1-403/1

1-403/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

5 AUGUSTUS 1996


Wetsvoorstel tot tijdelijke en uitzonderlijke vrijstelling van straf voor spijtoptanten

(Ingediend door de heer Boutmans c.s.)


TOELICHTING


De overvallen en moordpartijen toegeschreven aan de zogenaamde « bende van Nijvel » zijn na ruim tien jaar nog steeds onopgelost. Niet alleen blijven de daders onbestraft, maar ook staan nog zeer belangrijke vragen open, die nochtans al die tijd de gemoederen sterk zijn blijven beroeren. Ging het om gewone « gangsters » ? Zat er een weloverwogen plan achter om het land te destabiliseren, om een politieke machtsgreep voor te bereiden, of om welke andere reden ook ? Waren hooggeplaatste personen bij de opzet betrokken ? Hoe komt het dat alle politiële en gerechtelijke bemoeienissen zonder gevolg zijn gebleven ? Was er wel een bende, of gaat het om een toevallige samenloop van een aantal tueries ?

Het is overbodig hier verder in te gaan op de voorgeschiedenis, die de Kamer van volksvertegenwoordigers ertoe gebracht heeft, voor de tweede keer, een onderzoekscommissie in te stellen, die deze keer tot opdracht heeft na te speuren wat er met het onderzoek is misgegaan.

Hopelijk zal deze enquêtecommissie meer licht laten schijnen over dat aspect van het « bendedossier » : hoe is het gerechtelijk zo totaal mis kunnen lopen ?

Het doel van dit wetsvoorstel ligt op een ander vlak doch is zeker niet tegenstrijdig. Deze bijzonder zware misdrijven, die uitzonderlijk lang onbestraft zijn gebleven, wettigen uitzonderlijke middelen.

Daaarom willen wij een speciale en tijdelijke wet invoeren, waardoor de justitie aan spijtoptanten straffeloosheid of strafvermindering kan toekennen.

Bij de propere-handen-campagne in Italië, die tot het oprollen van een gedeelte van de maffia en haar politieke handlangers heeft geleid, is met succes van de verklaringen van pentiti gebruikgemaakt.

Het ligt voor de hand dat ook handlangers of leden van de bende, mogelijk mensen die nu hun leven gebeterd hebben of die andere redenen zouden hebben om de waarheid te onthullen, zouden kunnen ingaan op een voorstel om in rechte getuigenis af te leggen, mits zij zich niet blootstellen aan de zware straffen die hun wachten, wanneer ze hun eigen rol in de moordpartijen, of in de voorbereiding of voltooiing ervan, moeten opbiechten.

Het toekennen van strafvermindering of zelfs volledige verschoning aan de spijtoptant is niet nieuw in het Belgisch strafrecht : het is ingeschreven in de drugswet (artikel 6 van de wet van 24 februari 1921, zoals gewijzigd in 1975).

Het is ook van oudsher vervat in de bepalingen over bendevorming (artikel 326 van het Strafwetboek). In principe zijn wij er geen voorstander van, omdat samenwerking met misdadigers altijd bepaalde risico's inhoudt en ethische vragen oproept en omdat het anoniem houden van getuigen een probleem kan opleveren voor het recht van verdediging. Daarom stellen we niet de invoering van een algemene regel voor, maar een wet die, door de omschrijving van haar toepassingsgebied, eigenlijk alleen op de bende van Nijvel zou slaan. Aangezien die bende evenwel juridisch niet te omschrijven valt, omdat haar bestaan nog niet eens bewezen is, was het nodig een nogal omslachtige omschrijving te geven van de gevallen waarin vrijstelling van straf kan worden toegestaan.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Het leek ons het meest logisch, de tijdelijke wet in te voegen onder de titel in boek I van het Strafwetboek over « rechtvaardigings- en verschoningsgronden ».

In dit artikel worden de voorwaarden voor strafvermindering opgesomd. Ze zijn ten dele een herneming van de reeds in ons strafrechtelijk stelsel bestaande regels, zodat voor de interpretatie mutatis mutandis kan worden verwezen naar de uitlegging van de « verklikkingsbepaling » in de drugswet.

Anderzijds beperken ze het toepassingsgebied derwijze dat ze, voor zover wij weten, eigenlijk alleen op de slachtpartijen van de bende toepasselijk zijn. Dit is evenwel geen toepassingsvoorwaarde, want het kan niet geheel uitgesloten worden dat er geen echte samenhang is tussen de verschillende feiten die aan de bende worden toegeschreven, of dat er daarentegen een nog onvermoede samenhang zou bestaan met of tussen andere moorden of aanslagen. Vermeden moet worden dat de « onthulling » een schijnvertoning zou zijn, waardoor onoprechte daders aan strafvervolging zouden ontsnappen, na eerst hun medeplichtigen, of sommigen onder hen, getipt te hebben.

Daarom stellen we dit als een uitdrukkelijke voorwaarde; voor de toepassing doet het ogenblik van de « tip » er niet toe; het volstaat dat de spijtoptant aan een van de medeplichtigen kennis heeft gegeven van zijn verklaring, of van zijn bedoeling om een verklaring af te leggen, op een ogenblik dat de betrokkene daarvan nog gebruik kon maken om zich aan berechting te onttrekken, of eventueel bewijzen te laten verdwijnen.

Het tijdelijke karakter van de verschoningsgrond wordt eveneens beklemtoond : een periode van drie jaar wordt geopend, die lang genoeg is om alle daders op de hoogte te brengen van de wet en om hun de nodige bedenktijd te geven, maar ook weer niet zo lang dat ze de verjaring zou meebrengen van de feiten waarvan opheldering nagestreefd wordt.

Artikel 3

De strafuitsluitende verschoningsgrond wordt ingevoerd voor wie werkelijk kapitale informatie heeft verschaft om de « top » van de bende ­ als er een is ­ te ontmaskeren. Het is immers vooral die top die ons interesseert, en waarover allerlei speculaties zijn geuit. De ontmaskering van een eventueel complot of bendevorming is een maatschappelijke prioriteit van het allerhoogste niveau. Strafuitsluiting toezeggen aan betrokkenen ­ die niet zelf de opdrachtgevers zijn ­ kan een zeer sterke, maar in dit verband verantwoorde stimulans zijn om tot onthulling over te gaan.

Eddy BOUTMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In boek I, hoofdstuk VIII van het Strafwetboek, wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende :

« Art. 78bis. ­ Criminele en correctionele straffen worden verminderd in de mate bepaald bij artikel 414, ten aanzien van de schuldigen die aan de overheid de identiteit hebben onthuld van daders, mededaders, medeplichtigen en helers, of, indien zij de identiteit van een of meer onder hen niet kennen, die de gegevens hebben verschaft waarover zij beschikten, om de identificatie en de opsporing van deze personen mogelijk te maken.

Deze verschoning wordt slechts verleend mits aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1º de onthulling heeft betrekking op misdaden die, op zichzelf of samen met andere samenhangende misdaden, de dood van ten minste vijf personen hebben veroorzaakt en waarvan de opheldering na tien of meer jaar nog niet mogelijk is gebleken;

2º de onthulling is oprecht en, binnen de kennis en mogelijkheden van degene die haar doet, volledig;

3º ze heeft bovendien betrekking op daders, die voorheen niet bij het gerecht bekend waren, of van wier schuld onvoldoende bewijs bestond om hen te vervolgen;

4º ze wordt gedaan ten laatste drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet en ten laatste in de loop van de procedure bedoeld in de artikelen 221 tot 240 van het Wetboek van Strafvordering, vóór de sluiting van het debat;

5º de schuldige die de onthulling doet, mag daarvan geen kennis hebben gegeven of laten geven aan een of meer van de andere daders, met de bedoeling hun alsnog de mogelijkheid te geven aan berechting te ontkomen. »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende :

« Art. 78ter. ­ Volledig vrij van straf blijven degenen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld bij het vorige artikel, wier onthulling bovendien betrekking heeft op de opdrachtgevers van de misdaden of degenen die de leiding hadden van de vereniging van misdadigers die tot de misdaden opdracht heeft gegeven, mits zij niet zelf de opdrachtgevers of leiders waren. »

Art. 4

Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en houdt op van kracht te zijn drie jaar na die datum.

Nochtans blijven haar gevolgen voortduren voor alle onthullingen die tijdens de geldigheidsduur van de wet zijn gedaan.

Eddy BOUTMANS.
Anne-Marie LIZIN.
Hugo COVELIERS.
Jan LOONES.