2-639/2 | 2-639/2 |
26 JANUARI 2001
Art. 3
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zowel de Raad van State als de Hoge Raad voor de Justitie maken uitdrukkelijk voorbehoud met betrekking tot de verenigbaarheid van deze bepaling met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie.
Bovendien is het aangewezen op grondige wijze te evalueren waarom advocaten met een rijke ervaring « niet geneigd zijn om aan het examen beroepsbekwaamheid » deel te nemen, zoals de memorie van toelichting bij het wetsontwerp stelt.
Zeker nu de advocaten door hun beroepsorganisatie verplicht worden tot een permanente bijscholing, stelt zich zeer de vraag op welke wijze de vereisten van het examen beroepsbekwaamheid niet kunnen worden ontmoet door deze kandidaat-magistraten.
Eerder dan deze nieuwe toegangsweg te creėren, met een « mondeling evaluatie-examen » waarvan de reėle selectiecriteria niet wettelijk worden vastgelegd, dient onderzocht te worden op welke wijze het examen beroepsbekwaamheid toch kan gehandhaafd blijven voor advocaten met een langdurige ervaring.
Art. 3
In § 3, tweede lid, van het voorgestelde artikel 191bis de woorden « Indien de machtiging wordt geweigerd », vervangen door de woorden « Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, ».
Verantwoording
De voorgestelde tekst van artikel 3, § 3, stelt dat « indien de machtiging wordt geweigerd », de verzoeker daarvan in kennis wordt gesteld.
De libellering van het artikel in samenlezing met artikel 3, § 2, laatste lid, impliceert dat, zelfs als de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen heeft geoordeeld dat de kandidaat geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, de machtiging toch nog kan worden geweigerd.
Nochtans bepaalt het laatste lid van de voorgestelde § 2 dan in dat geval de kandidaat sowieso wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen voor een benoeming bedoeld in artikel 190.
Teneinde deze verwarring en mogelijke foutieve lezingen te vermijden, dient de bepaling « indien de machtiging wordt geweigerd », te worden vervangen door « Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen ».
Art. 3
In § 1 van het voorgestelde artikel 191bis tussen de woorden « deze activiteit »en « heeft uitgeoefend » de woorden « als voornaamste beroepsactiviteit » invoegen.
Verantwoording
De tweede voorwaarde « of ten minste vijftien jaar deze activiteit heeft uitgeoefend », is minder restrictief dan de eerste voorwaarde « twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend ».
Gezien « deze activiteit » ook enkel betrekking kan hebben op « het beroep van advocaat », dient duidelijk gesteld dat ook in deze tweede hypothese men gedurende vijftien jaar dit beroep van advocaat als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend.
Art. 3
De aanhef van het artikel vervangen door volgende bepaling :
« In hetzelfde Wetboek wordt artikel 191bis, zoals vernummerd bij de wet van 22 december 1998, hersteld in de volgende lezing : »
Verantwoording
Het betreft een louter legistieke verbetering.
Artikel 2 van de wet van 1 december 1994 voorzag in de invoeging van een artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek. Ingevolge vernummering tot artikel 191 bij de wet van 22 december 1998, voorzag artikel 191bis niet langer in een wetgevende bepaling.
Legistiek is het, eerder dan te stellen dat een artikel 191bis wordt « ingevoegd » beter te bepalen dat het vroeger reeds ingevoegde artikel 191bis, zoals vernummerd, wordt « hersteld » in een andere lezing.
Art. 5
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit amendement is de logische consequentie van amendement nr. 1 dat voorstelt artikel 3 te doen vervallen.
Art. 6
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit amendement is de logische consequentie van amendement nr. 1 dat voorstelt artikel 3 te doen vervallen.
Art. 7bis (nieuw)
Een artikel 7bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt :
« In artikel 365, § 2, eerste lid, a), van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 1974, 20 juli 1991 en 6 augustus 1993, tussen de woorden « van het ambt van notaris » en de woorden « door een doctor of licentiaat in de rechten », de woorden « of van een juridische functie in de privé-sector » invoegen. »
Verantwoording
Bij de berekening van de geldelijke anciėnniteit van magistraten wordt geen rekening gehouden met de in de privé-sector opgedane ervaring (bijvoorbeeld als bedrijfsjurist), die wel in aanmerking genomen wordt om te mogen deelnemen aan het geschiktheidsexamen voor de magistratuur. De juridische ervaring die de betrokkene als advocaat of notaris heeft opgedaan telt daarentegen wel mee voor de berekening van die geldelijke anciėnniteit. Die toestand is niet billijk.
Daarom wordt voorgesteld om de ervaring die als bedrijfsjurist werd opgedaan in aanmerking te nemen bij de berekening van de geldelijke anciėnniteit van de magistraten.
Artikel 365, § 2, eerste lid, a), van het Gerechtelijk Wetboek, dat de berekening van de anciėnniteit van de magistraten der rechterlijke orde regelt, behoort derhalve in die zin te worden aangevuld.
Art. 9
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zowel de Raad van State als de Hoge Raad voor de Justitie maken uitdrukkelijk voorbehoud met betrekking tot de verenigbaarheid van deze bepaling met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie.
Het is derhalve aangewezen de Raad van State en/of de Hoge Raad voor de Justitie om advies te verzoeken over dit punt.
Art. 12
Dit artikel vervangen door volgende bepaling :
« Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. »
Verantwoording
Het voorontwerp van wet voorzag : « Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. »
Ingevolge een opmerking van de Raad van State werd deze bepaling in het voorontwerp gewijzigd, omdat op het moment van de adviesverlening door de Raad en de mogelijke behandeling in de Kamer, de wet van 22 december 1998 nog niet in werking zou kunnen getreden zijn, hetgeen gekruiste inwerkingtredingen tot resultaat zou hebben.
Inmiddels zijn alle wijzigingen ingevolge de wet van 22 december 1998 in werking getreden op 2 augustus 2000. De wijzigingen die huidig wetsontwerp aanbrengt, kunnen aldus allen in werking treden bij publicatie in het Belgisch Staatsblad.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 9)
Art. 12
Dit artikel schrappen.
Verantwoording
1. Dit amendement is subsidiair op amendement nr. 9, dat voorziet dat de wet in werking treedt op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
2. Zo voorgaand amendement niet kan worden aangenomen, voorziet dit amendement dat de wet in werking treedt conform de gewone regeling.
| Hugo VANDENBERGHE. |
Art. 3
Dit artikel vervangen als volgt :
« Artikel 259bis-9, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Het programma van het examen inzake beroepsbekwaamheid kan door de verenigde benoemingscommissie worden aangepast voor eenieder die ononderbroken het beroep van advocaat als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend sedert ten minste twintig jaar vóór zijn kandidatuur en die examen aflegt met het oog op een in artikel 190 bedoelde benoeming. »
Verantwoording
Het lijkt ons dat de derde benoemingsweg voor magistraten die door het nieuwe artikel 191bis van het ontwerp wordt voorgesteld, niet in overeenstemming is met het grondwettelijke gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. De advocaat met tien jaar ononderbroken ervaring bij de balie kan alleen dan tot rechter als bedoeld in artikel 190 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd worden wanneer hij eerst geslaagd is voor het examen inzake beroepsbekwaamheid.
Het voorgestelde artikel 191bis leidt tot een nieuwe vorm van politisering van de magistratuur. Dat is precies wat wij al zolang willen voorkomen.
Twintig jaar werkzaam zijn bij de balie zegt op zich niets over de beroepsbekwaamheid. Anciėnniteit op zich is geen garantie. Het examen inzake beroepsbekwaamheid dat zowel uit een mondelinge als een schriftelijke proef bestaat, biedt het voordeel dat alle kandidaten aan een min of meer objectief criterium moeten voldoen.
De geformuleerde kritiek heeft veeleer betrekking op de inhoud van het examen inzake beroepsbekwaamheid. Naar het schijnt is dit examen helemaal niet aangepast.
Het examen inzake beroepsbekwaamheid bestaat thans uit twee proeven.
Een schriftelijke proef bestaat uit :
een verhandeling;
het opstellen van een rechterlijke beslissing.
De mondelinge proef bestaat uit :
een kritische uiteenzetting over een onderwerp van juridische aard en een mondelinge ondervraging over die uiteenzetting;
een gesprek over de hierboven bedoelde schriftelijke proef of over een deel ervan.
Het programma van de schriftelijke proef zou kunnen worden aangepast zonder dat opstellen van de rechterlijke beslissing af te schaffen. Voor het overige is het van belang geen discriminatie tussen de kandidaten in te voeren.
Art. 5
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie amendement nr. 11.
Art. 6
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 11.
Art. 6bis
Een artikel 6bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6bis. Artikel 259ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Het benoemingsdossier bevat, al naargelang :
de kandidatuur met de bijlagen;
de schriftelijke adviezen bedoeld in § 1 en, in voorkomend geval, de opmerkingen van de kandidaat;
de verslagen met betrekking tot het eerste, tweede en derde stadium van de opleiding, bedoeld in artikel 259octies, § 2, zevende en achtste lid, of het verslag met betrekking tot het eerste stadium van de opleiding, bedoeld in artikel 259octies, § 3, achtste lid;
een afschrift van het evaluatiedossier. »
Art. 6ter
Een artikel 6ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6ter. Artikel 259ter, § 2, wordt aangevuld met een vijfde lid, luidende :
« Voor het einde van de benoemingsprocedure, wordt het dossier aangevuld met het eventueel aanvullend verslag, bedoeld in artikel 259octies, § 2, achtste lid, of met de verslagen met betrekking tot het tweede en derde stadium van de opleiding alsook met het eventueel aanvullend verslag, bedoeld in artikel 259octies, § 3, achtste lid. »
Verantwoording
Gelet op de minimumtermijn die heden ten dage kan geschat worden op 7 maanden om de benoemingsprocedure tot een einde te zien komen, lijkt het onontbeerlijk dat de stageverslagen neergelegd zouden worden op de data zoals hierna vermeld.
Aldus vermijdt men dat het benoemingsdossier als onvolledig kan worden beschouwd bij afwezigheid van de verslagen, bedoeld in het nieuwe artikel 259ter, § 2, vijfde lid, die aldus later zullen kunnen neergelegd worden in de loop van de benoemingsprocedure.
Dit laat ook toe te voorkomen dat de verlenging, bedoeld in artikel 259octies, § 6, zesde lid, van de uitzondering de regel wordt.
Art. 6quater (nieuw)
Een artikel 6quater (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6quater. Artikel 259octies, § 2, voorlaatste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Voor het einde van de 11e en van de 21e maand van de opleiding, dient de eerste stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag in omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de procureur-generaal of de auditeur-generaal overgezonden aan de minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie. »
Verantwoording
Gevolg van de wijziging van artikel 259ter, § 2, vierde lid.
Art. 6quinquies (nieuw)
Een artikel 6quinquies (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6quinquies. Artikel 259octies, § 2, laatste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Voor het einde van de 29e maand van de opleiding, dient de tweede stagemeester onverwijld bij de voorzitter van de rechtbank een uitvoerig verslag in omtrent het derde stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de eerste voorzitter overgezonden aan de bevoegde benoemingscommissie en aan de procureur-generaal of de auditeur-generaal, die het op zijn beurt toezendt aan de minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie. Indien nodig, zendt de tweede stagemeester op dezelfde wijze een aanvullend verslag over omtrent de laatste zeven stagemaanden. »
Verantwoording
Gevolg van de wijziging van artikel 259ter, § 2, vierde lid.
Art. 6sexies (nieuw)
Een artikel 6sexies (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6sexies. Artikel 259octies, § 3, laatste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Vooraf wijst de korpschef bij ieder parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van stagemeester zullen waarnemen. Voor het einde van de 11e maand van de opleiding dient de stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag in omtrent het eerste stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie overgezonden en door de procureur-generaal of de auditeur-generaal overgezonden aan de minister van Justitie. Op dezelfde wijze dient de stagemeester, voor het einde van de 15e maand van de opleiding, een verslag in omtrent het tweede stadium van de opleiding. Indien nodig zendt de stagemeester op dezelfde wijze een aanvullend verslag over omtrent de laatste drie stagemaanden. »
Verantwoording
Gevolg van de wijziging van artikel 259ter, § 2, vierde lid.
Art. 6septies (nieuw)
Een artikel 6septies (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 6septies. Artikel 259octies, § 4, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Voor het einde van de 12e maand, brengt de stagiair de eerste stagemeester op de hoogte van zijn keuze omtrent het verdere verloop van zijn stage met toepassing van § 2 of van § 3. De eerste stagemeester deelt dit mede aan de procureur-generaal, die het op zijn beurt meedeelt aan de minister van Justitie. »
Verantwoording
De wijziging zal de stagiair aldus toelaten zijn keuze te oriėnteren na kennis genomen te hebben van zijn stageverslag, dat opgesteld zal geweest zijn tijdens de elfde maand.
| Clotilde NYSSENS. |