden in mogelijke aan te wenden rechtsmiddelen.

Nr. 15 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subsidiair amendement op amendement nr. 11 van mevrouw Nyssens)

Art. 3

Het voorgestelde artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, vervangen als volgt :

« De justitieassistent bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, en met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter, § 4, onder controle van de probatiecommissie, de aard en de nadere uitvoeringsregels van de uit te voeren werkstraf, volgens de fysieke en intellectuele vermogens van de veroordeelde, alsook bij welke instelling of vereniging de werkstraf moet worden uitgevoerd. »

Verantwoording

In de voorgestelde tekst krijgt de justitieassistent een te belangrijke rol, ook al is in de Kamer een amendement aangenomen waardoor de inhoud van de straf wordt bepaald onder de controle van de probatiecommissie (het voordeel is dat deze probatiecommissie wordt voorgezeten door een magistraat en dat zij voldoende ervaring heeft met dit soort problematiek).

De tekst voorziet niet in overleg tussen de justitieassistent en de veroordeelde over de bepaling van de inhoud van de werkstraf. Dit ontbreken van overleg houdt een bijkomend risico in dat de maatregel die bedoeld is om een individu te resocialiseren, mislukt. Hoe meer de veroordeelde erbij wordt betrokken, hoe hoger de slaagkansen zijn. Volgens de voorgestelde tekst tekent de beklaagde eigenlijk een blanco cheque als hij ten overstaan van de rechter verklaart akkoord te gaan. Dit amendement strekt ertoe ­ in overeenstemming met wat met betrekking tot de dienstverlening bestaat (of bestond) in het raam van de opschorting en het probatie-uitstel ­ te bepalen dat de concrete inhoud (aard van de straf en uitvoeringsbepalingen) slechts wordt vastgelegd nadat de betrokkene werd gehoord en rekening werd gehouden met zijn opmerkingen. Het amendement bepaalt eveneens dat de justitieassistent beslist op welke plaats de straf wordt uitgevoerd.

Nr. 16 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subisidiar amendement op amendement nr. 12 van mevrouw Nyssens)

Art. 3

Het tweede lid van § 3 van het voorgestelde artikel 37quinquies vervangen als volgt :

« De justitieassistent stelt de veroordeelde en diens advocaat, het openbaar ministerie, de probatiecommissie en de betrokken rechter in kennis van de concrete invulling van de straf. »

Verantwoording

Dit amendement dient een drievoudig doel :

­ een aangetekende brief hoeft niet meer;

­ de advocaat van de veroordeelde wordt op de hoogte gebracht;

­ ook de betrokken rechter wordt op de hoogte gebracht. Het is immers zo dat hij aanwijzingen kan geven over de inhoud van de werkstraf en het aantal te presteren uren. Volgens het ontwerp kan hij evenwel de aard van de werkstraf en de concrete uitvoeringswijze ervan niet bepalen.

Nr. 17 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Het voorgestelde artikel 37quinquies wijzigen als volgt :

A) in § 4, aan het slot van de tweede volzin, de woorden « bij aangetekende brief » doen vervallen;

B) in dezelfde paragraaf en eveneens aan het slot van de tweede volzin, de woorden « en stelt diens advocaat ervan in kennis » toevoegen.

Verantwoording

Volgens dit amendement hoeft de aangetekende brief niet meer. Daar staat tegenover dat de advocaat van de verdachte op de hoogte moet worden gebracht. Dat is efficiënter en minder duur.

Nr. 18 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het eerste lid van § 4 van het voorgestelde artikel 37quinquies, de woorden « vijf dagen » vervangen door de woorden « tien dagen ».

Verantwoording

Het lijkt aangewezen deze termijn af te stemmen op de termijn bij probatie.

Nr. 19 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Het laatste lid van § 4 van het voorgestelde artikel 37quinquies vervangen als volgt :

« In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de veroordeelde te dagvaarden voor de bevoegde rechtbank, binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vormen als in correctionele zaken, en kan hij de uitvoering van de bij vonnis vastgestelde vervangende straf vorderen. Nadat hij de partijen en hun advocaten gehoord heeft, beslist de rechter over de toepassing van de vervangende straf. Zo de werkstraf gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, kan de gevoegde rechter die beslist de vervangende gevangenisstraf toe te passen, niet meer dan één dag hechtenis voor elke twee uren van de werkstraf opleggen.

Tegen deze beslissingen staan de rechtsmiddelen open bepaald in het Wetboek van strafvordering. »

Verantwoording

Ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd, laat de voorgestelde tekst de beslissing om de vervangende straf uit te voeren volledig over aan het openbaar ministerie. Vergeleken met de probatie is het de vraag of de bevoegdheid die het openbaar ministerie hiermee krijgt, niet te ver reikt. Inzake probatie moet immers een omslachtige procedure worden gevolgd om de voorwaarden ervan te wijzigen. Ook voor een herroeping kan het openbaar ministerie zich slechts, na verslag van de probatiecommissie, opnieuw tot de rechtbank van eerste aanleg wenden. De herroeping geschiedt na afloop van een procedure op tegenspraak. Voorgesteld wordt deze procedure, die de rechten van de betrokkene beter beschermt, te behouden (zie voorstel van professor Jacobs, stuk Kamer, nr. 0549/011, blz. 76). De beoordelingsbevoegdheid die de tekst aan het parket verleent is zo groot dat het risico reëel is dat alles van het parket afhangt, ook de beoordeling van de gevallen waar de maatregel niet of slecht wordt uitgevoerd. Bij gebrek aan een rechtbank voor de uitvoering van de straffen, dient men zich dan ook voorlopig te houden aan de bestaande procedure voor de herroeping van de probatiemaatregel.

Bovendien bepaalt de tekst dat de vervangende straf slechts naar verhouding van de niet-uitgevoerde werkstraf mag worden uitgevoerd. Dit is een zeer vage aanwijzing en de afweging zou wel eens erg delicaat kunnen uitvallen. Naar het voorbeeld van het Nederlandse Wetboek van strafrecht wordt voorgesteld in de wet grenzen vast te leggen waarbinnen de vervangende straf te bepalen is. Het voordeel van deze oplossing bestaat erin dat de veroordeelde dan precies weet hoe zwaar de vervangende straf kan zijn, althans wanneer het gaat om gevangenisstraf (professor Vanderbeken, stuk Kamer, nr. 0549/011, blz. 83).

Nr. 20 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subsidiair amendement op amendement nr. 14)

Art. 3

Het laatste lid van § 4 van het voorgestelde artikel 37quinquies vervangen als volgt :

« In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de vervangende straf te doen uitvoeren. Zo de werkstraf gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, kan niet meer dan één dag hechtenis voor elke twee uren van de werkstraf opgelegd worden.

De beslissing van het openbaar ministerie om de vervangende straf te doen uitvoeren wordt per aangetekende brief aan de veroordeelde meegedeeld. Deze kan verzet doen tegen deze beslissing door bij verzoekschrift een beroep in te stellen bij de bevoegde rechter binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing van het openbaar ministerie. Het beroep heeft opschortende werking.

De bevoegde rechter die uitspraak moet doen, laat ten minste tien dagen tevoren, op een bijzonder ter griffie gehouden register, de plaats, de dag en het uur van de verschijning opnemen. De griffier deelt die gegevens ten minste tien dagen vóór de verschijning bij aangetekende brief aan de veroordeelde mee. In die periode ligt het dossier ter griffie ter beschikking van de betrokkene en van diens advocaat.

Tegen de beslissing over dit beroep staat geen hoger beroep of verzet open. »

Verantwoording

Volgens andere deskundigen zou het toekennen aan de veroordeelde van een beroepsrecht tegen de beslissing van het openbaar ministerie om een vervangende straf uit te voeren indien de werkstraf niet behoorlijk of niet wordt uitgevoerd, volstaan om het legaliteitsbeginsel in acht te nemen en om de rechten van de veroordeelde veilig te stellen. Het voorgestelde amendement regelt de procedure van het beroep tegen een dergelijke beslissing.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 21 VAN DE REGERING

Art. 2

In dit artikel de woorden « , gewijzigd bij de wetten van 9 april 1930, 1 juli 1964, 10 juli 1996 en 4 mei 1999 », na het woord « Strafwetboek » invoegen.

Verantwoording

Dit amendement beoogt een technische verbetering.

Nr. 22 VAN DE REGERING

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) In de Franse versie van § 1, eerste zin, het woord « paraît » vervangen door het woord « est »;

B) In § 1, eerste lid, laatste zin, de woorden « die van toepassing wordt » vervangen door de worden « die van toepassing kan worden »;

C) In de Nederlandse versie van § 2, eerste zin, de woorden « Een werkstraf » vervangen door de woorden « De duur van een werkstraf »;

D) In § 3, eerste lid, eerste zin, de woorden « door de rechter » voegen tussen de woorden « werkstraf » en « wordt »;

E) In § 3, eerste lid, laatste zin, de woorden « in § 1 bepaalde » doen vervallen;

F) In de Franse versie van § 3, eerste lid, laatste zin, het woord « peine » vervangen door de woorden « peine de travail »;

G) § 4 vervangen als volgt :

« § 4. De rechter bepaalt de duur van de werkstraf en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf. »

Verantwoording

A) Deze wijziging beoogt de Franse versie van de tekst in overeenstemming te brengen met de Nederlandse tekst.

B) Deze wijziging beoogt duidelijk te stellen dat de geldboete of de gevangenisstraf niet automatisch van toepassing worden ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Deze aanpassing is in overeenstemming met hetgeen is bepaald in het voorgestelde artikel 37quinquies, § 4;

C) Deze wijziging beoogt de Nederlandse en de Franse versie van de tekst in overeenstemming te brengen;

D) Deze wijziging beoogt een taalkundige verduidelijking;

E) Deze wijziging beoogt een technische verbetering;

F) Deze wijziging beoogt een taalkundige verduidelijking;

G) Deze wijziging beoogt om ondubbelzinnig te stellen dat de rechter de duur van de werkstraf bepaalt.

Nr. 23 VAN DE REGERING

Art. 3

In de voorgestelde artikel 37quater, de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) In de Nederlandse versie van § 1, tweede lid, het woord « diensten » vervangen door de woorden « openbare diensten »;

B) In § 2, de woorden « een afdeling » vervangen door de woorden « de afdeling »;

C) Paragraaf 3 vervangen als volgt :

« § 3. Elke arrondissementele afdeling van de Dienst justitiehuizen van het ministerie van Justitie stelt maandelijks een verslag op over het aanbod van beschikbare plaatsen in het arrondissement waar de werkstraf kan worden verricht. De afdeling bezorgt een afschrift van dit verslag aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en aan de procureur des Konings van het betrokken arrondissement en, op eenvoudig verzoek, aan al wie dit verslag vraagt. »

Verantwoording

A) Deze wijziging beoogt de Nederlandse versie van de tekst in overeenstemming te brengen met de Franse versie.

B) Deze wijziging beoogt een technische verbetering. De Dienst justitiehuizen heeft in elk gerechtelijk arrondissement één afdeling.

C) Deze wijziging beoogt een tekstaanpassing om te verduidelijken dat het niet de bedoeling is dat er een landelijk rapport van beschikbare plaatsen voor de werkstraf wordt opgesteld. Het is in de praktijk niet alleen meer haalbaar maar ook nuttiger dat dit op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen gebeurt.

Nr. 24 VAN DE REGERING

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quinquies, de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) in § 3, eerste lid, worden de woorden « , en eveneens met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter, § 4, » ingevoegd tussen de woorden « tijde » en « preciseringen »;

B) paragraaf 3, tweede lid, vervangen als volgt :

« De justitieassistent stelt de veroordeelde bij aangetekende brief in kennis van de concrete invulling van de werkstraf. De justitieassistent licht het openbaar ministerie en de probatiecommissie schriftelijk in over de concrete invulling van de straf. »;

C) in de Nederlandse versie van § 4, eerste lid, de woorden « In geval » vervangen door het woord « Ingeval »;

D) in de Nederlandse versie van § 4, eerste lid, tweede zin, de woorden « Ten minste » vervangen door de woorden « Meer dan »;

E) in de Nederlandse versie van § 4, eerste lid, in fine, het woord « advocaat » vervangen door het woord « raadsman ».

Verantwoording

A) Deze wijziging beoogt te verduidelijken dat ook de probatiecommissie ingeval van preciseringen of wijzigingen van de concrete invulling van de werkstraf, rekening dient te houden met de aanwijzingen die door de rechter zijn gegeven.

B) Dit amendement beoogt de in kennisstelling van de concrete inhoud van de werkstraf per aangetekende brief te beperken tot de veroordeelde. Een schriftelijke melding volstaat om het openbaar ministerie en de probatiecommissie op de hoogte te stellen. In de praktijk immers is het secretariaat van de probatiecommissie gevestigd in het justitiehuis zelf.

C) Deze wijziging beoogt een taalkundige verbetering.

D) Deze wijziging beoogt een overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst te brengen.

E) Deze wijziging beoogt een overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst te brengen.

Nr. 25 VAN DE REGERING

Art. 3

Het voorgestelde artikel 37sexies doen vervallen.

Verantwoording

Aangezien de wet van 8 augustus 1997 betreffende het central strafregister werd gepubliceerd op 24 augustus 2001, is dit artikel overbodig geworden.

Nr. 26 VAN DE REGERING

Art. 11

Het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :

« De achttiende maand na de inwerkingtreding bedoeld in het vorige lid, legt de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een evaluatierapport neer over de toepassing van de bij deze wet geregelde werkstraf. »

Verantwoording

Dit amendement beoogt een technische verduidelijking.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.


Nr. 27 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 3

Paragraaf 4 van het voorgestelde artikel 37ter doen vervallen.

Verantwoording

1. Het bestaand strafuitvoeringstelsel is gebaseerd op een klassieke visie van de scheiding der machten. Het behoort aan de rechterlijke macht om straffen uit te spreken, maar aan de uitvoerende macht om deze te laten uitvoeren, door bemiddeling van het openbaar ministerie.

2. De uitvoering van een straf houdt uiteraard de modaliteiten van zijn uitvoering in. Zo zal de uitvoerende macht bepalen wanneer en in welke inrichting de straf zal worden uitgevoerd. Het is niet de bedoeling van onderhavig amendement te ontkennen dat de instelling van een rechter van de strafuitvoering nuttig zou zijn. Deze figuur bestaat overigens in sommige van onze buurlanden (onder andere in Frankrijk met de « juge de l'application des peines (JAP) »).

3. Maar dit onderstelt evenwel dat de (grond)wetgever een nieuwe rechterlijke instantie in het leven roept. Er kan hier geen sprake zijn van een uitbreiding van de bevoegdheden van de bestaande rechterlijke instellingen, in de mate de strafuitvoering een totaal andere grondwettelijke ordening veronderstelt : de rechter spreekt hier geen recht uit, maar oefent een voogdijbevoegdheid uit over de uitvoering van een rechterlijke beslissing.

4. Als besluit hiervan menen wij dat de uitbreiding van de bevoegdheid van de rechter hier niet op zijn plaats is en derhalve beter wordt weggelaten.

Nr. 28 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quater, § 1, de woorden « dan wel bij verenigingen zonder winstoogmerk of bij stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk » doen vervallen.

Verantwoording

1. De uitvoering van de straf is per uitstek een prerogatief van de openbare macht. De Staat oefent bij de uitvoering van de straffen haar gezag uit als regulerende macht van het maatschappelijk leven.

Het toelaten van VZW's en stichtingen als strafuitvoerders betekent dat de Staat een deel van haar soevereiniteit afstaat aan privé-personen. Dit druist in tegen de pedagogische waarde van de straf. De uitvoering van straffen is er niet alleen om de schade te vergoeden, maar tevens ­ en vooral ­ om het bestaan van de norm in herinnering te brengen. Deze taak is nu éénmaal een overheidstaak bij uitstek. In de mate de norm door de overheid ­ door middel van een democratische rechtsordening ­ wordt opgelegd, is het niet meer dan normaal dat deze norm ook degelijk door dezelfde overheid overeind wordt gehouden.

2. Het toevertrouwen van de strafuitvoering van een VZW of aan een stichting kan bovendien het gevaar inhouden dat aan veroordeelden de medewerking aan de verwezenlijking van een bepaald maatschappelijk doel wordt opgelegd, waarmee zij niet noodzakelijk instemmen. In dit opzicht zou de ontworpen bepaling indruisen tegen de vrijheid van mening en tegen de vrijheid van vereniging, die ook de vrijheid om niet toe te treden tot een bepaalde vereniging, waarborgt.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 29 VAN DE HEER VANDENBERGHE EN MEVROUW DE SCHAMPHELAERE

(Subsidiair amendement op amendement nr. 28)

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quater, § 1, tussen de woorden « verenigingen zonder winstoogmerk » en de woorden « of bij stichtingen » de woorden « die door de Koning erkend zijn » invoegen.

Verantwoording

Door de specifieke eis dat de VZW door de Koning dient erkend te zijn voorkomt men dat de werkstraf tevens zou kunnen verricht worden bij malafide verenigingen zonder winstoogmerk.

Nr. 30 VAN DE HEER VANDENBERGHE EN MEVROUW DE SCHAMPHELAERE

Art. 3

Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel 37ter aanvullen als volgt :

« Een werkstraf mag niet uitgesproken worden ter vervanging van een gevangenisstraf van meer dan twee jaar. »

Verantwoording

Dit amendement beoogt een redelijke proportionaliteit te waarborgen tussen het misdrijf en de straf. In bepaalde gevallen kunnen delicten namelijk worden gestraft met straffen die zwaarder zijn dan tien jaar (namelijk in geval van herhaling). Het zou schokkend zijn dat in een dergelijk geval een werkstraf van maximaal 300 uren ­ uitvoerbaar in de tijdsspanne van maximaal een jaar ­ zou worden uitgesproken.

Een beperking dringt zich dan ook op.

Nr. 31 VAN DE HEER VANDENBERGHE EN MEVROUW DE SCHAMPHELAERE

(Subamendement op amendement nr. 26 van de regering)

Art. 11

In het voorgestelde tweede lid, de woorden « en bij de Senaat » invoegen tussen de woorden « bij de Kamer van volksvertegenwoordigers » en de woorden « een evaluatie ».

Verantwoording

De Senaat is de politieke reflectiekamer bij uitstek. Zij heeft in dit kader een essentiële wetsevaluerende rol te spelen. Het evaluatierapport van de toepassing van de wet moet bijgevolg ook bij de Senaat neergelegd worden.

Hugo VANDENBERGHE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.

Nr. 32 VAN DE REGERING

Art. 3bis

Een artikel 3bis nieuw invoegen, luidende :

« Art. 3bis. ­ Het eerste lid van artikel 85 van het Strafwetboek, gewijzigd door de wet van 9 april 1930, zelf gewijzigd door de wet van 9 juli 1964, wordt als volgt geherformuleerd :

« Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kunnen de gevangenisstraffen, de werkstraffen en de geldboeten onderscheidenlijk tot beneden acht dagen, vijfenveertig uren en zesentwintig frank worden verminderd, zonder dat zij lager mogen zijn dan politiestraffen. »

Verantwoording

Dit amendement beoogt de principes van de verzachtende omstandigheden, zoals geformuleerd in artikel 85 van het Strafwetboek, ook toepasselijk te maken op de werkstraf.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.