2-473/1 | 2-473/1 |
15 JUNI 2000
Met dit wetsvoorstel wil de indiener in de eerste plaats de aanzet geven om het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken aan te passen aan de moderne samenleving. Dit archaïsch decreet is ontstaan in het begin van de negentiende eeuw en is dringend aan modernisering toe.
Tevens laat het voorstel toe om de werking van de kerkfabrieken te objectiveren. In het keizerlijk decreet is omschreven hoe de kerkfabrieken moeten worden bestuurd en hoe moet worden omgesprongen met de goederen van de kerkfabrieken. Het decreet geeft de kerkbesturen het recht op inkomsten uit teruggeschonken goederen en renten, uit de opbrengsten van domeinen en pachten. Tegelijkertijd worden de gemeenten verplicht om de rekeningen van de kerkfabrieken sluitend te maken en waar nodig geld bij te leggen.
Nogal wat kerkfabrieken beschikken over een aanzienlijk aantal onroerende goederen. Niet alleen kerken, maar ook gewone huizen. Deze woningen kunnen krachtens het decreet alleen worden verpacht door de kerkraad. Deze kerkraad bestaat uit minstens vijf niet nader omschreven vooraanstaande katholieken, en van rechtswege eveneens uit de plaatselijke pastoor en de burgemeester. Indien de burgemeester niet katholiek is, moet die zich laten vervangen door een katholieke schepen of een katholiek raadslid.
De oorspronkelijke bedoeling van het decreet bestond erin minderbegoeden in deze woningen hun intrek te laten nemen aan zeer lage huurprijzen. Wegens de lage huurprijzen worden de kosten voor renovatie dikwijls gedragen door de stad.
Spijtig genoeg werd en wordt vaak een loopje genomen met de christelijke bedoelingen die aan de grondslag liggen van het decreet. Zo verhuurt de kerkfabriek aan iedereen. Nogal wat vroegere katholieke burgemeesters huurden bijvoorbeeld een woning van de kerkfabriek. Men komt dus in de situatie dat de voorwaarden van verhuring van een woning mee worden bepaald door de huurder. Vermits deze huurder ook invloed heeft op het ter beschikking stellen van gelden aan de kerkfabriek spreekt het voor zich dat er zich hier een gevaarlijke belangenvermenging voordoet.
Met dit voorstel wil de indiener komaf maken met de belangenvermenging tussen een lid van de kerkraad en gemeenteraadslid en vooral de mogelijke corruptie die daaruit kan ontstaan. Het opnemen in de kerkraad van een katholiek oppositielid kan een aanzet zijn om een efficiëntere en objectievere controle uit te oefenen op de gang van zaken.
| Frank CREYELMAN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 4, 2º, eerste lid, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken wordt de laatste zin aangevuld met de woorden « van een politieke partij die geen deel uitmaakt van de bestuurlijke meerderheid ».
| Frank CREYELMAN. |