1-864/1 | 1-864/1 |
2 FEBRUARI 1998
Dit wetsvoorstel beoogt de gedeeltelijke verwezenlijking van het voornemen dat de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft geformuleerd in haar « resolutie met betrekking tot de organisatie van de nieuwe Kamer en het statuut van de toekomstige volksvertegenwoordiger », in plenaire vergadering aangenomen op 1 juli 1994, (Stuk nr. 1500/3-93/94), en meer bepaald onder titel II (Statuut van de toekomstige volksvertegenwoordiger), gedachtenstreepje dertien, dat luidt als volgt :
« Er zal onverwijld een lijst worden opgesteld met de onverenigbaarheden die voor de volgende zittingsperiode in uitzicht worden gesteld, teneinde de onafhankelijkheid te versterken, de deelneming aan de werkzaamheden te verbeteren en elk belangenconflict te voorkomen. »
Om dat voornemen in wetsbepalingen om te zetten, baseert dit wetsvoorstel zich hoofdzakelijk op drie ideeën, waaruit een aantal regels worden afgeleid :
1. Openheid : iedereen moet op de hoogte zijn van de mandaten, functies en ambten die de parlementsleden uitoefenen, ook al zijn die verenigbaar met het parlementair mandaat.
Dat is trouwens de reden waarom de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, bepaalt dat de leden van de Wetgevende Kamers net als anderen die een openbaar ambt of mandaat uitoefenen, vóór 1 april van elk jaar in een schriftelijke aangifte melding dienen te maken van alle mandaten, leidende ambten of beroepen van welke aard ook die zij tijdens het voorgaande jaar hebben uitgeoefend, zowel in de overheidssector als voor rekening van enige andere natuurlijke of rechtspersoon, feitelijke instelling of vereniging die in België of in het buitenland gevestigd is.
Het spreekt vanzelf dat die aangifte van mandaten jaarlijks opnieuw moet worden gedaan, maar desondanks is die verplichting op zich onvoldoende als het bij verkiezing toegekende mandaten betreft, vooral wanneer die mandaten onverenigbaar zijn met functies of betrekkingen in de particuliere sector. In tegenstelling tot de regeling voor de ambten of betrekkingen in overheidsdienst leidt voornoemde onverenigbaarheid niet automatisch tot stopzetting van de uitoefening van de functie of de betrekking door het parlementslid. Dit knelpunt kan alleen worden opgelost als de betrokkene bewijst dat hij de met zijn hoedanigheid van verkozene onverenigbare functie of betrekking in de particuliere sector niet langer uitoefent. Dat kan door ontslag dan wel door politiek verlof. Om dat bewijs te kunnen leveren, moet hij vooraf echter een lijst van zijn mandaten, ambten en beroepen hebben opgesteld. Dit heeft tot gevolg dat hij niet alleen elk jaar vóór 1 april een dergelijke lijst moet voorleggen, maar ook alvorens de eed als parlementslid af te leggen.
Bijgevolg verplicht dit wetsvoorstel elk parlementslid ertoe alvorens zijn mandaat uit te oefenen dezelfde lijst in te dienen als bedoeld bij de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen alsmede een vermogensaangifte in te dienen (cf. de bij artikel 2, 4º, voorgestelde § 3, eerste lid, van dit voorstel). Het enige verschil is dat de in deze wet bedoelde lijst niet meer de mandaten, ambten en beroepen zal bevatten die in het voorafgaande jaar werden uitgeoefend, maar wel die die de betrokkene bekleedt op het ogenblik dat hij wordt verkozen of zo het een plaatsvervanger betreft op het ogenblik dat het parlementslid dat hij vervangt ontslag neemt. Afgezien van dit verschil gelden hier dezelfde bepalingen inzake de desbetreffende mandaten, ambten en beroepen, de in de aangifte te vermelden oprechtverklaring en bezoldiging, de vormvoorschriften en de regels voor de indiening, controle en bekendmaking, alsook de in uitzicht gestelde sancties ingeval valse of generlei verklaringen worden afgelegd.
Deze lijst biedt elke Kamer ook de mogelijkheid er zich in alle openheid vóór de eedaflegging van te vergewissen dat geen van haar leden een mandaat, functie of ambt uitoefent dat onverenigbaar is met zijn parlementair mandaat.
2. Beschikbaarheid : het parlementslid moet het grootste deel van zijn tijd kunnen besteden aan de uitoefening van zijn mandaat; daarom moet hij beschikbaar zijn en mag hij niet opgeslorpt worden door andere politieke dan wel privé-functies, die zijn beschikbaarheid kunnen beperken.
Talrijke onverenigbaarheden tussen het parlementair mandaat en andere bij verkiezing toegekende uitvoerende mandaten (regering, gemeenschap, gewest, Europa, provincie) zijn reeds bij wet of door de Grondwet vastgelegd.
De enige politieke mandaten die nog volledig verenigbaar blijven met het parlementair mandaat, zijn de gemeentelijke mandaten. De uitvoerende ambten in een gemeente vergen echter vaak te veel tijd en aandacht opdat het parlementslid nog voldoende beschikbaar kan zijn voor de uitoefening van zijn parlementair mandaat. Bijgevolg moet het ambt van burgemeester of schepen onverenigbaar verklaard worden met een parlementair mandaat.
Dit cumulatieverbod is ook ingegeven door het streven naar een correcte toepassing van de spelregels van de democratie. Het is immers erg nefast dat bevoegdheden op diverse echelons door één en dezelfde persoon worden uitgeoefend. De samenleving moet door zoveel mogelijk burgers worden bestuurd. Maar al te vaak hebben in de wetgevende vergaderingen leden zitting die volgens de Grondwet worden geacht de Natie te vertegenwoordigen, maar eigenlijk optreden als belangenverdediger van de gemeente waar zij burgemeester of schepen zijn, ten koste van het algemeen belang. Het parlement is tenslotte meer dan een beroepsvereniging van burgemeesters en schepenen.
De beschikbaarheid van de parlementsleden zou ook gebaat zijn bij een verbod om een beroep uit te oefenen dat meer tijd in beslag neemt dan een zeer beperkte deeltijdbaan (een vierde van de normale arbeidstijd bijvoorbeeld). Voor loon- en weddetrekkenden en voor leerkrachten kan gemakkelijk worden nagegaan hoeveel tijd zij aan hun beroep besteden; voor parlementsleden die als zelfstandige gevestigd zijn of die een vrij beroep uitoefenen, is controle evenwel onmogelijk.
Ter wille van de billijkheid stelt dit wetsvoorstel dan ook geen beperkingen op de cumulatie met welke beroepsbezigheid ook. Daarbij zij evenwel aangestipt dat parlementsleden dit soort cumulaties uit ethische overwegingen zoveel mogelijk zouden moeten voorkomen. De bepalingen die in het Reglement van de Senaat zullen worden opgenomen overeenkomstig titel I, gedachtenstreepje acht, en titel II, gedachtenstreepjes vier en vijf, van bovengenoemde resolutie, lijken ons noodzakelijk en vermoedelijk ook toereikend om het parlementslid ertoe te verplichten beschikbaar te blijven voor de uitoefening van zijn mandaat. Die bepalingen hebben pro memorie betrekking op het permanente quorum in commissie, respectievelijk de koppeling van de vergoeding van de parlementsleden en de terugbetaling van hun kosten aan hun aanwezigheid in plenaire vergadering en in commissie.
3. Onafhankelijkheid : parlementsleden zijn de verkozenen van de Natie en niet de vertegenwoordigers van een of ander particulier belang. Zij moeten bijgevolg onafhankelijk zijn van de andere politieke instanties (regering, Europa, gemeenschap, gewest, provincies, gemeenten), maar ook en vooral van de economische, sociale of corporatistische instanties uit de overheids- of de privé-sector.
Het parlement moet immers worden behoed voor het gevaar van vermenging van privé-belangen en het algemeen belang, vooral wanneer die een belangrijke financiële of maatschappelijke inzet hebben. Naar onze mening is het dan ook nefast dat een parlementslid deel uitmaakt van het bestuur of deelneemt aan het beheer van of het toezicht op :
instellingen van openbaar nut (parastatale, pararegionale, paracommunautaire, paraprovinciale of paracommunale instellingen, ongeacht het juridisch statuut of het maatschappelijk doel ervan : autonome overheidsbedrijven, openbare kredietinstellingen, maatschappijen voor openbaar vervoer, provinciale regieën, intercommunale instellingen, alsmede alle openbare instellingen opgenomen in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut);
ziekenfondsen of landsbonden van ziekenfondsen;
werknemers- of werkgeversorganisaties, of sectorale organisaties;
beroepsordes (geneesheren, advocaten, architecten enz.);
Belgische of buitenlandse commerciële vennootschappen vanaf een bepaalde grootte : we hebben het daarbij over vennootschappen met een omzet van meer dan een miljard frank. Onder commerciële vennootschappen moet worden verstaan : de handelsvennootschappen in de enge zin van het woord en de burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen;
Belgische of buitenlandse civielrechtelijke vennootschappen vanaf een bepaalde grootte : we hebben het daarbij over vennootschappen met een vermogen van meer dan vijfhonderd miljoen frank. Onder civielrechtelijke vennootschappen moet worden verstaan : de louter burgerlijke vennootschappen, dat wil zeggen de burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een burgerlijke vennootschap hebben aangenomen.
De invoering van drempels is gerechtvaardigd omdat het vermoeden bestaat dat de onafhankelijkheid van het betrokken parlementslid sterker in twijfel kan worden getrokken naarmate het vermogen of de omzet van de vennootschap groter zijn. Daarvoor worden de bedragen van het laatste boekjaar dat werd afgesloten vóór de verkiezingen in aanmerking genomen. Bovendien worden de bedragen aangepast aan het indexcijfer van de kleinhandelsprijzen. Als spilindex geldt het indexcijfer op 1 januari 1996.
Het leek ons ook aangewezen het verbod, ingesteld bij artikel 5 van de wet van 6 augustus 1931, om binnen het jaar na het verstrijken van het parlementair mandaat tot een bezoldigd staatsambt te worden benoemd, uit te breiden tot de hierboven vermelde instellingen van openbaar nut. De onverenigbaarheid met een deelname aan het bestuur of het beheer van of het toezicht op die instellingen wordt aldus voor dezelfde termijn verlengd (zie artikel 3 van het voorstel). Op dit verbod worden evenwel twee uitzonderingen gemaakt. Het verbod geldt niet voor activiteiten inzake toezicht, beheer of bestuur, waarvoor het gewezen parlementslid tijdens de uitoefening van zijn mandaat politiek verlof genoot. De tweede uitzondering geldt voor activiteiten die inherent zijn aan de politieke mandaten of ambten die de gewezen parlementsleden tijdens dat jaar zouden moeten uitoefenen. Activiteiten inherent aan een politiek mandaat of ambt zijn taken die verband houden met toezicht, bestuur of beheer wanneer die taken onafscheidelijk verbonden zijn met de uitoefening van het mandaat of het ambt en door niemand anders kunnen worden uitgeoefend. Zo kunnen gewezen parlementsleden die later minister of burgemeester worden, ten volle gebruik maken van hun recht om controle uit te oefenen op instellingen van openbaar nut of besturen van regieën die onder hun bevoegdheid vallen.
Wij zijn voorts van oordeel dat een parlementslid tijdens de uitoefening van zijn parlementair mandaat geen zitting mag hebben in een adviesorgaan dat advies verstrekt aan de wetgevende vergaderingen zelf of aan de regeringen : in de eerste plaats omdat hij op die manier advies verstrekt en krijgt, en anderzijds omdat zo een loopje wordt genomen met het principe van de scheiding der machten ingeval een parlementslid zitting heeft in een adviesorgaan dat advies uitbrengt aan de regering. Bovendien wordt de autonomie van de deelgebieden aangetast wanneer een federaal parlementslid zitting mag hebben in een instelling die een gewest- of gemeenschapsassemblee of een gewest- of gemeenschapsregering van advies dient.
De opsomming van die nieuwe onverenigbaarheden is samen met de reeds bestaande onverenigbaarheden met mandaten, functies of ambten in de overheidssector opgenomen in § 1 (nieuw) van artikel 1 van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers (zie artikel 2, 2º, van dit voorstel).
De bepaling dat de eedaflegging als parlementslid een einde maakt aan de openbare mandaten, functies of ambten die onverenigbaar zijn met zijn hoedanigheid van lid van de Wetgevende Kamers, wordt behouden en zelfs verduidelijkt, aangezien uitdrukkelijk wordt vermeld dat deze regel alleen geldt voor de overheidssector (zie artikel 2, 3º van dit voorstel). Een dergelijke gelijktijdigheid is in de privé-sector immers ondenkbaar. Deze regel, alsmede de regeling inzake de rechten op een overheidspensioen en inzake het politiek verlof in de overheidssector, zijn opgenomen in artikel 1, § 2 (nieuw) van de wet van 6 augustus 1931 (artikel 2, 1º van dit voorstel).
Heeft een lid van de Wetgevende Kamers vóór hij zijn parlementair mandaat opnam in de privé-sector mandaten, functies of ambten uitgeoefend die onverenigbaar zijn met het parlementair mandaat, dan moet hij het bewijs leveren dat hij ontslag heeft genomen. Zo niet, wordt hij geacht af te zien van zijn parlementair mandaat. Die regeling geldt ook als hij heeft nagelaten om voor zijn eedaflegging een lijst van zijn mandaten, functies of ambten in te dienen (zie artikel 2, 4º, § 3, tweede lid, van het voorstel).
Wel houdt dit wetsvoorstel rekening met de mogelijkheid voor de verkozene om politiek verlof te krijgen, waardoor de uitvoering van de onverenigbaarheid wordt opgeschort. Daartoe is een uitbreiding nodig van de mogelijkheden inzake politiek verlof, overeenkomstig titel II, laatste gedachtenstreepje, van de resolutie met betrekking tot de organisatie van de nieuwe Kamer en het statuut van de toekomstige volksvertegenwoordiger.
Neemt een parlementslid tijdens de zittingsperiode in de openbare of de privé-sector een activiteit op die onverenigbaar is met zijn parlementair mandaat, dan is hij verplicht ontslag te nemen als parlementslid. Zo niet kan de assemblee waarvan hij deel uitmaakt hem ambtshalve ontzetten (zie artikel 2, 4º, § 3, derde lid, van dit voorstel), onverminderd eventuele strafvervolging wegens overtreding van het verbod om in die omstandigheden zitting te nemen (zie artikel 2, 4º, § 3, vierde lid, van het voorstel).
Elke Kamer moet met andere woorden toezien op de naleving van dat verbod en geschillen over de toepassing ervan beslechten. De hoven en rechtbanken blijven evenwel als enige bevoegd om straffen uit te spreken.
De onverenigbaarheden en ontzeggingen die bij dit wetsvoorstel worden ingesteld, zijn ook van toepassing op de leden van de gewest- en gemeenschapsraden, overeenkomstig artikel 23 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vervangen door artikel 8 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur.
De verplichting om voor de eedaflegging een lijst van mandaten, functies en ambten in te dienen geldt in dit geval evenwel niet. Ten einde ook voor de leden van de gewest- en gemeenschapsraden in een dergelijke verplichting te voorzien, dienen we dan ook een voorstel van bijzondere wet in, alsmede een voorstel van gewone wet dat een specifieke regeling voor de Duitstalige Gemeenschap bevat.
Aangezien wij willen voorkomen dat leden van het federale parlement en van de gemeenschaps- en gewestraden persoonlijk in de problemen zouden komen, treedt dit wetsvoorstel voor de diverse assemblees op uiteenlopende tijdstippen in werking, met name bij hun eerstvolgende integrale vernieuwing. Als het voorstel eerder of voor alle assemblees tegelijk in werking zou treden, zou sprake zijn van terugwerking, aangezien bepaalde cumulatievormen die bij de aan de wijziging voorafgaande parlements- of regionale verkiezingen nog volkomen wettig waren, dat plotseling niet meer zouden zijn.
| Eddy BOUTMANS. José DARAS |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 1 van wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers, gewijzigd bij de wetten van 23 december 1950, 28 mei 1971, 6 juli 1987 en 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het eerste en het tweede lid van de huidige tekst worden § 1 en het derde tot het zevende lid van de huidige tekst worden § 2;
2º de aldus samengestelde § 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
« Zij mogen de volgende openbare ambten of functies niet uitoefenen :
burgemeester of schepen;
lid van een adviesorgaan waarvan de opdracht of een van de opdrachten erin bestaat advies te verstrekken aan een federale Kamer, een gemeenschaps- of gewestraad, de verenigde vergadering of een van de taalgroepen bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, de federale regering of een of verscheidene van haar leden, een gewest- of gemeenschapsregering of een of verscheidene van haar leden, dan wel aan een van de in artikel 60 van dezelfde bijzondere wet bedoelde colleges of een of verscheidene van zijn leden.
Zij mogen evenmin deel uitmaken van het bestuur of deel hebben aan het beheer van of het toezicht op de volgende instellingen, verenigingen of vennootschappen :
instellingen van openbaar nut, met inbegrip van de verenigingen van gemeenten en provincies;
ziekenfondsen of landsbonden van ziekenfondsen;
werknemers- of werkgeversorganisaties, of organisaties die economische sectoren of vrije beroepen vertegenwoordigen;
beroepsordes;
Belgische of buitenlandse handelsvennootschappen met een omzet van meer dan een miljard frank bij het afsluiten van het boekjaar dat voorafgaat aan de verkiezing; de betrokkenen mogen die functie noch persoonlijk noch door een tussenpersoon uitoefenen;
Belgische of buitenlandse burgerlijke vennootschappen met een vermogen van meer dan vijfhonderd miljoen frank op 31 december van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan dat van de verkiezing; de betrokkenen mogen die functie noch persoonlijk noch door een tussenpersoon uitoefenen.
De in de voorgaande leden vermelde bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen op basis van de spilindex op 1 januari 1996 »;
3º in de aldus samengestelde § 2, eerste lid, worden de woorden « aan de bediening of aan het ambt van de verkozene » vervangen door de woorden « aan de openbare bedieningen, ambten of mandaten die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van een van beide Kamers, met uitzondering van die waarvoor de betrokkene politiek verlof geniet. »;
4º er wordt een § 3 toegevoegd, luidend als volgt :
« § 3. Alvorens zijn mandaat op te nemen, stelt elk lid van de Kamers een lijst op met de mandaten, leidinggevende functies en ambten die hij in de overheids- en de particuliere sector uitoefende op het ogenblik van zijn verkiezing of naar gelang van het geval op de dag waarop een einde is gekomen aan het mandaat van het lid dat hij vervangt. Voornoemde lijst is dezelfde als de lijst waarvan sprake in artikel 2, § 1, van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogenaangifte in te dienen. Zij is eveneens onderworpen aan de voorschriften van de artikelen 2, § 2, 4, 5 en 6 van die wet.
Het lid van een van de Kamers dat op de dag van zijn eedaflegging niet het bewijs heeft geleverd dat hij ontslag heeft genomen uit of politiek verlof heeft gekregen voor de mandaten, functies of ambten die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van een van de Kamers en die hij uitoefende op de dag van zijn verkiezing of naar gelang van het geval op de dag waarop een einde is gekomen aan het mandaat van het lid dat hij vervangt, wordt geacht af te zien van zijn parlementair mandaat. Dat geldt ook voor het lid dat heeft nagelaten de in het eerste lid bedoelde lijst in te dienen.
Het lid van een van beide Kamers dat in de overheids- of de particuliere sector een mandaat, functie of ambt aanvaardt dat onverenigbaar is met zijn hoedanigheid van lid van de Kamers, houdt onmiddellijk op zitting te hebben. Elke Kamer gaat na of de bij dit lid bepaalde onverenigbaarheden in acht worden genomen en beslecht de betwistingen hieromtrent door het betrokken lid in voorkomend geval ambtshalve te ontzetten.
Overtreding van het in het voorgaande lid omschreven verbod om zitting te hebben wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van 5 000 frank tot 20 000 frank, of met een van die straffen alleen, en, onverminderd artikel 33 van het Strafwetboek, met ontzetting uit het recht om te kiezen en gekozen te worden gedurende drie tot vijf jaar. »
Art. 3
Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 6. Een gewezen lid van de Kamers kan pas een jaar na het verstrijken van zijn mandaat, deel uitmaken van het bestuur of deel hebben aan het beheer van of het toezicht op de in artikel 1, § 1, vierde lid, eerste gedachtenstreepje bedoelde instellingen behalve wanneer die activiteit inherent is aan het mandaat of aan het politieke ambt dat hij in die periode uitoefent of wanneer hij tijdens de uitoefening van zijn mandaat daarvoor politiek verlof genoot.
Overtreding van dat verbod wordt gestraft met geldboete van 1 000 frank tot 10 000 frank. »
Art. 4
Deze wet treedt voor elk van de betrokken assemblees in werking de volgende keer dat zij geheel worden vernieuwd.
| Eddy BOUTMANS. José DARAS. |