1-503/1

1-503/1

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

17 DECEMBER 1996


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 162 van de Grondwet, om, met toepassing van artikel 39 van de Grondwet, de organieke wetgeving inzake provincies en gemeenten te regionaliseren, met uitzondering van wat is geregeld in de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen (de « pacificatiewet ») en met het behoud van de eenheid van het politie- en brandweerbeleid en het gemeentelijk karakter van de politie- en brandweerdiensten

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 74
van 12 april 1995)


VOORSTEL VAN DE HEER VERREYCKEN c.s.


TOELICHTING


Het kan allerminst de bedoeling zijn van nationalistische mandatarissen om zich in te schakelen in de bevoogdende logica van het Sint-Michielsakkoord. Dit akkoord concretiseerde immers, ten overvloede, de onderworpenheid van het Vlaamse volk aan rechtvaardigheidsontkennende compromissen. Omdat wij echter niet afwezig willen noch kunnen blijven in het debat, is het noodzakelijk de vigerende regelgeving in te vullen door een eigen voorstel tot wijziging van artikel 162 van de Grondwet.

In het ruime kader van hetzelfde Sint-Michielsakkoord werd overeengekomen een aantal grondwetsartikels voor herziening vatbaar te verklaren. Daaronder was ook het beoogde artikel 162. De meerderheid der parlementsleden koos voor een beperkende omschrijving in de herzieningsverklaring, waardoor enkel kan worden getornd aan de inrichtende wetgeving inzake de plaatselijke besturen, wat ons onterecht lijkt. Immers, de staatshervorming is een dynamisch proces, waarbij elke afremming of uitholling van de spontane dynamiek enkel voor frustraties kan zorgen. Frustraties die op hun beurt kunnen leiden tot oncontroleerbare gebeurtenissen, die o.i. beter worden voorkomen door gestuurde en degelijk voorbereide wetten af te leveren.

Het is daarom aangewezen geen oplapwerk van de provinciewet van 30 april 1836 te aanvaarden, en dit oplapwerk dan aan te prijzen als doordacht wetgevend werk. Beter ware het dat het Sint-Michielsakkoord inzake de regionalisering van de organieke wetgeving voor provincies en gemeenten zou worden uitgevoerd, waarna de gewestparlementen hun decreetgevende verantwoordelijkheid ten volle kunnen opnemen en alvast de provinciewet, die hoogstnodig actualisering behoeft, kunnen aanpassen aan de noden van deze tijd.

Het is aangewezen in deze toelichtende verantwoording enkele bedenkingen te verwoorden die deels nog niet in het voorstel zelf kunnen worden opgenomen, gelet op het ontbreken van een voorafgaandelijk wettelijk kader.

1. De beginselen die worden opgesomd in het enig artikel ­ voor zover betrekking hebbende op de gemeenten ­ moeten ook toepasbaar zijn op de stadsdeelraden (districtsraden). Alvorens deze toepassing mogelijk is, zal eerst het PS-verzet in de Kamer tegen het subsidiariteitsbeginsel moeten opgegeven worden, en zal ook de Kamer zich moeten uitspreken over het wetsvoorstel, intussen wetsontwerp geworden, dat de oprichting van deze stadsdeelraden mogelijk maakt.

2. Teneinde geen voorafgaande argumenten te bezorgen aan de tegenstanders van een bevoegdheidsoverdracht, verwijzen wij in ons voorstel naar de gewesten en niet naar de gemeenschappen. Wij zijn er ons uiteraard van bewust dat de gewestvorming met drie enkel tot doel had en heeft om de Vlamingen in een minderheidspositie te manoeuvreren. Onze verwijzing naar de gewesten kan dan ook enkel worden begrepen als zijnde een streven naar een verdere vreedzame evolutie, wel wetend dat de wetgever zich steeds het recht moet voorbehouden de wetten te wijzigen. De toekomst zal o.i. zeker uitwijzen dat een afzonderlijk Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onleefbaar is, en dat Brussel de volwaardige hoofdstad van Vlaanderen moet zijn.

Enkel daarom menen wij in geen organiserende bevoegdheden te moeten voorzien voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Voor de gemeenten uit dat Gewest voorzien wij dan ook een regeling middels een federale wet.

3. De pariteit in de Regering zet ons ertoe aan om dezelfde pariteit ook te eisen in de Brusselse instellingen. Wie meent dat de getalsmatige verhouding tussen de volkeren een regeringspariteit niet in de weg staat, zal zeker aanvaarden dat ook in de hoofdstedelijke gemeenten dezelfde logica wordt gevolgd...

4. De vorige verwijzing naar de evidente wetgevende taak van de wetgever laat toe om ook te wijzen op onze intentie om in de toekomst de taak en zelfs de grenzen van de bestaande provincies ter discussie te stellen. De oude Franse departementen beantwoorden immers helemaal niet meer aan de socio-economische factoren die het bestuurlijke middenveld indelen. De noodzaak aan een efficiënt bestuur kan nu reeds aanleiding zijn tot nieuwe streekindelingen, gebiedsomschrijvingen, waarbij in een latere fase ­ in het Europese perspectief ­ zelfs de landsgrenzen moeten kunnen worden overschreden. Denken we maar aan de mogelijke samenwerking tussen Zuid-West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, tussen West- en Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen, of tussen de beide Limburgen. Om ­ alvast op binnenlands vlak ­ deze logische herindeling aan te vatten zal evenwel eerst artikel 7 van de Grondwet voor herziening vatbaar verklaard moeten worden.

Het realiseren van dit wetsvoorstel kan een bevestiging zijn van het subsidiariteitsbeginsel dat tot de huidige federatie heeft geleid. Federatie die niet in haar verdere ontwikkeling naar een onafhankelijke staatsvorming vanwege de volkeren mag worden afgeremd omwille van communautaire of partijpolitieke overwegingen die allerminst de belangen van de bestuurden dienen. Het heeft tegelijk tactische uitgangspunten, die beogen ook de meest vergaande standpunten te laten beoordelen door de wetgever.

Wim VERREYCKEN.

VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 162 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

« Art. 162. ­ De inrichting van de provinciale en gemeentelijke instellingen wordt geregeld bij decreet.

De inrichting van de gemeentelijke instellingen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt geregeld bij wet; deze wet waarborgt de taalpariteit in de betrokken instellingen.

Het decreet verzekert :

1º de rechtstreekse verkiezing van de leden van provincieraden en de gemeenteraden;

2º de bevoegdheden van de provincieraden en van de gemeenteraden betreffende de zaken van provinciaal of gemeentelijk belang, onderworpen aan de goedkeuring van hun handelingen in de gevallen en op de wijze die het decreet bepaalt;

3º de decentralisatie van bevoegdheden en van de middelen tot uitoefening ervan, naar de ondergeschikte besturen;

4º de openbaarheid van de vergaderingen binnen de bij decreet omschreven grenzen;

5º de openbaarheid van de begrotingen en van de rekeningen;

6º de wijze waarop de gewestelijke wetgever kan optreden teneinde schendingen van de decretale regels of van het algemeen belang te beteugelen;

7º de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verscheidene provincies of verscheidene gemeenten onderlinge afspraken kunnen maken of zich kunnen verenigen. Evenwel kan aan verscheidene provincieraden of gemeenteraden niet worden toegestaan samen te vergaderen. »

Wim VERREYCKEN.
Door BUELENS.
Joris VAN HAUTHEM.