1-966/14 | 1-966/14 |
20 JANUARI 1999
Evocatieprocedure
Art. 32
Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel 375 vervangen als volgt :
« § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar dient uitspraak te doen bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingplichtige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij ter post aangetekende brief. »
Verantwoording
Volgens de door de Kamer geamendeerde tekst, kan de directeur, na 18 maanden, in gebreke worden gesteld om te beslissen; indien hij geen beslissing heeft genomen maar hij het uitblijven ervan motiveert binnen de 6 maanden na de ingebrekestelling, wordt de beslissing geacht negatief te zijn en kan zij het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk beroep; de beslissing wordt geacht positief te zijn, indien het uitblijven ervan niet wordt gemotiveerd. De nietigverklaring van een belasting omwille van schending van een regel andere dan de verjaring, geeft de administratie in principe de mogelijkheid om te herbelasten.
Overigens beoogt de minister van Financiën kortelings de indiening van een amendement bedoeld om deze problematiek van bezwaar te herzien.
* In plaats van de zes maanden die momenteel zijn voorzien in de tekst van het ontwerp, zou de bezwaartermijn worden herleid tot twee maanden.
* De gewestelijk directeur van zijn kant zou over een maximumtermijn van zes maanden beschikken om zich uit te spreken over het ingediende bezwaarschrift. Bij gebrek aan beslissing binnen deze termijn van zes maanden, zou het bezwaar als afgewezen worden beschouwd, zonder enige motivering.
A priori lijkt dit amendement gestoeld op de bezorgdheid om de fiscale en juridische rechtszekerheid van de belastingplichtige te verbeteren, door de administratie toe te laten een bijdrage te leveren aan de verlichting van de fiscale geschillen.
Dit doel kan niet worden bereikt door de gewestelijk directeur toe te laten om zich te onthouden van het nemen van een gemotiveerde beslissing binnen een termijn van zes maanden die hij moet besteden aan een aandachtig onderzoek van de grieven van de belastingplichtige.
Wat de belastingplichtige a priori wint op het vlak van de onpartijdige en onafhankelijke behandeling van zijn dossier door de snellere doorstroming ervan naar de rechtbanken van eerste aanleg, betaalt hij in termen van verlies van rechten, tijd, energie en geld. In de praktijk zou het inderdaad volstaan voor de directeur om zich gedurende zes maanden te onthouden van elk onderzoek, waarna zijn stilzwijgen wordt omgezet in een impliciete afwijzing van het bezwaar. Zonder enige vorm van proces, en uiteraard ook zonder enige vorm van motivatie. Het fundamenteel principe van de motivering van administratieve akten wordt miskend in de mate dat de beslissingen van de directeur niet enkel meer zijn gemotiveerd, maar zelfs niet meer uitgedrukt. De rollen worden aldus op een vreemde manier omgekeerd, waardoor de belastingplichtige die geen ander alternatief meer heeft dan het geschil voor de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg te brengen, uiteindelijk wordt gestraft. Behalve dat dit belangrijke gerechtskosten met zich meebrengt en in fine sommige belastingplichtigen, die geen middelen hebben, berooft van de mogelijkheid om hun rechten uit te oefenen, staat de bezwaarprocedure die de regering en meer recent de minister van Financiën beoogt haaks op hetgeen de boekhoudprofessionals aan veelvuldige ervaringen op het vlak van de behandeling van de fiscale geschillen hebben opgebouwd, en reeds ettelijke malen hebben beklemtoond.
Het zou verkieslijk zijn om aan de belastingplichtige de keuze te laten tussen :
1. Hetzij de indiening van een bezwaarschrift bij de gewestelijk directeur die niet meer zou gebonden zijn aan enige termijn om zijn beslissing te nemen, uitgezonderd die volgend uit het beginsel van behoorlijk bestuur, maar die zou gehouden zijn om zijn beslissing te motiveren.
Hoewel hij niet beschikt over enige jurisdictionele bevoegdheid, dient de rol van de gewestelijk directeur deze te zijn van een wijze, die met kennis van zaken beoordeelt welke taxaties gegrond zijn en die een gemotiveerde beslissing neemt. Het zou al te gemakkelijk zijn om de administratie toe te laten geen beslissing te nemen en de zaak, na een stilte van zes maanden, door te verwijzen naar de rechtbanken. Het gaat hier om een fundamenteel recht van de burger; de administratie moet haar verantwoordelijkheid opnemen. Wetende dat de doorverwijzing van de zaak naar de rechtbanken de administratie ertoe verplicht het dossier ten gronde te analyseren, biedt het eisen van een gemotiveerde beslissing in fine voordelen op het vlak van rechtszekerheid.
Zoals wij reeds vermeldden, zou geen enkele termijn, tenzij die volgend uit het beginsel van behoorlijk bestuur, tegenstelbaar zijn aan de directeur om zijn beslissing te nemen. De onzekerheid van de belastingplichtige zou worden gecompenseerd met de zekerheid dat hij in elk geval een gemotiveerde beslissing van aanvaarding of verwerping van het bezwaarschrift mag verwachten, desgevallend voor de rechtbank van eerste aanleg. Overigens is aldus de ingebrekestelling van de directeur door de belastingplichtige, een maatregel voorzien in het huidige wetsontwerp, waarvan kan worden aangenomen dat hij psychologisch slecht zal aankomen, niet meer nodig.
Zelfs indien zou blijken dat de termijn van zes maanden wordt overschreden, vormt het bezwaar onder deze voorwaarden een weinig dure procedure die aan alle belastingplichtigen de zekerheid biedt een gemotiveerde beslissing te verkrijgen, na een aandachtig onderzoek door de Administratie van de voorgelegde grieven. In de praktijk zou deze administratieve procedure een filter worden om aldus het aantal geschillen in te perken en zou dit aan de belastingplichtige het recht geven om de beslissing van de belastingambtenaar te laten nakijken door één van zijn collega's die de belasting confirmeert of nietig verklaart, dit wil zeggen, die bijvoorbeeld verifieert of zijn collega een materiële of interpretatiefout zou hebben gemaakt. Zij laat ook een controle toe van de belastingambtenaren door hun oversten. In vele gevallen verhindert deze administratieve procedure ook dat de belastingplichtige (natuurlijke of rechtspersoon) belangrijke kosten gebonden aan een gerechtelijke procedure moet maken.
Zoals dit nu het geval is, kan de belastingplichtige een beroep doen op zijn accountant die hem gedurende de hele bezwaarprocedure bijstaat. Dat het dossier naar de rechtbanken van eerste aanleg kan worden verwezen na de eerste zes maanden zonder dat de directeur een gemotiveerde beslissing heeft genomen, komt in feite neer op de ontkenning van het belang van het boekhoudberoep bij de behandeling van administratieve geschillen, nochtans reeds duidelijk bewezen.
Het is moeilijk denkbaar dat ingeval van een dossier van zekere complexiteit, het mogelijk zou zijn om een rechtbank vlot te informeren over alle aspecten die de belastingplichtige wenst te verdedigen. Een dergelijke voorstelling leidt onoverkomelijk tot een overbelasting van de rechtbanken.
2. Hetzij direct een beroep voor de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg indienen, indien de belastingplichtige, in eer en geweten, oordeelt dat de procedure van een bezwaarschrift tijdverlies betekent. De indiening van een bezwaarschrift dient het beroep bij de rechtbank niet verplicht vooraf te gaan.
Dergelijk direct beroep moet aan de verzoeker een rechtvaardige en onpartijdige behandeling van zijn dossier waarborgen, maar veronderstelt de uitgave van advocaatkosten en verhindert de opschorting van de nalatigheidsintresten na het verstrijken van een bepaalde wachttermijn die momenteel is vastgesteld op achttien maanden.
Het voornaamste principe van dit amendement is dus de belastingplichtige de keuze te bieden tussen twee formules van beroep, enerzijds het bezwaar en het gerechtelijk beroep, anderzijds enkel het gerechtelijk beroep. Elk van beide alternatieven heeft voor- en nadelen, waarvan de belastingplichtige zelf, met volle kennis van zaken, de relevantie in functie van zijn specifiek dossier kan beoordelen. Een dergelijke keuze tussen deze mogelijkheden van beroep bij de aanvang van de procedure is fundamenteel.
Art. 42
Het 2º van dit artikel vervangen als volgt :
« 2º § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde formeel gemotiveerde beslissing niet binnen de achttien maanden volgend op de indiening van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsintrest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat loopt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de genoemde termijn van 18 maanden verstrijkt en eindigt op het einde van de maand waarin de beslissing van de directeur der belastingen werd ter kennis gebracht. »
Verantwoording
In zijn huidige staat, voorziet het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen dat, bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing binnen de zes maanden na de ingebrekestelling, de nalatigheidsintresten betreffende het gedeelte van de betwiste aanslag zouden worden opgeschort gedurende het tijdperk dat loopt tot de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de directeur der belastingen zijn beslissing ingevolge de ingebrekestelling uiterlijk had moeten nemen. Bij lezing van de tekst van het ontwerp van artikel 414, § 1, WIB 92 is het trouwens niet duidelijk te achterhalen of de nalatigheidsintresten worden opgeschort vanaf de eerste van de maand volgend op de indiening van het bezwaarschrift of vanaf de eerste van de maand volgend op de ingebrekestelling.
Om de belastingplichtige niet financieel te beboeten, is het gewettigd om de huidige bepalingen te hervormen, die voorzien in de opschorting van de nalatigheidsinstresten voor een tijdperk vanaf de eerste van de maand na die waarin de termijn van achttien maanden die volgt op de indiening van het bezwaarschrift verstrijkt.
Het zou pas bij het verstrijken van deze termijn van achttien maanden zijn dat de intresten zouden worden opgeschort en dit voor de hele periode die aan de directeur wordt toegekend om te beslissen over het bezwaarschrift.
| Jan LOONES. |