1-548/1 | 1-548/1 |
25 FEBRUARI 1997
(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 74
van 12 april 1995)
Sinds het ontstaan van ons land bepaalt de Grondwet dat de jury alleen bevoegd is voor de beoordeling van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven.
De categorie politieke misdrijven is in de praktijk niet erg belangrijk meer, aangezien de rechtspraak die beperkt tot delicten die zowel de bedoeling hebben de staatsinstelling in gevaar te brengen, alsook de reële mogelijkheid daartoe inhouden. In de praktijk kennen we nog alleen vervolgingen voor het hof van assisen met betrekking tot bepaalde overtredingen van het Kieswetboek.
Inzake drukpersmisdrijven zijn vervolgingen uiterst zeldzaam geworden. Inderdaad, om allerlei redenen, die vooral een opportuniteitsbeoordeling inhouden, is het openbaar ministerie weinig geneigd vervolgingen in te stellen tegen auteurs van druksels, waarvan de inhoud strafbaar zou kunnen zijn. Processen over laster, eerroof enz. worden bij ons dan ook zo goed als uitsluitend op civielrechtelijk gebied en voor de burgerlijke rechtbanken gevoerd. Hoewel daar veel discussie over is, is in het recente colloquium « Pers en Justitie » in de Senaat nog gebleken dat er weinig stemmen opgaan om de persdelicten in het algemeen aan de jury te onttrekken.
De nadelen zouden wellicht niet opwegen tegen de voordelen. Een vrije pers en vrijheid van publicatie zijn immers belangrijke bastions in de informatie van de bevolking en in de vorming van weerbare burgers.
Maar er blijft een onopgelost probleem. Een ruime meerderheid is het er ongetwijfeld over eens dat racistische opruiing of aanzetting tot rassenhaat, rassendiscriminatie enz. bestreden moeten worden. Ons land heeft zich daar trouwens toe verbonden door de goedkeuring van het UNO-Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (wet van 9 juli 1975, dus rijkelijk laat). De wet van 30 juli 1981 die uitvoerig werd bediscussieerd was daar de omzetting van in Belgisch recht, en die wet is recent (wet van 12 april 1994) nog aangescherpt. Tevens is het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding gelast met de wettelijke opdracht om, onder meer, op de toepassing van deze wet toe te zien.
Dit centrum beklaagt zich erover dat de wet op één punt zo goed als niet toegepast wordt, namelijk het aanzetten tot rassenhaat via geschriften, pamfletten, propaganda allerhande en inzonderheid verkiezingspropaganda. Iedereen die in de praktijk staat is het daarmee eens.
Wat we allemaal in onze postbus gestopt krijgen zou ons doen geloven dat we geen racismewet kennen. De reden is eenvoudig : de parketten vervolgen nooit als het om persdelicten gaat, en dat zijn de meest voorkomende overtredingen van deze wet. Het zijn vaak ook de gevaarlijkste, want het gaat om opruiing van de hele bevolking en om verslechtering van het maatschappelijk klimaat. Bovendien draagt de systematische straffeloosheid ook bij tot de erosie van de instellingen en tot steeds driestere overtredingen. Het centrum dringt er dan ook op aan de vervolging van racistische persdelicten aan de assisenprocedure te onttrekken.
Er zijn verschillende ideeën geopperd, maar tegen alle bestond tot hiertoe ernstig bezwaar.
Een algemene onttrekking van persdelicten aan de jury zou een lange reeks strafrechtelijke persprocessen in gang kunnen zetten, waarmee niemand gebaat is. De gevestigde pers is daar sterk tegen, maar ook de kleine man of vrouw, de plaatselijke activist die een vlugschriftje uitgeeft en die er terecht of ten onrechte van beschuldigd zou worden daarin de grenzen van de vrijheid van meningsuiting te hebben overschreden, zou wellicht vaak strafrechtelijk vervolgd worden, of zou dat gaan vrezen, en dit is niet wenselijk. Het zou de parketten ook overbelasten met kleine lasterzaken. We denken dt we die weg niet mogen kiezen.
Er is ook gesuggereerd de jury nog alleen bevoegd te maken voor zaken met beroepsjournalisten, maar dit lijkt een onderscheid dat niet gerechtvaardigd is, gelet op de vorige paragraaf en bovendien is de categorie « beroepsjournalisten » niet grondwettelijk omschreven, en zou die regel er dus op neerkomen dat een speciale procedure zou worden ingesteld voor een vaag omschreven beroepscategorie. Wij denken zelfs dat dit een discriminatie zou uitmaken, waar misschien niet direct een rechtsmiddel tegen zou bestaan, maar die daarom nog niet minder onaanvaardbaar zou zijn.
Een ander idee was : in de Grondwet zelf een uitzondering inschrijven met betrekking tot racistische persdelicten. De vraag rees dan echter hoe dat zou kunnen : kan men in de Grondwet verwijzen naar de wet van 30 juli 1981 ? Dat leek en lijkt niet wenselijk, want het zou grondwettelijke status verlenen aan een wet waardoor de vraag zou rijzen of die wet nog wel met een gewone meerderheid gewijzigd kan worden. Er zijn wel allerlei omschrijvingen denkbaar, maar toch doet de grondwetgever er niet goed aan een procedure in strafzaken te laten afhangen van een onderscheid, dat in een gewone wet is vastgelegd.
De gedachte is ook geopperd om in de Grondwet alleen te bepalen dat een wet eventueel een wet, aangenomen met een bijzondere meerderheid zou kunnen afwijken van de juryrechtspraak voor persdelicten. Maar dat zou het probleem ten dele verplaatsen : ofwel zou daarmee een te grote bres worden geslagen in de bijzondere rechtsbescherming die de assisenprocedure toch geacht wordt in te houden; ofwel wordt de discussie gewoon naar de uitvoeringswet verplaatst.
Met onderstaand voorstel menen wij de reële en efficiënte vervolging van racistische politieke en persdelicten mogelijk te maken en toch het constitutionele probleem te voorkomen, en evenzeer de normale persvrijheid te beschermen.
Inderdaad, een grondwetsartikel verwijst best niet naar een concrete wet, maar er is geen bezwaar tegen dat het naar een hogere rechtsnorm verwijst, namelijk een internationaal verdrag, zeker als dat een verdrag is dat in de schoot van de Verenigde Naties tot stand is gekomen.
Daarom stellen wij voor een uitzondering op de juryrechtspraak in te voeren voor overtreding van de wetgeving, uitgevaardigd op grond van het UNO-Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, en eventuele latere wijzigingen.
Dit verdrag legt immers aan de verdragsluitende partijen op om « onverwijld positieve maatregelen te nemen die erop zijn gericht aan elke vorm van aanzetting tot of aan elke uiting van rassendiscriminatie » een einde te maken.
We kunnen ons de vraag stellen of een wet, die nooit wordt toegepast, een voldoende uitvoering van dit verdrag vormt. Onderhavig voorstel tot grondwetsherziening wil dit dus oplossen.
Aangezien de toewijzing van pers- en politieke processen aan het hof van assisen rechtstreeks op de Grondwet gebaseerd is, kan de nieuwe regeling onmiddellijk na de aanneming van de grondwetswijziging in werking treden. Ze vereist immers geen wetswijziging. Aangezien het om een procedureregel gaat, is hij zelfs van toepassing op alle procedures, zelfs als het feit gepleegd is vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling.
| Eddy BOUTMANS. |
Enig artikel
Artikel 150 van de Grondwet wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« De rechtbanken zijn evenwel bevoegd voor de kennisneming van de misdrijven, strafbaar gesteld met toepassing van het Internationaal Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. De wet kan deze uitzondering op alle wijzigingen van het Internationaal Verdrag van toepassing maken. »
| Eddy BOUTMANS. Pierre JONCKHEER. Bert ANCIAUX. |