2-783/3 | 2-783/3 |
10 JULI 2001
Art. 2
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het voorgestelde artikel maakt, via het toepasselijk verklaren van het (nieuwe) artikel 31, §§ 5 en 6, van de BWHI van 8 augustus 1980, de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor de controle op verkiezingsuitgaven en regeringsmededelingen en de aanvullende financiering van politieke partijen.
Nopens de controle verkiezingsuitgaven/controle regeringsmededelingen.
De Raad van State merkt, net zoals hij deed bij het oorspronkelijk voorontwerp van het bevoegdheidsontwerp van het Lambermontakkoord, op dat « de wetgever aan de Duitstalige Gemeenschap niet de bevoegdheid kan opdragen om bij decreet bepalingen uit te vaardigen tot regeling van de controle op de verkiezingsuitgaven met betrekking tot de verkiezing van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, en van de controle op de regeringsmededelingen van de leden van haar regering.
Ten eerste maakt zulk een bevoegdheid geen deel uit van die welke bij artikel 130, § 1, van de Grondwet aan de Raad van de Duitstalige Gemeenschap wordt opgedragen, en ten tweede beschikt de Raad niet over de constitutieve autonomie die de bijzondere wetgever krachtens de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet aan de Franse Gemeenschapsraad, aan de Waalse Gewestraad en aan de Vlaamse Gemeenschapsraad kan toekennen. »
Volgens de Raad van State dient men dus in het ontwerp zélf de regeling te bepalen voor de controle op de verkiezingsuitgaven en op de regeringsmededelingen voor de Duitstalige Gemeenschap.
In de memorie van toelichting antwoordt de regering dat deze bevoegdheden enkel betrekking hebben op de uitwerking van een bijkomende organieke regelgeving die van dezelfde aard is als de overige bijkomende regels die deze Raad kan opstellen, « zoals deze betreffende de geldigverklaring van de verkiezingen van deze raad of het onderzoek van de geloofsbrieven van zijn leden, of dat deel uitmaakt van de controle op de regeringsactiviteiten die laatstgenoemde uitoefent ».
De regering volgt dus de stelling van de Raad van State niet dat een regeling die verband houdt met verkiezingsuitgaven te maken heeft met de verkiezingen zelf, en dat een regeling die verband houdt met controle op regeringsmededelingen te maken heeft met de werking van de regeringen zelf (precies die twee aangelegenheden waarover de Duitstalige Gemeenschap geenszins constitutieve autonomie heeft, noch die haar als bevoegdheid krachtens de Grondwet toegekend zijn).
Het regeringsstandpunt kan door de indiener van dit amendement niet worden bijgetreden.
Nopens de aanvullende financiering voor politieke partijen.
Ook hier uit de Raad van State kritiek :
« Artikel 38 van de Grondwet bepaalt dat elke gemeenschap de bevoegdheid heeft die haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens de Grondwet worden toegekend. Welnu, in de artikelen van de Grondwet die handelen over de bevoegdheden van de Duitstalige Gemeenschap (artikelen 130, 167 en 170, § 2) is geen sprake van enige mogelijkheid voor de wetgever om aan de bedoelde gemeenschap een bevoegdheid inzake de financiering van politieke partijen toe te kennen. De wet kan die bevoegdheid derhalve niet overdragen. »
De financiering van politieke partijen kan bovendien niet aangezien worden als een maatregel van « interne aard », zodat zij zou ressorteren onder artikel 118, § 1, van de Grondwet, dat bepaalt dat de werking van de raden bij wet wordt geregeld. « In tegenstelling tot de groepen binnen de Raad, vormen de politieke partijen immers geen bestanddeel van de Raad of van de diensten van de Raad. »
Een alternatief kan erin bestaan, zo stelt de Raad van State, om met toepassing van artikel 139 van de Grondwet te voorzien dat de Duitstalige Gemeenschap dezelfde bevoegdheid van het Waalse Gewest zou overgeheveld krijgen, wat het Duitse taalgebied betreft.
De indiener van dit amendement steunt de zienswijze van de Raad van State. De voorgestelde bepaling dient aldus te vervallen.
Art. 3
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Artikel 3 van het ontwerp maakt het mogelijk dat de Duitse gemeenschapsregering wordt uitgebreid van 3 naar 5 leden (de Raad, bestaande uit 25 leden, blijft ongewijzigd).
Als motivering hiertoe stelt de memorie van toelichting dat deze uitbreiding gepast is « door de verruiming van de taken van de Regering ingevolge de uitoefening van bevoegdheden van het Waalse Gewest krachtens artikel 139 van de Grondwet ».
Tijdens de besprekingen in de commissie verzocht de indiener van dit amendement de minister een overzicht te bezorgen van de bevoegdheden die door de Duitstalige Gemeenschap worden uitgeoefend, na « overdracht » van het Waals Gewest bij toepassing van artikel 139 van de Grondwet, hetgeen deze mogelijke uitbreiding kon verantwoorden.
Hierop werd geen afdoende antwoord gegeven; de uitbreiding van de regering van de Duitstalige Gemeenschap lijkt dus op geen enkele manier gerechtvaardigd.
| Hugo VANDENBERGHE. |