2-256/2

2-256/2

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

11 OKTOBER 2000


Wetsvoorstel tot instelling van jeugdadvocaten voor minderjarigen


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 2

In het eerste lid van dit artikel de woorden « In elk geding dat » vervangen door de woorden « In elke gerechtelijke of administratieve procedure die. »

Verantwoording

In een aantal situaties, inzonderheid in de wet op de jeugdbescherming en de regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, gaat het niet om een « geding » in de strikte zin van het woord. Dat is bijvoorbeeld zo bij een verschijning voor de comités voor bijzondere jeugdbijstand of de bemiddelingscommissie. Ook in dergelijke gevallen is de bijstand van een jeugdadvocaat wenselijk.

Volledigheidshalve willen wij de commentaar bij artikel 2 corrigeren, waar gesteld wordt dat de ambtshalve aanwijzing door de rechter gebeurt. Dat kan uiteraard ook door het openbaar ministerie (cf. artikel 54bis van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming).

Nr. 2 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 2

In dit artikel wordt na het eerste lid een nieuw lid toegevoegd, luidende :

« Is de minderjarige het slachtoffer van feiten bedoeld in de artikelen 368 tot 382bis en de artikelen 392 tot 422bis van het Strafwetboek, kan de jeugdadvocaat zich tevens voor de minderjarige burgerlijke partij stellen. »

Verantwoording

Vermits de minderjarige in de huidige stand van wetgeving niet zelf een procedure kan instellen, kan de jeugdadvocaat in principe slechts optreden in de mate dat een procedure opgestart wordt door andere personen dan de minderjarige.

In een aantal zaken is dat een te grote beperking voor het optreden van jeugdadvocaten. Inzonderheid in stafzaken zoals aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, mishandeling, ..., feiten die zich vaak binnen het gezin voordoen, dient een uitweg gezocht te worden. Onze suggestie is dan ook dat de jeugdadvocaat zich burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter kan stellen. De bedoelde artikelen uit het Strafwetboek betreffen :

­ ontvoering van minderjarigen;

­ aanranding van de eerbaarheid en verkrachting;

­ bederf van de jeugd en prostitutie;

­ opzettelijk doden en opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel;

­ onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel;

In deze optiek komt artikel 19bis van het Wetboek van strafvordering, dat voorziet dat minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik zich kunnen laten begeleiden door een meerderjarige bij het verhoor, best te vervallen.

Nr. 3 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 3

Het 1º van dit artikel aanvullen met de woorden « evenals de regelgeving inzake jeugdbescherming en bijzondere jeugdzorg ».

Verantwoording

Wij zijn voorstander van een ruime interpretatie van het begrip « rechten van het kind ». Daaronder vallen naar onze mening domeinen als het onderwijs, milieu, ... en uiteraard dus ook de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming en de decreten inzake bijzondere jeugdzorg.

Vermits evenwel niet iedereen die ruime interpretatie deelt, worden laatstgenoemde uitdrukkelijk in het wetsvoorstel opgesomd.

Nr. 4 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 4

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 4. ­ De vergoedingen en kosten verbonden aan de bijstand door en de opleiding van een jeugdadvocaat vallen ten laste van het Rijk. »

Verantwoording

Het gaat hier om een veelvoud aan technische verbeteringen. Vooreerst wordt overeenstemming met de bepalingen van de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand nagestreefd, waarin de kosten ten laste van het « Rijk » gelegd worden. De belangrijkste wijziging betreft evenwel de duidelijkheid dat ook de kosten voor de opleiding tot jeugdadvocaat ten koste van de overheid vallen.

Nr. 5 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 4bis (nieuw)

Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4bis. ­ In artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º In het 1º worden de woorden « minderjarigen of » geschrapt;

2º In het 2º worden de woorden « een minderjarige of » geschrapt;

3º In het 11º wordt toegevoegd : « behoudens de gevallen waarin de minderjarige bijgestaan wordt door een jeugdadvocaat. »

Verantwoording

De wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek heeft de tussenkomsten van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken beperkt tot de meest noodzakelijke. Daartoe behoort de belangenverdediging van minderjarigen, telkens zij in het geding betrokken zijn. Ingevolge dit wetsvoorstel kan die belangenverdediging vervallen, vermits de jeugdadvocaat die rol te vervullen heeft.

Het wegvallen van artikel 91bis van het Wetboek van strafvordering vloeit uit een zelfde overweging voort, evenals uit de toelichting bij amendement nr. 2.

Nr. 6 VAN DE DAMES LINDEKENS EN KAÇAR

Art. 4ter (nieuw)

Een artikel 4ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4ter. ­ Artikel 91bis van het Wetboek van strafvordering wordt opgeheven. »

Verantwoording

Zie amendement nr. 5.

Kathy LINDEKENS.
Meryem KAÇAR.

Nr. 7 VAN MEVROUW NYSSENS

Opschrift

Het opschrift van het wetsvoorstel vervangen als volgt :

« Wetsvoorstel strekkende om minderjarigen de bijstand van een advocaat te waarborgen. »

Nr. 8 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Artikel 931, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Wanneer de minderjarige gehoord wordt, heeft hij recht op bijstand van een advocaat of van een door hem gekozen meerderjarige. »

Verantwoording

Artikel 931 van ons Gerechtelijk Wetboek bekrachtigt het recht van het kind om gehoord te worden. Het zesde lid van dit artikel bepaalt evenwel dat de minderjarige alleen gehoord wordt, behalve wanneer de rechter in het belang van de minderjarige beslist dat hij moet worden bijgestaan. Die bepaling heeft een algemene strekking.

Het voorgestelde amendement bepaalt dat minderjarigen die gehoord worden, steeds kunnen worden bijgestaan door hun raadsman in om het even welk geding. Kinderen klagen vaak over een enorm gevoel van verlatenheid wanneer zij zonder bijstand gehoord worden en moeten verschijnen voor een volwassen rechter, die zich voor hen bovendien in een machtspositie bevindt. Geregeld leidt die toestand ertoe dat het kind er niet in slaagt of niet durft te zeggen wat het wil zeggen. Door zijn aanwezigheid zou de advocaat niet alleen het kind kunnen geruststellen maar ook een soort geheugenfunctie kunnen vervullen indien een kind dat al te zeer onder de indruk is, de rechter bepaalde zaken vergeet te zeggen die voor dat kind nochtans belangrijk zijn.

De invoeging in artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het mogelijk te preciseren dat telkens wanneer het kind een door de wet erkend recht heeft om gehoord te worden, dat kind daarenboven automatisch recht heeft op bijstand door een advocaat.

Artikel 3 van het wetsvoorstel ligt enigszins moeilijk in het licht van de rechten van de verdediging, aangezien het artikel het kind beperkt in zijn keuze van een advocaat. Het is daarenboven niet wenselijk dat de wet categorieën van advocaten creëert en een onderscheid maakt tussen advocaten. Specialisatie is een taak van de balie en behoort tot de deontologie van de balie. De advocaat heeft ook de deontologische plicht een zaak waarin hij zichzelf onbevoegd acht, te weigeren. Niet-gespecialiseerde advocaten bereiken bovendien soms verrassende resultaten in bepaalde gezinszaken. Specialisatie is bovendien vaker het resultaat van ervaring dan van een theoretische opleiding.

Het amendement bepaalt daarenboven dat de minderjarige zich kan laten bijstaan door een zelfgekozen meerderjarige, die al dan niet advocaat is en dit sluit aan bij het decreet van 4 maart 1991 dat het kind in staat stelt zich te laten begeleiden door een meerderjarige die hij zelf kiest.

Wat artikel 4 van het voorstel betreft, moet worden opgemerkt dat voor veel advocaten de verdediging van minderjarigen financieel niet haalbaar is. Vele advocaten zien zich verplicht om, met tegenzin, en om financiële redenen af te zien van dergelijke zaken die nochtans hun voorkeur wegdragen. De verdediging van minderjarigen vraagt immers heel wat werk [talrijke zittingen (kantoor, jeugdrechtbank, dienst voor jeugdzorg, dienst voor jeugdbescherming, correctionele rechtbank)], veel ontmoetingen met de minderjarigen (verplaatsingen wanneer zij geplaatst zijn in een instelling of in de gevangenis verblijven), ontmoetingen met de ouders, geregelde raadpleging van de dossiers, contacten met de instellingen ... De vergoeding van de advocaten die kinderen verdedigen moet dus verschillen van de vergoeding die algemeen geldt voor rechtsbijstand en die vergoeding moet bij voorkeur door de wet worden bepaald.

Inzake jeugdbescherming bepaalt artikel 54bis, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 dat wanneer een persoon beneden de achttien jaar partij is in het geding en geen advocaat heeft, er hem ambtshalve een wordt toegewezen. In dit verband moet de toelichting van de indiener van het voorstel genuanceerd worden. De advocaten die ambtshalve worden aangewezen voor de jeugdbescherming, hebben gewoonlijk vrijwillig voor die jeugdbescherming gekozen te meer daar de advocaten sedert de inwerkingtreding van de wet betreffende de juridische bijstand verplicht zijn vooraf hun voorkeurmateries op te geven. Het enige verschil tussen de advocaat die door de minderjarige gekozen wordt en de ambtshalve toegewezen advocaat is dat de ambtshalve toegewezen advocaat de minderjarige moet bijstaan, zelfs indien die minderjarige zich daartegen verzet (of ook wanneer de ouders, voogden of personen die het hoederecht hebben zich daartegen verzetten). Die advocaat ontleent zijn mandaat immers aan de wet en niet aan de minderjarige of aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefent. Wanneer de advocaat gekozen is door de minderjarige, kan de minderjarige net als een meerderjarige te allen tijde een einde maken aan de professionele band die hij met de advocaat heeft en dit zonder zich te moeten verantwoorden. In beide gevallen is de taak van de advocaat van het kind echter identiek : het gaat om een klassiek mandaat van verdediger. Zoals uit de rechtsleer (onder meer bij F. Tulkens en T. Moreau) blijkt, is het niet de taak van de advocaat te zoeken naar het belang van de minderjarige maar wel hem op juridisch gebied bij te staan en de mening van de minderjarige te vertolken. Het zoeken naar het hoger belang van het kind is een taak die de wet heeft opgedragen aan de rechter en aan de procureur des Konings, evenals aan de andere partijen die zij daartoe opdracht geven. De advocaat van het kind moet het kind helpen om te zeggen wie hij is, wat hij wil worden, hoe hij de toestand beleeft, wat hij verwacht, hoe hij het gerechtelijk optreden ervaart en moet hem helpen concrete plannen voor te stellen die hij wil verwezenlijken. Door zijn rol aldus in te vullen, verhindert de advocaat dat er over het belang van het kind een eventuele consensus ontstaat die geen rekening houdt met de mening van het kind, hoewel dat kind er als eerste de gevolgen van draagt.

Opgemerkt zij dat enkel de wettelijke vertegenwoordigers de burgerrechtelijke vergoeding voor de strafrechter of voor de burgerlijke rechter kunnen vorderen. Indien die vertegenwoordigers uiteenlopende belangen hebben, is het de taak van de meest gerede ouder, of in voorkomend geval van de procureur des Konings, om de aanwijzing van een voogd ad hoc te vragen. Die voogd ad hoc treedt in dit geval niet op als een advocaat van het kind maar hij vertegenwoordigt het kind zoals zijn wettelijke vertegenwoordigers dat zouden hebben gedaan. De loutere aanwijzing van een advocaat is dus geen oplossing voor het probleem van de wettelijke vertegenwoordiging in geval van een belangenconflict tussen de ouders.

Nr. 9 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Zie amendement nr. 8.

Nr. 10 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 4

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Zie amendement nr. 8.

Nr. 11 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Zie amendement nr. 8.

Clotilde NYSSENS.