1-423/1

1-423/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

26 SEPTEMBER 1996


Wetsvoorstel tot opheffing van de artikelen 423 tot 433 van het Strafwetboek betreffende het tweegevecht

(Ingediend door de heren Boutmans en Jonckheer)


TOELICHTING


Het duel is ooit een belangrijke maatschappelijke realiteit geweest. Vooral ­ of uitsluitend in adellijke kringen ­ hield men zich graag onledig met het uitdagen van een persoon van dezelfde stand, door wie men zich beledigd achtte, of die zich als een rivaal in de liefde had opgeworpen.

In alle boeken over strafrecht kunnen we lezen dat het eerste en tot voor kort enige geval van berechting van een minister door het Hof van Cassatie dateert uit 1865, toen de heer Chazal, minister van Oorlog, veroordeeld werd wegens het uitlokken van een tweegevecht. Zijn eer stond op het spel.

Aan het tweegevecht wordt in het Strafwetboek een heel hoofdstuk gewijd (boek II, titel VIII, hoofdstuk III). De oorspronkelijke wet dateert uit 1841.

Tegenwoordig lijken deze bepalingen niet meer zinvol en de afschaffing ervan ligt voor de hand, al was het maar om redenen van papierbesparing bij nieuwe uitgaven van het Wetboek. We hoeven niet te vrezen dat deze afschaffing een massaal teruggrijpen naar een uitgestorven praktijk zal veroorzaken.

Integendeel, de bepalingen van het Strafwetboek hebben tot doel het duel minder zwaar te bestraffen dan andere vormen van slagen, doodslag of moord.

Een tweegevecht voldoet immers, naargelang van het geval, aan de wettelijke omschrijving van opzettelijke slagen en verwondingen, doodslag of moord, want de voorbedachtheid ligt nogal voor de hand. Is het tweegevecht niet op zwaar onheil uitgelopen, dan kan altijd sprake zijn van poging tot moord, enz.

De wet van 1841 is zelfs ingevoerd, zo lezen we in het toonaangevend negentiende-eeuwse boek over strafrecht (Nypels en Servais, 1898 « Le Code pénal belge interprété », deel III, blz. 124 tot 152 (!) handelen over het duel), omdat het Hof van Cassatie geoordeeld had dat doding bij een duel strafbaar was. Dit veroorzaakte grote discussie bij vooraanstaande juristen. Senator-baron Pélichy van Heurne, « un ancien et brave militaire » diende een voorstel in om de duellisten minder zwaar te straffen. Nog later stelde senator-baron de Coninck de Merchtem voor de wet te verscherpen en bovendien een strafbepaling uit te vaardigen tegen journalisten die over een duel zouden berichten. Dit voorstel haalde het niet.

Slotsom : de bepalingen uit het Strafwetboek zijn een overblijfsel uit langvervlogen tijden, toen men voor de eer nog zijn leven waagde en waar gelijkheid van kansen en van wapens nog op prijs gesteld werd. De adel beoefent het duel niet meer; de gewone mens heeft het het er nooit zo voor gehad. Zijn leven was toch nogal goedkoop en hij had wellicht vrouw en kinderen om voor te zorgen. Edellieden ook, maar hun nalatenschap volstond meestal om die zorg, althans op materieel gebied, te verzekeren. Kortom, nu de adel er niet meer van wil weten, hoeft het duel geen bijzondere bescherming meer; de bepalingen die het, afzonderlijk en op een bijzonder milde wijze, strafbaar stelden, kunnen dan ook worden afgeschaft. Daartoe strekt dit voorstel.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Afgezien van de voorgeschreven bepaling van artikel 1, kunnen we met één artikel volstaan om een heel hoofdstuk af te schaffen. Deze zeer economische werkwijze is niet dikwijls mogelijk.

In artikel 2 stellen we daarom voor de artikelen 423 tot en met 433 van het Strafwetboek op te heffen, zijnde het volledig hoofdstuk III van boek II, titel VIII.

De af te schaffen artikelen bestraffen achtereenvolgens :

­ artikel 423 : de uitdaging tot een tweegevecht (maximumstraf drie maanden gevangenis);

­ artikel 424 : « in het openbaar schimpen op iemand die geweigerd heeft een tweegevecht aan te gaan, of zo iemand beledigen » (is dit niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting ?);

­ artikel 425 : « door enige belediging tot de uitdaging aanleiding geven » (maximum zes maand ­ de psychologie van de wetgever was zo dat hij het erger vond een ander tot een tweegevecht aan te zetten, dan zelf een rivaal uit te dagen. Dus het zat zo : baron X riep « je bent een lafaard »; jonkheer Y daagde hem dan uit tot een tweegevecht; beiden zijn strafbaar...);

­ artikel 426 : in een tweegevecht zijn wapens gebruiken : zes maanden; ze niet gebruiken : drie maanden (het was ook nooit goed);

­ artikel 427 : in een tweegevecht zijn tegenpartij verwonden : één jaar;

­ artikel 428 : als het serieuze verwondingen zijn (ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg): twee jaar;

­ artikel 429 : nog zwaarder verwondingen: drie jaar;

­ artikel 430 : zijn tegenstander doden: vijf jaar;

­ artikel 431 : gaat over het aanzetten van anderen (« exciter ») tot een tweegevecht (waar de aanzetter zelf niet aan deelneemt);

­ artikel 432 : bestraft de getuigen (een jaar, maar alleen als er minstens een gewonde te betreuren is);

­ artikel 433 : bij recidive werden de straffen verdubbeld. Alleen voor wie het eerste duel won, natuurlijk...

Het Strafwetboek bepaalt niet wat een duel is, omdat ­ aldus Nypels ­ iedereen weet wat ermee bedoeld wordt. Dat neemt niet weg dat er nogal wat boosdoeners ­ althans hun advocaten ­ geprobeerd hebben, hun gewelddaden als « tweegevecht » te doen erkennen, om zo een lichtere straf te krijgen. Getuigen schijnen een essentieel element te zijn om het duel van een gewoon straatgevecht te onderscheiden : zo besliste het Hof van Beroep te Luik in 1843 dat gewone volksmensen die met stokken en zonder getuigen gevochten hadden geen aanspraak konden maken op de gunstiger strafbepalingen met betrekking tot het tweegevecht.

Klassenjustitie ? Helemaal niet, aldus Nypels : ook edelen die zonder getuigen vechten, zouden veroordeeld zijn...

Verder vernemen we dat de wet geen toepassing vindt op het « Amerikaans duel », waarbij twee partijen om hun leven dobbelen : wie verliest moet zelfmoord plegen « sous peine de passer pour vil » (op straffe als een lafaard te worden beschouwd).

Hoewel we de opheffing van alle artikelen voorstellen, bekruipt ons toch een zekere nostalgie... Daarom hebben we er uitdrukkelijk voor gekozen om de titel van het hoofdstuk zelf te laten staan; zo zal het nageslacht op passende wijze aan dit restant van een nobel verleden herinnerd worden. Dit kan aanleiding geven tot het ontstaan van een vooralsnog onbekende wetenschap : de juridische archeologie.

Eddy BOUTMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De artikelen 423 tot 433 van het Strafwetboek worden opgeheven.

Eddy BOUTMANS.
Pierre JONCKHEER.