2-223/1 | 2-223/1 |
9 DECEMBER 1999
In de wet van 12 juni 1991 is weinig aandacht besteed aan de financiële gevolgen van de niet-uitvoering van een kredietovereenkomst. In de praktijk ontstaan er tal van problemen waarover zowel de jurisprudentie als de rechtsleer zich hebben gebogen (Biquet-Mathieu Ch., de Leval G., Block G., Pire D., Crédit à la consommation. L'application de la loi du 12 juin 1991, Chronique de droit à l'usage des juges de paix et de police, cahier nº 9, octobre 1994, Faculté de droit de Liège; Balate E., Dejemeppe P., de Patoul F., Le droit du crédit à la consommation, De Boeck Université, 1995; Biquet-Mathieu Ch., La loi du 12 juin 1991 et les clauses abusives en matière de crédit à la consommation, in La promotion des intérêts du consommateur au sein d'une économie de marchés, Story-Scientia, 1993, blz. 511; Demuynck I., Conventionele (schade)vergoedingsregeling en de wet op het consumentenkrediet, J.J.P. , 1994, nrs. 1-2; De Meuter S., Vlasselaer M., Wet op het consumentenkrediet : de onrechtmatige bedingen, D.C.C.R. , 1991-1992, blz. 775).
Dit voorstel trekt lering uit de toepassing van de wet en wil daarom tot een billijkere verhouding komen tussen de partijen waarvan de ene, de kredietnemer, het moeilijk heeft zijn schulden te betalen, en de andere, de kredietgever, bedragen opeist die niet te verantwoorden blijken uit een wettelijk noch uit een economisch oogpunt.
Heel wat burgers krijgen met dat probleem af te rekenen. Het bestand van de Verbruikskredietcentrale van de Nationale Bank, die schuldenaars met betalingsmoeilijkheden registreert, telt thans meer dan 300 000 overeenkomsten waarvan het merendeel is opgezegd.
Deze tekst neemt het onderwerp van voorstel 1-540 over dat is ingediend en besproken tijdens de vorige zittingsperiode. Over dat voorstel is een advies gegeven door de Raad voor het verbruik en door de Raad van State. In de hier voorgestelde tekst wordt rekening gehouden met de opmerkingen en overwegingen die geformuleerd zijn in de Senaatscommissie en in de voor de behandeling van bovenvermeld wetsvoorstel samengestelde werkgroep, alsmede met de inhoud van gesprekken met de vertegenwoordigers van de consumenten.
Wanneer de kredietnemer op de vervaldag verzuimt te betalen, kan de kredietgever de overeenkomst opzeggen, dat wil zeggen beëindigen, onder de voorwaarden die de wet vaststelt.
In de regel vordert hij :
het bedrag van de niet-betaalde maandelijkse afbetalingen;
het bedrag van de maandelijkse afbetalingen die verschuldigd blijven tot aan het einde van de overeenkomst;
een strafbeding van 15 à 20 % van het totaal van de verschuldigde bedragen;
de invorderingskosten;
de nalatigheidsintresten op het totaal van de verschuldigde bedragen.
In vele gevallen gaat die opzegging gepaard met een uitvoering van de loonafstand.
1. Vervallen en onbetaalde maandelijkse afbetalingen
Het kapitaal waarop die afbetalingen betrekking hebben, blijft verschuldigd, daarover bestaat geen betwisting. De daaraan verbonden intresten vormen een tegenprestatie voor het genot van het kapitaal tijdens de periode waarop de maandelijkse afbetalingen slaan.
2. Te vervallen maandelijkse afbetalingen
Zoals voor de vervallen maandelijkse afbetalingen blijft het gedeelte van het kapitaal dat in de te vervallen maandelijkse afbetalingen zit, verschuldigd. Daarover kan geen discussie bestaan. Het werd geleend en dus moet het worden terugbetaald.
De intresten die van deze te vervallen afbetalingen deel uitmaken, zijn niet meer verschuldigd als tegenprestatie voor het krediet omdat het krediet werd opgezegd en de kredietnemers voortaan niet meer over dat kapitaal kunnen beschikken.
3. Strafbeding of vaste vergoeding
In de meeste gevallen vindt die vergoeding haar verantwoording in de bedoeling van de kredietinstelling om haar buitengerechtelijke uitgaven terug te krijgen die ze doet voor een buitengerechtelijke invordering. Die vergoeding moet bedongen zijn in de kredietovereenkomst. In de regel bedraagt ze 15 à 25 % van het totaal van de nog verschuldigde bedragen.
4. Nalatigheidsintresten
Volgens de wet op het consumentenkrediet mag de overeengekomen nalatigheidsintrest niet hoger liggen dan het gemiddelde tussen het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage en de wettelijke intrestvoet (8 %).
Het gebeurt niet zelden dat de nalatigheidsintrest wordt berekend op het totaal van de verschuldigde bedragen die zowel het kapitaal als de intresten bevatten. Nu is het zo dat intresten geen intresten kunnen opbrengen behalve wanneer er een termijn van één jaar is verstreken en wanneer er op dat moment een gerechtelijke aanmaning plaatsheeft (wat kan geschieden door de neerlegging van conclusies bij de griffie, op voorwaarde dat die conclusies de aandacht van de schuldenaar vestigen op de kapitalisatie van de intrest) of ten gevolge van een bijzondere overeenkomst om de sedert één jaar vervallen intresten te kapitaliseren (anatocisme of kapitalisering van intresten, die strikt wordt geregeld in artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek).
In theorie dus mogen de nalatigheidsintresten niet worden berekend op de intresten begrepen in de vervallen en niet-betaalde maandelijkse stortingen.
5. Kosten van aangetekende brieven en diverse invorderingskosten
Indien er een vaste vergoeding verschuldigd blijft ter dekking van de buitengerechtelijke kosten kan men het bestaan van die post betwisten omdat hij overbodig is. Daar komt nog bij dat artikel 39 van de wet op het consumentenkrediet erop wijst dat invorderingskantoren en kredietverzekeraars in geen enkele vorm rechtstreeks noch onrechtstreeks aan de consument een bezoldiging of vergoeding mogen vragen voor hun tussenkomst. Krachtens artikel 39 geldt hetzelfde voor de deurwaarders wanneer die een aanmaning doen bij gewone brief (wat niet hetzelfde is als deurwaardersexploten en andere gerechtskosten).
Artikel 2
De definities bedoeld in 18º, 19º en 20º worden ingevoegd ingevolge de wijzigingen in het nieuwe artikel 27bis, ingevoegd door amendement nr. 1. Zij hebben tot doel de grondslag te bepalen voor de berekening van de nalatigheidsintresten en boetes. Het woord « hoofdsom », bedoeld in 18º en 19º, moet begrepen worden als zijnde het verschuldigd bedrag in kapitaal. Met het oog op de gelijkvormigheid met de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet zijn de voorgestelde begrippen, behalve de definitie van de nalatigheidsintrestvoet, geïnspireerd op deze wet. Noch artikel 14, § 3, 11º, van de wet, noch artikel 28 vermelden de aard van de nalatigheidsintrestvoet : periodiek of jaarlijks, actuarieel of nominaal. Met het oog op de eenvormigheid en de transparantie is het wenselijk deze rentevoet te definiëren en vergelijkbaar te maken met het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage en de debetrentevoet.
Artikel 3
Teneinde op elk ogenblik het verschuldigd saldo aan kapitaal te kunnen bepalen, is het nodig in een aflossingstabel te voorzien. Een dergelijke tabel wordt verplicht gesteld door het nieuwe artikel 27bis, § 2, tweede lid, ingevoegd door artikel 4.
De aflossingstabel is noodzakelijk voor de doorzichtigheid van de afrekening, vooral wanneer de overeenkomst niet wordt uitgevoerd. Telkens wanneer rechters een uitspraak moeten doen over een vordering tot het betalen van nalatigheidsintresten en andere straffen, betreuren zij dat een dergelijke tabel ontbreekt.
Het gaat ook om belangrijke informatie voor de consument.
Voor kredietopeningen is het weliswaar zo dat de periodieke betalingen waarin eventueel voorzien is, slechts minimumbedragen zijn. De consument kan op elk ogenblik krediet opnemen en een bedrag terugbetalen dat groter is dan wat bepaald was. In dat geval is het opleggen van een aflossingstabel die uitgaat van een volledige en onmiddellijke kredietopname en een minimumterugbetaling een louter abstracte en theoretische zaak die niet beantwoordt aan de werkelijkheid.
Het nut van een aflossingstabel bij een kredietopening is in dit geval beperkt. De tekst stelt de kredietgever dus vrij van de verplichting om een aflossingstabel te voegen bij het kredietaanbod, wanneer het gaat om een kredietopening.
Artikel 4
Dit artikel beoogt in de wet van 1991 een nieuwe onderafdeling in te voegen met het opschrift « Gevolgen van de niet-uitvoering van de kredietovereenkomst door de consument ». Het is immers een belangrijke materie die terecht onder een aparte titel samengebracht kan worden. Deze nieuwe onderafdeling bevat aldus een nieuw artikel 27bis.
Treffend in de afrekeningen van de kredietgevers is de onoverzichtelijke opeenstapeling van strafbedingen en vergoedingen allerhande : nalatigheidsintresten, vaste vergoedingen, intresten begrepen in te vervallen maandelijkse afbetalingen, invorderingskosten, ... (voor concrete voorbeelden verwijzen wij naar Collard B., Dejemeppe P., « Guide méthodologique du traitement des dossiers de surendettement » , Coöperatieve Verbruikersbeweging, ministerie van Maatschappelijke Integratie, Brussel, 1995).
Zo ondergaat de schuld een haastig en vergaand sneeuwbaleffect.
Het gebeurt steeds vaker dat de rechters grote schoonmaak houden in de rekeningen en er alles uit weglaten wat uit een economisch en wettelijk oogpunt niet aanvaardbaar is.
Het probleem is echter zo ingewikkeld en het gebrek aan duidelijke wetsbepalingen zo schrijnend dat de magistraten op de meest uiteenlopende manieren tewerkgaan.
Het nieuwe artikel wil hun een instrument aanreiken, gekenmerkt door eenvormigheid, eenvoud en samenhang. Het moet de consument de rechtszekerheid bieden die hij nu niet heeft.
Het nieuwe artikel 27bis behandelt alle gevolgen van de niet-uitvoering van de kredietovereenkomsten, of het gaat om de ontbinding van de overeenkomst, het verval van de termijnbepaling of een eenvoudige betalingsachterstand. Er wordt geen onderscheid gemaakt wanneer het gaat om een kredietoperatie met vaste termijnen dan wel om een kredietopening.
§ 1. Bij de ontbinding van de overeenkomst kunnen contractueel slechts vier betalingsposten aangerekend worden :
1º het verschuldigde saldo, dat wil zeggen het in hoofdsom te betalen bedrag, met aftrek van de kosten en de intresten. Om het bedrag in hoofdsom te onderscheiden van de intresten en de kosten is een aflossingstabel noodzakelijk, zoals bij de hypothecaire kredieten;
2º het totale bedrag van de kosten verbonden aan het vervallen en niet-betaalde krediet;
3º het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest;
4º de overeengekomen straffen of schadevergoedingen, volgens strikte regels.
§ 2. Bij eenvoudige betalingsachterstand die noch de ontbinding van de overeenkomst, noch het verval van de termijnbepaling tot gevolg heeft, mogen nalatigheidsintresten worden geëist.
De Belgische Vereniging van banken heeft aangetoond dat die nalatigheidsintresten in sommige gevallen onvoldoende zijn om de maankosten te dekken.
Het lijkt derhalve verstandig de kredietgevers toe te staan ook de maankosten in rekening te brengen.
Die maankosten kunnen vanzelfsprekend niet geëist worden bij de ontbinding of bij het verval van de termijnbepaling van de kredietovereenkomst omdat in dat geval de kredietgever recht heeft op een vaste vergoeding.
Die vaste vergoeding dekt immers de kosten wegens niet-uitvoering, veroorzaakt door de maanbrieven.
§ 3. De regeling van de nalatigheidsintresten ondergaat wijzigingen. Een aantal personen kon er vroeger van uitgaan dat de nalatigheidsintrest van huidig artikel 28 een « beloning » was voor degenen die hun krediet niet terugbetaalden. Met die zienswijze zijn wij het niet eens omdat men de toestand van een kredietnemer die zijn schulden wel terugbetaalt, niet kan vergelijken met die van een kredietnemer die in gebreke blijft. Toch zijn wij de mening toegedaan dat de voorgestelde wijzigingen niet meer konden verantwoorden dat de nalatigheidsintrest lager is dan het overeengekomen reële jaarlijkse kostenpercentage. Deze nieuwe bepaling past in het nagestreefde evenwicht.
De overeengekomen nalatigheidsintrest moet wel degelijk hoger kunnen liggen dan het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage of de toegepaste debetrente om de kredietgever te vergoeden voor het verlies dat hij lijdt door het niet-beschikbaar zijn van de kapitalen. De nalatigheidsintrest mag niet meer dan 10 % hoger liggen dan de laatst toegepaste debetrente of het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage.
Het is evenwel uitgesloten dat de nalatigheidsintrest toegepast wordt op bedragen die zelf uit intresten bestaan. Er dient op gewezen te worden dat het anatocisme slechts toegestaan is indien de intresten gekapitaliseerd kunnen worden overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek. In de praktijk mag de nalatigheidsintrest slechts toegepast worden op het verschuldigde saldo, dat wil zeggen het in hoofdsom te storten bedrag om het geleende of opgenomen kapitaal af te lossen of terug te betalen.
Het begrip « verschuldigd blijvend saldo » is nu gedefinieerd door de nieuwe bepaling in artikel 1, 19º.
De nalatigheidsintrest kan slechts worden toegepast op intresten die gekapitaliseerd kunnen worden overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek. Het anatocisme blijft in principe dus verboden.
Het tweede lid heeft tot doel ervoor te zorgen dat de kredietgever die een overeenkomst gesloten heeft die voorziet in een nultarief, niet benadeeld wordt.
§ 4. De consument moet in staat gesteld worden de betalingen die van hem gevraagd worden, te kennen, begrijpen en controleren.
De kredietgever moet dus gratis een bewijsstuk overhandigen met vermelding van elke uitgavenpost. De Koning kan bepalen welke vermeldingen dit stuk moet bevatten en kan een model van afrekening opleggen.
§ 5. De aanrekening van de betalingen wordt bij artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek op aanvullende wijze geregeld : de schuldenaar kan zonder de instemming van de schuldeiser de betalingen niet op het kapitaal in plaats van op de intresten aanrekenen.
De kredietgevers bepalen aldus systematisch in hun overeenkomsten dat de betalingen eerst op de intresten worden aangerekend.
Indien deze manier van handelen niet te betwisten valt bij een normale uitvoering van de overeenkomst de partijen blijven hun volledige vrijheid behouden om een aflossingsplan op te stellen gaat het er anders aan toe wanneer de overeenkomst ontbonden wordt krachtens artikel 29 van de wet. In dat geval moet men zonder meer bepalen dat de betalingen eerst zullen worden aangerekend op het verschuldigd saldo en daarna pas op de intresten.
Zo niet, dan vermindert het verschuldigd saldo niet, ondanks regelmatige betalingen van de schuldenaar, en door de nalatigheidsintresten blijft de totale schuld toenemen.
De terugbetalingen in eerste instantie aanrekenen op nalatigheidsintresten en op straffen moet ten strengste verboden worden.
Artikel 5
Deze bepaling vervangt artikel 28 dat zich in onderafdeling 5 « Onrechtmatige bedingen » bevindt.
Bedingen die straffen of schadevergoedingen bevatten waarover de wet niet spreekt, zijn verboden en worden voor niet geschreven gehouden.
Artikel 6
De wijziging van artikel 29 komt voort uit de nieuwe definities van kapitaal en verschuldigd blijvend saldo, alsook uit de beperking van de bedragen die de kredietgever kan vragen in geval van verval van de termijnbepaling, verbreking of ontbinding van de overeenkomst.
Gelet op het nieuwe artikel 27bis is het immers niet meer mogelijk de onmiddellijke betaling te eisen van de te vervallen stortingen.
Artikel 7
Deze bepaling past artikel 90 aan dat zich in de afdeling « Burgerlijke straffen » bevindt.
De tekst die wordt voorgesteld ter vervanging van het eerste lid, voorziet in een onmiddellijke burgerlijke sanctie in alle gevallen waarin straffen of schadevergoedingen geëist worden die niet in overeenstemming zijn met wat de wet bepaalt. Die bepaling mag niet verward worden met artikel 28 dat enkel van toepassing is op contractuele bedingen. Niet zelden kunnen eisen tot schadevergoeding worden geformuleerd die niet steunen op dergelijke bedingen. De invoering van een echte burgerlijke sanctie moet hier ontradend werken.
Dit artikel is dus de logische aanvulling van artikel 28.
Het kan immers niet dat de kredietgever zich verschuilt achter zogenaamde « berekeningsfouten » die de consument zeer moeilijk kan achterhalen en betwisten, om straffen op te leggen.
Deze sanctie is van toepassing op alle geëiste straffen of schadevergoedingen die niet in overeenstemming zijn met de wet.
Artikel 8
Dit artikel regelt de inwerkingtreding en de toepassing in de tijd van de bepalingen van dit voorstel.
De algemene regel is dat een wettekst in werking treedt op de eerste dag van de derde maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De uitgestelde inwerkingtreding is bedoeld om de kredietgevers in staat te stellen nieuwe overeenkomsten aan te passen aan de nieuwe bepalingen.
Nu rijst de vraag of de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op de lopende overeenkomsten. Die vraag is cruciaal daar dit voorstel de gevolgen wil regelen van de niet-uitvoering van kredietovereenkomsten. Dergelijke bepalingen moeten, onder bepaalde voorwaarden, van toepassing zijn op lopende contracten zodra de wet in werking is getreden.
Er worden aldus twee gevallen beoogd : ofwel wordt de overeenkomst opgezegd ofwel is er een gewone betalingsachterstand. Die omstandigheden moeten zich voordoen na de inwerkingtreding van de wet.
In die gevallen zijn de nieuwe bepalingen van toepassing op alle vervallen en onbetaalde schuldvorderingen. Hiermee worden alle bedragen bedoeld die verschuldigd zijn met toepassing van de overeenkomst en nog niet betaald zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding. De bedragen die als straf of schadevergoeding al betaald zijn vóór de inwerkingtreding, vallen niet onder de toepassing van de nieuwe wet maar wel onder de wet van 12 juni 1991.
Artikel 1quater bepaalt dat het kredietaanbod een aflossingsplan moet bevatten. Dat artikel kan uiteraard alleen van toepassing zijn op de overeenkomsten die gesloten worden na de inwerkingtreding van de wet. Er is evenwel bepaald dat voor de lopende overeenkomsten die onuitvoerbaar worden na de inwerkingtreding van de wet, de kredietgever de aflossingstabel gratis moet meedelen zodat zowel de consument als de rechter aan wie de zaak eventueel is voorgelegd, kan controleren of de andere reeds geldende bepalingen van deze wet wel worden toegepast.
| Jacques SANTKIN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 1 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet wordt aangevuld met de volgende bepaling :
« 18º het kapitaal : de schuld in hoofdsom waarop de kredietovereenkomst betrekking heeft;
19º het verschuldigd blijvende saldo : het bedrag in hoofdsom dat moet worden gestort om het kapitaal af te lossen of terug te betalen;
20º de nalatigheidsintrestvoet : de actuariële intrestvoet toegepast op het verschuldigd blijvende saldo en uitgedrukt in een percentage op jaarbasis of op periodieke basis. »
Art. 3
In artikel 14 van dezelfde wet wordt een § 4bis ingevoegd, luidende :
« § 4bis. Behalve voor de kredietopeningen moet het aanbod tevens een aflossingsplan bevatten dat voor elke periodieke betaling het bedrag van het afgeloste kapitaal en van de totale kosten van het krediet vermeldt, alsmede het verschuldigd blijvende saldo na iedere betaling. »
Art. 4
In hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde wet wordt een onderafdeling 4bis ingevoegd met het opschrift « Gevolgen van de niet-uitvoering van de kredietovereenkomst door de consument », bestaande uit een artikel 27bis, luidende :
« Art. 27bis. § 1. Bij de ontbinding van de kredietovereenkomst of bij het verval van de termijnbepaling wegens de niet-uitvoering door de consument van zijn verbintenissen mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
het verschuldigd blijvende saldo;
het totale bedrag van de kosten verbonden aan het vervallen en niet-betaalde krediet;
het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest;
de overeengekomen straffen of schadevergoedingen voor zover ze worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo en beperkt worden tot de volgende maximumbedragen :
· ten hoogste 10 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo tussen 1 en 300 000 frank;
· ten hoogste 5 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo boven 300 000 frank.
§ 2. Bij een eenvoudige betalingsachterstand die geen ontbinding van de overeenkomst met zich brengt, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest;
de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand. Deze kosten bestaan uit een forfaitair maximumbedrag van 300 frank, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten. De Koning kan dit forfaitaire bedrag aanpassen aan de index van de consumtieprijzen.
§ 3. De overeengekomen nalatigheidsintrestvoet mag voor de kredietopeningen niet hoger liggen dan de laatste toegepaste debetrentevoet en voor andere kredietovereenkomsten niet hoger dan het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage, verhoogd met een coëfficiënt van hoogstens 10 %.
Indien de laatste toegepaste debetrentevoet of het overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage 0 % bedraagt, mag de overeengekomen nalatigheidsintrestvoet de wettelijke intrestvoet niet overschrijden.
De nalatigheidsintrestvoet mag alleen toegepast worden op het verschuldigd blijvende saldo en, in voorkomend geval, op het bedrag van de vervallen en niet-betaalde intresten gekapitaliseerd overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Elke betaling gevraagd overeenkomstig de §§ 1 en 2 moet omstandig omschreven en verklaard worden in een document dat gratis aan de consument overhandigd wordt.
De Koning kan bepalen welke vermeldingen het document moet bevatten en kan een afrekeningsmodel opleggen.
§ 5. Bij de ontbinding van de overeenkomst of bij het verval van de termijnbepaling wordt, in afwijking van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, iedere betaling gedaan door de consument, de borg of de steller van een persoonlijke zekerheid, eerst toegerekend op het bedrag van het verschuldigd blijvende saldo. »
Art. 5
Artikel 28 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 28. Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin deze wet niet voorziet. »
Art. 6
De inleidende zin van artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Elk beding dat voorziet in het verval van de termijnbepaling of in een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, is verboden en wordt als niet geschreven beschouwd, tenzij :... »
Art. 7
Artikel 90, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Wanneer van de consument straffen of schadevergoedingen worden gevraagd waarin deze wet niet voorziet, wordt hij van rechtswege daarvan ontslagen. »
Art. 8
Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Met uitzondering van artikel 3 is deze wet ook van toepassing op de vervallen en onbetaalde schuldvorderingen die voortvloeien uit overeenkomsten gesloten vóór de inwerkingtreding ervan, wanneer de volgende omstandigheden zich na die inwerkingtreding voordoen :
hetzij de ontbinding van de overeenkomst of het verval van de termijnbepaling;
hetzij een eenvoudige betalingsachterstand.
In die gevallen moet het in artikel 3 bedoelde aflossingsplan gratis en overwijld aan de consument worden meegedeeld.
| Jacques SANTKIN. Guy MOENS. Louis SIQUET. |