2-639/6 | 2-639/6 |
6 MAART 2001
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2
In artikel 190, § 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 1 december 1994, 6 mei 1997, 10 februari 1998, 22 december 1998 en 24 maart 1999, worden in de Franse tekst tussen de woorden « est attribué » en « à un candidat » de woorden « en priorité » ingevoegd.
Art. 3
In hetzelfde Wetboek wordt artikel 191bis, zoals vernummerd bij de wet van 22 december 1998, hersteld in de volgende lezing :
§ 1. Eenieder die ten minste de laatste vijftien jaar ononderbroken als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of ten minste tien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en vervolgens gedurende vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het in artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een benoeming als bedoeld in artikel 190, mits aan de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.
§ 2. Het verzoek daartoe wordt bij een ter post aangetekende brief gericht aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, naar gelang van de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten.
Dit schrijven moet vergezeld zijn van de nodige stavingstukken waaruit blijkt dat de voorwaarden vermeld in § 1 zijn vervuld.
Binnen veertig dagen na de ontvangst van het verzoek beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen over de ontvankelijkheid ervan.
Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek onontvankelijk, dan wordt de verzoeker hiervan bij een ter post aangetekende brief in kennis gesteld.
Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek ontvankelijk, dan wordt de verzoeker bij een ter post aangetekende brief opgeroepen voor een evaluatie-examen.
De verzoeker ten aanzien van wie de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen heeft geoordeeld dat hij geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen voor een benoeming bedoeld in artikel 190.
§ 3. De door de benoemings- en aanwijzingscommissie afgegeven machtiging is geldig gedurende drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de afgifte van de machtiging.
Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt de verzoeker daarvan bij een gemotiveerde en ter post aangetekende brief in kennis gesteld. In dit geval mag de betrokkene op zijn vroegst drie jaar na die kennisgeving een nieuw verzoek indienen.
Art. 4
In artikel 194 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 1 december 1994, 6 mei 1997, 22 december 1998 en 24 maart 1999, wordt § 4, eerste lid, vervangen als volgt :
« Onverminderd de voorwaarden gesteld in § 1 wordt het ambt van de substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale zaken toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit deze gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8. »
Art. 5
In artikel 259bis-9, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « evenals het programma van het mondelinge evaluatie-examen »;
2º in het tweede lid worden de woorden « Het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage » vervangen door de woorden « Het examen inzake beroepsbekwaamheid, het vergelijkend examen tot de gerechtelijke stage en het mondelinge evaluatie-examen ».
Art. 6
Artikel 259bis-10, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
« 3º de organisatie van het mondeling evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit en het verstrekken van de machtiging bedoeld in artikel 191bis, § 2, laatste lid.
Art. 7
In artikel 259octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 2, eerste lid, wordt de bepaling na het tweede streepje vervangen als volgt : « van de 16e tot en met de 21e maand in een strafinrichting, een politiedienst, een kantoor van een notaris of van een gerechtsdeurwaarder, of in een juridische dienst van een openbare economische of sociale instelling, alle gevestigd binnen het Rijk of de Europese Unie »;
2º in § 3, tweede lid, wordt de bepaling na het tweede streepje vervangen als volgt : « van de 13e tot en met de 15e maand in een strafinrichting, een politiedienst of in een juridische dienst van een openbare economische of sociale instelling, alle gevestigd binnen het Rijk of de Europese Unie. »
Art. 8
In artikel 371, § 2, a), van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 1974, worden de woorden « 10 jaar » en « tien jaren » vervangen door de woorden « vier jaar ».
Art. 9
In artikel 21, vierde lid, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 1 december 1994 en vervangen bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º tussen de woorden « plaatsvervangende rechters » en « , ook een geslaagde » worden de woorden « die regelmatig, in de loop van de vijf jaar die aan hun kandidaatstelling voorafgaan, rechters of leden van het openbaar ministerie hebben vervangen » ingevoegd;
2º het woord « moet » wordt vervangen door het woord « kan »;
3º het woord « eveneens » wordt geschrapt.
Art. 10
Artikel 194, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 4 van deze wet, en artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten zoals gewijzigd door artikel 9 van deze wet, zijn slechts van toepassing op de vacatures die na de inwerkingtreding van voormeld artikel in het Belgisch Staatsblad worden bekend gemaakt.
Art. 11
De bepalingen van artikel 259octies, § 2, eerste lid, tweede streepje en § 3, tweede lid, tweede streepje van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door deze wet, zijn niet van toepassing op de personen die voor 1 januari 2000 tot gerechtelijk stagiair werden benoemd.
Art. 12
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 3, 5 en 6, die in werking treden op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk twaalf maanden na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.