2-778/2

2-778/2

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

10 OKTOBER 2001


Wetsontwerp tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 1, het tweede lid doen vervallen.

Verantwoording

Men kan zich vragen stellen bij de deugdelijkheid van de lijst met misdrijven die niet met een werkstraf mogen worden bestraft.

Zo zijn uitgesloten alle gevallen van opzettelijke slagen en verwondingen met blijvende letsels tot gevolg en de kwaadwillige belemmering van het verkeer wanneer die een persoonlijke ongeschiktheid of het verlies van een orgaan met zich heeft gebracht.

Is bijvoorbeeld het onthouden van voedsel en verzorging niet juist een misdrijf waarbij een werkstraf in bepaalde gevallen een constructievere sanctie kan zijn dan een gevangenisstraf of een geldboete ? Waarom sluit men het misdrijf « toediening van schadelijke stoffen » uit alsook elke aanranding van de eerbaarheid, terwijl dat laatste misdrijf toch betrekking kan hebben op feiten van een zeer uiteenlopende ernst ?

De strafwetgeving moet algemeen zijn en op de lange termijn gericht. Het is daarom niet wenselijk bepaalde misdrijven uit de werkingssfeer van deze wet te weren omdat ze momenteel veel reacties opwekken (misdrijven die verband houden met minderjarigen). Bovendien kunnen ernstig klinkende strafbaarstellingen ook tamelijk onbelangrijke feiten dekken. Het strafrecht moet hier flexibel kunnen worden aangewend : de wet kan niet alles vaststellen, de rechter moet een beoordelingsruimte behouden. De bedoeling is immers dat de werkstraf de gevangenisstraf vervangt in de gevallen waar de wetgever de gevangenis een ongeschikte straf acht. Voor korte gevangenisstraffen vormt de werkstraf niet echt een alternatief aangezien die in principe toch niet worden uitgevoerd. Het huidige systeem van niet-uitvoering van korte gevangenisstraf is voor kritiek vatbaar. De oplossing mag echter niet te drastisch zijn. Door alle korte gevangenisstraffen te vervangen door werkstraffen zou men de situatie van bepaalde veroordeelden verzwaren terwijl het systeem deze nieuwe straffen toch niet aankan. Dan keren we dus gewoon terug tot de huidige, ontoereikende situatie op dat vlak. In dit verband zij verwezen naar de opmerkingen van professor Ann Jacobs (Ulg) tijdens de hoorzittingen in de Kamercommissie voor de Justitie (stuk Kamer, nr. 0549/011, blz. 70).

Nr. 2 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 1)

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 1, de inleidende zin vervangen als volgt : « De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de met voorbedachtheid gepleegde feiten die bedoeld zijn in : ».

Verantwoording

Als amendement nr. 1 niet wordt goedgekeurd, is het raadzaam om toch minstens de lijst met feiten waarvoor geen werkstraf kan worden uitgesproken, te beperken tot feiten die met voorbedachtheid zijn gepleegd (stuk Kamer, nr. 50-0549/11, blz. 70).

Nr. 3 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 1)

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 1, het tweede lid vervangen als volgt :

« De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten die van die aard zijn dat ze moeten worden gestraft met als hoofdstraf een correctionele gevangenisstraf van meer dan acht maanden. »

Verantwoording

In plaats van een ­ per definitie ad hoc ­ lijst van misdrijven op te stellen waarvoor een werkstraf is uitgesloten, kan beter worden verwezen naar de drempelwaarde waarboven de werkstraf niet kan worden uitgesproken.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat in de Kamer werd ingediend, bepaalde dat de werkstraf enkel mocht worden uitgesproken voor feiten die worden gestraft met een gevangenisstraf van maximum vijf jaar. Sommige deskundigen vonden deze drempel overdreven. Deze grens ligt inderdaad erg hoog als we ervan uitgaan dat de werkstraf in wezen wordt gezien als een tussenoplossing, een maatregel tussen een boete en een gevangenisstraf, en dat de werkstraf eigenlijk bedoeld is als alternatief voor een korte gevangenisstraf.

Nr. 4 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 1, het eerste lid aanvullen als volgt :

« De duur van de subsidiaire gevangenisstraf bedraagt ten minste één dag en ten hoogste acht maanden. »

Verantwoording

Dit amendement is gebaseerd op de suggesties die professor Tom Vanderbeken heeft geformuleerd aan de hand van het Nederlandse Wetboek van strafrecht.

Om het principe van de legaliteit van de straffen in acht te nemen, lijkt het raadzaam dat de wet expliciet het verband definieert tussen de werkstraf en de in het veroordelend vonnis bepaalde vervangende gevangenisstraf. Dit betekent dat er een vaste verhouding wordt bepaald tussen de duur van de werkstraf en die van de vervangende gevangenisstraf, of dat minstens een maximum gevangenisstraf per aantal uren werkstraf wordt bepaald (stuk Kamer, nr. 50-0549/011, blz. 82-83 en 99).

Nr. 5 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 2, in het eerste lid de woorden « driehonderd uren » vervangen door de woorden « tweehonderdveertig uren ».

Verantwoording

De indieners van het oorspronkelijke voorstel wilden dienstverlening in het kader van de probatieregeling en van de strafbemiddeling duidelijk onderscheiden van dienstverlening als autonome straf. Aangezien via amendementen in de Kamer de dienstverlening in het kader van de probatieregeling en van de strafbemiddeling is geschrapt, houdt dit argument geen steek meer.

Er kunnen bovendien vragen worden gesteld bij de relevantie van dit maximum van 300 uren, aangezien de werkstraf toch gezien moet worden in het kader van de reclassering.

Sommige deskundigen baseren zich op het publiek waarover het gaat, op de inspanningen die de betrokkenen moeten doen en op de eisen waaraan zij moeten voldoen om te stellen dat in veel gevallen de doelstelling kan worden gehaald met een aanzienlijk lager aantal uren. Een straf met meer uren werkt een concreet risico op mislukking in de hand. Anderzijds zal het in die omstandigheden steeds moeilijker worden om plaatsen te vinden waar de werkstraf kan worden uitgevoerd met voldoende begeleiding, een conditio sine qua non voor het welslagen van een dergelijke maatregel (stuk Kamer, nr. 50-0549/11, blz. 71).

De maximumgrens van 240 uren werkstraf stemt trouwens overeen met de maximumduur die voor dit soort straffen bepaald is in andere landen zoals Engeland, Frankrijk, Nederland (stuk Kamer, nr. 50-0549/11, blz. 82).

Nr. 6 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 2, het tweede lid aanvullen als volgt :

« Die verlenging kan slechts eenmaal plaatsvinden, voor een maximale duur van twaalf maanden. »

Verantwoording

Er moet een maximale duur worden bepaald voor de verlenging van de termijn waarbinnen de werkstraf moet worden uitgevoerd.

De mogelijkheid om deze termijn te verlengen wordt vermeld omdat de stipte uitvoering van de werkstraf niet altijd afhangt van de veroordeelde zelf (plaats waar de straf moet worden uitgevoerd, datum waarop de uitvoering van de straf effectief begint, enz.). Deze termijn kan echter niet eindeloos worden verlengd.

Nr. 7 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 3, eerste lid, de volzin « De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers » vervangen door de woorden « De rechter houdt rekening met de veiligheid van de eventuele slachtoffers ».

Verantwoording

De voorgestelde formulering kan in de rechtspraak geïnterpreteerd worden alsof de rechter de mogelijkheid krijgt om het slachtoffer te horen over de aard van de straf. In de context van de huidige wetgeving kan een slachtoffer als burgerlijke partij, dus als volwaardige partij in het strafproces, enkel aanspraak maken op de herstelling van de schade, zonder inspraak te hebben in de strafmaat, de inhoud of de uitvoeringsbepalingen ervan. De wet staat het slachtoffer niet toe zich te verzetten tegen de veroordeling tot een werkstraf als zodanig. Blijkbaar wilden de indieners zich baseren op de wet van 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie en dus enkel toestaan dat het slachtoffer gehoord wordt over de uitvoeringsbepalingen van de sanctie. Dit moet echter duidelijker worden geformuleerd.

In zijn huidige formulering geeft de tekst trouwens aanleiding tot een ongerechtvaardigde discriminatie. De slachtoffers van een misdrijf dat niet leidt tot een autonome werkstraf maar tot een klassieke gevangenisstraf, een opschorting van de uitspraak of een opschorting, kunnen immers niet gehoord worden en de rechter hoeft niet noodzakelijk rekening te houden met hem (voor de keuze tussen een gevangenisstraf en een geldboete worden slachtoffers niet gehoord).

Ten slotte is het erg waarschijnlijk dat het slachtoffer het gerecht als een wraakmiddel ziet en een gevangenisstraf verkiest boven een alternatieve straf. Deze oplossing is dus niet gezond.

Nr. 8 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37ter, § 3, eerste lid, de woorden « nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn advocaat, met kennis van zaken zijn instemming heeft gegeven » vervangen door de woorden « nadat hij zijn instemming heeft betuigd, hetzij in persoon, hetzij via zijn advocaat ».

Verantwoording

Verschillende deskundigen hadden kritiek op de uitdrukking « met kennis van zaken ». De tekst is te vaag en voor betwisting vatbaar. Men vraagt de instemming van de beklaagde, maar waarmee ? Met het principe van de werkstraf of met de concrete invulling ervan ? De werkstraf wordt veel te vaag omschreven in het wetsontwerp.

In de huidige formulering kan een beklaagde onmogelijk zijn instemming geven « met kennis van zaken », aangezien de inhoud van de straf hem totaal ontgaat en het ontwerp bovendien het opstellen van een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête niet verplicht stelt. De rechter kan weliswaar aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf, maar de inhoud ervan wordt niet door hem bepaald. Deze taak is voor de justitieassistent weggelegd (gelukkig onder toezicht van de probatiecommissie).

Nr. 9 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quater, de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In § 2 de woorden « kunnen het openbaar ministerie ... de opdracht geven » vervangen door de woorden « geven het openbaar ministerie ... de opdracht ».

B. Dezelfde § 2 aanvullen met een tweede lid, luidende :

« Het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de vonnissengerechten kunnen ambtshalve of op verzoek van de beklaagde overgaan, in plaats van tot een beknopt voorlichtingsverslag of een aanvulling daarvan, tot een sociale enquête over zijn gedrag en zijn milieu. »

Verantwoording

De meeste deskundigen waren voor het behoud van de verplichting een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen, zoals dat het geval is (was) voor de dienstverlening en vorming in het kader van de opschorting of het probatoir uitstel.

Het huidige ontwerp verplicht de rechter niet informatie te laten inwinnen over de leefwereld van de beklaagde of over zijn vermogen om de straf uit te voeren.

Dit weglaten van de informatieplicht is betreurenswaardig, aangezien het strafdossier weinig basisinformatie geeft aan de rechter om hem in staat te stellen een weloverwogen beslissing te nemen. Het is belangrijk het beknopt voorlichtingsverslag vooralsnog te verplichten, zodat de beslissing van de rechter beter kan worden voorbereid en onderbouwd, zowel op het vlak van de aard als van de duur van de straf. Dit voorlichtingsverslag kan reeds worden aangevraagd in een vroeger stadium van het proces dan op de zitting (professor Beyens, stuk Kamer, 0549/011, blz. 93; professor Jacobs, stuk Kamer, 0549/011, blz. 73). Bovendien moet de feitenrechter de mogelijkheid behouden tot een sociale enquête over te gaan wanneer dit nodig blijkt, zoals dat het geval is (was) voor de probatie.

Nr. 10 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Het voorgestelde artikel 37ter, § 3, aanvullen met het volgende lid :

« De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, alsook de raadsman van de veroordeelde kunnen alle nodige aanvullende inlichtingen bij die dienst opvragen. »

Verantwoording

Het is van belang dat de onafhankelijkheid van de rechter gehandhaafd wordt, en dat zijn beslissing niet volledig afhangt van omstandigheden die niets met de toestand van de beklaagde te maken hebben (zoals een tekort in het aanbod, geen beleid dat autonome straffen aanmoedigt, enz.), en die duidelijk tot discriminatie aanleiding kunnen geven. Het openbaar ministerie mag de besluitvorming niet beheersen.

Niet alleen de procureur des Konings maar ook de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg moet dus over het beschikbare aanbod worden ingelicht; deze laatste moet ook bijkomende inlichtingen kunnen vragen aan de diensten van de justitiehuizen. De advocaat moet dezelfde inlichtingen kunnen krijgen.

Nr. 11 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

In het voorgestelde artikel 37quinquies, § 1, in het eerste en het tweede lid het woord « woonplaats » vervangen door het woord « verblijfplaats ».

Verantwoording

Technische verbetering.

Clotilde NYSSENS.