1-431/1 | 1-431/1 |
8 OKTOBER 1996
(Verklaring van de wetgevende macht
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 74 van 12 april 1995)
Nagenoeg een ieder beweert tegenwoordig dat de « politieke benoemingen » in de rechterlijke macht en de horigheid van magistraten tot ergerlijke toestanden hebben geleid. De herhaaldelijk gewijzigde wet van 18 juli 1991 heeft de toegang tot de magistratuur grotendeels geobjectiveerd, maar inzake bevorderingen staan we nog nergens.
Aldus is het onaanvaardbaar dat de belangrijkste rechterlijke ambten (leden van het hof van beroep, voorzitters van de rechtbanken, raadsheren in Cassatie) worden toegewezen op de voordracht van politieke organen (provincieraad, Kamer of Senaat). Aangezien deze beginselen in de Grondwet verankerd zijn, kan de wetgever dit niet zonder grondwetsherziening oplossen.
Vermits artikel 151 van de Grondwet voor herziening vatbaar is, zou de tekst dringend gewijzigd moeten worden.
Ons voorstel is : laten we in de Grondwet alleen de beginselen vastleggen van de objectieve benoeming. De uitvoering moet, met instemming van die principes, aan de wetgever worden overgelaten.
| Eddy BOUTMANS. |
Enig artikel
Artikel 151 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :
« Art. 151. De rechters en raadsheren in de hoven en rechtbanken worden door de Koning benoemd.
De wet bepaalt de benoemingsvoorwaarden, de wijze waarop de vacatures worden bekendgemaakt en de procedure.
De wet garandeert de objectiviteit van de benoemingen, rekening houdend met de bekwaamheid van de kandidaten en hun geschiktheid voor een rechterlijk ambt. »
Overgangsbepaling
De wet, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt binnen de kortst mogelijke termijn aangenomen. Tot dan blijft de vorige tekst van artikel 151 van kracht.
| Eddy BOUTMANS. Guy VERHOFSTADT. Frederik ERDMAN. Andrée DELCOURT-PÊTRE. Pierre JONCKHEER. Nadia MERCHIERS. |