2-717/1 | 2-717/1 |
11 APRIL 2001
De regering heeft de eer U ter goedkeuring voor te leggen de Overeenkomst aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, opgemaakt te Brussel op 10 maart 1995.
Deze overeenkomst is opgesteld bij akte van de Europese Raad en door alle lidstaten van de Europese Unie ondertekend op 10 maart 1995. Eind februari 2000 hadden reeds zes lidstaten van de Europese Unie de Overeenkomst bekrachtigd : Denemarken, Duitsland, Finland, Portugal, Spanje, en Zweden.
De Overeenkomst betreffende de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat uit 17 artikelen. Deze Overeenkomst beoogt de tijd noodzakelijk voor de uitlevering, alsook elke aanhoudingsperiode met het oog op uitlevering, tot een minimum te herleiden in het geval dat de betrokken persoon zich niet verzet tegen zijn overlevering. Dit instrument, dat uitgewerkt is op basis van een Belgisch voorstel, strekt ertoe de uitleveringsprocedure tussen de lidstaten van de Europese Unie, voorzien door het Europees Verdrag betreffende de Uitlevering, opgesteld te Parijs op 13 december 1957, te vereenvoudigen en te verbeteren. Deze overeenkomst werd bekrachtigd door België op 29 augustus 1997.
De tekst van de huidige Overeenkomst maakt het voorwerp uit van een toelichtend verslag, goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie op 25 april 1995 en verschenen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 12 december 1996 (nr. 375/4 document 96/C 375/03). Dit toelichtende verslag, dat U als bijlage bij de Overeenkomst terugvindt, behandelt op een gedetailleerde wijze de ontstaansgeschiedenis en de principes van de Overeenkomst. Aangezien België, via de tussenkomst van zijn ministerie van Justitie, de auteur van het ontwerp van tekst van de Overeenkomst is geweest, zou de inhoud ervan voor ons land geen problemen mogen opleveren.
Deze Memorie van Toelichting zal de stellingen ontwikkeld in het Toelichtende Verslag niet meer hernemen. Hij beperkt zich voornamelijk tot een bespreking van de bepalingen van de Overeenkomst in functie van het in overweging nemen door het Belgische uitleveringsrecht, dit gedurende een lange tijd reeds, van de instemming van de betrokken persoon. Het is inderdaad sedert meer dan een eeuw de standvastige praktijk in België om namens een vereenvoudigde pretoriaanse procedure toe te stemmen met de overlevering van opgeëiste personen aan de verzoekende staat, voor zover dat de geïnteresseerden formeel afzien van de formaliteiten en de waarborgen geboden door de uitlevering.
Het Verdrag aangaande de Uitlevering en Rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962, gesloten tussen het koninkrijk België, het groothertogdom Luxemburg en het koninkrijk der Nederlanden, voorziet eveneens in een verkorte uitleveringsprocedure, terwijl de Overeenkomst van 19 juni 1990 in toepassing van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 de uitlevering, zonder formele uitleveringsprocedure, toestaat.
Verder worden er in de Memorie van Toelichting eveneens zeer bondige of met het Toelichtende Verslag aanvullende uiteenzettingen gegeven, wordt het standpunt van België inzake voorbehouden en verklaringen verduidelijkt, en wordt, indien dit noodzakelijk blijkt, verwezen naar het van toepassing zijnde Belgische recht. De Memorie van Toelichting duidt dienaangaande de bepalingen van de Overeenkomst aan die een aanpassing van een Belgische recht, en meer in het bijzonder de wetgeving aangaande de uitlevering, zouden kunnen noodzaken. Hoewel de huidige Overeenkomst een rechtstreekse werking heeft in de interne rechtsorde, wordt het in overeenstemming brengen van deze wetgeving met de nieuwe verdragrechtelijke verplichtingen heden bestudeerd, dit met het oog op het vermijden van strijdigheden in de interpretatie van de toepasselijke bepalingen, en het vergemakkelijken van het in praktijk brengen van deze bepalingen voor de betrokken autoriteiten. Met het oog op een globale wijziging van de uitleveringswetgeving, en de daarmee onlosmakelijk verbonden wetgeving betreffende de rechtshulp in strafzaken, heb ik het wetenschappelijk onderzoek ter zake toevertrouwd aan de Universiteit te Gent. Het gevraagde werk moet mij ten laatste in november 2001 worden overgemaakt. De regering verbindt er zich dan ook toe om ten laatste tijdens het eerste trimester van 2002 een globaal ontwerp van wet betreffende deze materie bij het Parlement in te dienen.
In België bestaat er reeds sedert het einde van de 19e eeuw een vereenvoudigde uitleveringsprocedure, gebaseerd op de instemming van de opgeëiste persoon, waardoor de geïnteresseerde formeel afziet van de formaliteiten en waarborgen van de uitlevering. Deze procedure is niet geregeld door de uitleveringswet van 15 maart 1874, maar zij is vastgelegd in vijf ongepubliceerde omzendbrieven, waarvan de omzendbrief van 18 april 1888 de belangrijkste is.
Nadat de documenten, opgesteld in toepassing van het verzoek tot uitlevering, aan de betrokken persoon werden betekend, wordt de geïnteresseerde onverwijld door een parketmagistraat ondervraagd. De opgeëiste persoon wordt gevraagd of hij zijn akkoord verleent om te worden overgeleverd in de handen van de autoriteiten van de verzoekende lidstaat zonder het einde van de uitleveringsformaliteiten af te wachten en, of hij uitdrukkelijk en vrij instemt om te worden vervolgd uit hoofde van om het even welk feit, zonder de mogelijkheid te hebben om de waarborgen geboden door de internationale verdragen te kunnen inroepen. Deze verklaring wordt opgetekend in een proces-verbaal door een magistraat van het bevoegde parket, waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de juridische gevolgen van de instemming. De vraag moet aan de opgeëiste persoon worden gesteld, of vertaald, in een taal die hij begrijpt. De geïnteresseerde kan zich door een advocaat laten bijstaan.
Er is geen enkel advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling vereist, en het komt de minister van Justitie toe om zich onverwijld over de uitlevering uit te spreken. De instemming is steeds herroepbaar tot op het op het moment van de overlevering aan de grens.
Artikel 19 van het Verdrag aangaande de Uitlevering en de Rechtshulp in strafzaken tussen het koninkrijk België, het groothertogdom Luxemburg en het koninkrijk Nederland, het Benelux-Uitleveringsverdrag genoemd, voorziet in een verkorte uitleveringsprocedure, gebaseerd op de instemming van de opgeëiste persoon.
In het geval van voorlopige aanhouding vereist deze procedure de instemming van de betrokken persoon om zonder formaliteiten te worden uitgeleverd, alsook de toestemming van de magistraat van het bevoegde parket. Indien deze beide voorwaarden vervuld zijn, zal de uitlevering plaatsvinden binnen een termijn van vijf dagen na de voorlopige aanhouding (en ten laatste binnen een termijn van 18 dagen, zijnde de maximale duur van de voorlopige aanhouding naar luid van artikel 15 van het Benelux-Uitleveringsverdrag). Artikel 19 van het Benelux-Uitleveringsverdrag voorziet uitdrukkelijk in het recht van de aangehouden persoon om zich door een advocaat te laten bijstaan.
De overdracht voltrekt zich zonder formaliteiten en, in tegenstelling tot de Belgische praktijk in de materie van de uitlevering, is het niet de minister van Justitie maar de bevoegde gerechtelijke autoriteiten die de beslissing nemen. De verkorte procedure verloopt rechtstreeks tussen de gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte staat. Net zoals dit het geval is bij de vereenvoudigde procedure gebaseerd op de Belgische praktijk, brengt de instemming van de betrokken persoon, wat ons land betreft, de afstand van de waarborg van het specialiteitsbeginsel met zich mee. Deze instemming blijft herroepbaar tot op het ogenblik van de overlevering van de geïnteresseerde aan de verzoekende staat.
Artikel 66 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen voorziet dat, indien de uitlevering van de betrokken persoon niet kennelijk naar het recht van de aangezochte staat is uitgesloten, de aangezochte lidstaat de uitlevering kan toestaan zonder dat een formele uitleveringsprocedure plaatsvindt, mits de betrokken persoon met zijn uitlevering instemt blijkens een door een lid van de rechterlijke macht opgemaakt proces-verbaal, en na verhoor van deze, waarin hij is voorgelicht over zijn recht op een formele uitleveringsprocedure. Een advocaat kan hem tijdens deze hoorzitting bijstaan. De notie « lid van de rechterlijke macht » in dit artikel is een notie eigen aan de Overeenkomst van Schengen, waaronder wordt begrepen elke magistraat, ook de parketmagistraten.
Deze procedure van de Overeenkomst van Schengen is bijgevolg alleen de bevestiging van de huidige praktijk in de materie van de uitlevering. Het gaat hier niet om een « verkorte » procedure tussen gerechtelijke autoriteiten maar om een vereenvoudigde uitleveringsprocedure, die de tussenkomst via een ministeriële beslissing impliceert.
Ondertussen is het aangewezen om een recente evolutie van de rechtspraak van het ministerie van Justitie op te merken, waardoor een snelle en doeltreffende beslissing mogelijk wordt gemaakt en waarbij het starten van de uitleveringsprocedure zonder formaliteiten wordt toegestaan, van zodra de geïnteresseerde voorlopig wordt aanhouden, en zonder het officiële uitleveringsverzoek af te wachten.
Ten slotte bepaalt artikel 66 van de Overeenkomst van Schengen in de tweede paragraaf dat « De opgeëiste persoon die uitdrukkelijk heeft verklaard af te zien van de bescherming op grond van het specialiteitbeginsel kan niet op die verklaring terugkomen. » Deze onherroepelijkheid van de afstand van het specialiteitsbeginsel vindt wat België betreft geen toepassing aangezien de afstand van het specialiteitsbeginsel in het Belgische recht onafscheidelijk verbonden is met de instemming met de uitlevering. De instemming kan steeds tot op het ogenblik van de overdracht aan de grens in vraag worden gesteld.
Artikel 1 vermeldt dat de bepalingen van de Overeenkomst het Europees Uitleveringsverdrag, gedaan te Parijs op 13 december 1957, aanvult. De tweede paragraaf van artikel 1 verduidelijkt dat de Overeenkomst geen afbreuk zal doen aan gunstigere bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten, van kracht zijnde tussen lidstaten. Hieruit moet worden afgeleid dat de verkorte procedure voorzien in artikel 19 van het Benelux- Uitleveringsverdrag van 27 juni 1962 van toepassing blijft in onze relaties met de Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg.
Dit artikel bevat het grondbeginsel van de Overeenkomst : de lidstaten verbinden er zich toe om, in overeenstemming met de verkorte procedure voorzien door de Overeenkomst, tot overlevering van personen die voor uitlevering worden gezocht over te gaan, van zodra de betrokken personen hun instemming, overeenkomstig de artikelen 5, paragraaf 1, 6 en 7, hebben verleend en, de aangezochte staat, overeenkomstig artikel 5, paragraaf 2, zich akkoord heeft verklaard.
Artikel 3 betreft de voornaamste door de Overeenkomst beoogde hypothese, namelijk die waarbij de voorlopige aanhouding het startpunt is om de verkorte procedure toe te passen. De verkorte procedure voorzien in artikel 19 van het Benelux-Uitleveringsverdrag veronderstelt eveneens de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon als startpunt om deze procedure toe te passen.
Artikel 4 betreft de inlichtingen die moeten worden meegedeeld om een beroep op de verkorte procedure toe te laten, alsook de aanvullende inlichtingen die door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat kunnen gevraagd worden.
De mededeling van deze gegevens beantwoordt aan een dubbel objectief : een voldoende basis van informatie verschaffen, enerzijds aan de geïnteresseerde persoon, om hem in staat te stellen met de uitlevering in te stemmen en, anderzijds, aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat, zodat zij de wettelijkheid en de opportuniteit van de uitlevering kunnen analyseren alvorens hun toestemming te verlenen.
Noch de huidige Belgische praktijk inzake uitlevering, noch de verkorte procedure overeenkomstig artikel 19 van het Benelux- Uitleveringsverdrag voorzien uitdrukkelijk in de mededeling van specifieke informatie betreffende deze procedures. De noodzakelijke gegevens betreffende de afstand van formaliteiten inzake de uitlevering of in toepassing van de verkorte procedure blijken in de praktijk, afhankelijk van geval tot geval, uit het uitleveringsverzoek, of uit het verzoek tot voorlopige aanhouding.
Artikel 5 verduidelijkt dat de instemming van de betrokken persoon onder de in artikel 6 en 7 van de Overeenkomst gestelde voorwaarden moet geschieden, terwijl de toestemming door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat overeenkomstig de nationale procedures gebeurt.
Artikel 6 verplicht de autoriteit, bevoegd tot inhechtenisneming, om de aangehouden persoon op de hoogte te brengen van het uitleveringsverzoek waarvan hij het voorwerp uitmaakt en, van de mogelijkheid om in te stemmen met zijn overlevering volgens de verkorte procedure. Deze informatie wordt verstrekt op het moment van de inhechtenisneming, in overeenstemming met het interne recht.
Deze bepaling is in overeenstemming zowel met de vereenvoudigde procedure tot uitlevering, voorzien volgens de Belgische praktijk, als met de verkorte procedure van het Benelux-Uitleveringsverdrag.
Globaal genomen lijken de artikelen 1 tot en met 6 van de Overeenkomst in overeenstemming te zijn met het Belgische recht en de bestaande uitleveringspraktijk.
Krachtens artikel 7, paragraaf 1, wordt de instemming van de aangehouden persoon verkregen door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten van de aangezochte staat, in overeenstemming met het nationale recht van deze staat.
Dit geldt eveneens voor de afstand van de waarborg van het specialiteitsbeginsel, dat vastgelegd werd in artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag. Die lidstaten die afstand wensen te doen van de toepassing van artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag zullen daartoe, zoals dit voorzien is in artikel 9 van de Overeenkomst, een verklaring dienen te formuleren. Deze verklaring zal op het moment van de bekrachtiging van de Overeenkomst worden afgelegd.
De instemming van de opgeëiste persoon wordt zowel op het niveau van de vereenvoudigde procedure overeenkomstig de Belgische actuele praktijk in de materie van de uitlevering, als op het niveau van de verkorte procedure voorzien in artikel 19 van het Benelux- uitleveringsverdrag, door een magistraat van het openbaar ministerie ontvangen. De in het kader van de twee procedures gegeven instemming brengt wat ons land betreft automatisch de afstand van de waarborg van het specialiteitsbeginsel met zich mee; dit heeft tot gevolg dat België de verklaring overeenkomstig artikel 9, a) van de Overeenkomst zal afleggen, dit met het oog op de handhaving van de eenheid in zijn recht in de materie van de uitlevering.
Paragraaf 2 verplicht de lidstaten om de noodzakelijke maatregelen te treffen zodat uit de omstandigheden blijkt dat de betrokken persoon uit vrije wil handelt, en zich volledig bewust is van de gevolgen van de instemming. De aangehouden persoon heeft het recht om zich door een advocaat te laten bijstaan.
Paragraaf 3 voorziet dat de overeenkomstig paragraaf 2 bekomen instemming in een proces-verbaal wordt opgetekend.
De voorwaarden opgelegd door artikel 7, paragraaf 2 en 3 van de Overeenkomst zijn in overeenstemming met de Belgische praktijk in de materie van de uitlevering en met de verkorte procedure voorzien in artikel 19 van het Benelux- Uitleveringsverdrag.
Paragraaf 4 bepaalt dat de instemming (en in voorkomend geval de afstand van het specialiteitsbeginsel) onherroepelijk is behalve indien de lidstaat op het moment van de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een verklaring aflegt, waaruit blijkt dat dit onherroepelijke karakter van de instemming, of van het specialiteitsbeginsel, in strijd zou zijn met zijn nationale recht.
De actuele Belgische praktijk in de materie van de uitlevering voorziet dat de betrokken persoon op zijn instemming kan terugkomen tot op het moment dat hij het territorium verlaat. De geïnteresseerde dient zijn instemming aan de grens te bevestigen.
Er is voorgesteld dat België, met het oog op de handhaving van de overeenstemming met zijn bestaand praktijk in de materie van de uitlevering, de verklaring voorzien in artikel 7, paragraaf 4 te laten afleggen. Deze verklaring luidt als volgt : « De instemming met de verkorte procedure, uitgedrukt in toepassing van de huidige Overeenkomst, door een in België gevonden persoon, alsook de hiermee samenhangende automatische afstand van het specialiteitsbeginsel zijn herroepbaar tot op het moment dat deze persoon in de handen van de autoriteiten van de verzoekende staat is overgedragen. »
Alhoewel het Benelux- Uitleveringsverdrag hieromtrent geen enkele bepaling bevat heeft de opgeëiste persoon eveneens de mogelijkheid om, in toepassing van de verkorte procedure, op zijn instemming terug te komen tot op het ogenblik van de overlevering aan de verzoekende autoriteiten.
Het zou wenselijk zijn dat het principe van de herroepbaarheid van de instemming in de Belgische Uitleveringswet zou worden ingeschreven. Op dit ogenblik bevatten alleen ministeriële omzendbrieven dit principe.
Artikel 8 betreft de termijn waarbinnen de aangezochte staat de instemming van de betrokken persoon aan de verzoekende staat dient mede te delen. Voor België zullen de bevoegde autoriteiten, voorzien in paragraaf 2, de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg zijn.
Artikel 9 staat toe dat, om rekening te houden met de verschillen in wetgevingen tussen de lidstaten van de Europese Unie, elke lidstaat, gelet op de zorg voor wederzijdse informatie, op het moment van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaart dat het specialiteitsbeginsel, zoals voorzien is in artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, niet van toepassing is in het kader van de verkorte procedure.
Naar aanleiding van de neerlegging van de akte van bekrachtiging van het Europese Uitleveringsverdrag heeft België ter attentie van artikel 14 de volgende verklaring afgelegd : « België is van oordeel dat het specialiteitsbeginsel niet toepasselijk is, wanneer de betrokken persoon uitdrukkelijk toegestemd heeft om op om het even welke grond vervolgd en gestraft te worden door de gerechtelijke overheid van de aangezochte staat, indien deze mogelijkheid voorzien is in het recht van deze staat. Indien daarentegen de uitlevering aan België gevraagd wordt, gaat België ervan uit dat, wanneer de uit te leveren persoon formeel afstand gedaan heeft van de formaliteiten en waarborgen van de uitlevering, het specialiteitenbeginsel niet meer toepasselijk is. »
In overeenstemming met de Belgische uitleveringpraktijk, die reeds aan de basis lag van de verklaring gemaakt door ons land ter attentie van artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, zal België de verklaring afleggen voorzien in artikel 9, a), in de volgende bewoordingen : « De regels die betrekking hebben op de specialiteit, voorzien in artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, zijn niet van toepassing indien de betrokken persoon instemt met zijn uitlevering ». Het gevolg hiervan is dat de betrokken persoon in de verzoekende staat voor andere feiten zal kunnen worden vervolgd, dan die feiten die aanvankelijk aan de basis lagen van de uitleveringsprocedure.
Zelfs indien artikel 9 in overeenstemming is met de Belgische praktijk aangaande de uitlevering, zou het opportuun zijn om het principe van de automatische afstand van de waarborg van het specialiteitsbeginsel, ten gevolge van de instemming door de persoon met zijn uitlevering, in de Belgische Uitleveringswet in te schrijven.
Artikel 10 voorziet dat alle mededelingen betreffende de verkorte procedure rechtstreeks verlopen tussen de bevoegde autoriteiten, aangeduid in toepassing van artikel 15 van de Overeenkomst. In België zullen, gelet op de zorg voor doeltreffendheid en snelheid die aan de basis ligt van de huidige Overeenkomst, de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg belast worden met de mededelingen en de noodzakelijke beslissingen.
Paragraaf 2 betreft de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit zijn besluit meedeelt, nadat de betrokken persoon met zijn uitlevering heeft ingestemd.
Artikel 11 bevestigt de termijn voor de overlevering op maximum 20 dagen na de datum waarop de beslissing tot uitlevering meegedeeld is krachtens artikel 10 van de Overeenkomst.
Paragraaf 2 van dit artikel voorziet na het verstrijken van deze termijn de onmiddellijke in vrijheidsstelling van de aangehouden persoon op het grondgebied van de aangezochte staat, behoudens indien, krachtens paragraaf 3, een geval van overmacht de overdracht belemmert. In dit geval kunnen de bevoegde autoriteiten een nieuwe datum van overdracht vastleggen. Deze moet dan wel uitgevoerd worden binnen de 20 dagen te tellen vanaf de nieuw overeengekomen datum.
Paragraaf 4 voorziet dat dit artikel niet van toepassing is indien artikel 19 van het Europees Uitleveringsverdrag betreffende de uitgestelde of voorwaardelijke overlevering van toepassing is.
De termijnen voorzien in het kader van de toepassing van de verkorte procedure van het Benelux- Uitleveringsverdrag zijn in vergelijking hiermee veel korter. De overdracht voltrekt zich binnen de vijf dagen (en ten laatste binnen de 18 dagen) na de voorlopige aanhouding. Deze bijzonder korte termijnen worden verklaard door de nabijheid van de betrokken landen.
Artikel 12 1º behandelt het geval waarbij een persoon, voorlopig aangehouden met het oog op zijn uitlevering, instemt met de uitlevering, na het verstrijken van de termijn van 10 dagen voorzien in artikel 8 van de Overeenkomst en voor het verstrijken van de maximumtermijn van 40 dagen, voorzien in het Europees Uitleveringsverdrag.
Indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat nog geen uitleveringsverzoek hebben ontvangen, wordt de verkorte procedure toegepast (artikel 12, paragraaf 1, 1e streepje).
Indien daarentegen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat wel reeds een uitleveringsverzoek hebben ontvangen, is het beroep op de verkorte procedure facultatief (artikel 12, paragraaf 1, 2e streepje). Paragraaf 2 overweegt de hypothese waarbij er wel een uitleveringsverzoek aan de aangezochte staat is verstuurd, maar in afwezigheid van een voorafgaand verzoek tot voorlopige aanhouding. Zelfs in dit geval kan de geïnteresseerde instemmen met de verkorte procedure tot uitlevering.
Een voorwaarde voor de toepassing van paragraaf 1, 2e streepje en, paragraaf 2 is, dat naar aanleiding van de aanvaarding, bekrachtiging, goedkeuring of toetreding de aangezochte lidstaat heeft verklaard of hij in voorkomend geval de intentie heeft om de verkorte procedure toe te passen en, zo ja, onder welke voorwaarden dit zal geschieden (artikel 12, paragraaf 3).
Aangezien het vooropgestelde doel van deze bepaling is om zo veel mogelijk de uitleveringsprocedures gebaseerd op de instemming van de betrokken persoon te versnellen is er voorgesteld dat België de verklaring voorzien in artikel 12, paragraaf 3 zou afleggen. De tekst van deze verklaring luidt als volgt : « België wil, met het oog op het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden van de verkorte procedure, artikel 12, paragraaf 1, 2e streepje en paragraaf 2 toepassen ».
Artikel 13 betreft de gevolgen van de afstand van de waarborg van het specialiteitsbeginsel, waarvan de mogelijkheid voorzien wordt door artikel 9, wat de toepasselijke voorwaarden betreft in het geval van wederuitlevering naar een andere lidstaat.
Artikel 13 verduidelijkt dat, indien de lidstaat de verklaring voorzien in artikel 9 van de Overeenkomst aflegt, wat voor België het geval zou zijn, artikel 15 van het Europees Uitleveringsverdrag niet van toepassing is, behalve indien de aangezochte staat dit in de verklaring overeenkomstig artikel 9 anders heeft bepaald. Artikel 15 van de Overeenkomst vereist het akkoord van de aangezochte staat in het geval van wederuitlevering door de verzoekende staat naar een andere lidstaat van de Europese Unie.
De verklaring bedoeld in artikel 13, aanvullend bij de verklaring voorzien in artikel 9, stelt het probleem van twee opeenvolgende uitleveringen van dezelfde persoon aan de orde, waarbij de verzoekende lidstaat naar aanleiding van de eerste uitlevering op zijn beurt aangezochte staat wordt. Men zou bijgevolg een hypothese kunnen voorzien waarbij de eerste aangezochte staat toestemming zou verlenen voor een uitlevering naar de eerste verzoekende staat, maar dit niet zou hebben gedaan voor een uitlevering naar de tweede verzoekende staat, zeker in het geval dat de uitgeleverde persoon niet meer van de waarborg verleend door het specialiteitsbeginsel kan genieten.
België zal, met het oog op het uitdrukken van zijn vertrouwen in de structuur en de werking van de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie en de bekwaamheid van de lidstaten om een billijk proces de waarborgen, de aanvullende verklaring bij artikel 9, zoals voorzien is in artikel 13, niet afleggen. Deze aanvullende verklaring zou de draagwijdte van de verklaring afgelegd bij artikel 9 beperken.
Artikel 14 vereenvoudigt de voorwaarden voor doortocht, voorzien in artikel 21 van het Europees Uitleveringsverdrag.
In het geval van een verzoek tot doortocht, zou de aanduiding van één bevoegd parket in België problemen kunnen opleveren, van zodra de persoon die het voorwerp uitmaakt van de uitlevering verschillende gerechtelijke arrondissementen dient te doorkruisen. Om deze reden zal de Dienst Individuele Zaken, in de materie van de internationale gerechtelijke samenwerking in strafzaken van het Directoraat- Generaal Strafrecht en Rechten van de Mens, van het Ministerie van Justitie als bevoegde autoriteit optreden, en zich uitspreken over de verzoeken tot doortocht.
Deze procedure staat in geen enkel opzicht haaks tegenover de bestaande Belgische praktijk in de materie van de uitlevering, maar de inlichtingen die door de Overeenkomst vereist zijn om de doortocht van een uit te leveren persoon mogelijk te maken, zijn minder volledig dan de inlichtingen gecombineerd opgelegd door de artikelen 3 en 4 van de Belgische Uitleveringswet.
Het zou opportuun zijn om de uitleveringswet en de Overeenkomst met mekaar in overeenstemming te brengen en daartoe in artikel 4 van de Belgische uitleveringswet te verduidelijken dat de voorwaarden inzake de over te leveren documenten in geval van doortocht niet van toepassing zijn, indien een bepaling uit een internationaal verdrag waarmee België verbonden is er anders over beschikt.
Artikel 15 bepaalt dat de lidstaten bij de bekrachtiging van de Overeenkomst de verschillende autoriteiten, bevoegd voor de toepassing van de bij de Overeenkomst vastgelegde procedure, dienen aan te duiden.
Het is aangewezen om, gelet op de zorg voor doeltreffendheid en snelheid, die autoriteiten aan te duiden die in de praktijk onmiddellijk betrokken zijn met de inhechtenisneming, de ontvangst van de instemming met de uitlevering en, de beslissing tot overdracht aan de autoriteiten van de verzoekende staat. België wil bijgevolg een verklaring te formuleren die als volgt luidt : « Zij benoemt als bevoegde autoriteiten enerzijds, de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg in toepassing van de artikelen 4 tot en met 8 en artikel 10, en anderzijds de Dienst Individuele Zaken, in de materie van de internationale gerechtelijke samenwerking in strafzaken van het Directoraat- Generaal Strafrecht en Rechten van de Mens, van het Ministerie van Justitie in toepassing van artikel 14. »
Krachtens zijn artikel 16, treedt de huidige Overeenkomst in werking negentig dagen na de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de laatste van de lidstaten die deze formaliteit zal vervullen (paragraaf 2). Paragraaf 3 van de Overeenkomst biedt de mogelijkheid tot een geanticipeerde toepassing van de Overeenkomst tussen de lidstaten die in deze zin een verklaring zullen hebben afgelegd. Deze zal in werking treden negentig dagen na de neerlegging ervan bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.
Een dergelijke geanticipeerde toepassing is zeker wenselijk, in de mate dat zij een onmiddellijke vereenvoudiging van de samenwerking met de andere lidstaten die éénzelfde verklaring hebben afgelegd toestaat, zonder het moment af te wachten misschien nog ver in de toekomst verwijderd waarop de Overeenkomst door alle vijftien lidstaten zal bekrachtigd zijn. De regering heeft bijgevolg de intentie om, naar aanleiding van de bekrachtiging, te verklaren dat : « Wat België betreft en op grond van artikel 16, is deze Overeenkomst van toepassing in de betrekkingen met de andere lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd ».
Deze bepaling betreft de staten die in de toekomst tot de Europese Unie zullen toetreden, en vindt bijgevolg geen toepassing op België.
Dit zijn, Dames en Heren, de overwegingen tot overweging tot welke dit ontwerp van instemmingwet aanleiding gaf.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
Koning der Belgen,
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Justitie,
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Justitie zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Brussel, 3 april 2001.
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Justitie
Marc VERWILGHEN.
opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie
DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij deze Overeenkomst, Lid-Staten van de Europese Unie,
ONDER VERWIJZING naar de Akte van de Raad van 10 maart 1995,
WENSEND de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie te verbeteren, zowel wat betreft het instellen van vervolgingen als wat betreft het ten uitvoer leggen van straffen,
ERKENNEND het belang van de uitlevering als onderdeel van de justitiële samenwerking voor het verwezenlijken van dit doel,
ERVAN OVERTUIGD dat de uitleveringsprocedure dient te worden vereenvoudigd, op een wijze die verenigbaar is met hun fundamentele rechtsbeginselen, met inbegrip van de beginselen van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
VASTSTELLEND dat bij een groot aantal uitleveringsprocedures de betrokkene zich niet tegen zijn overlevering verzet,
OVERWEGENDE dat het wenselijk is dat in dergelijk geval de tijd die met de uitlevering gemoeid is evenals de duur van de hechtenis met het oog op de uitlevering, tot een minimum worden beperkt,
OVERWEGENDE dat de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 derhalve dient te worden vergemakkelijkt door de uitleveringsprocedure te vereenvoudigen en te verbeteren,
OVERWEGENDE dat de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van toepassing blijven op alle aspecten die niet in deze Overeenkomst worden behandeld,
HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN :
ARTIKEL 1
Algemene bepalingen
1. Deze Overeenkomst strekt ertoe door aanvulling van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, de toepassing ervan tussen de Lid-Staten van de Europese Unie te vergemakkelijken.
2. Lid 1 laat de toepassing van gunstiger bepalingen van geldende bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten onverlet.
ARTIKEL 2
Verplichting tot overlevering
De Lid-Staten verplichten zich ertoe om elkaar, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, personen die voor uitlevering worden gezocht over te leveren volgens de bij deze Overeenkomst vastgestelde verkorte procedure, mits de betrokken persoon daarmee instemt en de aangezochte Staat zijn toestemming voor deze overlevering heeft gegeven.
ARTIKEL 3
Voorwaarden voor de overlevering
1. Krachtens artikel 2 wordt elke persoon om wiens voorlopige aanhouding in overeenstemming met artikel 16 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering is verzocht, overgeleverd volgens het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 12, lid 1, van de onderhavige Overeenkomst.
2. De in lid 1 bedoelde overlevering is niet afhankelijk van de indiening van een verzoek tot uitlevering en van de ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereiste documenten.
ARTIKEL 4
Mededeling van gegevens
1. Ten behoeve van de voorlichting van de aangehouden persoon met het oog op de toepassing van de artikelen 6 en 7, en van de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 5, lid 2, worden de volgende door de verzoekende Staat mede te delen gegevens toereikend geacht :
a) de identiteit van de gezochte persoon;
b) de om aanhouding verzoekende autoriteit;
c) het bestaan van een bevel tot aanhouding of van een akte die dezelfde kracht heeft, of van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis;
d) de aard en wettelijke omschrijving van het strafbaar feit;
e) een omschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan, met inbegrip van tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbaar feit;
f) voor zover mogelijk de gevolgen van het strafbaar feit.
2. Niettegenstaande lid 1 kunnen aanvullende gegevens worden gevraagd, indien de in lid 1 bedoelde gegevens voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat onvoldoende blijken te zijn om haar toestemming te geven voor de overlevering.
ARTIKEL 5
Instemming en toestemming
1. De instemming van de aangehouden persoon wordt gegeven overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 en 7.
2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat geeft haar toestemming overeenkomstig haar nationale procedures.
ARTIKEL 6
Informatie van de betrokkene
Wanneer een voor uitlevering gezochte persoon wordt aangehouden op het grondgebied van een andere Lid-Staat, stelt de bevoegde autoriteit deze persoon in overeenstemming met haar nationaal recht in kennis van het verzoek dat te zijnen aanzien is gedaan, en van de mogelijkheid die hem wordt geboden in te stemmen met zijn overlevering aan de verzoekende Staat volgens de verkorte procedure.
ARTIKEL 7
Verkrijging van de instemming
1. De instemming van de aangehouden persoon en, in voorkomend geval, zijn uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, geschiedt ten overstaan van de bevoegde rechterlijke instanties van de aangezochte Staat, overeenkomstig het nationaal recht van die Staat.
2. Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instemming, en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De aangehouden persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan.
3. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, worden opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van de aangezochte Staat.
4. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, kan niet worden herroepen. Bij de nederlegging van hun instrumenten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, kunnen de Lid-Staten in een verklaring te kennen geven dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand overeenkomstig hun nationaal recht kan worden herroepen. In dat geval wordt het tijdvak tussen de kennisgeving van de instemming en de kennisgeving van de herroeping niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de in artikel 16, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bedoelde termijn.
ARTIKEL 8
Mededeling van de instemming
1. De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onmiddellijk de instemming van de betrokken persoon mee. Ten einde, in voorkomend geval, de verzoekende Staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen, deelt de aangezochte Staat uiterlijk tien dagen na de voorlopige aanhouding mee of de betrokken persoon al dan niet zijn instemming heeft gegeven.
2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten.
ARTIKEL 9
Afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel
Elke Lid-Staat kan bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op ieder ander tijdstip verklaren dat het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing is indien de betrokkene, overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige Overeenkomst :
a) met de uitlevering instemt of
b) met de uitlevering instemt en uitdrukkelijk afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel.
ARTIKEL 10
Mededeling van het besluit
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, vindt de mededeling van de ingevolge de verkorte procedure genomen beslissing tot uitlevering en van de informatie betreffende de toepassing van deze procedure rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat en de autoriteit van de verzoekende Staat die om voorlopige aanhouding heeft verzocht, plaats.
2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt uiterlijk twintig dagen na de datum waarop de betrokken persoon zijn instemming heeft gegeven.
ARTIKEL 11
Termijn voor de overlevering
1. De overlevering van de betrokken persoon vindt plaats uiterlijk twintig dagen na de datum van mededeling van de beslissing tot uitlevering overeenkomstig artikel 10, lid 2.
2. Indien de betrokken persoon in hechtenis is, wordt hij bij het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn op het grondgebied van de aangezochte Staat in vrijheid gesteld.
3. Indien de betrokken persoon door overmacht niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn kan worden overgeleverd, stelt de betrokken autoriteit als bedoeld in artikel 10, lid 1, de andere autoriteit hiervan in kennis. Zij komen onderling een nieuwe datum voor de overlevering overeen. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen twintig dagen na de aldus overeengekomen nieuwe datum. Indien de betrokken persoon bij het verstrijken van die termijn nog in hechtenis is, wordt hij in vrijheid gesteld.
4. De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de aangezochte Staat artikel 19 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering wenst toe te passen.
ARTIKEL 12
Instemming die na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn of in andere omstandigheden wordt gegeven
1. Indien de betrokken persoon zijn instemming geeft na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn van tien dagen,
past de aangezochte Staat de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toe, indien hij nog geen verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen;
kan de aangezochte Staat deze verkorte procedure toepassen, indien hij inmiddels een verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen.
2. Indien geen verzoek tot voorlopige aanhouding is ingediend en de instemming is gegeven nadat de aangezochte Staat een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan deze de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toepassen.
3. Bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, geeft elke Lid-Staat in een verklaring te kennen of hij het voornemen heeft lid 1, tweede streepje, en lid 2, toe te passen en, zo ja, onder welke voorwaarden hij zulks zal doen.
ARTIKEL 13
Verderlevering aan een andere Lid-Staat
Wanneer de uitgeleverde persoon overeenkomstig de in artikel 9 van deze Overeenkomst bedoelde verklaring van de Lid-Staat niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet, is artikel 15 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing op de verderlevering van deze persoon aan een andere Lid-Staat, tenzij in die verklaring anders is bepaald.
ARTIKEL 14
Doortocht
In geval van doortocht in de zin van artikel 21 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, geldt bij uitlevering volgens de verkorte procedure het volgende :
a) in dringende gevallen kan het verzoek, vergezeld van de in artikel 4 genoemde gegevens, bij de Staat van doortocht worden ingediend met alle middelen die een schriftelijke melding opleveren. De Staat van doortocht kan zijn beslissing op dezelfde wijze kenbaar maken;
b) de gegevens als bedoeld in artikel 4 zijn voldoende om de bevoegde autoriteit van de Staat van doortocht in staat te stellen na te gaan of het een verkorte uitleveringsprocedure betreft en ten aanzien van de uitgeleverde persoon de nodige dwangmaatregelen te nemen voor de uitvoering van de doortocht.
ARTIKEL 15
Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten
Elke Lid-Staat geeft bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een verklaring aan, welke de bevoegde autoriteiten zijn in de zin van de artikelen 4 tot en met 8, 10 en 14.
ARTIKEL 16
Inwerkingtreding
1. Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie. De Secretaris-Generaal van de Raad stelt alle Lid-Staten van de nederlegging in kennis.
2. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen nadat de laatste Lid-Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring heeft neergelegd.
3. Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke Lid-Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op enig ander tijdstip verklaren dat de Overeenkomst negentig dagen na de nederlegging van zijn verklaring op hem van toepassing is in zijn betrekkingen met de Lid-Staten die een zelfde verklaring hebben afgelegd.
4. De verklaringen als bedoeld in artikel 9 worden van kracht dertig dagen na de nederlegging ervan, doch ten vroegste op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst of de datum waarop deze voor de betrokken Lid-Staat van toepassing is geworden.
5. De Overeenkomst is alleen van toepassing op verzoeken die worden ingediend na de datum waarop deze in werking is getreden of tussen de aangezochte Staat en de verzoekende Staat van toepassing is geworden.
ARTIKEL 17
Toetreding
1. Elke Staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.
2. De door het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie vastgestelde en door alle Lid-Staten goedgekeurde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende Staat, is met de andere teksten gelijkelijk authentiek. De Secretaris-Generaal zendt een eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze tekst toe aan elke Lid-Staat.
3. De akten van toetreding worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.
4. Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende Staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst indien deze bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking te getreden.
5. Indien deze Overeenkomst op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding nog niet in werking is getreden, is artikel 16, lid 3, van toepassing op de toetredende Lid-Staat.
FAIT à Bruxelles, le dix mars mil neuf cent quatre-vingt-quinze, en un exemplaire unique, en langues allemande, anglaise, danoise, espagnole, finnoise, française, grecque, irlandaise, italienne, néerlandaise, portugaise et suédoise, tous ces textes faisant également foi, exemplaire qui est déposé dans les archives du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne. Le Secrétaire général en transmet une copie certifiée conforme à chaque Etat membre.
GEDAAN te Brussel, de tiende maart negentienhonderdvijfennegentig, in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt neergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie. De Secretaris-Generaal zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan elke Lid-Staat.
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas de la présente convention.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteid.
Pour le gouvernement du Royaume de Belgique
Voor de Regering van het Koninkrijk België
Pour le gouvernement de la République française
Pour le gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg
Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie
TOELICHTEND VERSLAG
1. Voorgeschiedenis
Tijdens de ministeriële bijeenkomst van Limelette op 28 september 1993 zijn de Ministers van Justitie van de Lid-Staten van de Europese Unie het eens geworden over een verklaring waarin zij de grote lijnen hebben uitgezet voor de verbetering van de uitlevering tussen de Lid-Staten. Deze verklaring is door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 29 en 30 november 1993 aangenomen.
In deze verklaring is krachtens titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de bevoegde werkstructuren een nauwkeurig omschreven mandaat verleend om de voorwaarden voor uitlevering te bestuderen, ten einde deze te versoepelen, en ook om de uitleveringsprocedures onder de loep te nemen, ten einde deze te verkorten en te versnellen, op een wijze die verenigbaar is met de fundamentele rechtsbeginselen van de Lid-Staten.
Tijdens de Raadszitting van 29 en 30 november 1993 is een eerste verslag ingediend over de stand van de besprekingen. De Raad heeft daarna, tijdens de zitting van 24 maart 1994 enkele principiële vraagstukken besproken met betrekking tot de voorwaarden voor uitlevering.
Tijdens de zitting van 20 juni 1994 is een tweede tussentijds verslag ingediend bij de Raad. Bij die gelegenheid is de Raad erop gewezen dat het goed zou zijn dieper in te gaan op mogelijke procedurele maatregelen die geen afbreuk doen aan juridische of politieke beginselen waaraan moeilijk kan worden getornd, maar waarmee wel een belangrijke verkorting en versnelling van de procedures kunnen worden bewerkstelligd. In dat kader heeft de Raad besloten speciale aandacht te wijden aan de procedures waarbij de betrokkenen instemmen met hun uitlevering.
Na deze zitting heeft de Belgische Minister van Justitie hierover een werkdocument gepresenteerd. Dit document heeft de basis gevormd van de besprekingen die onder het Duitse en Franse Voorzitterschap zijn gevoerd.
Aan het eind van deze besprekingen heeft de Raad in een Akte van 10 maart 1995 (95/C 78/01) besloten tot het opstellen van deze overeenkomst, die dezelfde dag is ondertekend door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten van de Unie, en heeft hij de Lid-Staten aanbevolen de overeenkomst aan te nemen.
2. Beginselen van de overeenkomst
De overeenkomst is gebaseerd op de volgende constateringen. Uit de statistieken die tijdens de besprekingen bij de Lid-Staten zijn opgevraagd en die betrekking hebben op het aantal gevallen van uitlevering en op de gemiddelde duur van de procedures tussen de Lid-Staten, is (op basis van het referentiejaar 1992) gebleken dat de persoon in kwestie in meer dan 30 % van de ongeveer 700 gevallen van uitleveringsverzoeken tussen de Lid-Staten in 1992 instemt met zijn uitlevering. Ondanks die instemming blijft de procedure vrij langdurig (soms een aantal maanden), zelfs wanneer de persoon in kwestie in de aangezochte staat niet voor iets anders wordt vervolgd of vastgehouden.
Uitgaande van deze constatering heeft de Raad geoordeeld dat het wenselijk is dat in dergelijke gevallen de tijd die met de uitlevering gemoeid is evenals de duur van de hechtenis met het oog op de uitlevering, tot een minimum worden beperkt.
Deze overweging sluit in het algemeen aan op de wens om te komen tot een snellere en betere samenwerking tussen de Lid-Staten op het gebied van het overleveren van personen voor vervolging of tenuitvoerlegging van straffen.
In de gevallen waarin personen uitsluitend worden vastgehouden met het oog op uitlevering voor vervolging in de verzoekende Staat, sluit die overweging ook aan op de verplichting tot eerbiediging, ten aanzien van vervolgde personen, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor de voor uitlevering aangehouden persoon bestaat in die gevalleen immers het vermoeden van onschuld. Zijn vrijheidsberoving moet dus nauwkeurig gewettigd worden. De betrokkene heeft echter niet dezelfde beroepsmogelijkheden om zijn invrijheidsstelling te verkrijgen als iemand die in voorlopige hechtenis is genomen. Als de betrokkene instemt met zijn uitlevering is het derhalve wenselijk dat hij zo snel mogelijk kan worden overgedragen aan de verzoekende Staat zodat hij daar beroep kan aantekenen tegen zijn hechtenis.
De overweging beantwoordt tenslotte tevens aan de beoogde strafrechtelijke doelmatigheid. Zolang de persoon om wiens uitlevering is verzocht niet is overgedragen aan de autoriteiten van de verzoekende Staat, ligt de procedure in die Staat stil of is hij in elk geval vertraagd, omdat de vermoedelijke dader er niet is. Als die vertraging het gevolg is van de eerbiediging van het recht van de betrokkene om zich tegen zijn uitlevering te verzetten, beantwoordt dat aan de beginselen van een rechtvaardige strafrechtelijke procedure. Als de betrokkene daarentegen niet van plan is zich tegen zijn uitlevering te verzetten, rechtvaardigt niets die vertraging.
Op basis van al deze overwegingen heeft de Raad het zinvol geacht een adequater juridisch kader te creëren waarmee een snellere uitlevering mogelijk is wanneer de betrokkene instemt met zijn uitlevering.
Het principe hiervan luidt als volgt. In geval van instemming van de betrokkene en toestemming van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat, kan de betrokkene worden overgedragen zonder dat er een uitleveringsverzoek hoeft te worden ingediend en zonder dat de formele uitleveringsprocedure wordt gevolgd, en vindt de procedure plaats tussen de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat en de autoriteit van de verzoekende Staat die om de voorlopige aanhouding heeft gevraagd. Deze overlevering vindt plaats binnen uiterlijk 40 dagen na de dag waarop de betrokkene heeft ingestemd.
De overeenkomst is vooral van toepassing op twee verschillende situaties. De eerste is de situatie waarin om voorlopige aanhouding met het oog op uitlevering wordt verzocht en de betrokkene, die direct na zijn aanhouding (of binnen 10 dagen daarna) instemt met uitlevering, in de aangezochte Staat niet voor iets anders wordt gezocht of vastgehouden. Dat is de situatie waarover de artikelen 3 tot en met 11 van de overeenkomst hoofdzakelijk handelen. De tweede situatie is die waarin de betrokkene instemt na de periode van 10 dagen, maar binnen de periode van 40 dagen, bedoeld in artikel 16 van het Europees Verdrag, en voordat er een verzoek tot uitlevering is ingediend.
De overeenkomst kan ook worden toegepast in een derde situatie, mits de Lid-Staten een verklaring in die zin afleggen bij het bekrachtigen van de overeenkomst : in die situatie stemt de betrokkene in met zijn uitlevering nadat er een verzoek om uitlevering is ingediend, ongeacht of dat verzoek al dan niet voorafgegaan is door een verzoek om voorlopige aanhouding.
De overeenkomst biedt een soepel juridisch kader, aangezien voor de bedoelde procedure in alle gevallen aan de bevoegde autoriteit van het aangezochte land wordt gevraagd toestemming te verlenen en te oordelen over de juridische aspecten en de wenselijkheid ervan. Het is een instrument dat een rechtsgrondslag biedt voor een eenvoudiger en snellere samenwerking op dit gebied, maar er dient wel te worden benadrukt dat de doeltreffendheid ervan in ruime mate zal afhangen van de wil van de bevoegde autoriteiten om te komen tot een betere samenwerking voor de overlevering van personen met het oog op vervolgingen en het ten uitvoer leggen van straffen.
3. Commentaar bij de artikelen
Artikel 1
Algemene bepalingen
Dit artikel plaatst de overeenkomst in het raamwerk van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957. Deze overeenkomst beoogt de toepassing van dat Europees Verdrag te vergemakkelijken en de bepalingen ervan aan te vullen ten einde adequater in te spelen op die gevallen waarin de voor uitlevering gezochte personen instemmen met hun overlevering.
Zoals de laatste overweging van de preambule van de overeenkomst vermeldt, volgt uit het feit dat de overeenkomst binnen het raamwerk van het Europees Verdrag is geplaatst dat de bepalingen van het Europees Verdrag van toepassing blijven op alle aspecten die niet in deze overeenkomst worden behandeld. Dat geldt in het bijzonder voor de voorwaarden voor uitlevering.
Uit deze algemene bepaling moet worden afgeleid dat deze overeenkomst geen wijziging inhoudt van de uitleveringsvoorschriften voor de Lid-Staten die aan elkaar gebonden zijn door een ander instrument dan deze overeenkomst. Dat geldt in het bijzonder voor de Benelux-landen die aan elkaar gebonden zijn door het Verdrag inzake uitlevering en rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962 en waarvoor artikel 19 van dat verdrag, dat voorziet in een verkorte uitleveringsprocedure, van toepassing blijft.
Wat betreft de Lid-Staten waarvan de betrekkingen worden gereglementeerd door het Europees Verdrag, wordt in lid 2 van dit artikel bepaald dat de overeenkomst de toepassing van gunstiger bepalingen van geldende bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten onverlet laat.
Artikel 2
Verplichting tot overlevering
In dit artikel staat het grondbeginsel van de overeenkomst, dat bestaat uit de verplichting tot overlevering van personen die voor uitlevering worden gezocht, mits de betrokken persoon daarmee instemt volgens de artikelen 5, lid 1, 6 en 7 van de overeenkomst en de aangezochte Staat zijn toestemming heeft gegeven volgens artikel 5, lid 2, van de overeenkomst.
Artikel 3
Voorwaarden voor de overlevering
Dit artikel betreft het voornaamste door de overeenkomst beoogde geval, namelijk de verkorte procedure na de voorlopige aanhouding. Het geeft aan dat deze verkorte procedure begint bij het verzoek om voorlopige aanhouding, zoals bedoeld in artikel 16 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering. Tussen de Lid-Staten die partij zijn bij de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen kan de procedure, volgens artikel 95 van die overeenkomst, ook beginnen bij de signalering in het Schengen-informatiesysteem.
Lid 2 van dit artikel omschrijft de consequentie van het gebruik van de verkorte procedure voor het verzoek tot uitlevering : de indiening van een verzoek en van de ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag vereiste documenten is in dat geval niet meer nodig. De overlevering wordt uitgevoerd op basis van de gegevens in het verzoek tot voorlopige aanhouding, zoals omschreven in artikel 4 van de overeenkomst.
Artikel 4
Mededeling van gegevens
Dit artikel omschrijft de gegevens die moeten worden verstrekt ten einde de verkorte procedure te kunnen volgen.
Deze gegevens zijn bedoeld voor de aangehouden persoon, ten einde een basis te verschaffen waarop kan worden ingestemd met de uitlevering én voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat, ten einde haar de nodige elementen aan te reiken aan de hand waarvan zij het verzoek kan bestuderen, zodat zij haar toestemming voor de overlevering kan verlenen.
De genoemde gegevens zijn dezelfde die nodig zijn voor de signalering van een persoon in het Schengen-informatiesysteem. Alleen de gegevens betreffende de identiteit van de gezochte persoon komen er nog bij.
De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat moet deze gegevens in principe toereikend vinden om zich uit te spreken over de overlevering van de persoon. Zij bevatten namelijk alle elementen die nodig zijn voor een adequate behandeling van het verzoek, zowel wat betreft de pleger of vermeende pleger van het strafbaar feit als het strafbaar feit zelf.
Lid 2 van dit artikel voorziet echter ook in de mogelijkheid om bij wijze van uitzondering af te wijken van het eerste lid en aanvullende gegevens te vragen indien de verstrekte gegevens voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat onvoldoende blijken te zijn om haar toestemming te geven voor de overlevering. De aard van die gegevens is niet nader omschreven en de vaststelling ervan wordt aan de Lid-Staten overgelaten. Deze afwijking kan echter in geen geval afbreuk doen aan artikel 3, lid 2, van de overeenkomst, uit hoofde waarvan in een verkorte procedure niet gevraagd mag worden om de volgens artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereiste documenten.
Artikel 5
Instemming en toestemming
Dit artikel beschrijft de procedures voor de volgens artikel 2 van de overeenkomst vereiste instemming en toestemming. De betrokken persoon moet onder de door de artikelen 6 en 7 van de overeenkomst gestelde voorwaarden instemmen. Voor de toestemming door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat wordt in de overeenkomst verwezen naar de nationale procedures van de Staten.
Artikel 6
Informatie van de betrokkene
Dit artikel verplicht de Staten iedere voor uitlevering aangehouden persoon op de hoogte te brengen van het verzoek dat hem betreft en van de mogelijkheid in te stemmen met zijn overlevering volgens de verkorte procedure. Deze informatie wordt verstrekt door « de bevoegde autoriteit », dat wil zeggen de autoriteit die bevoegd is tot inhechtenisneming. De informatie moet worden verstrekt op het moment van de inhechtenisneming en overeenkomstig het nationale recht van elke Staat.
Artikel 7
Verkrijging van de instemming
Dit artikel regelt de manier waarop wordt ingestemd. Het is ook van toepassing op het afstand doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, wanneer het recht van de aangezochte Staat voorziet in een dergelijke afstand, die krachtens artikel 9, onder b), van de overeenkomst niet hetzelfde is als instemmen met uitlevering.
In de overeenkomst staat niet op welk moment de instemming van de betrokkene moet worden verkregen. Wanneer de procedure in gang is gezet door de voorlopige aanhouding van de betrokkene, overeenkomstig artikel 4 van de overeenkomst, volgt uit artikel 6 van de overeenkomst over de informatie van de betrokkene direct bij zijn aanhouding, en uit artikel 8 van de overeenkomst over mededeling van de instemming binnen 10 dagen na de voorlopige aanhouding, dat de betrokkene zijn instemming moet kunnen geven zodra hij in voorlopige hechtenis is genomen.
De instemming (en in voorkomend geval de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) geschiedt ten overstaan van de bevoegde rechterlijke instanties van de aangezochte Staat. De bevoegde rechterlijke instantie kan een rechter, een rechtbank of een ambtenaar van het openbaar ministerie zijn, volgens het recht van de aangezochte Staat. Iedere Lid-Staat zal bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding aangeven welke in zijn geval de bevoegde instantie is, zoals staat in artikel 15 van de overeenkomst.
De vormen waarin de instemming (en in voorkomend geval de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) worden verkregen, worden bepaald door de wetgeving van elke Staat. Lid 2 van dit artikel verplicht de Lid-Staten er echter toe de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand, worden verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. Het artikel vermeldt dat de betrokkene met het oog daarop het recht heeft zich door een raadsman te doen bijstaan.
Deze bepaling impliceert dat de betrokkene uitvoerig wordt voorgelicht over de consequenties van zijn instemming (en in voorkomend geval van zijn afstand van de bescherming van het speicaliteitsbeginsel).
Wat betreft de gevolgen van de instemming gaat die informatie over het afzien van de garanties van de normale procedure, over het eventuele onherroepelijke karakter van de verleende instemming, overeenkomstig artikel 7, lid 4, van de overeenkomst, over de mogelijke gevolgen voor het specialiteitsbeginsel en de mogelijkheid vervolgd te worden voor andere feiten dan die waarop de uitleveringsprocedure is gebaseerd , overeenkomstig artikel 9 onder a) van de overeenkomst, alsmede over de termijn waarbinnen de overlevering na de instemming moet zijn uitgevoerd, overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van de overeenkomst.
Wat betreft de gevolgen van de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel wordt er voorlichting gegeven over de gevolgen van die afstand voor het specialiteitsbeginsel en over het eventueel onherroepelijke karakter van de afstand.
Deze bepaling houdt verder in dat de procedure voor het verkrijgen van de instemming (en in voorkomend geval van de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) zodanig wordt geregeld dat het naderhand mogelijk is te controleren of de instemming vrijwillig en bewust is gegeven. In lid 3 van dit artikel wordt in dit verband bepaald dat de instemming (en in voorkomend geval de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) worden opgetekend in een proces-verbaal. De nationale wetgevers mogen de manier waarop en de vorm waarin dit proces-verbaal wordt opgemaakt zelf bepalen.
In lid 4 bepaald dat de instemming (en in voorkomend geval de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) onherroepelijk zijn. Om rekening te houden met de bestaande rechtstoestand in bepaalde Lid-Staten opent dit lid echter een mogelijkheid tot voorbehoud waarmee de Lid-Staten kunnen aangeven dat de instemming (en in voorkomend geval de afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel) overeenkomstig hun nationaal recht kunnen worden herroepen.
Om in laatstgenoemd geval te voorkomen dat het herroepen van de instemming door de betrokkene nadelig is voor het goede verloop van de uitleveringsprocedure, wordt in lid 4 bepaald dat het tijdvak tussen de kennisgeving van de instemming en de kennisgeving van de eventuele herroeping niet in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de termijnen van voorlopige aanhouding van 18 en 40 dagen, vastgesteld in artikel 16, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering. Dit betekent dat als iemand zijn instemming herroept, de verzoekende Staat voor het indienen van zijn uitleveringsverzoek over evenveel dagen beschikt als toen deze Staat hoorde van de instemming van de betrokkene met zijn uitlevering en ophield met het aanleggen van het dossier met de volgens artikel 12 van het Europees Verdrag vereiste stukken.
Art. 8
Mededeling van de instemming
Volgens dit artikel moet de instemming van de betrokkene onmiddellijk door de aangezochte Staat worden meegedeeld aan de verzoekende Staat. Deze onmiddellijke mededeling is onontbeerlijk voor het goede verloop van de verkorte procedure, wanneer deze ingaat op het moment van de voorlopige aanhouding van de betrokkene, overeenkomstig de artikelen 4 en volgende van de overeenkomst. Na deze mededeling kan de verzoekende Staat namelijk de samenstelling opschorten van het dossier met de stukken die volgens artikel 12 van het Europees Verdrag nodig zijn voor de uitleveringsverzoek.
Ten einde de mogelijkheid te bieden volgens artikel 12 van het Europees Verdrag een verzoek in te dienen binnen de in artikel 16 van het Europees Verdrag gestelde termijn van 40 dagen, wordt de aangezochte Staat verplicht artikel 8 om de verzoekende Staat uiterlijk 10 dagen na de voorlopige aanhouding mee te delen of de betrokkene wel of niet heeft ingestemd met zijn overlevering. Deze termijn houdt niet in dat de betrokkene niet later alsnog kan instemmen, wat dan geregeld wordt bij artikel 12 van de overeenkomst, maar beoogt te vermijden dat de onzekerheid over de instemming van de betrokkene nadelig is voor het goede verloop van de uitleveringsprocedure, vanwege de in artikel 16 van het Europees Vedrag genoemde termijnen.
Dezelfde wens om snel te handelen ligt ten grondslag aan lid 2, waarin bepaald dat de informatie over de instemming rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten wordt uitgewisseld. Onder bevoegde autoriteiten moet niet worden verstaan de autoriteiten die bevoegd zijn tot het verkrijgen van de instemming, maar de voor de verkorte uitleveringsprocedure bevoegde autoriteiten, die door iedere Lid-Staten worden aangewezen bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, overeenkomstig artikel 15 van de overeenkomst.
Art. 9
Afstand van de bescherming van de specialiteitsbeginsel
Gezien de grote verschillen tussen de wetgevingen in de Lid-Staten wat betreft de gevolgen van iemands instemming met zijn uitlevering voor de mogelijkheid van de verzoekende Staat om die persoon te vervolgen voor feiten die niet zijn opgenomen in het verzoek, bevat de overeenkomst hierover geen verbindende bepaling. Artikel 9 dat over dit punt gaat, heeft alleen verklarende waarde en beoogt uitsluitend wederzijdse informatie te verstrekken. In dat artikel wordt bepaald dat iedere Lid-Staat een verklaring kan afleggen dat het specialiteitsbeginsel, vermeld in artikel 14 van het Europees Verdrag, niet van toepassing is in de verkorte procedure.
Om rekening te houden met de verschillen tussen de rechtssystemen, zijn er twee mogelijkheden : een Staat kan verklaren dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is zodra de betrokkene instemt met zijn uitlevering, aangezien de instemming met de uitlevering automatisch inhoudt dat wordt afgezien van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, zoals in het geval van de Benelux-Staten; of een Staat kan verklaren dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is wanneer de persoon die heeft ingestemd met zijn uitlevering, apart nog eens uitdrukkelijk afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel.
Artikel 10
Mededeling van het besluit
In dit artikel wordt bepaald dat alle mededelingen over de verkorte procedure rechtstreeks worden gedaan tussen de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat, die overeenkomstig artikel 15 van de overeenkomst door iedere Lid-Staat bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is aangewezen, en de autoriteit van de verzoekende Staat die om de voorlopige aanhouding heeft verzocht. Het doel van deze bepaling is het verkorten en versnellen van de procedure door alle mededelingen te laten lopen via de direct bij de procedure betrokken autoriteiten en door de besluiten betreffende het gebruik van de verkorte procedure te laten nemen door diezelfde autoriteiten, zonder tussenkomst van de tussenliggende administratieve autoriteiten.
In lid 2 van dit artikel wordt bepaald dat het door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Lid-Staat genomen besluit tot uitlevering uiterlijk 20 dagen na de dag van de instemming van de betrokkene moet worden meegedeeld. Uiteraard is dit een maximale termijn en is het wenselijk dat de positieve of negatieve beslissing wordt meegedeeld zo snel mogelijk na de instemming door de betrokkene, zowel wanneer er geen belemmering is voor de uitlevering als wanneer er wel een belangrijke belemmering is voor de uitlevering.
Als de betrokkene niet instemt met uitlevering volgens de verkorte procedure waartoe de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat heeft besloten, heeft de verzoekende Staat in elk geval, door de samenvoeging van de termijnen van het artikel 8, lid 1, respectievelijk artikel 10, lid 2, minimaal 10 dagen de tijd, voordat de in artikel 16 van het Europees Verdrag voor voorlopige aanhouding vastgestelde termijn van 40 dagen verloopt, om een uitleveringsverzoek in te dienen conform artikel 12 van het Europees Verdrag.
Artikel 11
Termijn voor de overleving
In dit artikel wordt bepaald dat de overlevering plaats vindt uiterlijk 20 dagen na de datum waarop de beslissing tot uitlevering is meegedeeld. Ook dit is een maximale termijn en het spreekt vanzelf dat de overleving plaats kan vinden direct na de beslissing door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat, als dat praktisch gezien mogelijk is. Dat zou vooral moeten gelden voor uitlevering tussen buurlanden.
In lid 2 wordt bepaald dat de betrokkene in vrijheid wordt gesteld als hij niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn aan de verzoekende Staat is overgeleverd. Volgens lid 3 mag er echter van deze termijn worden afgeweken als een geval van overmacht verhindert dat de overlevering binnen de gestelde termijn plaatsvindt. Als de bevoegde autoriteit die te maken krijgt met een geval van overmacht de bevoegde autoriteit van de andere Staat binnen 20 dagen op de hoogte brengt, kunnen de beide autoriteiten een nieuwe datum afspreken voor de overlevering. De betrokkene wordt in vrijheid gesteld als hij niet binnen 20 dagen na deze datum aan de verzoekende Staat is overgeleverd.
Voor de toepassing van deze bepaling moet het begrip overmacht in enge zin worden geïnterpreteerd als een situatie die niet kon worden voorzien en die niet kon worden voorkomen (bijvoorbeeld een ongeluk tijdens het vervoer, een staking waardoor het beoogde vervoermiddel niet beschikbaar is en er geen andere vervoermiddel kan worden gebruikt, ernstige ziekte van de uit te leveren persoon die onmiddellijk opname in een ziekenhuis vereist). De nieuwe datum voor de overlevering moet overigens zo dicht mogelijk bij de datum liggen waarop de aanvankelijk voor de overlevering vastgestelde termijn afliep.
In lid 4 wordt bepaald dat dit artikel niet van toepassing is als de betrokkene in de aangezochte Staat voor een ander feit wordt vervolgd of een straf moet ondergaan voor een ander feit en als de aangezochte Staat artikel 19 van het Europees Verdrag wenst toe te passen. In dat geval gelden de regels van het Europees Verdrag.
Artikel 12
Instemming die na het verstrijken van de in artikel 8
bepaalde termijn of in andere omstandigheden wordt gegeven
Terwijl de artikelen 3 tot en met 11 van de overeenkomst in eerste instantie betrekking hebben op het geval dat de gezochte persoon na zijn voorlopige aanhouding instemt met zijn uitlevering, behandelt artikel 12 de rechtsregels die gelden als de betrokkene instemt buiten de in die artikelen gestelde voorwaarden en vooral als hij instemt na afloop van de in artikel 8, lid, 1, gestelde termijn van 10 dagen.
In laatstgenoemd geval moet onderscheid worden gemaakt tussen twee varianten. In de eerste stemt de betrokkene in na het verlopen van de eerste termijn van 10 dagen, maar vóór het verlopen van de termijn van 40 dagen van artikel 16 van het Europees Verdrag en voordat de verzoekende Staat een formeel uitleveringsverzoek heeft ingediend. In de tweede variant stemt de betrokkene in nadat de verzoekende Staat een uitleveringsverzoek heeft ingediend, ongeacht of dit verzoek al dan niet is voorafgegaan door een verzoek om voorlopige aanhouding.
Voor de eerste variant wordt in artikel 12, lid 1, bepaald dat de aangezochte Staat de bij de overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toepast. Als er na afloop van de eerste termijn van 10 dagen geen instemming is, moet de verzoekende Staat uiteraard een verzoek voorbereiden zonder op een mogelijke latere instemming van de betrokkene te wachten, ten einde ervoor te zorgen dat het verzoek binnen de maximale termijn van 40 dagen kan worden ingediend.
In de tweede variant is toepassing van de verkorte procedure facultatief en kan iedere Lid-Staat bij de bekrachtiging te kennen geven of hij het voornemen heeft in een dergelijk geval de verkorte procedure te gebruiken en onder welke voorwaarden hij zulks zal doen.
Artikel 13
Verderlevering aan een andere Lid-Staat
In dit artikel, dat aansluit bij artikel 9 van de overeenkomst, waarin de mogelijkheid wordt geboden afstand te doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, staan de consequenties van deze mogelijkheid voor de voorwaarden die van toepassing zijn bij verderlevering aan een andere Lid-Staat. De regel luidt als volgt : als de betrokkene, overeenkomstig artikel 9 van de overeenkomst, na zijn uitlevering aan de verzoekende Staat niet meer de bescherming geniet van het specialiteitsbeginsel, is, in afwijking van artikel 15 van het Europees Verdrag, de toestemming van de aangezochte Staat niet meer nodig voor de verderlevering aan een andere Lid-Staat.
Deze regel is te verklaren door het feit dat de verzoekende Staat, bij gebrek aan specialiteit, strafrechterlijke procedures mag toepassen (en dus middels uitlevering mag meewerken aan door andere Staten gevoerde procedures) voor ieder ander feit dan het feit waarvoor in de uitlevering is toegestemd.
Wel dient te worden opgemerkt dat de overeenkomst geen bepalingen behelst over de verderlevering van de betrokkene aan een Staat die partij is bij het Europees Verdrag maar geen lid is van de Europese Unie.
Artikel 14
Doortocht
Bij dit artikel, dat aansluit bij de door de artikelen 3 en 4 aangebrachte vereenvoudiging, worden eenvoudigere voorwaarden voor doortocht vastgesteld dan die van artikel 21 van het Europees Verdrag.
In afwijking van artikel 21, lid 3, kan het verzoek worden ingediend met alle middelen die een schriftelijke melding opleveren en de beslissing van de Staat van doortocht kan op dezelfde manier kenbaar worden gemaakt. De beslissing hoeft niet vergezeld te gaan van de in artikel 12, lid 2, van het Europees Verdrag bedoelde documenten maar alleen van de in artikel 4 van deze overeenkomst bedoelde documenten. Deze gegevens moeten door de Staat van doortocht als voldoende worden beschouwd om de nodige dwangmaatregelen te nemen voor de uitvoering van de doortocht.
Artikel 15
Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten
In dit artikel wordt bepaald dat de Lid-Staten bij de bekrachtiging de verschillende autoriteiten aanwijzen die bevoegd zijn voor de toepassing van de bij de overeenkomst vastgelegde procedure, in het bijzonder de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de procedure en die toestemming moeten verlenen voor de uitlevering volgens de verkorte procedure, de autoriteiten die de instemming van de betrokkene met zijn uitlevering moeten verkrijgen en de autoriteiten die bevoegd zijn toestemming te geven voor de doortocht van een volgens deze procedure uitgeleverde persoon.
Gezien de nagestreefde doelstelling (snelheid en doeltreffendheid), ligt het voor de hand als bevoegde autoriteiten die autoriteiten aan te wijzen die in iedere Lid-Staat daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de strafrechtelijke procedure, ten einde de tussenkomst te voorkomen van tussenliggende autoriteiten, die niet onontbeerlijk zijn voor het goede verloop van de procedure.
Artikel 16
Inwerkingtreding
In dit artikel wordt de inwerkingtreding van de overeenkomst geregeld, overeenkomstig de op dit gebied door de Raad van de Europese Unie vastgestelde normen. De overeenkomst treedt in werking 90 dagen na de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging.
Zoals bepaald in de eerder door de Lid-Staten gesloten overeenkomsten inzake justitiële samenwerking, en ten einde de overeenkomst zo snel mogelijk te kunnen toepassen tussen de meest betrokken Lid-Staten, biedt lid 3 elke Lid-Staat de mogelijkheid om bij de bekrachtiging, of op ieder gewenst moment daarna, te verklaren dat de overeenkomst al eerder van toepassing is in zijn betrekkingen met de Lid-Staten die een zelfde verklaring hebben afgelegd. Een en ander gaat in 90 dagen na de nederlegging van die verklaring.
Artikel 17
Toetreding
In dit artikel wordt bepaald dat de overeenkomst openstaat voor toetreding van iedere Staat die lid wordt van de Europese Unie, en wordt geregeld hoe deze toetreding tot stand komt.
Als de overeenkomst al van kracht is op het moment dat de nieuwe Lid-Staat toetreedt, wordt de overeenkomst voor die Lid-Staat van kracht 90 dagen na de nederlegging van diens akte van toetreding. Als de overeenkomst daarentegen 90 dagen na diens toetreding nog niet van kracht is, treedt zij voor die Lid-Staat in werking op het in artikel 16, lid 2 bedoelde tijdstip van inwerkingtreding. In dat geval kan de toetredende Staat eveneens een verklaring afleggen over een vervroegde toepassing, zoals bepaald in artikel 16, lid 3.
Opgemerkt dient te worden dat, als een Staat lid wordt van de Europese Unie voordat de overeenkomst in werking treedt en niet toetreedt tot deze overeenkomst, de overeenkomst uit hoofde van artikel 16, lid 2 toch in werking treedt zodra alle Staten die lid waren op het moment van de ondertekening hun akte van bekrachtiging hebben neergelegd.
Voorontwerp van wet houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995, zal volkomen gevolg hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 30 oktober 2000 door de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995 », heeft op 6 december 2000 het volgende advies gegeven :
ALGEMENE OPMERKING
De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft naar aanleiding van verscheidene adviezen over voorontwerpen van wet houdende instemming met internationale akten betreffende de uitlevering (1) de aandacht van de regeringen gevestigd op de noodzaak om de rechtsregels inzake uitlevering, zoals die bestaan in het interne recht, grondig te herzien.
Gezien het onderwerp van het onderzochte voorontwerp van wet, kan de afdeling wetgeving alleen maar verwijzen naar de genoemde adviezen, die bij het onderhavige advies zijn gevoegd.
De aanpassing van het Belgische recht inzake uitlevering wordt bovendien bijzonder dringend indien het voorontwerp wordt aangenomen. Enerzijds worden de Lid-Staten immers in verschillende bepalingen van de Overeenkomst opgesteld op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995, verzocht om de nodige maatregelen op het stuk van het interne recht te nemen, en anderzijds is het Belgische recht onvoldoende uitgewerkt ten aanzien van sommige juridische situaties die de Overeenkomst wil regelen.
Dat is zo meer bepaald ten aanzien van de artikelen 4, lid 2, 5, 6, 7 en 14 van de genoemde Overeenkomst.
Bovendien is de regering luidens de memorie van toelichting van plan artikel 16, lid 3, van de genoemde Overeenkomst toe te passen en, op het tijdstip waarop ze haar akte van bekrachtiging neerlegt, te verklaren dat ze wenst dat de Overeenkomst voortijdig van toepassing is in haar betrekkingen met de andere lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd, zonder te wachten totdat de Overeenkomst ten aanzien van alle lidstaten in werking treedt.
Het Belgische recht moet bijgevolg dringend worden aangepast zodat het nauwkeuriger en vollediger beantwoordt aan de vereisten die volgen uit de verschillende internationale akten waarbij de uitlevering wordt geregeld en waarmee België heeft ingestemd. Het gebruik van ministeriële circulaires waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen is immers niet meer voldoende.
De kamer was samengesteld uit :
De heer J.-J. STRYCKMANS, eerste voorzitter;
De heren Y. KREINS en P. QUERTAINMONT, staatsraden;
De heren F. DELPÉRÉE en J. KIRKPATRICK, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw J. GIELISSEN, toegevoegd griffier.
Het verslag werd uitgebracht door mevrouw P. VANDERNACHT, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door mevrouw G. MARTOU, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.
| De griffier, | De voorzitter, |
| J. GIELISSEN. | J.-J. STRYCKMANS. |
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 23 november 1995 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van wet « houdende instemming met volgende internationale akten :
a) Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957;
b) Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 15 oktober 1975;
c) Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 17 maart 1978;
d) Akkoord tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken, opgemaakt te San Sebastian op 19 april 1989 »,
heeft op 22 april 1996 het volgend advies gegeven :
ALGEMENE OPMERKING
Er wordt algemeen aangenomen dat wanneer de Raad van State, afdeling wetgeving, een ontwerp van wet houdende instemming met internationale verdragen moet onderzoeken, over de verdragen zelf geen advies hoeft te worden verstrekt.
Overeenkomstig artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moet de afdeling wetgeving worden geraadpleegd over het voorontwerp van goedkeuringswet, dat vergezeld moet gaan van de tekst van het verdrag en van alle andere stukken die ter fine van goedkeuring bij de Wetgevende Kamers worden ingediend.
Het is uitzonderlijk dat het onderzoek, door de afdeling wetgeving, betrekking heeft op de bepalingen van het verdrag zelf; het onderzoek beperkt zich tot enkele precieze punten, waarover zo nodig opmerkingen worden gemaakt.
Het staat aan de afdeling wetgeving om inzonderheid na te gaan of het internationale instrument bepalingen bevat die strijdig zijn met de Grondwet, of die bepalingen geen interne wettelijke of verordenende maatregelen inzake aanpassing, omzetting, machtiging of uitvoering vereisen, en of de bekrachtiging van, de toetreding tot of de aanvaarding van het instrument geen tegenstrijdigheid onder verdragen doet ontstaan.
a. Wat dit laatste punt betreft, moet erop gewezen worden dat verscheidene internationale instrumenten verband houden met het Europees Verdrag betreffende uitlevering en zijn twee protocollen.
Het betreft inzonderheid het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te Straatsburg op 27 januari 1977, en de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van het genoemde Verdrag, gedaan te Dublin op 4 december 1979. Artikel 1 van dit Verdrag somt de strafbare feiten op die niet als een « politiek delict » mogen worden beschouwd.
Artikel 2 van dit Verdrag stelt dat het de Verdragsluitende Staten vrij staat ernstige daden van geweld die niet in artikel 1 zijn bedoeld en die tegen het leven of de vrijheid van personen of tegen goederen gericht zijn, al dan niet als een politiek delict te beschouwen.
Het begrip « politiek delict » is belangrijk, daar uitlevering niet wordt toegestaan indien ze betrekking heeft op een strafbaar feit dat als een politiek delict wordt beschouwd, zulks krachtens artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering.
De twee verdragen zijn zonder probleem onderling verenigbaar, daar artikel 3, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bepaalt dat de toepassing van dat artikel de verplichtingen die de Verdragsluitende Partijen op zich zullen moeten nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten, niet zal aantasten.
Indien evenwel moeilijkheden zouden rijzen, moet artikel 3 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme in aanmerking worden genomen, dat voorschrijft : « De bepalingen in alle tussen de Verdragsluitende Staten van toepassing zijnde uitleveringsverdragen en afspraken, met inbegrip van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, worden wat de betrekkingen tussen Verdragsluitende Staten betreft, gewijzigd voor zover zij onverenigbaar zijn met het onderhavige Verdrag. »
België heeft in de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme een verklaring gedaan, zoals het daartoe gerechtigd was krachtens artikel 13, punt 1, van het Verdrag :
« VOORBEHOUDEN EN VERKLARING
BELGIË
Onder verwijzing naar artikel 13.1 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, verklaart de Belgische regering wat volgt :
Met uitzondering van de strafbare feiten die bij gijzelingen worden gepleegd en van de daarmee samenhangende strafbare feiten, behoudt België zich het recht voor de uitlevering te weigeren voor elk in artikel 1 genoemd strafbaar feit dat zij beschouwt als een politiek delict, als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit ingegeven door politieke motieven; in deze gevallen neemt België de verplichting op zich om bij de beoordeling van de aard van het strafbaar feit naar behoren rekening te houden met kenmerken die het een bijzonder gewicht verlenen zoals :
a) dat door het feit gemeen gevaar is ontstaan voor het leven of de vrijheid van personen dan wel gevaar dat personen lichamelijk letsel oplopen; of
b) dat door het feit personen zijn geschaad die niets hebben uit te staan met de achterliggende motieven; of
c) dat wrede of verraderlijke middelen zijn gebruikt bij het plegen van het feit. »
België heeft in de goedkeuringswet van 2 september 1985 een artikel 2 ingevoegd, luidende :
« Voor de toepassing van voornoemde Verdragen zijn de Belgische rechtbanken bevoegd en is de Belgische strafwet van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977, wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. »
Deze bepaling is toen verantwoord door het feit dat het Verdrag stelt dat wanneer een Staat de dader van een in artikel 1 bedoeld strafbaar feit niet uitlevert, bijvoorbeeld omdat het een onderdaan betreft, deze Staat de maatregelen moet nemen die nodig zijn om de bevoegdheid van zijn autoriteiten vast te leggen (artikel 6) en om de zaak aan de voor vervolging bevoegde autoriteiten over te dragen (artikel 7).
Artikel 3, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bepaalt weliswaar dat « het de verplichtingen die de Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard niet (aantast) », doch de steller van de tekst behoort niettemin in de memorie van toelichting de voornoemde, door België gedane verklaring over te nemen.
b. De memorie van toelichting stelt eveneens dat de Belgische wet in verscheidene opzichten niet volkomen in overeenstemming is met de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en de protocollen ervan.
Zo heeft artikel 7 van het Verdrag betrekking op de plaats waar het strafbare feit is gepleegd; dit artikel schrijft voor : « De aangezochte Partij kan weigeren een persoon uit te leveren voor een strafbaar feit dat volgens de wetgeving van die Partij geheel of ten dele op haar grondgebied of op een daarmede gelijkgestelde plaats is gepleegd. »
Zulks wordt niet uitdrukkelijk vastgelegd in een Belgische wettekst.
Zo heeft ook artikel 8, dat de vervolging ter zake van dezelfde feiten betreft en dat het de aangezochte Partij mogelijk maakt de uitlevering te weigeren, geen equivalent in het Belgisch recht.
Tevens moet de wet van 15 maart 1874 worden gewijzigd op het stuk van de procedure in verband met uitlevering. De verschillende internationale instrumenten die zijn onderzocht, beogen het mededelen van de in het kader van de verzoeken tot uitlevering vereiste documenten verder te vereenvoudigen.
Aanvankelijk stond het Europees Verdrag betreffende uitlevering de diplomatieke weg voor, doch het tweede protocol geeft de voorkeur aan de rechtstreekse betrekkingen tussen het Ministerie van Justitie van de aangezochte en van de verzoekende partij.
Tot slot verbetert het Akkoord van San Sebastian aanzienlijk de toezending van de stukken doordat het voorziet in het gebruik van faxtoestellen.
In het licht van de internationale verbintenissen die België inzake uitlevering heeft aangegaan, zou het wenselijk zijn dat het Belgische interne recht vereenvoudigd wordt.
De gemachtigde ambtenaar heeft als volgt besloten :
« À cet égard, il faut rappeler que les dispositions de la convention comme celles du traité Benelux ou de la convention Schengen, qui sont également dérogatoires par rapport à la loi sur les extraditions de 1874 constituent la base juridique suffisante dans le cadre de la procédure d'extradition et que la modification de la loi belge n'est dès lors pas nécessaire pour donner effet aux conventions qui seraient ratifiées par la Belgique dans ce domaine : ce sont les dispositions des conventions qui seront applicables aux relations avec les autres États parties à ces conventions. Cela étant dit, la multiplication des instruments applicables en la matière pose la question de l'opportunité de l'adaptation du droit interne pour éviter les controverses dans l'interprétation des dispositions applicables et rendre l'application de ces dispositions par les autorités concernées plus facile. Le ministère de la justice procède actuellement à une étude des réformes législatives possibles dans ce sens. »
Bijzondere opmerkingen
Opschrift
Het opschrift van het ontwerp dient als volgt te worden vereenvoudigd :
« Ontwerp van wet houdende instemming met het Europees Verdrag betreffende uitlevering, gedaan te Parijs op 13 december 1957, met de aanvullende protocollen 1 en 2, gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1975 en 17 maart 1978, alsook met het Akkoord tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken, gedaan te San Sebastian op 19 april 1989. »
Bepalend gedeelte
Artikel 1
Krachtens artikel 83 van de Grondwet staat het aan de wetgever om de teksten die bij het Parlement zijn ingediend, nader te omschrijven.
Die verplichting betekent evenwel alleen dat het ontwerp of het voorstel van wet in verband moet worden gebracht met artikel 74, artikel 77 of artikel 78 van de Grondwet.
Andere preciseringen zijn dus overbodig.
Alleen de verwijzing naar artikel 77 van de Grondwet moet behouden blijven.
Artikel 2
In de inleidende zin schrijve men : « ... zullen volkomen gevolg hebben : ».
Net zoals in het opschrift vervange men bovendien de woorden « opgemaakt te » door de woorden « gedaan te ».
De kamer was samengesteld uit :
De heer J.-J. STRYCKMANS, voorzitter;
De heren Y. BOUCQUEY en Y. KREINS, staatsraden;
De heren J. DE GAVRE en P. GOTHOT, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw J. GIELISSEN, griffier.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.
Het verslag werd uitgebracht door de heer J. REGNIER, eerste auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door mevrouw P. VANDERNACHT, adjunct-referendaris.
| De griffier, | De voorzitter, |
| J. GIELISSEN. | J.-J. STRYCKMANS. |
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 25 september 1998 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van wet « houdende instemming met de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, en met de Bijlage, gedaan te Dublin op 27 september 1996 », heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 9, 16 en 30 november 1998 en 7 december 1998, op laatstvermelde datum het volgende advies gegeven :
ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
Algemene opmerkingen
1. Overeenkomstig artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 februari 1973, moet de afdeling wetgeving worden geraadpleegd over het voorontwerp van goedkeuringswet, dat vergezeld moet gaan van de tekst van het verdrag en van alle andere stukken die ter fine van goedkeuring bij de Wetgevende Kamers worden ingediend.
Het staat aan de afdeling wetgeving om inzonderheid na te gaan of het internationale instrument bepalingen bevat die strijdig zijn met de Grondwet, of die bepalingen geen interne wettelijke of verordenende maatregelen inzake aanpassing, omzetting, machtiging of uitvoering vereisen, en of de bekrachtiging van, de toetreding tot of de aanvaarding van het isntrument geen tegenstrijdigheid onder verdragen doet ontstaan.
2. Bij het onderzoek, in 1995, van het voorontwerp van wet houdende instemming met het Europees Verdrag betreffende uitlevering, gedaan te Parijs op 13 december 1957, heeft de afdeling wetgeving gewezen op enig gebrek aan overeenstemming tussen de Belgische wetgeving inzake uitlevering en de recente internationale instrumenten. Ze heeft de regering en het Parlement dan ook verzocht het Belgische intern recht betreffende uitlevering, te vereenvoudigen.
De gemachtigde ambtenaar heeft als antwoord op dat verzoek toen de volgende toelichting gegeven :
« À cet égard, il faut rappeler que les dispositions de la convention comme celles du traité Benelux ou de la convention Schengen, qui sont également dérogatoires par rapport à la loi sur les extraditions de 1874 constituent la base juridique suffisante dans le cadre de la procédure d'extradition et que la modification de la loi belge n'est dès lors pas nécessaire pour donner effet aux conventions qui seraient ratifiées par la Belgique dans ce domaine : ce sont les dispositions des conventions qui seront applicables aux relations avec les autres États parties à ces conventions. Cela étant dit, la multiplication des instruments applicables en la matière pose la question de l'opportunité de l'adaptation du droit interne pour éviter les controverses dans l'interprétation des dispositions applicables et rendre l'application de ces dispositions par les autorités concernées plus facile. Le ministère de la Justice procède actuellement à une étude des réformes législatives possibles dans ce sens. »
Sindsdien is de Raad van State nooit om advies gevraagd over een herziening van de uitleveringswet van 15 maart 1874, behalve over een kleine aanpassing van de regels voor het faxen van de akten die in geval van uitlevering nodig zijn.
Uit de door de gemachtigde ambtenaar verstrekte informatie blijkt dat de minister van Justitie mevrouw Chris. Van Den Wijngaert van de Universiteit te Gent voorzeker belast heeft met een studie met het oog op een grondige hervorming. Omtrent het verslag van de laatstgenoemde is tot nu toe evenwel geen politieke beslissing genomen.
De ambtenaar die door de minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd is met het oog op het onderzoek van het voorontwerp waarover dit advies handelt, deelt vandaag nog steeds de, net geciteerde, mening die zijn collega in 1995 te kennen heeft gegeven. Hij is van oordeel dat instemming met de overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, geen herziening van de huidige Belgische wetgeving noodzakelijk maakt. Volgens hem is de verklaring hiervoor dat de overeenkomst waarmee het Parlement verzocht wordt in te stemmen, in zekere zin op zich volstaat.
Dezelfe ambtenaar merkt bovendien op dat het maken van een wet die alleen tot doel zou hebben het Belgische recht in overeenstemming te brengen met de onderhavige Overeenkomst van de Europese Unie, niet in overweging kan worden genomen. Voorts verklaart hij dat, als een herziening aangevat wordt, die herziening tot doel moet hebben een algemene wet te maken die dus zou bepalen welk gevolg aan de uitleveringsverzoeken behoort te worden gegeven, ongeacht het land dat het verzoek ingediend heeft.
Dit standpunt houdt steek en behoort te worden nagevolgd. Het is immers wellicht niet overdreven eraan toe te voegen dat de rol van de Belgische wetgeving inzake uitlevering in de loop van de laatste 125 jaar geleidelijk en grondig gewijzigd is. In de 19e eeuw had die wetgeving tot doel een kader te scheppen voor toekomstige verdragen; heden strekt ze ertoe de correcte toepassing ervan te verzekeren en te vergemakkelijken. Een herwerking is dus noodzakelijk.
Er mag immers niet uit het oog verloren worden dat, al had de Belgische wetgeving betreffende uitlevering, zowel de wet van 1 oktober 1833 als die van 15 maart 1874, tot doel de voorwaarden aan te geven waaronder de regering uitlevering mocht inwilligen, het wezenlijke oogmerk ervan ook was om, zelfs in de eerste plaats, de grenzen af te bakenen waarbinnen de regering met andere Staten verdragen betreffende uitlevering mocht sluiten. Zo wordt die wetgeving nog beschreven door Michel Theys in de door hem opgestelde uiteenzetting over uitlevering in boekdeel II van de « Nouvelles de procédure pénale ». Er staat te lezen dat de regering krachtens de wet van 15 maart 1874 gemachtigd is om uitleveringsverdragen te sluiten en dat die verdragen, al behoeven ze door het Parlement niet te worden goedgekeurd, toch in het Belgisch Staatsblad dienen te worden bekendgemaakt, wat trouwens in artikel 6 van de wet van 1874 bepaald is, waar te lezen staat dat het gaat om de verdragen « op grond van onderhavige wet gesloten ». De auteur betoogt dan ook dat « de verdragen vanzelfsprekend niet in strijd mogen zijn met de Belgische wet ».
Voor zulk een scheppen van een kader voor verdragen behoeft niet langer te worden gewerkt met een wet, wanneer de regering er zorg voor draagt dat de Kamers hun instemming betuigen met de uitleveringsverdragen; door op die manier te werk te gaan, wordt aan die verdragen bindende kracht verleend, ongeacht of ze in overeenstemming zijn met een vorige wet of niet.
Het is trouvens des te noodzakelijker instemming te betuigen met de verdragen die België onlangs aangegaan heeft, daar de hoofdprincipes ervan absoluut niet meer dezelfde zijn als die welke aan de wetgeving van de 19e eeuw ten grondslag liggen.
In dit verband zij immers opgemerkt dat krachtens de wet van 15 maart 1874 de regering alleen uitlevering van vreemdelingen en niet van Belgen kan toestaan en voor zover er een verdrag bestaat gesloten op grondslag van wederkerigheid tussen België en de verzoekende Staat. In artikel 1, § 2, van dezelfde wet wordt uitlevering eveneens beperkt tot de gevallen waarin de ten laste gelegde feiten zowel door de verzoekende Staat als door België gestraft worden. In artikel 6 van de wet van 1 oktober 1833 wordt uitdrukkelijk bepaald dat « in die verdragen (...) uitdrukkelijk (zal) worden bedongen » dat wegens een politiek delict niet wordt uitgeleverd. Die drie beperkingen, namelijk het verbod om Belgen uit te leveren, de dubbele strafbaarstelling en de uitsluiting van uitlevering wegens politieke delicten, worden door de Overeenkomst van de Europese Unie op de helling gezet.
Deze flagrante tegenspraak tussen de wet en die overeenkomst kan voorzeker verholpen worden door toepassing van het beginsel dat het latere verdrag, na goedkeuring door het Parlement, de vorige wet opheft, en van het beginsel dat verdragen in de Belgische rechtsorde een hogere rangorde innemen dan de wet. Uit wetgevingstechnisch oogpunt is het evenwel niet goed onder de Belgische wetten er zodanige te laten bestaan die niet alleen reeds achterhaald zijn wat betreft de techniek van de verhoudingen tussen het verdrag, de wet en de regering, maar die bovendien beginselen vastleggen welke onverenigbaar zijn met evenzo essentiële voorschriften van multilaterale verdragen die even belangrijk zijn als het verdrag waarvan momenteel sprake is (2).
Het zou dus raadzaam zijn de wetgeving te herzien om haar uitdrukkelijk af te brengen van de opvatting die eraan ten grondslag ligt, namelijk dat voor de door de regering te sluiten verdragen een wettelijk kader dient te worden geschapen, ten voordele van de thans heersende opvatting, dat het de verdragen zijn die, zodra het Parlement ermee ingestemd heeft, doordat ze een hogere rangorde innemen, een kader dienen te scheppen voor de wet. De wet heeft in dat geval tot doel de gerechtelijke en administratieve overheden die inzake uitlevering optreden, in staat te stellen het verdrag correct toe te passen.
Het nut van een bewerking van de huidige wet om de werkelijke verhoudingen tussen die wet en de bestaande of toekomstige verdragen te vereenvoudigen, blijkt inzonderheid uit artikel 5, eerste lid, in zover het uitlevering voor politieke delicten toestaat, artikel 7, in zover het voorziet in de mogelijkheid om onderdanen van het aangezochte land uit te leveren, en artikel 8, in zover het voorziet in de gevolgen van verjaring of amnestie volgens het recht van de aangezochte Staat.
3. In het toelichtend rapport over de overeenkomst wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat die overeenkomst tot veranderingen leidt die een nieuw onderzoek van sommige bepalingen van de nationale wetgevingen noodzakelijk kunnen maken.
Precies om te voorkomen dat zulke veranderingen gewoon aan de lidstaten opgelegd worden, wordt in de overeenkomst nader bepaald dat een Staat voorbehoud kan maken. Die mogelijkheid is evenwel vrij beperkt. In de memorie van toelichting bij het voorontwerp wordt aangegeven welk voorbehoud België van plan is te maken wanneer de overeenkomst bekrachtigd wordt.
Op sommige punten kan een Staat slechts voorbehoud maken op voorwaarde dat hij niettemin verplichtingen nakomt die in de overeenkomst worden bepaald en die stuk voor stuk als tegenwicht dienen voor de vrijheden die hij wil behouden. Dat geldt in het bijzonder voor de uitzondering op het beginsel van de dubbele strafbaarstelling die in artikel 3 wordt gemaakt.
Die bepaling is bedoeld om de georganiseerde misdaad en het terrorisme efficiënter te bestrijden. Een van de grootste moeilijkheden die moeten worden overwonnen om tot een Europese rechterlijke samenwerking te komen, is de zeer uiteenlopende strafwetgeving die daaromtrent in de onderscheiden lidstaten bestaat. Deze reageren zeer verschillend op dit soort criminaliteit.
Zo staat in het toelichtend rapport over de overeenkomst het volgende :
« ... de verschillen tussen de diverse vormen van criminele organisaties die onder de werking van het strafrecht van de lidstaten vallen en de verschillen tussen de diverse vormen van samenspanning en meer nog de verschillen tussen, enerzijds, de strafbare feiten van het deelnemen aan een criminele organisatie en, anderzijds, de strafbare feiten van het samenspannen bleken bij uitlevering bijzonder gevoelig te liggen, in die zin dat ten gevolge van het ontbreken van de vereiste dubbele strafbaarheid uitlevering voor misdaden die van cruciaal belang zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad kan worden voorkomen.
Artikel 3 beoogt dit probleem te verhelpen door, in afwijking van artikel 2, lid 1, van de onderhavige overeenkomst en van het overeenkomstige artikel 2 van het Europese Uitleveringsverdrag en artikel 2 van het Benelux-Verdrag, een uitzondering op het beginsel van de dubbele strafbaarheid in te voeren. Daartoe is in lid 1 bepaald dat, indien het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht van de verzoekende lidstaat wordt aangemerkt als deelneming aan een criminele organisatie of samenspanning, uitlevering niet mag worden geweigerd uitsluitend op grond van het feit dat dit gedrag naar het recht van de aangezochte lidstaat niet strafbaar is. »
Deze bepaling wordt toegepast onder twee voorwaarden :
enerzijds moet het feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt met een maximum van ten minste twaalf maanden;
anderzijds moet de deelneming aan een criminele organisatie of de samenspanning tot doel hebben één of meer feiten te plegen zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Europese Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te Straatsburg op 27 januari 1977, dan wel
« ... enig ander feit te plegen dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming met zich brengt met een maximum van ten minste twaalf maanden, op het gebied van handel in verdovende middelen en andere vormen van georganiseerde misdaad of andere daden van geweld gericht tegen het leven, de fysieke integriteit of de vrijheid van een persoon, of wanneer daarbij gemeen gevaar voor personen is ontstaan. »
Bij het toepassen van die bepaling stoot men vooral op de moeilijkheid dat dit artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst niet bepaalt wat onder « deelneming aan een criminele organisatie » of « samenspanning » moet worden verstaan.
Zoals in het toelichtend rapport over de Overeenkomst wordt onderstreept :
« ... (is) het voldoende dat het feit dat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt, naar het recht van de verzoekende lidstaat wordt aangemerkt als deelneming aan een criminele organisatie of als samenspanning. »
Als een Staat echter niet zomaar van het beginsel van de dubbele strafbaarstelling wil afwijken, staan het derde en het vierde lid van artikel 3 hem toe een voorbehoud te maken, maar in ruil daarvoor moet hij in zijn nationale recht bepalen dat bepaalde gedragingen aanleiding kunnen geven tot uitlevering. In het vierde lid wordt geen gebruik gemaakt van de begrippen « deelneming aan een criminele organisatie » of « samenspanning », maar wel van een reeks objectieve elementen die in het toelichtend rapport als volgt worden vermeld :
« Het gedrag dient bij te dragen aan het plegen door een groep van personen met een gemeenschappelijk oogmerk van een of meer strafbare feiten van het in die bepaling genoemde type;
De bijdrage kan van enigerlei aard zijn en in een bepaald geval zal objectief moeten worden bezien of het gedrag inderdaad bijdraagt aan het plegen van een of meer strafbare feiten. Zoals geformuleerd in dit lid, behoeft het gedrag niet te bestaan in deelneming van de persoon aan het feitelijke plegen van het strafbare feit of de strafbare feiten in kwestie. Het bijdragen kan in feite ook van ondergeschikte aard zijn (louter materiële voorbereiding, logistieke steun voor het verschaffen van vervoer of verblijf aan personen en ander gedrag). In het lid wordt niet bepaald dat de persoon die aan het plegen van het strafbaar feit bijdraagt, een « lid » van de groep moet zijn. Derhalve zal ook de bijdrage van een persoon die niet als lid van een goed georganiseerde groep bijdraagt aan de misdadige activiteiten van de groep hetzij incidenteel, hetzij structureel onder deze bepaling vallen, mits de andere elementen van het strafbare feit aanwezig zijn.
In dit lid staat : « De bijdrage van de persoon dient opzettelijk te gebeuren en met kennis van zaken wat betreft ofwel het oogmerk en de algemene misdadige activiteit van de groep ofwel van het voornemen van de groep om het betrokken feit of de betrokken feiten te plegen. » De gekozen formulering kwalificeert de bijdrage op twee manieren : ten eerste, de bijdrage moet opzettelijk zijn; derhalve vallen niet opzettelijke bijdragen er buiten. Ten tweede, de aard van criminele groepen en de omstandigheden waaronder de bijdrage wordt geleverd lopen uiteen; derhalve is het vereist dat een element van kennis nader wordt omschreven. Met betrekking hierop leidt de formulering ertoe dat het element van kennis bestaat uit kennis ofwel van het oogmerk en de algemene criminele doelstellingen van de groep ofwel van het voornemen van de groep om een of meer van de betrokken feiten te plegen. ».
Uit de memorie van toelichting bij het voorontwerp blijkt dat de regering het voorbehoud wil maken dat in het derde lid van artikel 3 van de Overeenkomst wordt toegestaan. Er dient dus te worden nagegaan of het Belgische recht wel de verplichtingen bevat waarin de Staat volgens het vierde lid van de Overeenkomst moet voorzien als hij dat voorbehoud wil maken.
België zou zich ertoe kunnen beperken in een wettekst te bepalen dat, als een Lid-Staat die partij is bij de Overeenkomst om uitlevering verzoekt wegens deelneming aan een criminele organisatie of samenspanning, dat verzoek moet worden ingewilligd als de opgeëiste persoon het gedrag heeft vertoond dat wordt omschreven in artikel 3, vierde lid, waarvan zojuist sprake is geweest en dat in de Belgische wet zou worden overgenomen.
Uit de memorie van toelichting bij het voorontwerp blijkt evenwel dat de regering zich niet tot dat minimale standpunt wil beperken. De regering is van mening dat België zich er alleen toe mag verbinden uit te leveren als het een uitleveringsverzoek krijgt dat betrekking heeft op een persoon die in België veroordeeld zou kunnen worden als hij zich in België schuldig zou hebben gemaakt aan het gedrag dat in het vierde lid van artikel 3 wordt omschreven. Naar aanleiding van dat standpunt moet worden nagegaan of het Belgische strafrecht wel de nodige regels voor strafbaarstelling bevat om het bedrag dat in dat vierde lid wordt omschreven, te bestraffen. Volgens de memorie van toelichting is dit in het Belgische recht wel stellig het geval. In de memorie staat daaromtrent het volgende :
« Artikel 324bis, in het Strafwetboek ingevoegd krachtens het ontwerp van wet op de criminele organisaties, biedt geen passende oplossing, want het heeft uitsluitend betrekking op criminele organisaties van gemeen recht (het verkrijgen van vermogensvoordelen) en niet op terroristische organisaties, behalve als laatstgenoemden ook als criminele organisatie handelen. Er moet evenwel worden onderstreept dat België aan de verplichting bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst voldoet door middel van artikel 322 van het Strafwetboek (vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, met andere woorden, deelneming aan een criminele organisatie). De bijzondere vormen van deelneming aan een criminele organisatie, zoals omschreven in artikel 324 van het Strafwetboek, alsmede de complementaire toepassing van algemene regels inzake deelneming zijn wellicht voldoende ruim om ook betrekking te hebben op de vormen van deelneming aan een criminele organisatie bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst. ».
Dat valt te betwijfelen. De argumentatie van de memorie van toelichting komt op losse gronden te staan alleen al doordat de Regering onlangs een wetsontwerp heeft ingediend (3), waarvan ze het nut motiveert met het argument dat de thans geldende regelingen niet volstaan zijn om alle vormen van georganiseerde misdaad te vervolgen en te bestraffen. De Regering kan nu dus moeilijk staande houden dat de artikelen 322 en 324 van het Strafwetboek toereikend zijn, omdat ze « voldoende ruim (zijn) om ook betrekking te hebben op de vormen van deelneming aan een criminele organisatie bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst ».
Het argument dat de teksten « ruim » op te vatten zijn, gaat alleen op voor zover ervan uitgegaan kan worden dat de rechtscolleges die de teksten te interpreteren zullen hebben, ze werkelijk zullen interpreteren zoals de Regering nu verlangt. Niets garandeert evenwel dat dit bestendig zo zal zijn. Uit het zogenaamde wettigheidsbeginsel blijkt niet dat « ruime » teksten, namelijk teksten die tot zeer uiteenlopende juridische interpretaties kunnen leiden, voldoende zijn om te stellen dat de inhoud van het Belgische recht zo is dat België nu al voldoet aan de voorwaarde die volgens de Overeenkomst moet worden vervuld om voorbehoud te kunnen maken.
België zou met meer zekerheid aan de voorwaarde voldoen die in artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst voor dat voorbehoud wordt gesteld, als het wetsontwerp dat thans bij de Kamer van volksvertegenwoordigers is ingediend en dat de artikelen 324bis en 324ter in het Strafwetboek opneemt, door de Kamer werd goedgekeurd en van kracht werd.
4. Tot slot, wat de gemeenschappelijke verklaring van de Lid-Staten betreft die in de bijlage bij de Overeenkomst is opgenomen, wordt het ook absoluut noodzakelijk dat ons recht voor enige coherentie zorgt tussen de procedures inzake asielrecht en de procedures inzake uitlevering.
Volgens artikel 33 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen mogen de Verdragsluitende Staten een vluchteling niet uitzetten of terugleiden, op welke wijze ook,
« naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging ».
Professor Chris. Van Den Wyngaert heeft vastgesteld dat de Regering tot hier toe geweigerd heeft een verzoek tot uitlevering van een kandidaat-politieke vluchteling in te willigen als het dossier nog niet helemaal onderzocht is, ondanks een gunstig advies van het onderzoeksgerecht (4).
Onze wetgeving moet op dat punt worden aangepast. Er moet worden bepaald of de uitleveringsprocedure, dan wel de procedure om als politieke vluchteling te worden erkend, voorrang heeft als het uitleveringsverzoek uitgaat van een land waar het leven of de vrijheid van de kandidaat-vluchteling in gevaar zou kunnen zijn.
De kamer was samengesteld uit :
De heer Y. KREINS, voorzitter;
De heren P. LIENARDY en P. QUERTAINMONT, staatsraden;
De heren P. GOTHOT en J. van COMPERNOLLE, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw B. VIGNERON, toegevoegd griffier.
Het verslag werd uitgebracht door mevrouw P. VANDERNACHT, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer A. LEFEBVRE, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. LIENARDY.
| De griffier, | De voorzitter, |
| B. VIGNERON. | Y. KREINS. |
(1) Zie onder meer advies 24.759/2 van 22 april 1996 over een ontwerp van wet « houdende instemming met volgende internationale akten :
a) Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957;
b) Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 15 oktober 1975;
c) Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 17 maart 1978;
d) Akkoord tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken, opgemaakt te San Sebastian op 19 april 1989 »
en advies 28.316/2 van 7 december 1998 over een ontwerp van wet « houdende instemming met de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, en met de Bijlage, gedaan te Dublin op 27 september 1996 ».
(2) Dit beginsel van behoorlijke wetgeving is door de Raad van State reeds meermaals bevestigd. Zo bijvoorbeeld heeft de afdeling wetgeving het volgende opgemerkt, nadat ze om advies was verzocht over een voorontwerp van wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, welk voorontwerp ertoe strekt uitwerking te geven aan artikel 108 van het EG-Verdrag dat bepaalt dat « Iedere Lid-Staat (...) er zorg voor (...) draagt dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, (...) verenigbaar is met dit Verdrag en met de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken » :
« Het Verdrag en het Protocol bevatten immers beslist regels die tot doel hebben de werking van de Nationale Bank ingrijpend te beïnvloeden, aangezien bij deze regels een Belgische overheid door een Europese overheid wordt vervangen om een functie uit te oefenen die tot op heden aan de Koning toekwam. Dat maakt het des te noodzakelijker de Belgische wetgeving zo te formuleren dat uit de bewoording zo duidelijk mogelijk blijkt dat de communautaire regels voortaan voorrang hebben; de Belgische wet mag, door de bewoording ervan zelf, geen enkele twijfel laten bestaan omtrent de exacte plaats van de betrokken regels in de hiërarchie van de normen van de eenvormige rechtsorde waar de Europese en de Belgische rechtsorde met elkaar versmelten ... » (Advies L. 25.916/2, gegeven op 24 maart 1997, Gedr. St., Kamer, 96/97, nr. 1061/1).
(3) Wetsontwerp betreffende de criminele organisaties het voorwerp uitgemaakt hebbende van de adviezen nrs. L. 28.345/2 (Stuk Kamer, nr. 954-1, 96/97) en L. 28.026/2 (Stuk Kamer, nr. 954-24, 96/97).
(4) Voor een overzicht van die studie wordt verwezen naar « Colloquium hervorming strafprocesrecht », 8 en 9 oktober 1998, Senaat en Ministerie van Justitie, Antwerpen, Maklu, 1998, blz. 171 en volgende.