2-151/1

2-151/1

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

16 NOVEMBER 1999


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies

(Ingediend door mevrouw Clotilde Nyssens c.s.)


TOELICHTING


In mei 1997 bracht het Raadgevend Comité voor bio-ethiek, na een vraag om advies van de voorzitters van Kamer en Senaat over verschillende vraagstukken betreffende het levenseinde, een eerste advies uit over de « wenselijkheid van een wettelijke regeling van euthanasie ».

Het advies wilde alleen maar een antwoord geven op de precieze vraag of het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen inzake euthanasie uitgevoerd door een arts op een wilsbekwame patiënt die zich medisch gezien in een uitzichtloze situatie bevindt. Het probleem van de wilsonbewame patiënt en dat van het « levenstestament » zou het Comité pas in een later stadium behandelen.

Deze laatste twee problemen werden besproken in het advies dat het Comité in februari 1999 heeft uitgebracht betreffende « het levensbeëindigend handelen bij wilsonbekwamen ».

Door tal van getuigenissen tot het besef gekomen dat gebruik wordt gemaakt van euthanasiërende procédés zonder dat de patiënt, zijn familie en de hele samenleving hiervan op de hoogte zijn, hebben de indieners van het voorstel zich over hetzelfde thema gebogen.

De laatste twee jaren heeft de Commissie voor bio-ethiek van het Cepess ervoor gekozen om de problematiek te behandelen in een college van deskundigen die vanuit verschillende achtergronden een diepgaande en multidisciplinaire reflectie aan het thema gewijd hebben : het college bestond uit artsen en verpleegkundigen, hoogleraren, juristen, leden van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek, psychologen maar ook burgers die uit verschillende kringen afkomstig waren.

Naar aanleiding van een aantal discussiefora die over de problematiek georganiseerd werden, hebben we, zonder enig ideologisch onderscheid te maken, eveneens verschillende mensen uit de praktijk aangesproken.

De indieners van dit voorstel voelen zich in het bijzonder aangesproken door de verklaringen van mevrouw M. Baum (hoogleraar toegepaste wijsbegeerte aan de faculteit geneeskunde van de UCL) en van de artsen dr. D. Bouckenaere (afdeling continue en palliatieve zorg, Europa Sint-Michielskliniek, thuisverplegingsteam Aremis), dr. C. Markstein (mobiel team voor continue en palliatieve zorg, Universitair Verplegingscentrum Brugmann) en professor N. Clumeck (afdeling interne geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter).

Mevrouw M. Baum waarschuwt ons meteen om euthanasie niet af te doen als iets heel gewoons. Het recht dat de patiënt opeist om te mogen sterven, blijkt voor de artsen al te vlug een rechtvaardiging te zijn voor een willekeurig recht tot doden. Het aan elkaar koppelen van deze begrippen blijft echter voor een moreel dilemma zorgen dat, als het in die bewoordingen gesteld wordt, niet zo snel een oplossing zal krijgen. Daardoor wordt euthanasie immers voorgesteld als iets heel gewoons terwijl euthanasie te maken heeft met het recht op leven van de meest kwetsbare en minst autonome leden van onze samenleving. Dat dilemma staat dus centraal in de reflectie over euthanasie. Toch blijkt dat we tegenover een kunstmatig dilemma staan, dat slecht weergeeft wat de medisch ondersteunde dood inhoudt. Het maakt duidelijk dat er een conflict bestaat tussen de medische deontologie en het recht, die niet meer over een gemeenschappelijk referentiekader beschikken.

Wij hebben de adviezen van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek grondig bestudeerd en hebben ook bijzondere aandacht geschonken aan de fundamentele belangen die in het debat op het spel staan en aan de praktische gevolgen hiervan, met name de invloed die van de ervaring kan uitgaan wanneer men rationele beslissingen moet nemen.

I. BEGINSELEN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET VOORSTEL

Tijdens hun bezinning over het euthanasievraagstuk hebben de indieners van het voorstel de traditionele tegenstelling tussen christenen en vrijzinnigen willen overbruggen : ze zijn uitgegaan van de humanistische beginselen dat men, zonder dogmatisme, bedachtzaam moet handelen en verantwoordelijkheidszin aan de dag moet leggen ten aanzien van de toekomstige generaties. De indieners van het voorstel hebben als uitgangspunt uitdrukkelijk gekozen voor de mens en zijn levenservaring, en hebben hun denkoefening willen houden in het kader van een open en veelzijdig debat.

1. Eerbied in alle omstandigheden voor de waardigheid van de mens

De euthanasieproblematiek verwijst voortdurend naar het begrip menselijke waardigheid, dat vaak op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd wordt.

Volgens de indieners van het voorstel moet men het volste respect opbrengen, en dit in alle omstandigheden, voor het recht op waardigheid van elke persoon, in welke fysieke en mentale toestand hij zich ook bevindt. Het begrip menselijke waardigheid kan evenwel niet gegrond zijn op een autonomie van de mens die beperkt blijft tot het gebruik van de rede of van de verstandelijke gaven waarover hij beschikt. De grondslagen van dat concept liggen veeleer in een vorm van autonomie die op affectieve wijze verworven wordt en doordrongen is van die dimensie. De waardigheid die daaruit voortvloeit, is dan niet meer de resultante van een redenering of van het meten van de intelligentie van de andere, maar een kwestie van eerbied en van wederzijdse erkenning in de relaties tussen mensen. Indien iemand door zijn gelijken in hoge mate geacht en erkend wordt, zal hij gesterkt worden in zijn gevoel van autonomie en waardigheid. De kwaliteit van het leven is dus het resultaat van wederzijdse erkenning die mensen elkaar schenken (over het begrip waardigheid, zie de uiteenzetting van L. Casiers, « Autonomie et dignité de l'homme », Louvain, juli-augustus 1999, blz. 13 en volgende).

2. Bescherming van de zwaksten, de kwetsbaarsten en de wilsonbekwamen

Wie aan zijn levenseinde staat, komt vaak in een affectief en moreel isolement terecht. Dit gevoel van isolement kan nog veel sterker worden in een systeem dat erop gericht is de uitgaven voor de gezondheidszorg beheersbaar te houden, wat ten koste kan gaan van de minst gegoeden. Daarom beogen de indieners van het voorstel het sociale weefsel rond de meest kwetsbare mensen te versterken om opnieuw een context te creëren waarin hun waardigheid kan opbloeien. In dit verband moet men bijzonder op zijn hoede zijn voor vormen van sociale en economische discriminatie waarvan een aantal minder gegoede patiënten het slachtoffer kunnen worden. Professor Felice Dassetto verwoordt dit terecht als volgt : « Il y a des conditions sociales pour que l'acte de la mort douce soit un choix et une expression de libre volonté et qui débordent le dialogue singulier. Si on les ignore, la loi pourrait devenir la loi de l'euthanasie des plus faibles. » (Felice Dassetto, Carte blanche, Le Soir, 13 en 14 november 1999).

3. Verantwoordelijkheidsbesef

Voor de indieners van dit voorstel moeten de beslissingen die door de wetgever worden genomen, doordrongen zijn van verantwoordelijkheidsbesef : de fundamentele waarden die ten grondslag moeten liggen van elke samenleving wil ze niet aftakelen, moeten in overeenstemming zijn met de organisatie van het praktische leven van deze samenleving waarin beslissingen worden genomen die noodzakelijkerwijs minder fundamenteel zijn. De mens moet dus zo handelen dat de gevolgen van zijn handelen verenigbaar zijn met het voortbestaan van een waarachtig menselijk leven op aarde. Dit verantwoordelijkheidsbesef moet gekoppeld worden aan het voorzorgs- en waakzaamheidsbeginsel, dat ervan uitgaat dat de toekomstige gevolgen van de genomen beslissingen vooraf ingeschat worden. Dat betekent zeer concreet dat er bakens uitgezet worden om de mensen die in de praktijk staan, te helpen bij het nemen van beslissingen.

II. KRACHTLIJNEN VAN HET VOORSTEL

Het gevaar bestaat dat het euthanasiedebat niet correct zal verlopen indien de problematiek niet beschouwd wordt in een veel ruimer verband, namelijk de omstandigheden waarin het levenseinde zich voordoet, de fundamentele vraag op welke wijze elkeen zijn dood uiteindelijk beleeft, de betrekkingen tussen de stervenden en hun omgeving, tussen de patiënten en het medisch en verplegend personeel.

Het debat zal leiden tot het doorbreken van taboes die rusten op de erkenning van de dood als volwaardig deel van onze levenscyclus, op de beleving van de dood in onze hedendaagse beschaving, en moet de mogelijkheid bieden om de echte vragen te stellen over de wijze waarop de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen georganiseerd zijn en functioneren in al hun menselijke, relationele, maatschappelijke en economische aspecten.

Ten slotte moet in dit debat de stervende persoon centraal staan. Het debat mag niet ingepalmd worden door het ideologische verhaal van de « welvarenden ».

1. Het lijden van de patiënt verlichten en hem een passende begeleiding garanderen door middel van

­ de uitbouw van en een rechtvaardige toegang tot de palliatieve zorg

Palliatieve zorg kan omschreven worden als actieve verzorging en behandeling van patiënten in hun laatste levensfase, die niet meer reageren op curatieve therapieën maar die een zeer sterke behoefte hebben aan pijnverzachting, aan psychologische, morele, familiale en maatschappelijke bijstand. Deze verzorging beoogt de patiënt tot in zijn laatste levensmoment een optimale levenskwaliteit te waarborgen.

De palliatieve geneeskunde reikt middelen aan om het fysieke lijden te verlichten. In een groot aantal gevallen is het immers mogelijk de pijn te bestrijden met ingrepen die een sterk technisch karakter hebben.

Door de patiënten, met eerbied voor hun eigenheid, luisterend en aandachtig tegemoet te treden beschikt men eveneens over middelen om een groot deel van hun psychisch lijden te verlichten. Dit lijden heeft immers vaak te maken met de angst voor de nakende dood, die men in een toestand van morele verlatenheid ervaart.

Palliatieve zorg is noodzakelijk om de patiënt in zijn laatste levensfase te begeleiden. In dit soort geneeskunde bekleedt de patiënt een centrale plaats en zijn begeleiding wordt zo georganiseerd dat hij zoveel als mogelijk zijn autonomie en bewustzijn behoudt. Mede doordat een relatie van respect opgebouwd wordt tussen de stervende patiënt, zijn naaste familieleden en het verplegend personeel, verkrijgt de zieke die aan het einde van zijn leven staat, opnieuw de waardigheid waarop hij terecht aanspraak mag maken. De palliatieve zorg heeft tot doel hem in deze fase van het leven een optimale levenskwaliteit te bieden.

Dr. Bouckenaere verklaart hierover : « L'approche palliative doit être intégrée aux soins curatifs précocement dans l'évolution d'une maladie grave et ce, dans une optique de soins continus » (La libre Belgique , 16 en 17 oktober 1999).

Daarom achten de indieners van het voorstel het noodzakelijk dit soort verzorging verder te ontwikkelen en zoveel mogelijk voor iedereen toegankelijk te maken.

Hiervoor moet op de eerste plaats aandacht worden geschonken aan de financiering en de organisatie, zowel thuis als in het ziekenhuis, alsmede aan de specifieke opleiding die van artsen vereist wordt. Het is immers nodig dat een meerderheid van artsen en leden van het verplegend personeel een opleiding krijgen zodat een totaalbenadering van de laatste levensfase mogelijk wordt.

Met het oog hierop hebben de dames Willame en Delcourt en de heer Chantraine tijdens de vorige zittingsperiode een wetsvoorstel ingediend om het wettelijk kader en de financiering van de palliatieve thuiszorg te verbeteren (stuk Senaat, nr. 1-1101/1). Het voorstel beoogde in het bijzonder aan alle patiënten gelijke toegang tot de palliatieve zorg te garanderen, door de invloed van het financiële argument uit te schakelen in de keuze tussen thuiszorg of verzorging in het ziekenhuis. Tegelijkertijd wilde het voorstel ook een gelijke financiering garanderen voor al de hulpverleners die op dit terrein actief zijn. Omdat wij deze doelstellingen eveneens nastreven, zal dit wetsvoorstel binnenkort opnieuw ingediend worden.

­ het adequaat bestrijden van uitzichtloze therapieën

Het onbeperkt voortzetten van een uitzichtloze therapie betekent dat men de patiënt behandelingen laat ondergaan die onnutig en niet noodzakelijk zijn om zijn gezondheidstoestand te verbeteren, of die niet in verhouding staan tot zijn ziekte of tot het te verwachten resultaat. De angst voor onbeperkt doorbehandelen, de vrees dat dit een lijdensweg zal worden en dat de mens in zijn waardigheid aangetast wordt, zetten de patiënt er vaak toe aan euthanasie te vragen of een wilsverklaring af te leggen waarin hij om euthanasie verzoekt.

Om de strijd tegen het voortzetten van uitzichtloze therapieën op passende wijze te voeren, stellen de indieners van het voorstel voor in koninklijk besluit nr. 78 betreffende de geneeskunst de elementaire voorwaarden te vermelden die medisch handelen wettigen en waarin de arts richtsnoeren kan vinden voor zijn dagelijkse praktijk.

Deze voorwaarden houden in dat de arts geen handelingen mag verrichten die onnuttig zijn of niet noodzakelijk om de gezondheidstoestand van de patiënt te verbeteren, maar ook dat hij alleen handelingen mag verrichten die in een redelijke verhouding staan tot het voordeel dat de patiënt eruit haalt.

­ een efficiënte strijd tegen het staken van de therapie

De beslissing van de arts om, hetzij een behandeling niet te starten, hetzij een door de patiënt ondergane behandeling te onderbreken, terwijl de behandeling voor deze patiënt positieve gevolgen zou kunnen hebben wat de kwaliteit en de kwantiteit van diens leven betreft, of nog om deze patiënt geen palliatieve zorg te verlenen, moet absoluut verboden worden.

Deze handelwijze is immers onaanvaardbaar, welke redenen ook ter rechtvaardiging aangehaald worden (gebrek aan middelen op menselijk, materieel of financieel vlak, noodzaak om een keuze te maken tussen de te behandelen personen naar gelang van hun leeftijd of hun gezondheidstoestand,...). Als men een dergelijk optreden tolereert in naam van een distributieve rechtvaardigheid, zou dit kunnen uitmonden in het beginsel van « maatschappelijke aanvaardbaarheid » van een vorm van euthanasie die dan opgevat wordt als een gezondheidsmaatregel.

2. Niet raken aan het wettelijk verbod om te doden, zoals bepaald in het Strafwetboek, behalve in geval van een « noodtoestand »

Het oude gebod « Gij zult niet doden » dient een van de basisbeginselen te blijven van ons strafrecht, dat voornamelijk tot doel heeft de eerbied voor het leven als morele en sociale waarde te waarborgen. Dit principe wordt in internationale teksten vaak aangehaald, meer bepaald door de Raad van Europa in zijn aanbeveling nr. 1418 over de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden : « De Assemblee vraagt het Comité van ministers dan ook om de lidstaten van de Raad van Europa ertoe aan te sporen de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden in alle opzichten te eerbiedigen en te beschermen door :

...

c. het absolute verbod op het opzettelijk beëindigen van het leven van ongeneeslijk zieke en stervende personen te bekrachtigen, aangezien :

i. het recht op leven, met name wat ongeneeslijk zieken en stervenden betreft, wordt gewaarborgd door alle lidstaten overeenkomstig artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat bepaalt : « niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd »;

ii. de door de ongeneeslijk zieke of stervende persoon uitgedrukte wens om te sterven nooit een juridische grond mag zijn voor zijn dood door toedoen van een derde;

iii. de door een ongeneeslijk zieke of stervende persoon uitgedrukte wens om te sterven op zich nooit een wettelijke rechtvaardiging kan zijn voor handelingen die bedoeld zijn om de dood tot gevolg te hebben. » (officieuze vertaling).

Daarom staan de indieners van het voorstel afwijzend tegenover het in de strafwet invoegen van een algemene en abstracte bepaling die het toepassen van euthanasie in bepaalde, welomschreven omstandigheden zou toestaan.

Zij herinneren er wel aan dat men zich volgens het strafrecht in bepaalde, zeer uitzonderlijke omstandigheden kan beroepen op een « noodtoestand » waarbij men tegen de wet mag handelen, namelijk wanneer het naleven van de strafwet fatale gevolgen kan hebben die veel verstrekkender zijn dan het onwettig handelen op zich.

Concreet betekent dit dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn waarin artsen vaststellen dat een ongeneeslijk zieke patiënt, wiens ondraaglijk lijden niet door de geneeskunde kan worden verlicht en wiens dood op korte termijn wordt verwacht, herhaaldelijk om levensbeëindiging vraagt. In die welbepaalde gevallen mag de arts afwegen of het om een noodtoestand gaat. De arts mag in dat geval echter nooit alleen oordelen. Hij kan niet uitmaken of het om een noodtoestand gaat zonder daarbij anderen te raadplegen die een cruciale rol spelen.

De medische wereld bevestigt overigens dat het zelden voorkomt dat iemand om levensbeëindiging vraagt en nog minder dat er herhaaldelijk om wordt verzocht. Wanneer een euthanasieverzoek wordt opgevangen en onderzocht, wanneer de hulpkreet van de patiënt wordt « gehoord » en er wordt ingegaan op zijn angst om de dood alleen te moeten confronteren, blijkt immers dat slechts een zeer beperkt aantal mensen nog volharden in hun verzoek om levensbeëindiging.

De dokters Bouckenaere, Markstein en Clumeck benadrukken sterk dat echte euthanasieverzoeken zeer zeldzaam zijn. In de praktijk onderscheiden zij in de laatste stadia van het leven ­ schematisch en concreet ­ drie mogelijke situaties :

« 1º Certains patients présentent un état préterminal qui se prolonge ou semble difficile. Cette situation engendre chez les proches et/ou les soignants une demande d'accélérer la fin, alors que le patient lui-même n'a rien demandé. La réponse qui est encore trop souvent apportée dans nos hôpitaux est la mise en place d'un cocktail lytique comprenant des doses démesurées de morphine et/ou de neuroleptiques, qui entraînent le décès du patient après quelques jours. Nous estimons que ce type d'attitude est inacceptable. Elle est contraire à l'engagement pris entre le malade et son médecin, et elle viole le consentement éclairé du malade. Il nous paraît indispensable de réaffirmer, dans l'éthique de la relation au patient, le principe de la responsabilité médicale, afin que de telles dérives ne se reproduisent pas.

2º Certains patients expriment à différents moments de leur maladie, une demande d'euthanasie motivée par l'émergence d'une souffrance majeure d'ordre somatique (le plus souvent des douleurs) ou psychique (le plus souvent une phase dépressive). Leur demande n'est plus réitérée lorsque leur souffrance est soulagée dans le cadre d'une bonne pratique de la médecine palliative.

3º Certains patients expriment une demande de manière rationnelle, répétitive et non ambivalente. Ils estiment que leur existence ne répond plus à leurs critères personnels de qualité de vie et de dignité, et expriment clairement la volonté que celle-ci soit abrégée. La réponse à apporter dans ce cas fait l'objet de la controverse actuelle.

Il est important de souligner que la fréquence de ces trois situations cliniques est fort différente. La situation la plus fréquemment rencontrée (bien qu'il n'existe pas de statistiques à cet égard) est sans aucun doute celle où un cocktail lytique est branché à l'insu d'un patient en fin de vie, pour des raisons de perte de dignité ou de souffrance physique ou morale, estimées intolérables par l'entourage du patient. Les demandes d'euthanasie non réitérées dès lors que la souffrance est soulagée, sont quant à elles relativement fréquentes et constituent une réalité quotidienne dans notre pratique de médecine palliative. Par contre les demandes d'euthanasie persistantes, cohérentes et rationnelles sont très rares, bien que non négligeables.

La réponse à apporter dans les deux premières situations relève d'une bonne pratique de la médecine palliative. Celle-ci permet le soulagement des symptômes physiques et psychiques, de même qu'une écoute et un soutien du patient et de ses proches. Elle associe à sa démarche, un repérage éthique basé sur le respect du patient dans son autonomie morale et son intégrité physique, ainsi que le travail en équipe interdisciplinaire.

Faute de formation et de financement, cette approche est malheureusement minoritaire dans la plupart des hôpitaux. Un financement adéquat devrait être attribué aux soins palliatifs, afin de permettre la diffusion et l'approfondissement de cette nouvelle discipline, dans ses différentes structures (soins palliatifs à domicile, unités résidentielles, équipes mobiles intrahospitalières de soins palliatifs).

La réponse à apporter dans la troisième situation de demande d'euthanasie, a été étudiée au sein de la Commission nationale belge d'éthique [...] » (D. Bouckenaere, C. Markstein, N. Clumeck, « Euthanasie ou soins palliatifs ? », Carte blanche, Le Soir , 9 décembre 1997).

3. Een kader creëren voor het ondersteunen van in extreme situaties genomen medische beslissingen

Het advies van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek betreffende de wenselijkheid van een wettelijke regeling van euthanasie gaat inzonderheid over de wenselijkheid van een wettelijke regeling voor levensbeëindiging uitgevoerd door een arts bij terminale patiënten die wilsbekwaam zijn.

De beperkte commisie die zich binnen het Raadgevend Comité voor bio-ethiek over deze vraag heeft gebogen, heeft hierbij vier uitgangspunten onderscheiden (1). « Voorstel nr. 3 » heeft geleid tot enige toenadering tussen de verschillende standpunten.

Dit voorstel houdt een procedurele regulering a priori in van de belangrijkste medische beslissingen omtrent het levenseinde, na collegiaal overleg (ook euthanasie maakt deel uit van deze procedures). Volgens dat voorstel mag het euthanasievraagstuk niet worden weggehaald uit de veel ruimere context van de medische besluitvorming bij het naderende levenseinde en van een menselijker verzorgingscultuur ten behoeve van alle terminale patiënten. In voorstel 3 wordt aangedrongen op de empirische ontwikkeling van de medische ethiek, waarbij niet zonder meer de strakke rechtsregel wordt toegepast, maar veeleer rekening wordt gehouden met het unieke karakter van elk geval.

Het doel van voorstel 3 is de procedures voor een aantal medische beslissingen omtrent het levenseinde (MBL) wettelijk verplicht te maken. Een van deze MBL-procedures betreft de beslissing om tot euthanasie over te gaan wanneer daarom wordt gevraagd. Binnen de context van de procedurele benadering van MBL wordt de verantwoordelijkheid voor de beslissing, na overleg met het verzorgend personeel en de familie, gedeeld tussen arts en patiënt. Verder wordt in dit geval de voorgenomen beslissing voor elke procedure ethisch beoordeeld door het verzorgend team. De euthanasieprocedure dient bovendien te voldoen aan de volgende vereisten : bij de ethische beoordeling dient men de inbreng te vragen van een « derde persoon » (niet-arts) die is aangewezen door het plaatselijk ethisch comité en het euthanaserend handelen wordt achteraf onderworpen aan een sociale (en eventueel gerechtelijke) controle. Volgens dit voorstel wordt de arts rechtszekerheid gewaarborgd, op voorwaarde dat hij zich juridisch gezien kan beroepen op een « noodtoestand » als rechtvaardigingsgrond voor het euthanaserend handelen waartoe hij, na overleg, heeft beslist (2).

De indieners van dit wetsvoorstel zijn voorstander van voorstel nr. 3. Vanuit dit oogpunt is het uiterst belangrijk dat men een kader creëert ter ondersteuning van de beslissingen die door artsen worden genomen in alle individuele gevallen waarin sprake is van levensbeëindiging en in het bijzonder de gevallen waarin een wilsbekwame patiënt om euthanasie verzoekt en de arts meent dat hij in een noodtoestand verkeert.

Door een dergelijk ondersteunend kader staat de patiënt, binnen een overlegcultuur, centraal in een pluridisciplinair besluitvormingsproces waar zijn persoonlijk verzoek wordt gehoord en in overweging genomen. Bovendien wordt de arts gesteund bij het beoordelen van de eventuele « noodtoestand » die het overtreden van de strafwet rechtvaardigt.

De dokters Bouckenaere, Markstein en Clumeck formuleren het als volgt : « La troisième proposition nous semble répondre au mieux à la réalité de terrain. La consultation collégiale qui devrait inclure, outre l'équipe soignante, des membres délégués du comité d'éthique de l'hôpital, est destinée à éclairer la décision du médecin traitant, sans pour autant l'éluder. Cette décision peut être d'ordres différents : soit travailler des alternatives nouvelles pour atténuer la souffrance globale du patient, soit prescrire une sédation continue ou discontinue, ou encore assumer l'acte euthanasique après un débat interdisciplinaire qui ouvre à la réflexion. L'acte euthanasique revêt alors un statut d'exception et de transgression éthique acceptée dans l'intérêt du patient. Le médecin agit dans ce cas « en état de nécessité » comme cela est toléré en droit pénal.

Par rapport à l'euthanasie décidée en colloque singulier (le modèle hollandais), la consultation collégiale offre la possibilité au patient d'être au centre d'un processus de décision interdisciplinaire, et met l'accent sur la nécessité d'élaborer au sein de chaque service hospitalier une éthique de la discussion, qui mette en scène le pluralisme des convictions, et protège le patient contre l'arbitraire d'un seul regard, d'un vécu particulier.

L'évaluation « a priori » représente une sécurité pour les patients, en affirmant qu'ils ont le droit d'exprimer le caractère extrême de leur souffrance et l'ambivalence liée à leur vécu difficile, sans que cela ne se traduise immédiatement en acte de mort. La régulation « a priori » nous invite à repenser le lien entre la vulnérabilité du malade et la solidarité que lui doit l'ensemble du corps social » (D. Bouckenaere, C. Markstein, N. Clumeck, « Euthanasie ou soins palliatifs ? », Carte Blanche, Le Soir , 9 décembre 1997).

Mevrouw Baum voegt eraan toe dat voorstel nr. 3 een origineel alternatief biedt daar het de nadruk legt op de noodzaak om in elke ziekenhuisdienst een overlegmodel uit te werken. Daardoor zou elke patiënt, telkens als dat mogelijk is en met inachtneming van zijn specifieke vraag, centraal staan in een interdisciplinair besluitvormingsproces.

Die stap is volgens haar noodzakelijk om ervoor te zorgen dat er een medeverantwoordelijkheidscultuur ontstaat die is toegespitst op een deontologie die eveneens interdisciplinair is. Dit derde voorstel kan ons doen nadenken over nieuwe procedures waarin eerbiediging van het recht op waardig sterven perfect kunnen samengaan met het oude gebod : « Gij zult niet doden ». Dit grondbeginsel beperkt het recht op sterven tot situaties waarin het levenseinde gepaard gaat met nodeloos lijden. Wij zijn niet meer zo naïef te geloven in absolute en universele geboden die de patiënt in alle omstandigheden zouden beschermen. Onze verwachtingen met betrekking tot de sociale rol van de geneeskunde zijn ingrijpend gewijzigd en ieder van ons moet zijn eigen levenseinde niet alleen vrijelijk kunnen bepalen maar de verantwoordelijkheid daarvoor moet ook het resultaat zijn van overleg tussen de burger en de medische wereld. Dit louteringsproces zou voorkomen dat het woord euthanasie dubbelzinnig gebruikt wordt, waarbij de illusie gewekt wordt dat « waardig sterven » begrepen zou kunnen worden als een juridische of politieke vertaling van het algemeen belang.

Voor de auteurs van dit voorstel moet het koninklijk besluit nr. 78 in die zin worden aangepast. Dat maakt het immers mogelijk de problematiek in een ruimer kader dan dat van het strafrecht te behandelen en het uit te breiden tot alle problemen die ermee samenhangen : rechtsnorm, medische deontologie, rechten van de patiënt en soorten verzorging.

Het wetsvoorstel bepaalt dat de artsen die zich uitspreken over het euthanasieverzoek van een patiënt die bij bewustzijn is, rekening moeten houden met het onomkeerbare en ondraaglijke lijden, de ongeneeslijke aard van de ziekte en een vermoedelijk overlijden op korte termijn. De arts is in het bijzonder verplicht met de patiënt te praten over het euthanasieverzoek, teneinde het te ontleden en niet voorbij te gaan aan de vraag om hulp die vaak schuil gaat achter het eigenlijke verzoek. Teneinde het verzoek van de patiënt niet verkeerd in te schatten, moet de arts een beroep doen op het verzorgend team en het personeel dat bevoegd is op het gebied van de palliatieve zorg. Zo kan de patiënt alle gewenste morele en medische hulp krijgen. Volhardt de patiënt in zijn verzoek, dan is de arts verplicht het advies van een derde, een arts, in te winnen, alsook het advies van het verzorgend team en het voor palliatieve zorg bevoegde personeel dat de patiënt omringt en eventueel het advies van de naaste familie. Daartoe gemachtigde leden van het plaatselijk ethisch comité in het ziekenhuis moeten eveneens worden geraadpleegd.

Alleen artsen die aanvaarden in deze omstandigheden in te grijpen, worden geacht in een noodtoestand te verkeren.

4. Verder nadenken over de patiënt die niet meer bij bewustzijn is

De Senaat heeft zich nog niet gebogen over deze problematiek, die ter sprake komt in advies nr. 9 van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek. Over dit punt moet dus nog worden nagedacht.

Niettemin kunnen de indieners van dit voorstel er nu reeds van uitgaan dat in het geval van een wilsonbekwame patiënt die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt en niet meer bij bewustzijn kan worden gebracht, voor de arts dezelfde verplichtingen gelden bij de beoordeling van de noodtoestand.

Sommige voorstellen willen aan de door de patiënt opgestelde wilsverklaring (of « levenstestament ») waarin hij schriftelijk de wil te kennen geeft dat een arts zijn leven beëindigt indien hij niet meer bij bewustzijn is en lijdt aan een ongeneeslijke ziekte, dezelfde waarde geven als aan de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. Sommigen stellen zelfs voor dat in die wilsverklaring een vertrouwenspersoon wordt aangewezen die in de betrekkingen met de arts in de plaats treedt van de patiënt wiens levenseinde nadert, en die borg staat voor de uitvoering van de wil van de patiënt.

De wilsverklaring vertoont evenwel grote minpunten :

­ De vervanging van de « menselijke » relatie die steunt op wederzijds vertrouwen tussen verzorger en verzorgde door een « papieren » relatie die blind blijft voor de complexiteit van een bepaalde toestand op een bepaald tijdstip. De wilsverklaring kan er daarenboven toe leiden dat de medische relatie « ontmenselijkt » wordt doordat, net vóór het levenseinde, een sfeer van wantrouwen wordt gecreëerd waarin de patiënt zich als het ware moet verdedigen tegen de arts. Dat kan tot gevolg hebben dat de arts, op wie plots een wilsverklaring weegt, mechanisch gedrag gaat vertonen.

­ Het ondraaglijke fysieke of morele lijden van de bewusteloze patiënt die dat lijden zelf niet meer kan beschrijven, kan niet worden geëvalueerd en dat is problematisch.

Hetzelfde geldt voor de aanwijzing van een vertrouwenspersoon die moet beoordelen hoe erg het lijden is dat hij zelf niet kent en die moet beslissen over wat, naar zijn louter subjectieve mening, beoordeeld moet worden als ondraaglijk voor de ander. Dit uiterst subjectieve aspect maakt van die functie een zeer kiese taak en maakt de zieke nog afhankelijker van de ander. Het feit dat de aanwijzing een statisch gegeven is, verhult volledig dat menselijke relaties en de mensen zelf die bij die relatie betrokken zijn, kunnen veranderen. Het risico bestaat dat men geconfronteerd wordt met een « papieren » vertrouwenspersoon wiens relatie met de zieke inmiddels verslechterd is.

Daarom kunnen de auteurs van het voorstel niet aanvaarden dat aan die wilsverklaring of aan de aanwijzing van een vertrouwenspersoon dezelfde waarde gegeven wordt als aan de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt.

Tot slot willen de indieners van dit voorstel zich aansluiten bij het betoog van dokter D. Bouckenaere, dokter C. Markstein en professor N. Clumeck :

« Le maintien pur et simple de l'interdit légal contre l'euthanasie représente une position dogmatique, qui pourrait être une forme d'exclusion du patient, puisque la décision est préétablie et échappe au pouvoir de persuasion de celui-ci. L'approche des soins continus est singulière, elle place le patient au centre du processus de soins et elle entend et respecte son désarroi face à la mort.

Une dépénalisation de l'euthanasie impliquerait que l'euthanasie devienne une des alternatives médicales possibles de la fin de vie. Elle est en opposition absolue avec le principe de protection de la vie, qui fonde le droit pénal international. Elle peut ouvrir la voie à des dérives liées à une banalisation de l'euthanasie, qui risque de toucher les membres les plus vulnérables et les moins autonomes de notre société, exposés à toutes les formes de pressions économiques, sociales ou familiales.

En conclusion : si la pratique optimale des soins palliatifs, en collaboration avec les équipes curatives, ne constitue pas la réponse à toutes les demandes d'euthanasie, elle permet néanmoins de limiter l'euthanasie à un statut d'exception, considéré comme une transgression éthique. La consultation collégiale qui détermine une éthique de la discussion, où chacun se laisse interpeller par l'éclairage des autres, est ainsi amenée à transformer un préjugé en argument éthique. Cet espace nouveau d'échange fécondera le travail interdisciplinaire et aidera à réintégrer le mourir dans le champ de nos responsabilités médicales et sociales » (D. Bouckenaere, C. Markstein, N. Clumeck, « Euthanasie ou soins palliatifs ? », Carte Blanche, Le Soir , 9 december 1997).

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel maakt van de palliatieve zorg een volwaardig onderdeel van de geneeskunde.

Artikel 3

De palliatieve zorg is een adequate manier om via medische bijstand en optimale begeleiding het fysieke en morele lijden van patiënten in hun laatste levensfase te verlichten en moet daarom uitdrukkelijk deel uitmaken van de geneeskunde.

Dit artikel geeft een definitie van het concept palliatieve zorg en stelt de belangrijkste principes vast waaraan het palliatieve beleid moet voldoen. De bedoeling is dat de instanties die bevoegd zijn voor de gezondheidszorg, op basis van deze principes de palliatieve zorg uitbouwen.

Artikel 4

Dit artikel, getiteld « Levenseinde », plaatst de euthanasie in het ruimere kader van het naderende levenseinde.

Elk menselijk wezen moet sterven. Het is van het grootste belang dat het sterven zo waardig mogelijk kan gebeuren. Daarom herinnert dit artikel alle beoefenaars van de geneeskunde aan hun plicht om stervenden bijstand te verlenen. De palliatieve zorg moet volwaardig deel uitmaken van die bijstand.

Om patiënten in de laatste levensfase te beschermen, moeten de beoefenaars van de geneeskunde twee principes naleven :

1º geen hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen;

2º het staken van elke vorm van behandeling kan evenmin.

Patiënten in hun laatste levensfase vrezen meestal twee dingen, enerzijds dat ze worden onderworpen aan nutteloze behandelingen en anderzijds dat ze volledig aan hun lot worden overgelaten.

Elke patiënt heeft recht op alle behandelingen die zijn levenskwaliteit kunnen verhogen, zelfs als zij zijn leven kunnen verkorten. In onze maatschappij dient er vooral op te worden gelet dat de meest kwetsbare lagen van de bevolking worden beschermd en gesteund wanneer de dood nadert. Elke vorm van sociale of economische discriminatie in het aanschijn van de dood is onaanvaardbaar.

Soms komen euthanasieverzoeken er na een periode waarin de artsen hardnekkig allerlei behandelingen hebben toegepast die de vooruitgang van de geneeskunde hebben opgeleverd. In geen geval mag de beslissing over de toegepaste behandelingen alleen zijn ingegeven door economische overwegingen.

Het nieuwe artikel 36sexies betreft extreme en uitzonderlijke situaties waarin kan worden ingegaan op een euthanasieverzoek.

Onder euthanasie wordt verstaan het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de artikelen van het Strafwetboek die opzettelijk doden strafbaar stellen.

Het stelt zeer precies alle voorwaarden vast die de arts moet naleven alvorens een euthanasieverzoek van een patiënt bij volle bewustzijn in overweging te nemen en in te willigen.

Bij het beoordelen van een euthanasieverzoek moeten de artsen nagaan of de gezondheidstoestand van de patiënt uitzonderlijk ernstig te noemen is, en met name of volgende elementen aanwezig zijn :

­ onomkeerbaar en ondraaglijk lijden van de patiënt : het concept « onomkeerbaar » is objectief ­ pijn die de geneeskunde momenteel niet kan verlichten ­, terwijl het concept « ondraaglijk » bij uitstek subjectief is. Alleen de patiënt voelt zijn eigen lijden en zijn omgeving kan onmogelijk oordelen of het ondraaglijk is.

­ de ziekte is ongeneeslijk : in sommige gevallen is dat moeilijk vast te stellen. Sommige artsen beweren dat men zich in een diagnose kan vergissen. Daarom moet dit aspect zeer ernstig worden bestudeerd.

­ er wordt verwacht dat de patiënt binnen afzienbare tijd zal overlijden : dat betekent dat patiënten die lijden aan een ziekte veroorzaakt door een ongeval niet in aanmerking komen en dat « hulp bij zelfdoding » ook uitgesloten blijft.

Op basis van deze drie voorwaarden kan de arts uitmaken of er al dan niet sprake is van een noodtoestand.

Daarnaast voorziet het artikel in een aantal procedurele voorwaarden (artikel 36sexies nieuw, § 1, eerste lid, 1º tot 6º), die een vierledig doel hebben :

1. naar het verzoek van de patiënt te luisteren en het te ontleden;

2. een relatie op te bouwen met de patiënt om hem te informeren en bij te staan;

3. hem uitdrukkelijk palliatieve verzorging aan te bieden;

4. verschillende instanties te raadplegen om goed geïnformeerde adviezen over de situatie te verzamelen.

Deze adviezen moeten worden beschouwd als hulp bij het beslissingsproces, niet als obstakels. De raadpleging is verplicht maar de adviezen zin niet bindend.

Als aan deze voorwaarden is voldaan, wordt verondersteld ­ tot bewijs van het tegendeel ­ dat de arts zich in een noodtoestand bevindt in de gewone strafrechtelijke zin.

Als het parket tot vervolging wil overgaan, zal het dus moeten bewijzen dat er geen noodtoestand was.

Alleen artsen kunnen ingaan op een euthanasieverzoek, met uitsluiting van ieder ander persoon ongeacht of die al dan niet tot de medische kringen behoort.

Artikel 36sexies, § 2, verplicht de arts een gedetailleerd dossier op te maken waaruit blijkt dat hij de door de wet opgelegde voorwaarden heeft nageleefd en waarin de elementen worden opgesomd die volgens hem een noodtoestand vormden. Op basis van dat dossier stelt de arts een verslag op waarin alle informatie wordt opgenomen over het euthanasieverzoek en de omstandigheden waarin daarop is ingegaan. De arts stuurt dit verslag naar een erkende arts, gekozen uit de lijst van de geneesheren, specialist in de gerechtelijke geneeskunde bij de hoven en rechtbanken. Op langere termijn moeten zij een specifieke opleiding krijgen over het levenseinde en moeten de voorwaarden voor hun erkenning worden vastgesteld. Men moet er immers van opaan kunnen dat deze artsen de nodige onafhankelijkheid en bekwaamheid bezitten. Deze artsen stellen de verklaringen op die worden afgegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand zodat die toestemming kan geven voor de teraardebestelling overeenkomstig de artikelen 77 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Zoals de gewoonte vereist, brengt de ambtenaar van de burgerlijk stand bij een verdacht overlijden rechtstreeks de procureur des Konings op de hoogte.

Krachtens artikel 36sexies, § 3, kan de arts gewetensbezwaren opwerpen.

Artikel 5

Dit artikel voorziet in specifieke sancties met betrekking tot de procedurevoorwaarden uit § 1, eerste lid, en tot de in § 2 opgelegde verplichting om een dossier op te stellen en aan de erkende arts te bezorgen.

Artikel 6

Omdat deze problematiek heel gevoelig ligt en moeilijk om te zetten is in het juridisch begrippenarsenaal, moet volgens sommige artsen een proefperiode worden ingebouwd met betrekking tot de artikelen 4 en 5 betreffende de euthanasieverzoeken. Daarom bepaalt de tekst dat deze artikelen slechts voor een beperkte periode van drie jaar van kracht zijn.

Tijdens de zes maanden vóór het verstrijken van deze termijn moet de wetgever op basis van een verslag van de ministers van Justitie en van Volksgezondheid tot de nodige conclusies komen.

Deze proefperiode geldt niet voor de artikelen 2 en 3, die handelen over de palliatieve zorg. Zij blijven dus ook na deze periode van drie jaar van kracht.

Clotilde NYSSENS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies wordt vervangen als volgt :

« Art. 1. ­ De geneeskunst omvat de geneeskunde, de tandheelkunde inbegrepen, uitgeoefend ten aanzien van menselijke wezens, en de artsenijbereidkunde, onder hun curatief, preventief en palliatief voorkomen zowel tijdens het leven als bij het levenseinde. »

Art. 3

In hetzelfde koninklijk besluit wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd, bestaande uit de artikelen 36bis tot 36ter en luidende :

« Hoofdstuk IIIbis ­ Palliatieve en
voortdurende zorg

Art. 36bis. ­ Onder palliatieve zorg wordt verstaan, de zorg die erop gericht is :

­ de zieke die geen baat meer heeft bij een curatieve behandeling de zorg te verlenen die het lijden maximaal verzacht en het beheersen van de fysieke symptomen mogelijk maakt;

­ de zieke te begeleiden in zijn psychologisch, sociaal en familiaal lijden en zijn geestelijke en levensbeschouwelijke noden;

­ de familie ertoe aan te zetten een rol te spelen in het levenseinde van de zieke, de communicatie tussen de familie en het verzorgingsteam te optimaliseren en de familie te begeleiden tijdens het rouwproces.

De palliatieve zorg maakt deel uit van een beleid van voortdurende zorg.

Art. 36ter . ­ Elke patiënt heeft recht op kwalitatief hoogstaande palliatieve en voortdurende zorg.

Een voldoende ruim aanbod van palliatieve zorg moet er borg voor staan dat dit soort zorg voor alle patiënten even toegankelijk is en dat alle verenigingen, netwerken, teams en personen die bij de palliatieve zorg betrokken zijn, op dezelfde manier worden behandeld.

Het personeel dat in de gezondheidszorg werkt moet een opleiding krijgen over pijnbestrijdende behandelingen en palliatieve zorg.

Hiertoe kunnen samenwerkingsakkoorden worden gesloten tussen respectievelijk de federale Staat en de Franse Gemeenschap en de federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 4

In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIIter ingevoegd, bestaande uit de artikelen 36quater tot 36sexies en luidende :

« Hoofdstuk IIIter. ­ Levenseinde

Art. 36quater. ­ Wanneer een patiënt zich in zijn laatste levensfase bevindt, zijn de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde en het verzorgend team hem alle morele en medische bijstand verschuldigd om zijn moreel en fysiek lijden te verlichten en zijn waardigheid te beschermen. Zij moeten er bijzonder op toezien dat de meest kwetsbare patiënten deze bijstand en bescherming krijgen. Als de patiënt bij bewustzijn is, bespreken zij met hem de mogelijkheden inzake palliatieve zorg en schakelen zij het personeel in dat bevoegd is om deze zorg te verstrekken.

Art. 36quinquies. ­ Onverminderd hun therapeutische vrijheid mogen de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde alleen de handelingen verrichten die nuttig zijn en noodzakelijk voor de gezondheid van de patiënt. Bovendien moeten al hun handelingen in een redelijke verhouding staan tot het voordeel dat de patiënt eruit haalt.

Zij kunnen een behandeling niet stopzetten of kunnen niet beslissen om een behandeling niet te starten, als die de levenskwaliteit of de levensduur van de patiënt positief kan beïnvloeden.

Art. 36sexies. ­ § 1. Onverminderd de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek moeten de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde die worden geconfronteerd met een euthanasieverzoek van een patiënt bij bewustzijn, het volgende doen :

1º zich ervan vergewissen dat het verzoek uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is geuit door de patiënt zelf en dat de patiënt op dat moment bekwaam en bij bewustzijn was;

2º een bevoorrechte band vormen met de patiënt om met hem zijn euthanasieverzoek te bespreken;

3º de patiënt, op diens verzoek, informeren over zijn gezondheidstoestand en met hem de verschillende mogelijkheden van morele en medische begeleiding bespreken, met inbegrip van de bestaande mogelijkheden inzake palliatieve zorg;

4º de patiënt alle morele en medische bijstand verlenen om zijn lijden te verlichten en het op het vlak van de palliatieve zorg bevoegde personeel inschakelen om de informatie en bijstand te verlenen die de patiënt nodig heeft;

5º zich ervan vergewissen dat de patiënt werkelijk zelf wil dat aan zijn leven een einde wordt gemaakt;

6º als de patient, ondanks alle hierboven beschreven informatie en aangeboden bijstand, bij zijn verzoek blijft, het advies van een collega-arts over het euthanasieverzoek inwinnen en met hem nagaan of de in het tweede lid bedoelde elementen aanwezig zijn, het advies inwinnen van het verzorgend en palliatief team dat de patiënt omringt en eventueel zijn naasten raadplegen. Als de patiënt in het ziekenhuis is opgenomen, raadplegen de betrokken artsen eveneens het plaatselijk ethisch comité, ingesteld door artikel 70ter van de op 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, of de daartoe gemachtigde leden daarvan. Als de patiënt niet in het ziekenhuis is opgenomen, raadplegen de betrokken artsen het plaatselijk ethisch comité van hun keuze.

De in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde houden in de beoordeling van het verzoek van de patiënt rekening met het onomkeerbare en ondraaglijke lijden van de patiënt, de ongeneeslijke aard van zijn ziekte en het vooruitzicht van een spoedig overlijden, en steunen daarbij met name op de in het 6º bedoelde adviezen.

Wanneer artsen in de omstandigheden bedoeld in het vorige lid besluiten in te grijpen, wordt verondersteld dat zij zich een noodtoestand bevinden.

§ 2. De in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde moeten in het medisch dossier van de patiënt in detail alle informatie optekenen aangaande het euthanasieverzoek, de ondernomen stappen, de genomen beslissingen, de verrichte handelingen, de toegediende producten en de dag en het uur waarop zij hebben ingegrepen.

Binnen 24 uur na het overlijden zenden zij een verslag naar een erkende arts, waarin zij de in het vorige lid bedoelde informatie vermelden. Deze erkende arts, gekozen uit de lijst van de geneesheren, specialist in de gerechtelijke geneeskunde bij de hoven en de rechtbanken, stelt een verklaring op met vermelding van de doodsoorzaak ten behoeve van de ambtenaar van de burgerlijke stand die de overlijdensakte moet opstellen.

§ 3. De in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde mogen weigeren in te gaan op een euthanasieverzoek van de patiënt. In dat geval brengen zij hem daarvan op de hoogte. »

Art. 5

In hetzelfde besluit wordt een artikel 41bis ingevoegd, luidende :

« Art. 41bis. ­ Met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank wordt gestraft de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaar van de geneeskunde die de bepalingen van artikel 36sexies , § 1, eerste lid, en § 2 overtreedt. »

Art. 6

Deze wet is, met uitzondering van de artikelen 2 en 3, van kracht voor een periode van drie jaar vanaf haar inwerkingtreding.

Tijdens de zes maanden die het verstrijken van deze periode voorafgaan, leggen de ministers die bevoegd zijn voor de Justitie en de Volksgezondheid, aan het Parlement een verslag voor over de toepassing van deze wet.

Clotilde NYSSENS.
Magdeleine WILLAME-BOONEN.
René THISSEN.
Georges DALLEMAGNE.
Philippe MAYSTADT.

(1) De vier uitgangspunten zijn de volgende :
­ Voorstel 1 : gaat uit van een wetswijziging zodat euthanasie niet langer strafbaar is.
­ Voorstel 2 : gaat uit van een procedurele regeling a posteriori van euthanasie, waartoe beslist wordt door arts en patiënt.
­ Voorstel 3 : gaat uit van een procedurele regeling a priori van de belangrijkste medische beslissingen omtrent het levenseinde, met inbegrip van euthanasie.
­ Voorstel 4 : gaat uit van het behoud zonder meer van het wettelijk verbod op euthanasie.

(2) Zie advies nr. 1 van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek.