1-644/1 (Senaat) | 1-644/1 (Senaat) |
27 MEI 1997
UITGEBRACHT
DOOR DE HEREN URBAIN
(S)
EN LOWIE
(K)
Dames en heren,
Dit verslag bevat zes technische fiches over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen die werden gekozen door de diverse fracties (over de instellingen heen : Kamer, Senaat, Europees Parlement) die in het Adviescomité voor Europese aangelegenheden zitting hebben. Zij hebben een selectie gemaakt uit de voorstellen van normatieve rechtshandelingen en andere documenten die de Europese Commissie in januari 1997 heeft gepubliceerd en die hen van bijzonder belang voor België lijken.
De gegevens zijn in ruime mate afkomstig uit het « Observatoire européen institutionnel législatif (O.E.I.L.) (2), een gegevensbank van het Europees Parlement, alsook uit de informatie die bij de betrokken en/of gespecialiseerde instanties, meer bepaald bij de Dienst Europese Integratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, werd ingezameld. De impact voor België (socio-economisch, juridisch, politiek) van de voorstellen van de Europese Commissie die in dit rapport worden onderzocht, wordt eveneens vermeld in de technische fiches.
Het doel van voorliggend rapport is een parlementaire procedure te ontwikkelen om in de mate van het mogelijke te remediëren aan het Europees democratisch deficit dat voortvloeit uit de overdracht van bevoegdheden van de Lid-Staten naar de Europese Unie en de uitoefening van deze bevoegdheden door andere instellingen dan het Europees Parlement.
De nationale parlementen bevinden zich ook in een ondergeschikte positie t.o.v. hun regeringen die, als lid van de Europese Ministerraad, het statuut hebben van wetgever.
De nationale parlementen hebben dus een rol te spelen met betrekking tot de controle ex ante op de Europese besluitvorming. De enige controle die zij kunnen uitoefenen is deze op hun eigen regering, dus op slechts één van de 15 leden in de Europese Ministerraad.
De gevolgde procedure voor het onderzoek van de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie wordt hierna uitgelegd en is geďnspireerd op de procedures die onder meer worden toegepast in het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland en Frankrijk.
Hier gaat het er echter niet om de Regering een imperatief onderhandelingsmandaat op te leggen of een « parlementair voorbehoud » in te stellen dat de Regering zou beletten een standpunt in te nemen in de Ministeraad, nog vóór het Parlement de gelegenheid heeft gehad zich hierover uit te spreken.
Het onderzoek van de technische fiches wordt besloten met « Conclusies » geformuleerd door het Adviescomité, die tot doel hebben de aandacht van de Belgische parlementairen te vestigen op de belangrijkste voorstellen van de Europese Commissie.
Deze conclusies formuleren het parlementair vervolg dat aan die voorstellen van de Europese Commissie gegeven kan worden.
| De Rapporteurs, | De Voorzitter, |
| R. URBAIN (S) I. LOWIE (K) |
R. LANGENDRIES (K) |
Informatieplicht van de Regering over voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie :
Krachtens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (3), dient de Regering informatie te verschaffen aan de Wetgevende Vergaderingen over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie.
Zodoende kunnen de Wetgevende Vergaderingen, vooraleer de Europese Ministerraad een beslissing neemt, daarover beraadslagen. Deze regeling beantwoordt aan de Verklaring betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie gevoegd bij het Verdrag over de Europese Unie (Verdrag van Maastricht).
Versterking van de parlementaire controle op de Europese besluitvorming :
Op 7 juli 1993 werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers een resolutie aangenomen met ruime meerderheid (170 tegen 10 stemmen en 3 onthoudingen) betreffende de versterking van de controle door de nationale parlementen op de Europese besluitvorming (St. Kamer, nr. 1032/1-2-92/93).
Deze resolutie vloeit voort uit het rapport namens het Adviescomité voor Europese Aangelegenheden, door de heer D. Van der Maelen.
Krachtens punt 9 van deze resolutie moet worden onderzocht « onder welke voorwaarden en met welke middelen (financieel en personeel) een systematische analyse van voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de E.G. mogelijk is ».
In uitvoering van voormelde wetsbepalingen en resolutie, zal de onderzoeksprocedure bij wijze van experiment lopen tot het einde van de zitting 1996-1997.
Tijdens de zitting wordt maandelijks aan het Adviescomité voor Europese aangelegenheden een informatienota voorgelegd waarin een lijst wordt meegedeeld van de voorstellen van normatieve rechtshandelingen en van andere documenten (Groen- en Witboeken, Verslagen, Mededelingen, Adviezen, ...) van de Europese Commissie.
Selectie van te onderzoeken documenten door het Adviescomité :
Op de maandelijkse vergadering van het Adviescomité wordt het onderzoek van de voormelde documenten geagendeerd.
Elke politieke fractie (over de instellingen heen : Kamer, Senaat, Europees Parlement) duidt een voorstel aan dat prioritair in aanmerking komt voor het opstellen van een korte technische fiche. De gekozen thema's moeten tot de federale bevoegdheid behoren en voor het Adviescomité relevant zijn. Het Adviescomité voegt er eventueel andere aan toe.
Behandeling van een geselecteerd document :
Maandelijks wordt voor het geheel van de geselecteerde voorstellen, een rapporteur aangesteld en voor elk geselecteerd thema een bondige fiche gemaakt (4).
Hiertoe kan de rapporteur inlichtingen inwinnen bij de betrokken en/of deskundige instanties (i.h.b. het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Dienst Europese integratie).
Tijdens de maandelijkse vergaderingen worden de ontwerprapporten onderzocht die de technische fiches bevatten geselecteerd door de politieke fracties. Die rapporten worden nadien als parlementair stuk gepubliceerd.
Behandeling van de technische fiches :
Het besluit hierover kan het volgende zijn :
1. er is geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek;
2. het onderzoek wordt gereserveerd tot het dossier in een meer geëvolueerd stadium is;
3. het document van de Europese Commissie kan, samen met de informatiefiche, overgezonden worden naar een vaste commissie met het advies deze aangelegenheid van nabij te volgen;
4. de Regering kan, zonodig binnen een bepaalde termijn, om verdere schriftelijke of mondelinge uitleg verzocht worden en/of er kunnen opmerkingen en suggesties aan de Regering gericht worden;
5. er kan beslist worden tot een grondig onderzoek dat resulteert in een initiatiefverslag waarin een voorstel van resolutie of eindtekst, gericht aan de Regering, wordt geformuleerd en die aan de plenaire vergadering wordt voorgelegd.
Voor de redactie van deze initiatiefverslagen kan het Adviescomité de bevoegde minister horen, hoorzittingen met experten organiseren of schriftelijke informatie inwinnen.
| décision du Comité d'avis concernant le mode de traitement : 1. fin de la procédure 2. examen réservé 3. renvoi vers Commission permanente 4. interrogation du Gouvernement 5. rapport d'initiative |
|||
| liste des documents | sélection par les groupes | fiche technique succincte | |
| lijst van documenten | selectie door fracties | bondige technische fiche | beslissing van het Adviescomité i.v.m. de behandelingswijze : 1. einde van de procedure 2. onderzoek gereserveerd 3. doorverwijzing naar vaste commissie 4. ondervraging van de Regering 5. initiatiefverslag |
Dit voorstel heeft als voornaamste doelstelling de veiligheid te waarborgen van het vervoer van vervoerbare drukapparatuur en het vrij verlenen van vervoerdiensten te vergemakkelijken. Het voorstel regelt ook de wijze waarop nieuwe apparatuur in de handel wordt gebracht. Deze doelstellingen kunnen worden gehaald door een erkenning van de goedkeuringen die door interne of onafhankelijke keuringsinstanties van de bevoegde overheid (aangewezen controle-organen) worden afgegeven en door het aanbrengen van een erkend merkteken op de goedgekeurde apparatuur.
Het in de richtlijn gestelde principe van de erkenning van de apparatuur zal het vrij verlenen van vervoerdiensten van deze apparatuur in de hele Gemeenschap zijn, alsmede de schrapping van de kosten en de opheffing van de overtollige administratieve procedures die met de goedkeuring van die apparatuur gepaard gaan. Wanneer de richtlijn in werking zal treden, zullen de fabrikanten de goedkeuring van alle afzonderlijke Lid-Staten niet meer hoeven te verkrijgen; de goedkeuring en het keurmerk in één Lid-Staat zullen volstaan voor het in de handel brengen van de apparatuur of voor het gebruik ervan in de hele Gemeenschap. Bovendien zou de goedkeuring, als bewijs van periodieke keuring van de apparatuur door een in een Lid-Staat gevestigde aangewezen keuringsinstantie, in alle Lid-Staten moeten worden erkend. Het feit dat een aantal tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen onder de toepassingssfeer van het voorstel worden gebracht om aldus het vrije verkeer ervan te waarborgen, biedt, gelet op de grote waarde van die apparatuur, een aanzienlijk economisch voordeel. De erkenning van die markeringen zal een bijkomend voordeel bieden, met name een betere aanwending van de bestaande apparatuur. Een bedrijf met installaties in verschillende landen zal het teveel aan vervoerbare drukapparatuur in een bepaald land kunnen overbrengen naar een ander land en de apparatuur daar kunnen gebruiken, zonder betaling van de extra kosten die thans verschuldigd zijn voor de keuring, uitgevoerd door de aangewezen keuringsinstantie van het land waarnaar de overtollige apparatuur werd vervoerd.
Dit voorstel voor een richtlijn moet worden bekeken in een ruimer raam, met name de geleidelijke totstandkoming van een eenheidsmarkt in de vervoersector.
De erkenning van het keurmerk afgegeven door de keuringsinstanties die door de bevoegde overheid van de Lid-Staten worden aangewezen, alsmede de erkenning van de evaluatieprocedures inzake de gelijkvormigheid, is het voornaamste middel om de belemmeringen weg te werken die het vrij verlenen van vervoerdiensten in de weg staan. Het is dus noodzakelijk gemeenschappelijke regels uit te werken inzake de erkenning van de aangewezen keuringsinstanties, de overbodige kosten en administratieve procedures weg te werken die met de goedkeuring van die apparatuur gepaard gaan, en de technische hinderpalen die de handel belemmeren op te heffen. In België heeft dit voorstel voor een richtlijn betrekking op 4 keuringsinstanties.
Gelet op het voorgaande, hoeft dit voorstel voor een richtlijn niet verder te worden besproken.
Oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat belast met de kritische waarneming van soortgelijke verschijnselen binnen de Unie, met de analyse van de oorzaken van racisme en vreemdelingenhaat en met het uitwerken van voorstellen die naderhand worden voorgelegd aan de Europese instellingen en de Lid-Staten.
Het waarnemingscentrum moet onafhankelijk werken om zijn geloofwaardigheid te vrijwaren en over deskundig wetenschappelijk en administratief personeel beschikken om zijn legitimiteit te waarborgen.
De concrete taken van het waarnemingscentrum, zoals bepaald in artikel 2.2 van het voorstel voor een verordening, bestaan uit het verzamelen, analyseren en verspreiden van informatie, het verrichten en bevorderen van onderzoek en van uitwisselen van informatie tussen onderzoekers, het instellen van informatie-netwerken, het organiseren van rondetafelconferenties, het publiceren van een jaarverslag en het voorstellen van conclusies en aanbevelingen aan de Gemeenschap en haar Lid-Staten.
Het waarnemingscentrum kan geen concrete acties tegen racisme en vreemdelingenhaat ondernemen, maar alleen conclusies en aanbevelingen tot de bevoegde instanties richten. Het waarnemingscentrum draagt ter zake dus geen enkele politieke verantwoordelijkheid.
De taken van het waarnemingscentrum zullen worden uitgevoerd ten bate van de Lid-Staten en in samenwerking met de Raad van Europa. Het waarnemingscentrum dient een « Europees netwerk voor informatie en vreemdelingenhaat » (Raxen) op te zetten en te coördineren. Dat netwerk bestaat uit een eigen centrale eenheid van het waarnemingscentrum, die samenwerkt met nationale universitaire onderzoekcentra, niet-gouvernementele onderzoekscentra en gespecialiseerde centra, die door nationale of internationale organisaties, bevoegd op het gebied van verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat, zijn opgericht.
In de loop van het derde jaar na de inwerkingtreding van deze verordening legt de commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal comité en het Comité van de regio's een beoordelingsverslag voor over de werkzaamheden van het waarnemingscentrum, eventueel vergezeld van voorstellen tot aanpassing of uitbreiding van zijn taken, met name in het licht van de ontwikkeling van de bevoegdheden van de Gemeenschap inzake racisme en vreemdelingenhaat.
De Commissie benadrukt dat het waarnemingscentrum taken zal moeten uitvoeren die onder de bevoegdheden van de Gemeenschap vallen en die verband houden met vrij verkeer van personen, werkgelegenheid, onderwijs, vrij verkeer van goederen (invoer en verkeer van producten met een racistische inslag), cultuur evenals met de vrije dienstverlening op het stuk van voorlichting, radio-uitzendingen en de media in het algemeen.
Bij de keuze van de rechtsgrond, dat wil zeggen artikel 235 (5), deed zich evenwel een probleem voor.
Tal van Lid-Staten hebben zich verzet tegen de keuze van artikel 235 als rechtsgrond; andere Lid-Staten wensten, gelet op de gekozen rechtsgrond, de bevoegdheden van het waarnemingscentrum en de wijze waarop het kan ingrijpen, te beperken.
In een analyse van het juridisch statuut van het toekomstige waarnemingscentrum had de juridische dienst van de Raad erop gewezen dat het verband tussen racismebestrijding en de doelstellingen van de gemeenchappelijke markt te vaag was om de toepassing van artikel 235 te rechtvaardigen. Een verwijzing naar titel VI van het Verdrag (Justitie en Binnenlandse Zaken) zou de activiteiten van het waarnemingscentrum beperkt hebben tot problemen van gerechtelijke samenwerking in burgerlijke en strafrechtelijke aangelegenheden. De Raad was dus van oordeel dat het aangewezen was het waarnemingscentrum op te richten buiten het juridisch kader van de Unie, in de vorm van een internationaal instrument waartoe de Lid-Staten zouden moeten besluiten.
De Commissie, die uiteindelijk artikel 235 als rechtsgrond heeft gekozen, heeft de rol van het waarnemingscentrum beperkt : het mag de Lid-Staten enkel conclusies voorleggen en aanbevelingen doen.
Zowel de « délégation pour l'Union européenne » van de Franse « Assemblée nationale » als het « Select Committee on European Legislation » van het Britse Lagerhuis vinden artikel 235 als rechtsgrond een ongelukkige keuze en zijn van oordeel dat de Raad de bespreking van dat voorstel beter zou opschorten, in afwachting van de conclusies van de Intergouvernementele Conferentie, die de derde pijler zou moeten hertekenen en er bepalingen inzake niet-discriminatie in opnemen; op die manier zou voor een degelijke rechtsgrond kunnen worden gekozen. Bovendien moeten overlappingen met de activiteiten ter zake van de Raad van Europa worden voorkomen.
De Belgische vertegenwoordiger (6) bij de adviescommissie « racisme en vreemdelingenhaat », die door de Europese Raad van Korfoe van juni 1994 werd belast met het formuleren van voorstellen inzake racisme- en xenofobiebestrijding (zoals de oprichting van een gespecialiseerd waarnemingscentrum), wijst erop dat het centrum een tweeledige taak dient te vervullen, met name tekenen van racisme en xenofobie in Europa inventariseren en inschatten, maar ook voorstellen tot concrete actie formuleren ter attentie van de Europese instellingen.
In zijn memorandum over de Intergouvernementele Conferentie van 1996 (stuk Kamer nr. 190/2 - 95/96, Senaat 1-140/2) heeft het Adviescomité voor de Europese aangelegenheden van Kamer en Senaat duidelijk voorgesteld in het nieuwe verdrag een bepaling op te nemen inzake de niet-discriminatie op basis van geslacht, sociale afkomst, ras, godsdienst, seksuele geaardheid, meningsuiting, handicap, taal en leeftijd.
Het zou daarom wenselijk zijn dat de Raad de bespreking van dat voorstel voor een verordening opschort in afwachting van de resultaten van de werkzaamheden van de Intergouvernementele Conferentie, die in het Verdrag duidelijke bepalingen zouden moeten invoeren die een efficiënte aanpak van racisme en xenofobie mogelijk maken.
III. VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING (EG) VAN DE RAAD TOT WIJZIGING VAN VERORDENING (EG) NR. 3030/93 VAN DE RAAD VAN 12 OKTBOBER 1993 BETREFFENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR DE INVOER VAN BEPAALDE TEXTIELPRODUCTEN UIT DERDE LANDEN
De verordening (EG) nr. 3030/93 van 12 oktober 1993, zoals gewijzigd, bevat de voorschriften betreffende de invoer van textielproducten waarop kwantitatieve beperkingen en toezichtsmaatregelen van toepassing zijn.
Het hierbijgaande voorstel voor een verordening heeft ten doen in genoemde verordening wijzigingen aan te brengen, en enkele bepalingen te verduidelijken en bij te werken.
i) De Commissie behoeft de verordening niet meer te wijzigen indien er wijzigingen optreden in de lijst van leden van de Wereldhandelsorganisatie of de lijst van voor de afgifte van invoerdocumenten verantwoordelijke nationale instanties. Ter informatie van de bedrijven zullen dergelijke wijzigingen voortaan in de C-reeks van het Publikatieblad worden bekendgemaakt.
ii) Ten gevolge van het sluiten van overeenkomsten met India en Vietnam zullen met handgetouwen vervaardigde weefsels en folkloristische producten uit deze landen onder een andere invoerregeling vallen.
iii) Volgens artikel 8 van verordening 3030/93 is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk meer in te voeren dan de overeengekomen kwantitatieve maxima. Het is nodig gebleken nader te omschrijven op welke voorwaarden deze extra hoeveelheden kunnen worden ingevoerd.
iv) Om het beheer van de kwantitatieve maxima te versoepelen wordt voorgesteld dat de geldigheidsduur van de uitvoervergunningen in buitengewone omstandigheden kan worden verlengd (van 31 maart tot 30 juni van hetzelfde jaar).
v) Voorgesteld wordt duidelijker te vermelden dat de Overeenkomst betreffende Textiel- en Kledingproducten (wat WTO-Leden betreft) en bilaterale overeenkomsten (met andere derde landen) voorrang hebben op verordening nr. 3030/93 indien de verordening met de overeenkomsten in strijd is.
vi) Kleinere wijzigingen die uit voorgaande voortvloeien.
Dit voorstel voor een verordening is vooral van technische aard en heeft tot doel de verordening van de Raad van 12 oktober 1993 te wijzigen die een gemeenschappelijke regeling heeft ingesteld voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen en ook de noodzakelijke verduidelijkingen te brengen.
Er is dus geen aanleiding tot verder onderzoek van dit voorstel.
Dit document beoogt het omschrijven van een coherente Europese aanpak van de strijd tegen de vrouwenhandel voor seksuele exploitatie; de bevoegde instanties dienen politiek overleg te voeren over de erin vervatte voorstellen. Rekening houdend met de in het raam van de IIIe pijler geplande initiatieven tracht het tegelijkertijd concrete, op korte termijn realiseerbare voorstellen uit te stippelen.
Na een korte beschrijving van de oorzaken en implicaties van de vrouwenhandel voor seksuele exploitatie in Europa, geeft de Commissie een omschrijving van een geďntegreerd beleid, dat via de derde pijler (Justitie en Binnenlandse Zaken) zowel communautair als in de Lid-Staten zal inwerken.
De door de Commissie voorgestelde initiatieven bevatten de volgende aspecten :
a) interdisciplinaire initiatieven :
· goedkeuring van het STOP-programma (Sexual Trafficking of Persons) in het raam van de derde pijler; dat strekt ertoe ter zake over betrouwbaarder gegevens te beschikken en het onderzoek te verbeteren;
· verbetering van de inzameling en verspreiding van de gegevens in de Lid-Staten;
· verbetering van de samenwerking en de coördinatie van de werkzaamheden van de internationale instanties (met name die van de raad van Europa);
· door de Gemeenschap gefinancierde voorlichtings- en bewustmakingscampagnes;
b) immigratie :
· uitwerking van opleidingsmodules voor de ambtenaren van de nationale immigratiediensten;
· uitreiking van tijdelijke verblijfsvergunningen aan slachtoffers die als getuige willen optreden in gerechtelijke procedures; werken aan coördinatie tussen gerechtelijke en politiediensten ten einde te voorkomen dat zij worden uitgewezen;
c) justitiële samenwerking :
· verbetering van de bestaande internationale instrumenten ter bescherming tegen de vrouwenhandel;
· verbetering van de nationale wetgeving, om beter rekening te houden met buitenlandse vrouwen die bijzonder kwetsbaar zijn;
· invoering van een nieuw, specifiek communautair, wettelijk instrument : gezamenlijke actie van de Lid-Staten, ter verbetering van de gerechtelijke samenwerking tegen de vrouwenhandel, met name door extraterritoriale bepalingen in te stellen;
· strengere sancties;
d) politionele samenwerking :
· betere informatie-uitwisseling tussen politionele overheden, met name in het raam van Europol, alsmede invoering van een bestand van deskundigen inzake misdaadbestrijding (lijsten met contactpunten ten behoeve van de politiediensten);
· opleiding van de politiediensten (met name invoeging van opleidingsmodules in het STOP-programma) en organisatie van gezamenlijke cursussen tussen de politiediensten van de Lid-Staten;
· betere samenwerking en informatie-uitwisseling met derde landen, meer bepaald in het raam van Europol;
e) de maatschappelijke en werkgelegenheidsdimensie :
· betere preventieve voorlichting : sensibilisering van het publiek, voorlichtingscampagnes;
· opzetten van programma's voor sociale bijstand aan slachtoffers, bestrijding van de sociale uitsluiting en sociale reclassering;
· oprichting van opvang- en rehabilitatiecentra;
· werkgelegenheidsaspecten : aandacht voor de arbeidsomstandigheden van au pair-meisjes, van vrouwen die werken in bars en « gezondheidsclubs »; controle op de naleving door de werkgevers van de criteria inzake het recht op vestiging in de Europese Unie;
· voorzien in opleidingsmodules voor wie op plaatselijk en landelijk vlak werkt in diensten voor sociale bijstand en volksgezondheid;
f) tegelijkertijd doet de Commissie voorstellen inzake betere samenwerking met de derde landen; zo zou met name in bepaalde raamovereenkomsten met die landen kunnen worden voorzien in overleg over vrouwenhandel en over de manier waarop de overeenkomstsluitende partijen ter zake kunnen samenwerken;
g) er zijn nog andere acties gepland, onder meer met :
· de PHARE en TACIS-landen :
opzetten, via het « Democratieprogramma », van projecten die specifiek aandacht besteden aan de vrouwen en aan hun sociale status in de LMOE's. Ook de politionele en justitiële samenwerking met die landen is vatbaar voor verbetering;
· de ACS-landen :
er dient te worden voorzien in acties in het raam van het EOF, onder meer de verbetering van de wetgeving, de opleiding van het gerechtelijk en politiepersoneel, sensibilisering van het publiek voor het vraagstuk van de vrouwenhandel; ondersteuning van proefprojecten met de NGO's met het oog op de reclassering van de slachtoffers;
· de ALA- en MED-landen :
voorzien in acties inzake sociale reclassering van de vrouwen, met name in het raam van het MEDA-programma (invoeging van een project voor de bestrijding van de vrouwenhandel en preventie); acties in samenwerking met de in die sector bedrijvige NGO's (met name in de ALA-landen).
Niet alleen de instellingen van de Unie, maar ook de Lid-Staten moeten zich actief inzetten om paal en perk te stellen aan het vraagstuk van de vrouwenhandel. Om die doelstelling te halen, wil de Commissie dat de Lid-Staten terzake een voluntaristisch beleid voeren. Zo worden de Lid-Staten met name verzocht onverwijld werk te maken van de bekrachtiging van het Europol-Verdrag, strenge bestraffing van de mensenhandel in uitzicht te stellen, de slachtoffers erop attent te maken dat zij desgewenst een beroep kunnen doen op vrouwelijke politieagenten, opvang- en rehabilitatiecentra voor de slachtoffers op te richten, de diensten voor sociale en sanitaire inspectie en de politiediensten (beter) te coördineren om de slachtoffers op het spoor te komen, de opleiding van het personeel van de plaatselijke en landelijke projecten voor sociale en gezondheidsdiensten te ondersteunen, de doeltreffendheid van de nationale wetgevingen te evalueren enz.
De mededeling van de Commissie komt tot het besluit dat iedere nationale regering prioritair aandacht moet besteden aan het vraagstuk van de vrouwenhandel.
In België heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers op 26 november 1992 terzake een wetsvoorstel van de heer Vande Lanotte c.s. goedgekeurd. Als gevolg daarvan werd op 23 december 1992 een parlementaire onderzoekscommissie opgericht, belast met het onderzoek naar een structureel beleid met het oog op de bestraffing en de uitroeiing van de mensenhandel (waarvan de oorspronkelijke benaming luidde « Parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar een structureel beleid gericht tegen de internationale vrouwenhandel »). Zoals de indiener van het voorstel er in zijn toelichting aan herinnerd heeft, waren de regeringsinitiatieven ter bestrijding van de internationale vrouwenhandel niet toereikend om op dat vlak een coherent beleid te voeren. De onderzoekscommissie van de Kamer werd er dus mee belast aanbevelingen te formuleren, om een structureel beleid inzake bestraffing en uitroeiing van de mensenhandel uit te werken; het onderzoek werd evenwel beperkt tot de vrouwenhandel en de seksuele exploitatie, dus de aangelegenheden waarop de mededeling van de Europese Commissie betrekking had. De aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie werden, op één onthouding na, eenparig goedgekeurd (zie Stuk Kamer, nr. 673/7 1991/1992 van 18 maart 1994). In haar antwoord op het verslag van de onderzoekscommissie van de Kamer (zie Stuk Kamer, nr. 673/9 1991/1992 van 15 september 1994) geeft de regering een omstandig overzicht van een reeks door haar ondernomen of geplande acties om concreet gestalte te geven aan de aanbevelingen van de onderzoekscommissie. Een van die aanbevelingen is dat de regering bij het Parlement jaarlijks een verslag zou indienen over de ontwikkeling van de toestand inzake de bestrijding van de mensenhandel.
Het door de heer Vande Lanotte c.s. op 28 maart 1994 ingediende wetsvoorstel tot bestrijding van de mensenhandel bevat een reeks bepalingen die de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie tot doel hebben, onder meer het indienen van een jaarverslag terzake door de regering. Dat wetsvoorstel werd de wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie. Krachtens artikel 12 van voornoemde wet heeft de minister van Justitie bij brief van 18 oktober 1996 aan de Kamer het regeringsverslag over de bestrijding van de mensenhandel toegezonden. Dat verslag, alsmede de desbetreffende jaarverslagen 1996 en 1997 van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding werden doorgezonden aan een speciaal daartoe opgerichte commissie, de « Bijzondere commissie belast met het onderzoek van de verslagen over de mensenhandel ». Het bureau van die commissie werd op 23 januari 1997 samengesteld. De commissie heeft reeds zes vergaderingen gehouden, waarop zij de Eerste minister, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie heeft gehoord. Ook het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en degenen die bij de politiediensten de leiding hebben inzake de bestrijding van de mensenhandel werden gehoord. Daarnaast werden de centra voor slachtofferopvang (een per gewest) verzocht hun ervaringen schriftelijk mee te delen.
Aangezien de mededeling van de commissie betrekking heeft op aangelegenheden die in ruime mate behandeld werden door de « Bijzondere Kamercommissie belast met het onderzoek van de verslagen over de mensenhandel », wordt voorgesteld de technische fiche en het stuk van de commissie ter informatie en eventueel onderzoek over te zenden aan de voormelde bijzondere commissie alsmede aan de terzake bevoegde Senaatscommissie.
Overeenkomstig artikel 109 J.1 van het EG-Verdrag onderzoekt de Commissie in dit verslag hoever de Lid-Staten in 1996 stonden met de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de overgang naar de derde fase van de EMU. Onder andere op basis van dit document moest de Europese Raad uiterlijk op 31 december 1996 beslissen of een meerderheid van de Lid-Staten al dan niet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldeed en of het dus passend was of niet dat de Gemeenschap al in 1997 de derde fase van de EMU inging (art. 109 J.3).
Het rapport van de Commissie volgt volledig de lijst van onderwerpen die in artikel 109 J.1 worden opgesomd en onderzoekt dus achtereenvolgens :
1. de verenigbaarheid van de nationale wetgeving betreffende de centrale bank van elke Lid-Staat met het EG-Verdrag en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) : het rapport stelt vast dat in vrijwel alle Lid-Staten bepalingen bestaan die nog moeten worden aangepast.
2. de convergentiegraad in strikte zin, dit wil zeggen de mate waarin elke Lid-Staat voldoet aan de vier zogenaamde Maastricht-criteria :
a) prijsstabiliteit : in september 1996 bleven 10 Lid-Staten (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden) onder de inflatiereferentiewaarde (2,6 %, dit is : 1,5 % boven het gemiddelde inflatiecijfer van de drie landen met de laagste inflatie), twee Lid-Staten (Portugal, Verenigd Koninkrijk) waren er dicht bij en de drie overige (Griekenland, Italië, Spanje) gingen in de goede richting.
b) overheidsfinanciën : op het tijdstip van het onderzoek voldeden slechts drie Lid-Staten aan dit criterium (Denemarken, Ierland, Luxemburg). Voor alle andere Lid-Staten gold een besluit van de Raad waarin werd vastgesteld dat er sprake was van een buitensporig tekort in de zin van artikel 104 C.6 van het EG-Verdrag.
Ten aanzien van de twee referentiewaarden betreffende de overheidsfinanciën (tekort van 3 % van het BBP, bruto-schuldquote van 60 % van het BBP) verwachtte de Commissie dat in 1996 :
vier landen (de drie genoemde plus Nederland) onder de tekortreferentiewaarde zouden blijven en dat twee Lid-Staten (België, Finland) deze waarde dicht zouden benaderen;
drie landen (Luxemburg, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk) onder de schuldreferentiewaarde en twee landen (Duitsland, Finland) er dicht bij zouden blijven.
Het rapport stelt wel vast dat de meeste Lid-Staten tijdens de tweede fase van de EMU (vanaf 1 januari 1994) aanzienlijke vooruitgang geboekt hebben bij de verbetering van hun begrotingssituatie. In België en Denemarken is er voor beide deelcriteria (tekort en schuld) een gestage verbetering sinds 1993.
c) wisselkoersstabiliteit : eind 1996 namen 10 valuta's (die van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje) ten minste twee jaar deel aan het Europees Monetair Stelsel (EMS). Twee daarvan (de peseta en de escudo) werden in die periode gedevalueerd. De D-mark, de gulden, de schilling en de Belgische frank waren de sterkste munten.
d) langetermijnrente : in september 1996 bleven elf Lid-Staten (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zweden) onder de referentiewaarde (8,7 %, dit is : 2 % boven het gemiddelde rendement op obligaties met een looptijd van tien jaar in de drie Lid-Staten met de laagste inflatie). De rente-écarts in de landen die niet aan het criterium voldeden namen bovendien af.
3. Diverse andere ontwikkelingen die voor de economische integratie en convergentie van belang zijn :
a) de ontwikkeling van de Ecu (eerder negatief : de Ecu stond meestal zwak en de emissies in Ecu bleven beperkt);
b) de resultaten van de interne markt (significante effecten op de structuur van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, de buitenlandse directe investeringen, de concurrentieomstandigheden en de prijsconvergentie);
c) het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans (voor de Europese Unie als geheel en voor 10 Lid-Staten, waaronder België, was er in 1996 een overschot);
d) ontwikkeling van de arbeidskosten en van de invoerprijzen (bevredigend : de stijging van deze kosten bleef beperkt).
De conclusie van het rapport is dat sinds het begin van de tweede fase van de EMU in alle Lid-Staten aanzienlijke vooruitgang geboekt is in de richting van meer convergentie. De vooruitgang heeft vooral in 1996 aan kracht gewonnen, maar is toch niet voldoende om te kunnen zeggen dat in dat jaar al een meerderheid van de Lid-Staten een hoge mate van duurzame convergentie bereikt hadden. Vooral de budgettaire onevenwichtigheden vormden nog een probleem.
Artikel 109 J, lid 2 en 3, van het EG-Verdrag schrijft in detail de procedure voor de behandeling van dit verslag van de Commissie voor.
Op 11 november 1996 heeft de Ecofin-Raad aan de hand van dit verslag (en van het verslag van het Europees Monetair Instituut over hetzelfde onderwerp) geoordeeld dat er geen meerderheid van de Lid-Staten was die aan de nodige voorwaarden vóór de aanneming van één munt voldeden, dat de Gemeenschap de derde fase van de EMU dus nog niet kon ingaan en dat dus een beroep moest worden gedaan op artikel 109 J.4 van het Verdrag (begin van de derde fase op 1 januari 1999, met die Lid-Staten waarvan voor 1 juli 1998 is vastgesteld dat zij aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoen). De Ecofin-Raad heeft de Europese Raad een beslissing in die zin aanbevolen.
In zijn resolutie houdende advies van 28 november 1996 heeft het Europees Parlement zich bij het standpunt van de Commissie en de Ecofin-Raad aangesloten.
Met het oog op de selectie in 1998 van de Lid-Staten die vanaf 1 januari 1999 de eenheidsmunt kunnen aannemen, beklemtoont het Parlement wel de flexibiliteit van de convergentiecriteria, zoals ze in het EG-Verdrag zijn geformuleerd. Het wijst in het bijzonder op de beoordelingsmarge betreffende de begrotingscriteria waar artikel 104 C, lid 2 en 3, in voorziet. In dit verband vraagt het Parlement ook dat de Ecofin-Raad de besluiten inzake het bestaan van een buitensporig tekort intrekt zodra de betrokken Lid-Staten dit tekort gecorrigeerd hebben.
Met betrekking tot het criterium van de wisselkoersstabiliteit stelt de resolutie dat het uitblijven, gedurende twee jaar, van een devaluatie ten opzichte van de valuta van de andere Lid-Staten voldoende moet zijn om te oordelen dat een Lid-Staat aan dit criterium voldoet. De voorwaarde dat een Lid-Staat ten minste twee jaar aan het wisselkoersmechanisme van het EMS moet deelnemen (voorwaarde die nochtans in het Verdrag staat), vindt het Parlement overbodig.
Ten slotte vraagt het Parlement dat de twee Lid-Staten met een opt-out-clausule betreffende de eenheidsmunt (Denemarken en het Verenigd Koninkrijk) toch alles in het werk stellen om aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt vanaf 1 januari 1999 te voldoen.
Op 13 december 1996, tijdens de top van Dublin, heeft de Europese Raad beslist de aanbeveling van de Ecofin-Raad en het advies van het Europees Parlement te volgen.
In feite had de Europese Raad al op de top van Madrid in december 1995 en opnieuw op de top van Firenze in juni 1996 informeel besloten dat de derde fase van de EMU niet in 1997 maar pas op 1 januari 1999 kon ingaan. Het verslag van de Commissie over de eind 1996 bereikte convergentie en de hele procedure voor de behandeling van dit verslag werden zo vooral een formaliteit die vervuld moest worden om te voldoen aan de verplichtingen die artikel 109 J van het EG-Verdrag oplegt. Het belang van het document ligt dan ook niet zo zeer in de politieke relevantie ervan maar in de schat aan informatie die het geeft over de convergentieinspanningen die de diverse Lid-Staten sinds het begin van de tweede fase van de EMU gedaan hebben.
Het rapport bevestigt dat België in 1996 al goed presteerde voor de criteria inflatie, wisselkoersstabiliteit en langetermijnrente en in de goede richting evolueerde op het gebied van de overheidsfinanciën, meer bepaald wat het tekort betreft. Het rapport vermeldt eveneens dat de Belgische wetgeving betreffende de centrale bank op het tijdstip van onderzoek nog niet volledig in overeenstemming was met het EG-Verdrag en de statuten van het ESCB en verwijst in dit verband naar de regels betreffende de benoeming van de gouverneur van de Nationale Bank (blz. 15-17 van het verslag). Volgens de Commissie is de Belgische regering echter « voornemens in de nabije toekomst een omvangrijke hervorming van de wetgeving inzake de centrale bank in te dienen » (blz. 11) om de vereiste conformiteit te bereiken. Het wetsontwerp in kwestie is op 6 mei 1997 in de Ministerraad besproken en wordt eerlang bij de Kamer ingediend. Het betreft hier een minder bekend aspect van de convergentieproblematiek, dat men niet uit het oog mag verliezen.
Aangezien de behandeling van het verslag op Europees niveau volledig achter de rug is, is er geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek.
Deze technische fiche en het document van de Commissie worden wel ter informatie doorgestuurd aan de bevoegde commissies van Kamer en Senaat, met het oog op de behandeling van het wetsontwerp dat de bepalingen betreffende de Nationale Bank in overeenstemming moet brengen met het EG-Verdrag en de statuten van het ESCB.
De algemene doelstelling van dit verslag (7) is het geven van een overzicht van de regelingen die de Lid-Staten hebben ontwikkeld en de maatregelen die zij hebben genomen om de deelneming van werknemers in bedrijfswinsten en -resultaten te bevorderen.
In haar aanbeveling van 27 juli 1992 (92/443/EEG) betreffende de bevordering van werknemersparticipatie in bedrijfswinsten en -resultaten (inclusief aandelenparticipatie), gaf de Raad aan de Commissie de opdracht om binnen vier jaar na de aanneming van de betreffende aanbeveling een verslag samen te stellen. De antwoorden van de Lid-Staten op een schriftelijke vragenlijst aangaande eventuele acties die op basis van de aanbevelingen zijn ondernomen vormen de basis van dit verslag.
De Commissie stelt dat de bevindingen aangaande het stimulerende effect van regelingen op de winstgevendheid opmerkelijk consistent zijn. In alle gevallen wordt winstdeling in verband gebracht met een grotere produktiviteit, ongeacht de methode, het model en de gegevens die zijn gebruikt. Verder hebben de regelingen een positief effect op de loonflexibiliteit, werkgelegenheid en betrokkenheid van de werknemers. De ontwikkeling van financiële-participatieregelingen wordt sterk beďnvloed door overheidsmaatregelen en in het bijzonder door belastingfaciliteiten.
De verschillen tussen de beleidslijnen van de regeringen van de afzonderlijke EU-landen zijn het gevolg van de uiteenlopende tradities en praktijken op het gebied van financiële-participatieregelingen. Sinds de verschijning van het eerste PEPPER-verslag in 1991 is het algemene beleid van de regeringen van de Lid-Staten ten aanzien van PEPPER-regelingen niet wezenlijk veranderd. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben een lange traditie als het gaat om het stimuleren van financiële participatie. In Ierland, Nederland en Finland lijkt de overheidssteun voor PEPPER toe te nemen. In deze landen wordt gewezen op de noodzaak van een grotere betrokkenheid van het personeel, een hogere produktiviteit, een groter concurrentievermogen en een grotere loonflexibiliteit op de arbeidsmarkt. In Duitsland, Spanje en Italië hebben de autoriteiten heel recentelijk een sterk beroep op de sociale partners gedaan om zich tijdens hun onderhandelingen vóór de invoering van dergelijke regelingen uit te spreken. In alle andere Lid-Staten is PEPPER weliswaar onderwerp van discussie geweest, maar was er van officiële overheidssteun weinig of geen sprake. Met uitzondering van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bevordert de wetgeving in de EU-landen met name het aandeelhouderschap van werknemers. Een aantal landen noemde de tendens tot privatisering van overheidslichamen als een ontwikkeling waarvan mogelijk gebruik kan worden gemaakt om de belangstelling voor PEPPER-regelingen te vergroten.
De meeste wetgeving in de Lid-Staten inzake de bevordering van financiële-participatieregelingen, heeft betrekking op stimulerende maatregelen zoals het verlenen van fiscale en andere financiële voordelen.
In de Lid-Staten zijn ten aanzien van PEPPER-regelingen bepaalde wettelijke voorwaarden gesteld, die in hoofdzaak betrekking hebben op de mogelijkheid om voor belastingvermindering in aanmerking te komen.
Recente argumenten voor vergroting van de produktiviteit, de werkgelegenheid en de loonflexibiliteit, stimuleren het debat over voorstellen op dit terrein. Zo nu en dan besluiten ondernemingen die zich voor economische of financiële problemen gesteld zien, tot de uitgifte van aandelen aan hun personeel. Zonder voldoende voorlichting zijn hieraan voor het personeel echter grote risico's verbonden. De betrokken partijen staan dan ook sceptisch tegenover een dergelijke handelwijze.
In het verslag worden de volgende ideeën aangebracht :
Het bevorderen van de ontwikkeling van een nationale kaderwetgeving door de Lid-Staten.
Het verduidelijken van het onderscheid tussen lonen waarover sociale premies worden geheven en de voordelen die uit PEPPER-regelingen worden genoten.
Het meer openstellen van PEPPER-regelingen voor bepaalde groepen van begunstigden.
Het creëren van een gunstig klimaat. Het oprichten van nationale institutionele lichamen die systemen opzetten voor het bevorderen van PEPPER binnen de nationale context zou hiertoe kunnen bijdragen.
Het opzetten van PEPPER-regelingen tijdens de privatisering van publiekrechtelijke lichamen, om op die manier meer ervaring op te doen en een groter publiek bewust te maken van de mogelijkheden van deze regelingen.
Het integreren van PEPPER-regelingen in programma's betreffende werknemersparticipatie, ten einde de produktiviteit van het personeel te vergroten en het concurrentievermogen en de kwaliteit van de produktie te verbeteren.
Een beroep doen op de sociale partners om zich tijdens hun onderhandelingen in te zetten voor de invoering van dergelijke regelingen, waarbij wordt gewezen op de verwachte positieve effecten van deze regelingen op de produktiviteit, loonflexibiliteit, werkgelegenheid en betrokkenheid van het personeel.
Verhinderen dat werknemers onverantwoorde risico's lopen wanneer een bedrijf dat kampt met economische of financiële problemen besluit tot de uitgifte van aandelen aan het personeel.
Het wegnemen van de problemen met intracommunautaire regelingen waarbij dochterondernemingen in verschillende EU-landen zijn betrokken door de uitwisseling van betrouwbare informatie over de verschillende PEPPER-regelingen en -procedures in de Lid-Staten te bevorderen.
Het bevorderen van de ontwikkeling van heldere en begrijpelijke modellen en plannen voor de invoering van regelingen die voor de leidinggevende functionarissen en de arbeiders hanteerbaar en begrijpelijk zijn, om zodoende te verhinderen dat PEPPER-regelingen complex en ingewikkeld worden.
Het stimuleren van informatie-uitwisseling tussen de Lid-Staten middels het ontwikkelen van demonstratieprojecten betreffende « goede praktijken » en het bevorderen van informatie-uitwisseling via werkgroepen en conferenties alsook via andere communicatievormen. Deze acties dienen bij voorkeur te zijn gericht op de sociale partners.
De toestand in België
Sinds de aanneming in 1992 van de communautaire aanbeveling betreffende PEPPER-regelingen heeft de Belgische regering op dit vlak geen nieuwe initiatieven genomen. De invoering van financiële participatieregelingen in België ondervindt nog steeds hinder van het ontbreken van een samenhangend en specifiek wettelijk kader en van de afwezigheid van belastingfaciliteiten.
In het kader van de algemene loonstop heeft de Belgische regering van 1994 tot eind 1996 de invoering van nieuwe financiële participatieregelingen zelfs verboden.
In de wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen (8) heeft de regering de intentie te kennen gegeven om een wetsontwerp in te dienen dat een definitie zal geven van de winstdeelnemingen die buiten de loonmarge kunnen worden toegekend en waarvan het bedrag niet zal worden opgenomen in de berekening van de loonkosten. Het voorontwerp van wet is momenteel nog voor advies bij de Raad van State.
Aangezien de regering een wetsontwerp over deze materie voorbereidt, wordt het verslag van de Europese Commissie, samen met de technische fiche, aan de terzake bevoegde vaste commissies van Kamer en Senaat overgezonden.
| Document | Onderzoek door het Comité |
Verslag | Conclusie | Opvolging | Mededeling aan de plenaire vergadering van de Kamer |
| Europese defensie - industrie. COM(96)0010 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Overzending voor informatie en eventueel verder onderzoek aan de bevoegde Commissies van Kamer en Senaat. | Brief aan de Voorzitter van de Commissie Defensie (Kamer) op 23 januari 1997 Brief aan de Voorzitter van de Commissie Buitenlandse zaken (Senaat) op 22 januari 1997. | 20.03.1997 |
| Milieu en duurzame ontwikkeling. COM(95)0647 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Advies gevraagd aan de Nationale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (NDRO). | Brief aan de Voorzitter (Prins Filip) van de NDRO door de Voorzitters van Kamer en Senaat op 15 januari 1997. | 20.03.1997 |
| Transeuropees vervoersnetwerk. COM(94)0106 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Deze problematiek zal onderzocht worden in het kader van een initiatiefrapport over de tenuitvoerlegging van het Witboek Delors over Tewerkstelling, groei en mededinging. | 20.03.1997 | |
| Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. COM(95)0731 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Bijkomende informatie te vragen aan de Regering inzake haar standpunt en houding hierover in de Raad. | Brief aan de Minister van Financiën op 8 januari 1997. | 20.03.1997 |
| Grensoverschrijdende samenwerking tussen de Gemeenschap en de LMOE in 1994. COM(95)0662 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Het informatierapport heeft niet onmiddellijk betrekking op België. Er is geen verder onderzoek nodig. | | 20.03.1997 |
| Actieprogramma van de gemeenschappelijke douane - Douane 2000. COM(95)0119 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Deze problematiek wordt onderzocht in het kader van een initiatiefrapport van de heer Chanterie (EP) over de fraudebestrijding in de Europese Unie. | 20.03.1997 | |
| Kwaliteit van water bestemd voor het menselijk gebruik. COM(94)0612 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Er zijn geen redenen om het document verder te onderzoeken. | | 20.03.1997 |
| Fraude en onregelmatigheden die een nadeel zijn voor de financiële belangen van de Europese Gemeenschap. COM(95)0690 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Deze problematiek wordt onderzocht in het kader van een initiatiefrapport van de heer Chanterie (EP) over de fraudebestrijding in de Europese Unie. | 20.03.1997 | |
| Toepassing van het subsidiariteitsprincipe. SEC(96)0002 |
12.11.1996 | 1-480/1-96/97 (S). 784-1-96/97 (K). |
Een rapport zal aan dit onderwerp gewijd worden op basis van het rapport van de Commissie van de Europese Raad te Dublin en het betreffende rapport van de Franse Senaat. | 20.03.1997 | |
| Veiligheid van het vervoer van radioactive stoffen. COM(96)0011 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
De technische fiche en het document van de Commissie worden ter informatie en eventueel verder onderzoek aan de bevoegde Commissies van Kamer en Senaat overgezonden. | Brief op 23 januari 1997 aan de Voorzitters van de Commissies voor Bedrijfleven, Volksgezondheid en Binnenlandse zaken (Kamer). Brief op 22 januari 1997 aan de Voorzitters van de Commissies Financiën en Economische Zaken en Sociale zaken (Senaat). | 20.03.1997 |
| Telecommunicatie. COM(96)0543 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Er zijn geen redenen tot verder onderzoek. | | 20.03.1997 |
| Mededeling van de Commissie over het energiebeleid. COM(96)0320 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Er zijn geen redenen tot verder onderzoek. | | 20.03.1997 |
| Richtsnoeren van de transeuropese netwerken in de energiesector. COM(96)0390 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Er zijn geen redenen tot verder onderzoek. | | 20.03.1997 |
| Globale richtsnoeren voor het economisch beleid. COM(96)0211 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
De technische fiche en het document van de Commissie worden ten informatie en eventueel verder onderzoek aan de bevoegde Commissies van Kamer en Senaat overgezonden. | Brief van 23 januari 1997 aan de Voorzitters van de Commissie Financiën en Bedrijfsleven (Kamer). Brief van 22 januari 1997 aan de Voorzitter van de Commissie Financiën en Economische zaken (Senaat). | 20.03.1997 |
| Strijd tegen fraude bij doorvoer. SEC(96)0290 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Deze problematiek wordt onderzocht in het kader van een initiatiefrapport van de heer R. Chanterie (E.P.) over de fraudebestrijding in de Europese Unie. | 20.03.1997 | |
| Cacao- en chocoladeproducten Com(95)0722 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Het Adviescomité heeft besloten tot een grondiger onderzoek. | Een hoorzitting hierover werd georganiseerd op 25 februari 1997. | 20.03.1997 |
| Werkprogramma van de Commissie voor 1997. COM(96)0507 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Organisatie van een hoorzitting met de Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie over het werkprogramma van de Commissie voor 1997. | De hoorzitting met de heer de Schoutheete de Tervarent, Permanent Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie, heeft plaatsgehad op 28 januari 1997. | 20.03.1997 |
| Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. COM(96)0600 |
14.12.1996 | 1-504/1 (S). 850/1-96/97 (K). |
Het Federaal parlement moet in het bezit gesteld worden van het jaarlijks rapport over de tenuitvoerlegging van het EEG-Verdrag, dat de Regering jaarlijks dient over te zenden aan de Wetgevende Kamers, krachtens artikel 2 van de wet van 2 december 1957 houdende de goedkeuring van dat Verdrag. | Brief van 10 januari 1997 aan de Eerste Minister. | 20.03.1997 |
| Gemeenschappelijk BTW-stelsel COM(96)0328 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
Er wordt op meer uitgewerkte voorstellen van de Europese Commissie gewacht vooraleer over te gaan tot een diepgaandere behandeling van dit thema. De technische fiche en het document van de Europese Commissie worden ter informatie en ter eventuele verdere behandeling overgemaakt aan de bevoegde Commissies van Kamer en Senaat. | ||
| Wisselkoersbetrekkingen CSE(95)2108 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
De technische fiche en het document van de Europese Commissie worden ter informatie en ter eventuele verdere behandeling overgemaakt aan de bevoegde Commissies van Kamer en Senaat. | ||
| Bestrijding van geluidshinder COM(96)0540 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
Een technische fiche zal opgemaakt worden over de twee volgende documenten : 1. Tenuitvoerlegging van het gemeenschapsrecht inzake leefmilieu. Mededeling van de Commissie, COM(96)0500 2. Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over milieuconvenanten, COM(96)0561. |
||
| Onderwijs COM(96)0471 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
In België zijn de gemeenschappen bevoegd voor onderwijs en beroepsopleiding. Het voorliggende document hoeft dus niet verder te worden besproken. | ||
| Verkoop van en waarborgen voor consumptiegoederen COM(95)520 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
Gelet op wat voorafgaat, is het aangewezen met de bespreking van dit voorstel te wachten tot het een verder gevorderd stadium heeft bereikt. | ||
| Communautair douanewetboek COM(96)326 |
25.02.1997 | 1-562/1-96/97 (S). 953/1-96/97 (K). |
De problematiek wordt verder behandeld in het rapport over Europese fraudebestrijding dat de heer Chanterie (EP) namens het Adviescomité voorbereidt. | ||
| Gemeenschappelijke ordening, der markten in de sector ruwe tabak. COM(96)0478 en COM(96)0554 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Voorgesteld wordt het document COM(96)0609 over te zenden aan de Commissies van Kamer en Senaat die het wetsontwerp op de tabaksreclame behandelen. | Verzonden bij brief van 25 april 1997 (K + S). | 30.04.1997 |
| Voorstel voor een besluit van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van het cultureel erfgoed, « Raphaël ». COM(96)0110 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
De parlementaire controle op het besluitvormingsproces wordt in deze materie waargenomen door het Europees Parlement, dat over medebeslissingsrecht beschikt. Bovendien is cultuur in België een exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschappen. Het document geeft dus geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek. | 30.04.1997 | |
| Voorstel voor een beschikking van de Raad tot aanneming van een communautair meerjarenprogramma om de totstandbrenging van de informatiemaatschappij in Europa te stimuleren. COM(96)0592 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Halverwege de looptijd van het programma (1997-1998) zal de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een tussentijds evaluatierapport indienen betreffende de opgezette activiteiten en de behaalde resultaten. Er wordt voorgesteld dat het Adviescomité een initiatiefverslag opstelt over de totstandbrenging van de informatiemaatschappij in Europa op basis van het hogergenoemd verslag van de Europese Commissie. | 30.04.1997 | |
| Voorstel voor een verordening van de Raad inzake statistieken over het peil en de structuur van de loonkosten. COM(96)0475 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Actuele, nauwkeurige en vergelijkbare gegevens over het peil en de structuur van de loonkosten zijn noodzakelijk voor de uitvoering en evaluatie van het economisch, sociaal en ondernemingsbeleid. Er wordt voorgesteld om de resultaten van dit onderzoek te gebruiken en te integreren in het verslag dat het Adviescomité zal wijden aan het sociale Europa. | 30.04.1997 | |
| Mededeling van de Europese Commissie inzake het stabiliteitspact als garantie voor de begrotingsdiscipline in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie. COM(96)0496 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Daar het stabiliteits- en groeipact, zoals voorgesteld door de Europese Commissie, verregaande gevolgen zal hebben voor België, wordt de Regering verzocht om het Parlement te informeren over elke significante vooruitgang in de voorbereidende werkzaamheden (o.m. op het niveau van het Monetair Comité) en het te raadplegen vooraleer een bindende politieke beslissing terzake wordt genomen. | 30.04.1997 | |
| Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de milieuconvenanten. COM(96)0561 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Het betreffende document kan te gepasten tijde terug bekeken worden in het licht van het advies dat door het Adviescomité gevraagd werd aan de Nationale Raad voor Duurzame Ontwikkeling over onder meer het vijfde milieuactieprogramma [COM(95)0624 en COM(95)0647] « Op weg naar duurzame ontwikkeling ». Zie stuk Kamer nr. 784/1 - 96/97 en Senaat nr. 1-480/1. | 30.04.1997 | |
| Mededeling van de Commissie, de tenuitvoerlegging van de Communautaire milieuwetgeving. COM(96)0500 |
25.03.1997 | 1-590/1-96/97 (S). 990/1-96/97 (K). |
Het betreffende document kan te gepasten tijde terug bekeken worden in het licht van het advies dat door het Adviescomité gevraagd werd aan de Nationale Raad voor Duurzame Ontwikkeling over onder meer het vijfde milieuactieprogramma [COM(95)0624 en COM(95)0647] « Op weg naar duurzame ontwikkeling ». Zie stuk Kamer nr. 784/1 - 96/97 en Senaat nr. 1-480/1. | 30.04.1997 |
(1) Derde zitting van de 49e zittingsperiode.
(2) « Observatoire européen institutionnel législatif (O.E.I.L.) » (Europees wetgevingbestand).
Doel van O.E.I.L. is de opvolging van de fasen in het besluitvormingproces van de Europese Gemeenschap om parlementaire controle mogelijk te maken en de parlementaire instanties toe te laten te gepasten tijde te interveniëren.
Alle informatie betreffende de wetgevingsprocedure (vanaf de aankondiging in het Wetgevend programma en de indiening van een voorstel van de Europese Commissie tot en met de aanneming door de Raad (na de beraadslaging in het Europees Parlement en de Raad) is opgenomen in een centraal informatica-systeem. Van elke fase wordt een korte synthese gegeven.
Het instrument bevat ook informatie over niet-wetgevingsvoorstellen (witboeken, aanbevelingen, enz.).
O.E.I.L. wordt beheerd door het Europees Parlement.
(3) Gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten. Deze wet voert een nieuwe titel in, luidend als volgt :
Artikel 4. In de bijzondere wet wordt een nieuwe Titel IVter « Informatie van de Kamers en de Raden over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen » ingevoegd, luidende :
« Titel IVter. Informatie van de Kamers en de Raden over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 92quater. Vanaf hun doorzending aan de Raad van de Europese Gemeenschappen worden de voorstellen van verordening en richtlijn en, in voorkomend geval, van de andere normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen overgezonden aan de Kamers en de Raden, elk wat hen betreft. »
De bijzondere wet van 16 juli 1993, artikel 62, voegt hieraan nog volgende alinea toe :
« De Kamers kunnen hun advies over deze voorstellen geven aan de Koning overeenkomstig de regels vastgesteld door de parlementaire overlegcommissie, bedoeld in artikel 41, § 5, van de Grondwet.
De Raden kunnen een advies over deze voorstellen geven aan hun Regering. »
(4) Deze rapporten geven vooreerst een synthese en peilen verder naar de juridische, sociaal-economische en politieke impact van het voorstel voor België.
(5) Art. 235 : « Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat dit verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de vergadering de passende maatregelen ».
(6) België was vertegenwoordigd door de heer J. Leman, directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding. Elke Lid-Staat beschikte over een afgevaardigde, evenals de Raad van Europa, het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad.
(7) PEPPER is de Engelse afkorting van « bevordering van werknemersparticipatie in bedrijfswinsten en -resultaten ».
(8) Zie doc. Kamer 609/1-95-96 voor de memorie van toelichting bij het wetsontwerp.