2-163/1 | 2-163/1 |
17 NOVEMBER 1999
Uit mobiliteitsstudies uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse regering blijkt dat de Vlaming evenveel onderweg is in zijn vrije tijd als voor zijn werk. Eén verplaatsing op drie is zelfs specifiek werkgebonden. Het woon-werkverkeer heeft dus een zeer belangrijk aandeel in de dagelijkse verkeersstroom en is zeker tijdens de spitsuren oorzaak van heel wat verkeersellende. Overvolle wegen hebben niet alleen gevolgen voor de veiligheid en het milieu, maar hebben zeker ook een financieel aspect. De overheid wordt immers steeds meer onder druk gezet om meer en beter aangepaste wegeninfrastructuur aan te bieden.
Als tweede vaststelling kan men daar aan vastknopen dat mensen van de leeftijdscategorie 25 tot 45 jaar het meest van werk veranderen. Zij zijn nog volop bezig aan een eigen carrière en zitten nog niet « vastgeroest » in één of ander bedrijf.
Een derde vaststelling is dat er zich in deze leeftijdscategorie de meeste kopers van een eigen woning bevinden. Een eigen woning is voor een groot deel van de bevolking nog altijd een na te streven doel waarin veel geld wordt geïnvesteerd.
Ten vierde stellen we vast dat de arbeidsmarkt de jongste jaren zodanig geëvolueerd is dat werknemers binnen hun bedrijf flexibel dienen te zijn, niet alleen wat betreft arbeidsuren en -dagen, maar ook wat betreft verplaatsingen binnen de verschillende vestigingsplaatsen van het bedrijf.
Wie zich door omstandigheden of « gedwongen », of uit vrije keuze plots genoodzaakt ziet ver weg van zijn woonplaats te gaan werken, zal in het huidige stelsel niet vlug geneigd zijn om een reeds gekochte woning te verkopen en er dichter bij de nieuwe werkplaats een andere aan te kopen. Er zijn immers grote financiële nadelen verbonden aan het aan- en verkopen van woningen. Het gevolg laat zich raden : een dikwijls urenlang gependel tussen woon- en werkplaats wordt zijn of haar lot.
Algemeen wordt aangenomen dat Vlamingen en Walen in vergelijking met andere volkeren minder verhuizen. Daar zijn vele redenen voor te vinden, maar het deelaspect dat ons in het kader van dit wetsvoorstel moet interesseren is het financiële.
Telkens wanneer men een andere woning of grond koopt, moet het beschrijf of registratierecht worden betaald op de volledige koopsom van dat perceel grond of die woning.
In een situatie waarin men een woning verkoopt en een andere aankoopt zouden deze registratierechten moeten beperkt worden tot het verschil in de aankoopprijs. Met andere woorden : het reeds betaalde registratierecht zou in mindering moeten worden gebracht van het opnieuw te betalen registratierecht. Om de kostprijs voor de schatkist te beperken kan men deze maatregel enkel doen gelden wanneer een aankoop rechtstreeks verband houdt met een nieuwe job.
Op dit ogenblik betaalt men 12,5 % of 6 % bij normaal of klein beschrijf op de volledige aankoopsom en men krijgt slechts een vermindering indien men binnen de twee jaar het pand terug verkoopt. Een verbetering van de wetgeving op dit punt zou voor een gemiddeld gezin de kosten voor de aankoop van een nieuwe woning draaglijker maken. Heel wat gezinnen zouden afzien van het dagelijks pendelen en dit zou uiteraard de verkeersdruk op onze wegen doen afnemen.
Alhoewel een aantal basisgegevens werden gehaald uit studies in opdracht van de Vlaamse regering lijkt het mij logisch dat ook het Waalse landsgedeelte alleen al gelet op de grotere woon-werkafstanden gebaat zal zijn bij dit wetsvoorstel.
| Frank CREYELMAN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 om de Grondwet.
Art. 2
In het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten worden een artikel 209bis en een artikel 209ter ingevoegd, luidende :
« Art. 209bis. Van de in artikel 19, 2º, bedoelde akten, waarbij de eigendom van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, kan vrijstelling van de evenredige registratierechten worden toegekend bij de aankoop, als gevolg van een bewijsbare verandering van arbeidsplaats, van een onroerend goed dat geheel tot bewoning aangewend wordt. Deze vrijstelling wordt toegekend met een maximum ten belope van de reeds eerder, bij de aankoop van de vorige voornaamste gezinswoning, betaalde registratierechten.
De in artikel 19, 2º, bedoelde akten moeten uitdrukkelijk vermelden dat de verkoper van het onroerend goed of zijn echtgenote, die een beroep wenst te doen op de bepalingen van dit artikel, geen andere onroerende goederen bezitten of dat zij voor het geheel of in onverdeeldheid niet één of meer onroerende goederen bezitten. In geval van niet nakoming van deze voorwaarde, uiterlijk tegen wanneer de akte ter formaliteit wordt aangeboden, wordt de akte tegen het gewoon evenredig recht geformuleerd.
Art. 209ter. In geval van onjuiste aangifte betreffende de gehele aanwending tot bewoning of de bestemming van het onroerend goed worden de bijgevolge rechten opeisbaar en verbeurt de verkrijger een boete gelijk aan de rechten. »
| Frank CREYELMAN. |