1-140/3 | 1-140/3 |
15 MAART 1996
Senatoren die aan de werkzaamheden van het Adviescomité hebben deelgenomen :
1. Vaste leden van de delegatie : de heren Urbain, voorzitter; Ceder, mevrouw de Bethune, de heer Hostekint, de dames Lizin, Nelis-Van Liedekerke, de heren Nothomb, Staes en Hatry, rapporteur.
2. Plaatsvervangers in de delegatie : de dames Bribosia, Sémer en Thijs.
3. Andere senator : de heer Jonckheer.
Zie :
- 1783/1 - 94/95 (Kamer) :
Eerste tussentijds verslag.
- 190/1 - 95/96 (Kamer), 1 - 140/1 (Senaat) :
Tweede tussentijds verslag.
- 190/2 - 95/96 (Kamer), 1 - 140/2 (Senaat) :
Verslag Ontwerp van memorandum.
Zie ook :
- 146/1 - 95/96 (Kamer), 1-129/1 (Senaat) :
Beleidsnota van de Regering.
- 146/2 - 95/96 (Kamer), 1-129/2 tot 6 (Senaat) :
Adviezen van de Vaste commissies.
- 146/3 - 95/96 (Kamer), 1-129/7 (Senaat) :
Memorandum van België, Nederland en Luxemburg.
Dit rapport bestaat uit drie delen :
Le présent rapport se compose de trois parties :
een inleiding door de rapporteur die het algemeen kader van de Intergouvernementele Conferentie (I.G.C.) schetst;
een beknopte beschrijving van de wijze waarop het ontwerp van memorandum over de I.G.C., aangenomen op 5 maart 1996 door het gemeenschappelijk Adviescomité van de Kamer en de Senaat voor Europese Aangelegenheden (Gedr. St. Kamer nr. 190/2-95/96; Gedr. St. Senaat nr. 1-140/2), tot stand is gekomen;
een samenvatting van de besprekingen waarvan dit ontwerp van memorandum het resultaat is.
De bijeenroeping van een intergouvernementele conferentie in 1996 is geregeld door artikel N, 2 van het Verdrag van Maastricht.
Dit verdrag en de verklaringen die eraan gehecht zijn, vermelden eveneens een aantal kwesties die in elk geval althans onderzocht moeten worden met het oog op een eventuele herziening op deze conferentie :
de uitbreiding van de procedure van medebeslissing met het Parlement [art. 189 B (8)];
de problemen inzake defensie en buitenlands beleid (art. J4 (6) en J 10);
de tenuitvoerlegging van eventuele nieuwe beleidsdomeinen betreffende energie, toerisme en civiele bescherming (Verklaring 1);
de invoering van een hiërarchie van normen voor de communautaire besluiten (Verklaring 16);
een grotere doeltreffendheid van de mechanismen en instellingen (art. B, vijfde gedachtenstreepje).
De Lid-Staten hebben bovendien in onderling overleg de volgende prioriteiten vastgesteld voor de I.G.C. :
het nemen van maatregelen om de instellingen en de beleidsvoering efficiënt te laten verlopen met het oog op een bijna zekere uitbreiding van 15 tot 22, daarna eventueel tot 27 of meer;
het zoeken naar oplossingen voor de algemene ontevredenheid die bestaat ten aanzien van het gebrek aan efficiëntie van ten minste twee van de drie pijlers van de E.U.
2. Algemene context van de Intergouvernementele Conferentie en andere belangrijke parallelle termijnen
De I.G.C. moet plaatshebben, maar naar het zich laat aanzien zullen de onderhandelingen moeilijk worden. Het klimaat is niet gunstig om substantiële vooruitgang te boeken met de Europese eenwording. De Europese Unie maakt thans een sombere periode door, ondanks het feit dat de uit de Europese Akte voortgekomen grote markt sinds 1 januari 1993 bestaat; ze wordt zelfs in de landen die de Europese integratie traditioneel gunstig gezind zijn, geconfronteerd met een groeiende afkeer van de gevolgen van Maastricht sinds 1 oktober 1993.
Bovendien is de sociale en economische toestand niet erg gunstig, met name in België, waar de werkloosheid opnieuw het record van 1984 heeft bereikt en waar in 1995 een absoluut historisch record van 7 300 faillissementen is opgetekend, zonder dat daar nieuwe ondernemingen tegenover staan. Op Europees vlak heeft het plan-Delors geen enkele oplossing gebracht. Het Witboek over concurrentievermogen en werkgelegenheid is, zoals het project van grote transeuropese netwerken, tot nog toe dode letter gebleven.
Belangrijke en bijna onontkoombare termijnen zullen de I.G.C. op doorslaggevende wijze doorkruisen en beïnvloeden :
in januari 1998 moet de derde fase van de Economische en Monetaire Unie in principe op gang worden gebracht, met de keuze van de pariteiten tussen de nationale munten en de euro en met de selectie van de eerste groep van deelnemers door de Raad; het toenemende gevaar voor speculatie en de uitsluiting van sommige landen op dat ogenblik (welk zal het lot van België zijn in dat verband ?) zullen leiden tot een klimaat van onrust dat weinig bevorderlijk is voor compromissen; anderzijds zijn (overigens nutteloze) wijzigingen in het tijdschema, ja zelfs in de convergentiecriteria voor de invoering van één enkele munt niet uitgesloten;
ook in 1998 zullen de Lid-Staten van de W.E.U. door opzegging een einde kunnen maken aan het gewijzigde Verdrag van Brussel en onderhandelingen aanknopen voor de vernieuwing ervan;
zes maanden na het einde van de I.G.C., maar zonder de ratificering van het nieuwe verdrag af te wachten, zullen de toetredingsonderhandelingen aanvangen met Malta en Cyprus, maar ook (behoudens veto van Griekenland) met de vier zogenaamde Visegrad-landen (Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek en zelfs de Slovaakse Republiek), alsmede met Slovenië (behoudens veto van Italië); voor de andere landen van Midden- en Oost-Europa (Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, Bulgarije) is de kans op toetreding kleiner maar niettemin reëel;
in 1999 zal de financiering van de Europese Unie, zoals beslist op de Top van Edinburg (1,28 p.c. van het B.B.P., 87 miljard Ecu), ten einde lopen en worden nieuwe onderhandelingen absoluut noodzakelijk; er zij opgemerkt dat de Europese Unie volgens een uiterst gematigde hypothese na de uitbreiding behoefte zal hebben aan meer dan 1,83 p.c. van het B.I.P. en een begroting van meer dan 160 miljard Ecu;
ten slotte loopt het Verdrag van de E.G.K.S. (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) in 2001 ten einde.
Door de herhaalde mislukkingen van het G.B.V.B. (gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) in Bosnië-Herzegowina en in het Grieks-Turks conflict, om slechts het Europees grondgebied te vermelden, en de relatieve mislukking van Schengen komen de twee nieuwe pijlers die door Maastricht opgericht werden, over als experimenten die fundamenteel herzien dienen te worden.
Men voorziet dat de I.G.C. tussen twaalf en achttien maanden zal duren. Het voorzitterschap van de I.G.C. zal dus achtereenvolgens toekomen aan Italië (zonder benoemde regering), Ierland, Nederland en Luxemburg.
Ter voorbereiding van de I.G.C. zijn talrijke rapporten opgesteld. Wij vermelden met name de volgende :
a) De Denkgroep-Westendorp heeft zijn slotrapport bekendgemaakt in december 1995. Deze groep, die uit 18 leden bestond (15 « persoonlijke » vertegenwoordigers van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Lid-Staten van de Europese Unie, 2 vertegenwoordigers van het Europees Parlement en 1 lid van de Commissie), had geen mandaat om te onderhandelen; dit werk heeft vooral het terrein kunnen effenen en heeft aan het licht gebracht dat het de Lid-Staten op talrijke punten aan eensgezindheid ontbreekt. Volgens het verslag van deze groep heeft de I.G.C. als belangrijkste doelstellingen :
Europa dichter bij de burgers brengen (een mislukking à la Maastricht voorkomen);
de Unie in staat stellen beter te functioneren en haar (institutionele en politieke) uitbreiding voorbereiden;
de Unie een grotere externe slagkracht (G.B.V.B.) geven.
b) Alle instellingen van de Europese Unie hebben in 1995 verslagen opgesteld ter voorbereiding van de I.G.C. : de Raad, de Commissie, het Europees Parlement (resolutie gepubliceerd in het Publikatieblad van 19 juli 1995), het Hof van Justitie, het (Europese) Gerecht van Eerste Aanleg, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's. Een zeer beperkte denkgroep van parlementen (bestaande uit vertegenwoordigers van vijf nationale parlementen) heeft eveneens een advies uitgebracht.
c) Door Franse of Duitse overheden, die wegens de rol van de as Parijs-Bonn politiek belangrijk zijn, zijn verschillende standpunten ingenomen : memoranda van de C.D.U.-C.S.U.-fractie van de Bundestag, gezamenlijke brief van de heren Kohl en Chirac, gezamenlijke communiqués van de Top van Baden-Baden (december 1995).
d) De Belgische regering heeft op 18 oktober 1995 een beleidsnota van de Regering aan het Parlement betreffende de I.G.C. van 1996 bekendgemaakt (Gedr. St. Kamer, 146/1, 1995-1996; Gedr. St. Senaat 1-129/1).
e) De Europese Commissie heeft op 1 maart 1996 haar advies bekendgemaakt over de bijeenroeping van de I.G.C. In dit verslag wordt voorgesteld de onderhandelingen toe te spitsen op enkele essentiële doch niet te ambitieuze grote thema's waarbij onder meer rekening gehouden wordt met de 10 volgende doelstellingen :
I. Het Europa van de burger
1. een Europees samenlevingsmodel bevorderen
2. het creëren van een ruimte waar vrijheid en veiligheid heerst
3. Europa vereenvoudigen en democratiseren.
II. Een sterke identiteit bij extern optreden
1. een samenhangend extern optreden waarborgen
2. een krachtdadiger extern gemeenschappelijk optreden
3. het G.B.V.B. bevestigen
4. een Europese veiligheids- en defensie-identiteit opbouwen.
III. Instellingen voor het uitgebreide Europa
1. de instellingen aanpassen
2. de veralgemening van het stemmen bij meerderheid
3. het organiseren van de flexibiliteit
In dit rapport ligt de nadruk eigenlijk op de noodzaak een einde te maken aan de eenparigheidsregel en ervoor te zorgen dat het integratieproces niet vertraagd wordt door de minst gehaaste Lid-Staten en op de noodzaak om de omvang van de instellingen (aantal commissarissen en leden van het Europees Parlement) aan te passen en te voorzien in een bepaalde flexibiliteit.
f) De eerste ministers van de drie Beneluxstaten hebben op 7 maart 1996 in Den Haag een gemeenschappelijk standpunt aangenomen dat voornamelijk beperkt blijft tot de institutionele problemen. Er werd geen overeenstemming bereikt over de toepassing van gemeenschappelijke sociale regels. Het akkoord over fiscale aangelegenheden heeft slechts betrekking op een harmonisatie « voor zover die nodig blijkt ». Er wordt erkend dat een zekere « differentiëring » noodzakelijk is.
De onderstaande tabel, die in de Neue Zürcher Zeitung (1996, nr. 28) werd gepubliceerd, vergelijkt de standpunten van de Lid-Staten over de voornaamste vraagstukken die op de agenda van de I.G.C. staan, voor zover zij op 1 februari 1996 bekend waren.
| B | DK | D | GR | E | F | GB | IRL | I | L | NL | Ö | P | SF | S | ||
| Algemeen. Général | Principiële houding ten opzichte van de verdieping. Attitude de principe à l'égard de l'approfondissement | 2 | 0 | 1 | 1 | 1 | 1 | -2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | -1 |
| Principiële houding ten opzichte van de uitbreiding. Attitude de principe à l'égard de l'élargissement | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | 0 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | 1 | 1 | |
| Instellingen. Institutions | Nieuwe verdeling van het aantal stemmen in de Raad. Nouvelle répartition des droits de vote au Conseil | -1 | -1 | 1 | -1 | 2 | 2 | 1 | -1 | 2 | -1 | 0 | -1 | 1 | -1 | -1 |
| Nieuwe regeling betreffende het voorzitterschap. Nouveau règlement relatif à la présidence | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 | 1 | -1 | 0 | 0 | 1 | -1 | 0 | -1 | -1 | |
| Vermindering van het aantal leden van de Europese Commissie. Réduction du nombre de membres de la Commission européenne | -1 | -1 | 1 | -1 | -1 | 1 | 1 | -1 | 0 | -1 | 0 | -1 | -1 | -1 | -1 | |
| Vermindering van de invloed van de Europese Commissie. Réduction de l'influence de la Commission européenne | -1 | -1 | -1 | -1 | -1 | 1 | 1 | -2 | -1 | -1 | -1 | -1 | -1 | -1 | -1 | |
| Groter belang van het Europees Parlement. Renforcement général du Parlement Européen | 1 | -1 | 1 | 0 | 0 | -1 | -1 | -1 | 1 | -1 | 1 | 1 | -1 | -1 | -1 | |
| Uitbreiding van de toepassing van de medebeslissingsprocedure. Élargissement de l'application de la procédure de codécision | 1 | 0 | 1 | 1 | 0 | 0 | -1 | 0 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 0 | 1 | |
| Groter belang van het subsidiariteitsbeginsel. Renforcement du principe de subsidiarité. | -1 | 1 | 1 | -1 | -1 | -1 | 1 | 0 | 0 | 1 | 1 | 1 | 0 | 1 | 1 | |
| Eerste pijler (E.G.-Verdrag). Premier pilier (Traité C.E.) | Meer beslissingen bij meerderheid van stemmen in de eerste pijler. Davantage de décision à la majorité dans le 1er pilier | 2 | 0 | 1 | 1 | 0 | 1 | -1 | 1 | 1 | 1 | 0 | 1 | 1 | 0 | 1 |
| Verankering van nieuwe bevoegdheden in het E.G.-Verdrag. Ancrage de nouvelles compétences dans le Traité C.E. | 1 | -1 | -1 | 1 | 1 | 1 | -1 | -1 | 1 | 1 | -1 | 1 | 1 | -1 | 1 | |
| Groter belang van de milieu- en sociale dimensie. Renforcement de la dimension environnementale et sociale. | 1 | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 | -2 | 1 | 0 | 1 | 0 | 2 | 0 | 1 | 2 | |
| Tweede pijler (buitenlands en veiligheidsbeleid, G.B.V.B.). Deuxième pilier (politique étrangère et de sécurité, P.E.S.C.) | Geleidelijke overgang naar beslissingen bij meerderheid van stemmen in het G.B.V.B. Passage progressif à des décisions majoritaires dans la P.E.S.C. | 1 | 1 | 2 | -1 | 1 | 1 | -2 | -1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | 1 |
| Financiering van het G.B.V.B. door het gemeenschapsbudget. Financement de la P.E.S.C. par le budget communautaire | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |
| Defensie. Défense | Fusie E.U.-W.E.U. ? Fusion U.E.-U.E.O. ? | 1 | -1 | 1 | 1 | 1 | 1 | -1 | -1 | 1 | 1 | 1 | -1 | 1 | -1 | -1 |
| Derde pijler (Justitie en Binnenlandse Zaken). Troisième pilier (Justice et Intérieur) | Communautarisering van bepaalde aspecten uit de derde pijler. Communautarisation de certains aspects du 3e pilier | 1 | -1 | 0 | 0 | -1 | -1 | -2 | -1 | 1 | 1 | 0 | 1 | 1 | -1 | -1 |
2 absoluut; 1 ja; 0 afwachtende houding; -1 neen; -2 in geen geval.
5. Voornaamste tegenstellingen
Men mag verwachten dat een aantal tegenstellingen het verloop van de onderhandelingen tijdens de I.G.C. zal beïnvloeden. Zo zijn er bijvoorbeeld de verschillen tussen :
de landen die een meer federalistisch standpunt innemen en de verdedigers van het confederale model;
de grote en de kleine landen (en hoe zullen de middelgrote Staten zich gedragen ?);
de Lid-Staten die voorrang geven aan de uitbreiding met de landen van Midden- en Oost-Europa tegenover de landen die pleiten voor het aanhalen van de banden met het Zuiden;
de belangen van de landen die thans de belangrijkste begunstigden zijn van de structuurfondsen (vooral Spanje, Portugal, Griekenland, Italië) en de belangen van de arme landen die willen toetreden;
de belangen van de landen die de belangrijkste uitvoerders zijn van landbouwprodukten in de huidige Unie en de belangen van de landen die willen toetreden en die op dit terrein heel wat mogelijkheden hebben (Polen, Hongarije);
de voorstanders van een I.G.C. beperkt tot de essentiële thema's en de voorstanders van een I.G.C. die zoveel mogelijk terreinen bestrijkt;
de voorstanders van een vereenvoudiging van de verdragen en de verdedigers van het « acquis communautaire »;
de aanhangers van de subsidiariteit en de verdedigers van het communautaire initiatief;
de voorstanders van de « alles of niets-theorie » (die daar zelfs een grote politieke crisis voor over hebben) en de landen die bereid zijn een compromis te sluiten om resultaat te boeken, zij het een onvoldoende resultaat.
De werkzaamheden werden onder de vorige zittingsperiode aangevat in het Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers alleen. Destijds bestond immers zowel in de Kamer als in de Senaat een dergelijk adviescomité en elk comité werkte autonoom overeenkomstig het reglement van zijn assemblée.
Op 30 maart brachten de heren Eyskens en Willockx elk een eerste initiatiefrapport uit ten behoeve van het Adviescomité van de Kamer (tussentijds verslag : Gedr. St. Kamer nr. 1783/1 - 94/95).
Na de vernieuwing van de Kamers werd besloten een gemeenschappelijk adviescomité voor de Europese aangelegenheden op te richten. Het werd samengesteld uit 10 leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, 10 senatoren en 10 in België verkozen leden van het Europees Parlement. Artikel 77 van het nieuwe Senaatreglement handelt over dit « Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden ».
Dit Comité heeft zich opnieuw gebogen over de problematiek van de I.G.C. en heeft zich tot doel gesteld een ontwerp van memorandum op te stellen dat vervolgens aan Kamer en Senaat moet worden voorgelegd om, voor zover mogelijk, beide assemblées een gemeenschappelijk standpunt te laten innemen. Zodoende heeft het Comité zich gespiegeld aan de procedure die gevolgd werd in 1990 bij de vorige intergouvernementele conferentie, die geleid heeft tot het Verdrag van Maastricht [Gedr. St. Kamer nr. 1350/1 - 90/91; Gedr. St. Senaat nr. 1112-1 (1989-1990)].
Uw rapporteur werd aangewezen als derde rapporteur naast de heren Eyskens en Willockx en de werkzaamheden in het Federaal Adviescomité werden aangevat met de publikatie van een ontwerp van memorandumtekst die voornamelijk steunde op de initiatiefrapporten van de heren Eyskens en Willockx (Tweede tussentijds verslag : Gedr. St. Kamer nr. 190/1 - 95/96; Gedr. St. Senaat nr. 140/1). Het is niet mogelijk gebleken het aanzienlijke werk dat uit die twee verslagen is voortgevloeid, nog structureel te wijzigen.
Alvorens over te gaan tot het onderzoek van die eerste versie van het memorandum heeft het Adviescomité, dat overtuigd is van de noodzaak de bevolking zo nauw mogelijk te betrekken bij het debat over de hervorming van de Europese Unie, de tekst ter raadpleging voorgelegd aan het maatschappelijk middenveld (de sociaal-economische en culturele geledingen van de samenleving) dat zijn reacties heeft kunnen meedelen tijdens een hoorzitting die gehouden werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 25 november 1995 (zie beknopt verslag E1 van de Kamer van volksvertegenwoordigers, 49e zittingsperiode, G.Z. 1995-1996, EUR 25 november 1995).
Op zijn vergaderingen van 1, 5 en 19 december 1995 is het Adviescomité overgegaan tot een eerste lezing van de ontwerptekst met het oog op de bespreking van :
i) de amendementen die door de rapporteur van de Senaat werden ingediend op grond van zijn eigen opvatting over de I.G.C., de amendementen die werden ingediend door andere leden van het Adviescomité alsmede door sommige andere leden van Kamer en Senaat die aan de werkzaamheden hebben deelgenomen (112 amendementen);
ii) een honderdtal voorstellen die zijn voortgevloeid uit de mondelinge en schriftelijke bijdragen van de organisaties die hebben deelgenomen aan de hoorzitting van 25 november 1995.
Wegens het grote aantal amendementen en voorstellen en wegens hun verscheidenheid werd deze eerste lezing opgevat als een oriëntatiedebat. Daarbij was het in de eerste plaats de bedoeling uit de naar voren gebrachte meningen die ideeën te filteren die de algemene goedkeuring of de goedkeuring van een meerderheid van de leden van het Adviescomité konden wegdragen. Wanneer de discussie niet tot een voldoende duidelijke conclusie leek te leiden, werden over sommige amendementen indicatieve stemmingen gehouden. De rapporteurs werd verzocht de aldus verkregen gegevens te integreren in een nieuwe versie van het opnieuw aan het Adviescomité voor te leggen ontwerp van memorandum.
Voor een aantal opmerkingen die geformuleerd werden door het maatschappelijk middenveld, rees een specifiek probleem. Het ging daarbij om aanbevelingen voor de I.G.C. betreffende vraagstukken die niet of nauwelijks aan bod kwamen in de eerste versie van het ontwerp van memorandum, namelijk het beleid dat door de Europese Unie gevoerd moet worden op een groot aantal specifieke terreinen zoals leefmilieu, bescherming van de consumenten, cultuur, onderwijs, telecommunicatie, energie, enz.
Bij deze eerste lezing heeft het Adviescomité geen samenhangend standpunt kunnen innemen over al die problemen in hun geheel. Nochtans wou het al die beschouwingen ook niet gewoon naast zich neerleggen en heeft het de rapporteurs verzocht te onderzoeken hoe de overwegingen die het Comité interessant leken, eventueel zouden kunnen worden opgenomen in het ontwerp van memorandum.
Ten slotte is het Adviescomité bij deze eerste lezing ook niet ingegaan op de adviezen die de vaste commissies van Kamer en Senaat hebben uitgebracht over de beleidsnota van de Regering betreffende de I.G.C. Op 19 december 1995 waren die adviezen trouwens nog niet allemaal beschikbaar. Het Adviescomité heeft het aan de rapporteurs overgelaten te onderzoeken hoe rekening gehouden moest worden met de bedoelde adviezen.
De drie rapporteurs zijn op 11 januari en 16 februari 1996 in een redactiecomité bijeengekomen teneinde een nieuwe versie van het ontwerp van memorandum op te stellen op grond van alle aanwijzingen die hun door het Adviescomité werden gegeven, waarbij zij ervoor hebben gezorgd een samenhangende tekst zonder herhalingen op te stellen. Die tussentijdse tekst, die enkel in het Adviescomité werd rondgedeeld, is als bijlage bij dit verslag gevoegd.
Hoewel heel wat moeite werd gedaan om een consensus te bereiken, konden de rapporteurs het niet eens worden over alle aspecten van die tekst. De versie die voor een tweede lezing werd voorgelegd aan het Adviescomité bevatte dus nog passages « tussen haakjes », aangezien de rapporteurs van de Senaat en het Europees Parlement bij sommige tekstgedeelten voorbehoud hadden gemaakt.
Voor de twee problemen die door het Adviescomité bij de eerste lezing werden aangehouden, hebben de rapporteurs de volgende oplossingen aanbevolen aan het Comité.
Er werd voorgesteld in het tweede deel van het memorandum de overwegingen op te nemen die het Adviescomité bij de eerste lezing interessant had gevonden zonder ze evenwel te onderschrijven. Dit tweede deel met als opschrift « Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen » zou anders behandeld worden dan het eerste deel, aangezien het Adviescomité dat deel niet formeel zou moeten goedkeuren.
De rapporteur van de Senaat wijst erop dat hij geen voorstander was van deze oplossing omdat de tekst van het memorandum er te lang en moeilijk leesbaar door werd. Daarenboven zullen de onderwerpen die in dit tweede deel aan bod komen waarschijnlijk niet besproken worden op de I.G.C., gelet op de prioriteiten die de Lid-Staten van de Europese Unie in overleg hebben vastgelegd voor die conferentie, zowel in het verdrag van Maastricht als door latere besluiten (zie in dit verband het inleidend hoofdstuk van het rapport-Westendorp). In de rapporten die door de verschillende instellingen van de Europese Unie met het oog op de I.G.C. werden voorbereid, wordt ook nauwelijks over die problemen gesproken. Tenslotte was de rapporteur van de Senaat van oordeel dat, als men dan toch absoluut wilde spreken over die onderwerpen, die weliswaar belangrijk zijn maar niet op de agenda van de I.G.C. staan men zich niet kon beperken tot het vestigen van de aandacht op ideeën van zeer uiteenlopende aard zonder een standpunt in te nemen. Men moest er volgens hem dan maar een grondig debat aan wijden ten einde bepaalde items op te nemen in het goedgekeurde tekstdeel, zodat de rest kon worden geschrapt. Het feit dat het memorandum vóór de Top van Turijn van 29 maart 1996 diende klaar te zijn, maakte het onmogelijk een dergelijk op eliminatie of correctie gericht onderzoek in het Adviescomité te doen.
De twee andere rapporteurs hebben niettemin gemeend dat ook die aandachtspunten van het maatschappelijk middenveld weerklank dienden te vinden in het memorandum. Om toch een consensus te kunnen bereiken heeft de rapporteur van de Senaat tenslotte het deel met als opschrift « Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen » aanvaard, maar heeft hij er tevens op aangedrongen het zoveel mogelijk samen te vatten. Met het oog daarop heeft hij voorgesteld bepaalde ideeën die in dat deel worden uiteengezet, op te nemen in het eerste deel van het memorandum en, als tegenprestatie, de daarmee overeenstemmende passages in het tweede deel in te korten (zie in de als bijlage bijgevoegde tekst het voorbehoud dat door de rapporteur van de Senaat gemaakt werd bij het hoofdstuk Middelen, IV. Europees burgerschap, punt 6 en de daarmee overeenstemmende passages van het deel « Krachtlijnen »).
Wat de adviezen van de vaste commissies van Kamer en Senaat betreft (zie Gedr. St. Senaat nr. 1 - 129/2 tot 6, Gedr. St. Kamer nr. 146/2 - 1995/1996), hebben de rapporteurs gepoogd die zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het memorandum. Zij hebben vastgesteld dat de standpunten die in die adviezen werden ingenomen reeds voor een groot deel terug te vinden waren in het ontwerp van memorandum zoals aangenomen bij de eerste lezing in het Adviescomité, zij het vaak in een andere vorm. Zij hebben vervolgens alle in de adviezen behandelde punten onderzocht die niet in het ontwerp van memorandum voorkwamen. Op enkele uitzonderingen na (zie het tweede deel van dit verslag voor meer details) werden al die punten toegevoegd, vaak in een beknopte vorm, gelet op de reeds vrij aanzienlijke omvang van het ontwerp van memorandum. Opgemerkt zij dat, met het oog op de samenhang, bepaalde aanbevelingen van de commissies door de rapporteurs werden ingevoegd in het deel « Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen » (het gaat om de afdelingen « Emancipatiebeleid » en « Armoedebeleid »).
Het Adviescomité heeft de nieuwe versie die door de rapporteurs werd voorbereid, besproken op zijn vergaderingen van 27 februari en 5 maart 1996. Het debat had betrekking op het voorbehoud dat door twee van de drie rapporteurs was gemaakt, alsook op een aantal nieuwe amendementen. Na afloop werd een tekst opgesteld waarmee het Adviescomité het eenparig eens was. Om het bereiken van een consensus te vergemakkelijken, heeft de rapporteur van de Senaat tijdens het debat afgezien van de meeste bezwaren die hij eerder had geopperd (1).
De rapporteurs en het Adviescomité hebben bij het opstellen van dit memorandum steeds voor ogen gehouden dat naar standpunten moest worden gezocht die op een zo groot mogelijke meerderheid, ruimer zelfs dan de huidige politieke meerderheid, in het Adviescomité konden rekenen.
Enkele sprekers waren van mening dat het Comité door zo nadrukkelijk naar een consensus te zoeken er niet toe was gekomen het ideologisch debat op gang te brengen over wat de aard en de doelstellingen van de Europese Unie moesten zijn een debat dat er nochtans dringend moet komen,vooral omdat de tijd voorbij is dat in Belgische politieke kringen grote eenstemmigheid heerste betreffende de Europese aangelegenheden. Het resultaat is volgens deze sprekers een ontwerp van memorandum dat slechts een catalogus is van eisen, zonder duidelijke prioriteiten en zonder visie m.b.t. de Europese Unie, en met duidelijk minder inhoud en structuur dan de beleidsnota van de Regering.
Het Adviescomité was van mening dat het standpunt van het Parlement meer gewicht zal hebben naarmate het evenwichtiger is en op brede steun kan rekenen, en dat het niet doeltreffend zou zijn om een meerderheidsstandpunt en een of meer minderheidsstandpunten voor te stellen.
Bovendien heeft het actief zoeken naar een consensus geenszins tot gevolg gehad dat het Adviescomité rekening heeft gehouden met alle standpunten die naar voor werden gebracht, zoals hierna duidelijk zal blijken. Wat de grote lijnen betreft werd een ondubbelzinnig standpunt ingenomen.
In de onderstaande toelichting worden de belangrijkste punten besproken die bij de discussie aan bod kwamen, volgens de inhoudstafel van het ontwerp-memorandum en met waar nodig het onderscheid tussen de vragen die werden behandeld bij de eerste en bij de tweede lezing.
In dit deel, dat de achtergronden schetst van de I.G.C., werden tijdens de debatten geen grote wijzigingen aangebracht.
In punt 5 heeft het Adviescomité een subamendement opgenomen op een amendement van een Kamerlid, waarin sprake was van « de verhouding tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Lid-Staten, de volkeren en de regio's anderzijds ». Het Adviescomité heeft niet de indruk willen wekken dat de filosofie van een uit Lid-Staten bestaande Unie ter discussie wordt gesteld.
Dit deel handelt hoofdzakelijk over de rol die het Parlement voor zichzelf ziet weggelegd wat de I.G.C. betreft.
De bespreking ging hoofdzakelijk over twee vragen waarover diepgaand is gediscussieerd :
moet het Parlement nu al (d.w.z. zelfs vóór het begin van de onderhandelingen binnen I.G.C.-verband) aan de Regering meedelen welke de voorwaarden sine qua non zijn voor een latere goedkeuring van het nieuwe verdrag (zie punt 1 van de tekst) ?
hoe moet de kritiek worden verwoord over de huidige procedure tot herziening van de verdragen (via intergouvernementele conferenties), die erop neerkomt dat iedere Lid-Staat vetorecht heeft ten aanzien van de fundamentele ontwikkelingen van de Unie en dat er een ratificatie door elke Lid-Staat nodig is (punt 4 van de tekst) ?
In verband met het eerste punt werden verscheidene amendementen voorgesteld. Een amendement inhoudende dat dit memorandum moet worden beschouwd als een officieel mandaat vanwege het Parlement aan de Regering om onderhandelingen te voeren, werd verworpen omdat het niet overeenstemt met onze grondwettelijke traditie. Sommige leden van het Adviescomité wilden dat het memorandum duidelijk zegt dat het Parlement het resultaat van de I.G.C. niet zou goedkeuren indien niet was voldaan aan de fundamentele eisen van het memorandum (samengevat in punt 1 van de tekst). Dit amendement werd evenmin aangenomen omdat het de beoordelingsvrijheid van het Parlement wanneer dit het nieuwe verdrag ter goedkeuring voorgelegd krijgt al te zeer zou beperken, en zich dus tegen hem zou kunnen keren. Het Parlement zou dan eventueel een onmogelijke keuze moeten maken (afzien van zijn eisen of het nieuwe verdrag niet aanvaarden). Niemand kan thans namelijk voorzien hoe de I.G.C. zal verlopen. Het Adviescomité heeft uiteindelijk een amendement aangenomen, voorgesteld door een senator, ertoe strekkende dat het Parlement te gelegener tijd de Regering zijn minimale eisen zal meedelen wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen die in het memorandum worden genoemd (zie punt 1, laatste lid).
Wat het tweede punt betreft achtte de rapporteur van de Senaat het niet raadzaam deze vraag in het memorandum aan bod te laten komen. De I.G.C. zal reeds genoeg om handen hebben zonder dit knellende probleem. Bovendien zou men door deze kwestie ter tafel te brengen aangeven dat men niet gelooft dat de I.G.C. (of iedere toekomstige intergouvernementele conferentie tot wijziging van de verdragen) een succes kan worden. Deze defaitistische houding is weinig opbouwend en misplaatst. De grote meerderheid van het adviescomité was echter van oordeel dat de aangelegenheid moest worden aangekaart maar heeft de tekst in de oorspronkelijke versie van het memorandum afgezwakt.
Sommige leden hebben te kennen gegeven dat het niet erg slim was om de link te leggen tussen de noodzakelijke herziening van de besluitvormingsprocedure voor verdragswijziging en de federale opvatting over de Unie, gelet op de weerstand die deze term oproept. Het belangrijkste was te voorkomen dat de voortgang van de Unie zou worden gefrustreerd. In een amendement van een kamerlid werd gesteld dat indien de toestemming van alle Lid-Staten niet meer noodzakelijk was voor een verdragswijziging, de Lid-Staten de mogelijkheid zouden moeten krijgen om uit de Unie te stappen. Dit amendement werd aangenomen. Volgens het Adviescomité moet ook de mogelijkheid bestaan Lid-Staten uit te sluiten of het lidmaatschap te schorsen. Tenslotte diende een senator een amendement in strekkende om alleen een herziening aan te bevelen van artikel N.1, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ten einde verdragswijziging mogelijk te maken door een dubbele gekwalificeerde meerderheid (aantal landen/bevolkingsaantal), zoals voorgesteld in het rapport van de heer Herman (Europees Parlement) over een ontwerp van Europese Grondwet.
Na afloop van de besprekingen, hebben de rapporteurs een nieuwe tekst voorgesteld voor punt 4, die met al die elementen rekening hield en door het adviescomité werd goedgekeurd. Bij de tweede lezing werd deze tekst nog lichtjes afgezwakt.
Het Adviescomité heeft, naast de twee bovenstaande vraagstukken, ook nog de volgende punten behandeld :
het heeft aanvullende criteria opgesteld om de uitkomst van de I.G.C. te beoordelen en benadrukt dat het « acquis communautaire » niet ter discussie kan worden gesteld en dat het uiteindelijke doel een eengemaakt Europa op federale grondslag moet zijn (zie punt 1);
het heeft op basis van een voorstel dat het resultaat is van de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld, de paragraaf uitgebreid over de noodzaak om de bevolking bij de besprekingen over de I.G.C. te betrekken (zie punt 3);
het heeft de aandacht gevestigd op de rol van de Gemeenschappen en de Gewesten en hun assemblées in verband met de I.G.C. (zie punt 3);
het heeft een amendement van een kamerlid verworpen dat ertoe strekt in punt 1 toe te voegen « de vrijwaring van de belangen van de volkeren en culturen die samen de Belgische federatie vormen », als beoordelingscriterium voor het nieuwe verdrag;
het heeft een amendement verworpen van een fractie dat vroeg dat over het nieuwe verdrag een referendum wordt gehouden maar zich wel achter een zo ruim mogelijke raadpleging van de bevolking geschaard;
het heeft ook een voorstel verworpen dat het resultaat was van de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld waarin al in dit stadium werd gevraagd dat indien de I.G.C. mislukt, de Lid-Staten die een hechtere Unie wensen, een afzonderlijk verdrag sluiten.
Het debat over dit hoofdstuk dat in algemene termen verwoordt wat het Parlement van de I.G.C. verwacht concrete eisen worden behandeld in het hoofdstuk « Middelen » heeft er vooral toe geleid dat de strekking van sommige passages wordt verduidelijkt en uitgebreid. De volgende punten werden aangesneden :
1. Volgens een senator moet de taak van de I.G.C. bepaald worden op basis van een vaststelling die nergens te vinden is in de oorspronkelijke lezing van het ontwerp-memorandum. Het gaat om de legitimiteitscrisis die de Europese Unie thans doormaakt omdat ten eerste de levensomstandigheden in de Unie achteruitgaan (werkloosheid, voortschrijdende armoede, onveiligheid) en ten tweede de Unie op internationaal vlak (bijvoorbeeld in ex-Joegoslavië) blijk geeft van machteloosheid. Om die crisis te kunnen bezweren zijn de oprichtingsverdragen van de Unie aan herziening toe. Om de doelstellingen in punt I tot punt VI af te stemmen op die zienswijze, heeft de betrokken senator een amendement ingediend, in te voegen in de inleiding van het hoofdstuk « Doelstellingen ».
De rapporteur van de Senaat heeft verklaard tegen dit amendement gekant te zijn omdat het volgens hem een te pessimistisch beeld ophangt van de toestand in de Europese Unie en vooral van de thans geldende verdragen.
De rapporteur en een lid van de Kamer hebben een afgezwakte lezing van het amendement ingediend, dat de goedkeuring van het Adviescomité kon wegdragen (cf. tweede alinea van de inleiding van het hoofdstuk « Doelstellingen »).
2. Het Adviescomité was het eens over de doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid dat de Europese Unie zou moeten voeren. In punt I werden enkel hier en daar tekstverbeteringen aangebracht.
3. Wat betreft afdeling II (Werk en duurzame ontwikkeling) was iedereen het erover eens dat de Economische en Monetaire Unie er dringend moet komen. Daar staat dan weer tegenover dat het Adviescomité een omstandig debat heeft gewijd aan de bijkomende doelstellingen die in het kader van de eerste pijler in zijn huidige vorm van de Europese Unie gehaald moeten worden.
Eensgezind werd er gepleit voor de ontwikkeling van een communautair beleid inzake werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling.
Volgens de rapporteur van de Senaat hoefde men niet verder te gaan en was het niet raadzaam de totstandkoming van een gemeenschappelijk sociaal en fiscaal fundament te verdedigen omdat zulks niet realistisch is en weinig zou bijdragen tot duurzame werkgelegenheid, wel integendeel.
Het Adviescomité was het erover eens het onderwerp van het gemeenschappelijk fiscaal beleid niet aan te snijden in het besproken deel van het memorandum, omdat een dergelijk beleid veeleer deel uitmaakt van de instrumenten waarmee men de sociale en economische doelstellingen kan realiseren. Dat onderwerp werd verwezen naar het hoofdstuk « Middelen ».
Daar staat tegenover dat een meerderheid in het Comité meende dat een gemeenschappelijk sociaal beleid een van de belangrijke doelstellingen van de Unie moet zijn. In dat verband had een senator het in zijn amendement over de noodzaak het « Europees sociaal model » te ontwikkelen. De rapporteur van de Senaat heeft het gebruik van deze uitdrukking aangevochten door erop te wijzen dat de sociale tradities van de Lid-Staten van de Unie thans onderling zozeer verschillen dat men niet meer kan spreken van een eenvormig Europees sociaal model.
De rapporteur van de Kamer heeft voorgesteld de link te leggen tussen enerzijds de doelstellingen inzake werkgelegenheid, sociaal beleid en duurzame ontwikkeling en anderzijds de E.M.U. in plaats van ze louter naast elkaar of als elkaars aanvulling voor te stellen. Het welslagen van de E.M.U. moet de mogelijkheid bieden de andere doelstellingen te halen. Uitgaand van de verlangens van verscheidene vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, heeft spreker ook een amendement ingediend om van de bescherming van de belangen van de consumenten een van de belangrijkste doelstellingen van de Unie te maken. Het Adviescomité kon het daarmee eens zijn.
Na de eerste lezing van het ontwerp-memorandum, hebben twee van de drie rapporteurs een nieuwe tekst voorgesteld die met al het bovenstaande rekening houdt. De rapporteur van de Senaat heeft daartegen bezwaren geopperd maar heeft omwille van de consensus de tekst uiteindelijk bij de tweede lezing aanvaard. De tekst heeft evenwel hier en daar nog lichte wijzigingen ondergaan op voorstel van een Kamerlid, dat van oordeel was dat de belangen van de consument niet de enige reden vormen om een duurzame ontwikkeling na te streven.
4. Meningsverschillen zijn er niet geweest over punt III (Doelstellingen inzake binnenlandse aangelegenheden en justitie). Het Adviescomité heeft zonder bespreking het voorstel van de rapporteurs aanvaard om de verwijzing naar het openstellen van de buitengrenzen van de Unie in deze context te schrappen, om misverstanden te vermijden. Het openstellen van de buitengrenzen verschilt fundamenteel van het openstellen van de binnengrenzen. Alleen deze laatste aangelegenheid valt onder de derde pijler van de Unie.
5. Over punt IV (dat zeer gedetailleerd de doelstellingen inzake het Europees burgerschap behandelt) is het Adviescomité niet ingegaan op het voorstel van de rapporteur van de Senaat bij de eerste lezing om de tekst te bekorten en beknoptheidshalve onder meer de lange opsomming van de individuele en groepsgebonden rechten in de tweede en derde alinea te schrappen. Een meerderheid van andere leden heeft de tekst nog verruimd door er vele punten aan toe te voegen.
Het Comité heeft daarom een amendement aangenomen ingediend door een van de senatoren-leden, dat kon rekenen op de steun van het Adviescomité van de Senaat voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen (cf. Gedr. St. Senaat nr. 1-129/6). Het wou de gelijkheid van mannen en vrouwen uitdrukkelijk doen opnemen in de lijst van de individuele rechten. Het argument van een aantal leden van het Adviescomité voor Europese aangelegenheden dat dit begrip een onderdeel is van het gelijke-kansenbeleid dat reeds op de lijst voorkomt, werd terzijde geschoven.
Het Adviescomité heeft tevens verscheidene suggesties overgenomen die op de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld werden gedaan, door onder meer aan te bevelen dat de Unie bij de bevestiging van het beginsel van het Europees burgerschap, de strijd aanbindt tegen armoede en sociale uitsluiting, en het gezin beschermt. De rapporteur van de Senaat heeft zijn twijfels geuit over het laatste punt, namelijk de wenselijkheid om aan de Unie bevoegdheden inzake gezinsbeleid te verlenen, omdat daar geen vraag naar bestaat en het subsidiariteitsbeginsel het ook niet toelaat. Het Comité heeft rekening gehouden met deze opmerkingen.
6. Het Comité was het eens over de doelstellingen inzake de herziening van de werking van de instellingen van de Unie (punt V). Bij de tweede lezing heeft het Adviescomité zonder bespreking twee preciseringen van de rapporteur van het Europees Parlement goedgekeurd, die in feite vooruitlopen op de punten waarop het hoofdstuk « Middelen » van het memorandum gedetailleerd ingaat :
het Adviescomité heeft bepaald dat het door hem aanbevolen evenwicht tussen de instellingen van de Unie geen status quo betekent en dat het meer in het bijzonder de bevoegdheden van het Europees Parlement verruimd wil zien;
het Comité is van oordeel dat de nationale Parlementen bij het besluitvormingsproces in de Unie in hoofdzaak moeten toezien op de activiteit van de nationale ministers in de Europese ministerraad. Er zij evenwel op gewezen dat het idee verwoord in de zin « inzonderheid inzake intergouvernementele aangelegenheden », niet voorkomt in het hoofdstuk « Middelen », V.F. van het memorandum.
7. Over punt VI was het Adviescomité het eens : het Comité is voorstander van een uitbreiding, doch de verdieping van de Unie moet voorgaan. Om misverstanden te vermijden, heeft het Comité een amendement van een Kamerlid goedgekeurd, volgens hetwelk de kandidaat-leden van de Unie alleen dan kunnen toetreden wanneer ze bereid zijn resoluut mee te werken aan de totstandkoming van een federaal Europa.
I. Vrede en veiligheid
Het Adviescomité is van mening dat een doeltreffend en samenhangend gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid een doorgedreven communautarisering van de tweede pijler vereist. Dit zou onder meer ten gevolge hebben dat de Raad beslist bij meerderheid van stemmen, dat de Commissie een belangrijke rol toebedeeld krijgt bij de uitwerking en de toepassing van het G.B.V.B. en dat het Europees Parlement in samenwerking met de nationale parlementen over middelen beschikt om een democratische controle uit te oefenen. Daarenboven moeten de verschillende Europese organisaties die bevoegd zijn voor defensie en veiligheid nauwer samenwerken om de doeltreffendheid van hun optreden te vergroten.
De banden tussen de Europese Unie en de W.E.U. moeten worden aangehaald zodat de W.E.U. op termijn de operationele arm van het G.B.V.B. kan worden zonder daarbij uit het oog te verliezen dat de N.A.V.O. in de Europese defensiestructuur een belangrijke plaats zal blijven innemen.
Verschillende suggesties van het maatschappelijk middenveld werden in aanmerking genomen. Zij houden onder meer verband met de ontwapening, de financiering van het G.B.V.B., de wapenhandel, de mensenrechten in het kader van het G.B.V.B. en de rol van de E.U. in de wereld.
Amendementen die ertoe strekten dit hoofdstuk te beperken tot de vrede en de veiligheid in Europa en tot het debat over de Europese instellingen werden niet aangenomen : voor de meeste leden draagt de Europese Unie verantwoordelijkheid op wereldschaal met alle gevolgen vandien. Er was geen meerderheid te vinden voor een amendement dat ertoe strekte de Europese Unie te doen afzien van elke vorm van nucleaire verdediging.
II. Werk en duurzame ontwikkeling
A. Economische en Monetaire Unie (E.M.U.)
Het Adviescomité is eenparig van mening dat de derde fase van de E.M.U. en de deelneming van België aan die fase onontbeerlijk zijn om onze welvaart veilig te stellen.
Om concurrentievervalsing te voorkomen moet volgens het Adviescomité de convergentie van de fiscale en sociale- zekerheidsregelingen bevorderd worden. De rapporteur van de Senaat heeft voorgesteld de verwijzing naar de harmonisatie via een energie- en CO2 -heffing en andere directe en indirecte belastingen te schrappen. Die heffing staat niet meer op de agenda van de Raad tenzij in een zo afgezwakte vorm dat ze concurrentievervalsing dreigt te veroorzaken en een verschuiving van de economische activiteit naar elders dreigt teweeg te brengen. Dit amendement werd verworpen.
Aangezien dit hoofdstuk ook handelt over duurzame ontwikkeling werd in dit tekstdeel een zesde punt ingevoegd over het milieubeleid. Een amendement van een kamerlid waarin verwezen wordt naar de overeenkomsten gesloten op de Conferenties van Rio en Kopenhagen werd aangenomen.
Oorspronkelijk hoorde dit zesde punt thuis in een afzonderlijk deel waar het terug te vinden was onder het opschrift « C. Milieubeleid ». Met het oog op de samenhang werden nadien alle beschouwingen over het milieubeleid, zoals tal van andere beleidsdomeinen, samengebracht in het laatste deel van het memorandum dat het opschrift « Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen » draagt, zoals werd toegelicht in het eerste deel van dit verslag. Hierdoor kwam het aspect « duurzame ontwikkeling » echter helemaal niet meer aan bod in het memorandum zelf. Een lid heeft dan voorgesteld dit punt opnieuw in deel A op te nemen. Dit voorstel werd aangenomen.
B. Een Europees sociaal beleid
Twee leden hebben een amendement ingediend op punt 2 dat ertoe strekt de sociale bepalingen op een zo hoog mogelijk niveau te harmoniseren teneinde sociale dumping te voorkomen. De rapporteur van de Senaat heeft zich verzet tegen het begrip « harmonisatie naar boven toe » tussen de Vijftien en tegen het gebruik van het begrip « sociale dumping ». Volgens hem leidt een dergelijke harmonisatie tot een dramatische stijging van de werkloosheid in de nu al kansarme, minder produktieve Europese regio's. De rapporteur van het Europees Parlement heeft daarop een algemenere tekstformulering voorgesteld die werd aangenomen (« ... onderlinge aanpassing van de sociale bepalingen op de weg van de vooruitgang...). Wat het begrip sociale dumping betreft heeft de rapporteur van de Senaat uiteengezet dat voor dit begrip geen exacte en eenduidige wetenschappelijke definitie kan worden gegeven. De meeste leden waren evenwel van mening dat het begrip zo algemeen verspreid is en gebruikt wordt dat het in de tekst kon worden behouden.
Een voorstel van de Commissie voor Sociale Aangelegenheden om de Europese markt niet af te sluiten voor de Derde Wereld, wegens verschillende sociale bepalingen, werd op het einde van punt 2 ingevoegd.
Op punt 3 heeft de rapporteur van de Senaat een amendement ingediend om het specifieke aanvallen van een Lid-Staat uit te sluiten, d.w.z. de veroordeling van de Britse opting out-clausule op het sociale gebied. Na bespreking werd het amendement aangenomen.
In punt 6 werd een amendement van een Kamerlid dat ertoe strekte de middenstand te erkennen als sociale partner, aangenomen.
In de oorspronkelijke versie van het ontwerp van memorandum (zie tweede tussentijds verslag) kwamen na deel B, de delen C. Milieubeleid en D. Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Die twee aangelegenheden zijn nu opgenomen in het deel « Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen » (zie het tweede hoofdstuk van dit verslag alsmede de bespreking van punt A.6 op bladzijde 21 hierboven).
III. Veiligheid binnen de Europese Unie
Een senator heeft een amendement ingediend dat ertoe strekte voorstellen van de Senaatscommissie voor Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden (zie Gedr. St. Senaat, nr. 1-129/4) in het memorandum in te voegen.
De eerste twee paragrafen van het advies van die commissie werden grosso modo in het memorandum onder de punten 1, 2 en 4 ingevoegd. Dit amendement steunt de Regering in haar pleidooi voor een communautarisering van de aangelegenheden die tot de derde pijler behoren, voor zover de operationele en besluitsvormingsprocessen doeltreffend zijn. Het amendement beoogt eveneens het opnemen van de overeenkomst van Schengen in het Unieverdrag, waarbij gewezen wordt op het belang van het subsidiariteitsbeginsel.
De andere delen van dit advies werden door het Comité niet als dusdanig in het memorandum ingevoegd, doch zijn in een andere vorm op andere plaatsen terug te vinden. Hetzelfde geldt voor de conclusies van de Commissie voor de Justitie over dit onderwerp (zie Gedr. St. Senaat nr. 1-129/3).
Ondanks de voorstellen over de rol die de nationale parlementen spelen in de aangelegenheden van de derde pijler zolang het Europees Parlement geen rol wordt toebedeeld vreesden de meeste leden van het Comité toekomstige communautarisering van die aangelegenheden in gevaar te brengen. Zij hebben ook gemeend dat een bijkomende fase in het besluitvormingsproces de doeltreffendheid in het gedrang zou kunnen brengen.
Na een amendement van een ander lid werd aan punt 1 een tweede zin toegevoegd die voorziet in een gemeenschappelijk visumbeleid; de zin werd aangevuld met een amendement van een Kamerlid dat er het aspect van de bestrijding van de drugshandel aan toevoegt. Via een amendement van een senator werd ook nog een derde punt toegevoegd.
IV. Europees burgerschap
Op voorstel van de rapporteurs werd een punt 2 ingelast, dat een bepaling toevoegt over de niet-discriminatie die zeer ruim wordt opgevat.
Bij de slotbespreking verzette de rapporteur van het Europees Parlement zich tegen het begrip niet-discriminatie op basis van taal. Na een bespreking heeft het Adviescomité de tekst als dusdanig goedgekeurd waarbij het ervan uitgaat dat er geen discriminatie in de beoogde zin is wanneer de kennis van een bepaalde taal gehanteerd wordt als criterium voor een aanwerving of een benoeming of wanneer het gebruik van een bepaalde taal wordt opgelegd in bestuurlijke of sociaal-economische betrekkingen.
Een amendement van een senator, die gesteund werd door het Adviescomité van de Senaat voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen (zie Gedr. St. Senaat nr. 1-129/6), bevestigde het beginsel van het recht van vrouwen en mannen op een gelijke behandeling en in het bijzonder het recht op een gelijke deelneming van mannen en vrouwen aan de besluitvorming op alle niveaus als doelstelling. Dit amendement werd aangenomen op het begrip « paritaire democratie » na. Voor veel leden suggereerde dit begrip de invoering van quota in de besluitvormingsorganen. Om het gevaar van een onjuiste interpretatie te voorkomen aanvaardde de indiener zijn amendement op dit punt te wijzigen.
Een amendement van een Kamerlid dat ertoe strekte de regels op het gebruik der talen in de Europese Unie ook na een uitbreiding te handhaven, werd aangenomen.
Een voorstel van een organisatie die deelnam aan de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld werd door een Kamerlid in de vorm van een amendement ingediend. Het amendement wil de ontwikkeling bevorderen van een dynamisch maatschappelijk middenveld op Europees niveau ten einde de burgers in staat te stellen deel te nemen aan het democratisch debat over Europa en ten einde een Europese identiteit tot stand te brengen.
De rapporteur van de Senaat heeft een amendement ingediend dat punt 6 is geworden van dit deel. Het verwijst naar diverse specifieke beleidsdomeinen zoals zij zijn voortgevloeid uit de voorstellen van enkele organisaties die hebben deelgenomen aan de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld, (zie het laatste deel van het memorandum « Krachtlijnen ... ») en die onontbeerlijk zijn voor het Europees burgerschap.
Punt 7, dat de rol van de openbare dienstverlening bevestigt, werd ontleend aan een amendement van de rapporteur van het Europees Parlement. Er wordt van uitgegaan dat de overheidsdiensten een grotere verantwoordelijkheid moeten krijgen om hun doeltreffendheid te vergroten. Volgens een meerderheid van de leden van het Adviescomité is de privatisering geen doel op zich maar kan ze overwogen worden indien het belang van de consument zulks vereist.
Ten slotte werd een amendement van een Kamerlid, dat ertoe strekt de doodstraf op Europees niveau af te schaffen, met een ruime meerderheid aangenomen.
V. Democratische Europese instellingen
Het Adviescomité is het met een senator en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld eens om aan de Europese Unie als zodanig rechtspersoonlijkheid te verlenen.
A. Een democratische besluitvorming
In deze afdeling worden de grote principes opgesomd die in acht moeten worden genomen om het hoofd te bieden aan het democratisch tekort dat nog steeds de werking van de Europese instellingen kenmerkt :
medebeslissing voor het geheel van het wetgevend werk, inclusief de domeinen die tot de derde pijler behoren, waarbij de medebeslissingsprocedure daarenboven herzien wordt (veralgemening van de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad in het kader van deze procedure, vereenvoudiging van de procedure volgens de krijtlijnen uitgetekend door het Europees Parlement);
instemming van het Europees Parlement voor verdragswijzigingen en internationale akkoorden waarbij de Gemeenschappen (c.q. de Unie) partij zijn;
controle van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de begroting (te noteren valt dat in het deel « Middelen, V, B. Evenwicht tussen de Europese instellingen, 2. Het Europees Parlement », het Adviescomité ook voor de begroting de medebeslissingsprocedure heeft gevraagd).
Met sommige suggesties van de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld werd geen rekening gehouden. De aanbeveling dat de medebeslissing ook zou moeten gelden voor de wijziging van de oprichtingsverdragen van de Unie werd niet realistisch geacht. Het idee om de tweede en de derde pijler uit de bevoegdheidssfeer van de Europese Unie te halen en over te laten aan de klassieke intergouvernementele samenwerking indien zou blijken dat het onmogelijk is die aangelegenheden in ruimere mate door de Gemeenschap te laten behandelen, werd verworpen. Het Adviescomité kan in ieder geval geen stap terug aanvaarden.
Een lid van de Kamer heeft voorgesteld dat de tekst zou verduidelijken dat de hier bepleite institutionele hervormingen slechts de eisen van het Parlement voor de I.G.C. van 1996 zijn en als voorlopig moeten worden beschouwd in afwachting van een diepgaande wijziging die van de Unie in een later stadium een normale democratische beleidsstructuur moet maken.
In dezelfde gedachtengang heeft dit lid een reeks amendementen ingediend waarin voor de verschillende instellingen van de Unie opgesomd in sectie B van de tekst (met name de Commissie, het Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's) het uiteindelijk te bereiken doel wordt aangegeven. De verwachtingen die in het memorandum geformuleerd worden in verband met de I.G.C., dienen dan binnen dit perspectief bekeken te worden. Zo zou de Commissie volgens deze spreker op termijn een echte regering moeten worden, die op politieke meerderheden steunt en verantwoording aflegt voor twee wetgevende Kamers met de bevoegdheden die dergelijke assemblées in een democratie normalerwijze toekomen. Deze Kamers zouden zijn : het Europees parlement en een tweede Kamer dit voortkomt uit een combinatie van de Raad en het Comité van de Regio's.
Tijdens de eerste lezing was het Adviescomité van mening dat het memorandum voldoende duidelijk was in verband met de weg die bij de Europese integratie moet worden gevolgd, namelijk die van een verenigd Europa op federale basis (zie het deel « Parlementaire Strategie », punt 1, achtste gedachtenstreepje, en het deel « Doelstellingen », punt VI), en dat er geen reden bestaat om in een tekst die de bedoeling heeft het standpunt van het Parlement over de I.G.C. te bepalen, op gedetailleerde wijze te schetsen waaruit de ideale Unie op termijn zou kunnen bestaan. Nadien heeft het Adviescomité in de tekst van het memorandum toch een aantal aanwijzingen opgenomen betreffende institutionele doelstellingen op langere termijn (zie onze commentaar op punt B.1 infra ).
B. Evenwicht tussen de Europese instellingen
Uw rapporteur merkt op dat deze afdeling samen moet worden gelezen in samenhang met de aanvullingen die men elders in de tekst kan vinden in verband met de rol van de verschillende instellingen in de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
1. De Commissie
Het Adviescomité heeft bij de tweede lezing de wens overgenomen die de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat te kennen heeft gegeven, namelijk dat de Commissie op termijn een Europese Regering moet worden die op een meerderheid in het Europees Parlement berust.
Niettemin stelt het Adviescomité niet voor om op de I.G.C. de rol van de Commissie fundamenteel te herzien. De Commissie moet een collegiaal en onafhankelijk orgaan blijven en zou geen enkele van haar huidige bevoegdheden mogen verliezen. Haar initiatiefrecht in het kader van de tweede en de derde pijler zou juist versterkt moeten worden. Een amendement van een lid van de Kamer volgens hetwelk aan de Commissie het initiatiefrecht dient te worden ontnomen, zolang zij niet een echte regering met beleidsverantwoordelijkheid is geworden, is verworpen.
Het Adviescomité heeft vrij lang gediscussieerd over de kwestie van de samenstelling van de Commissie in het licht van de toekomstige uitbreiding van de Unie. De oorspronkelijke tekst van het ontwerp van memorandum bevatte de aanbeveling dat de Commissie per Lid-Staat slechts een lid moest tellen, hetgeen voor de grote landen een belangrijke toegeving is. De rapporteur van de Senaat stelde voor dit procédé aan te bevelen als een mogelijke denkweg maar niet als een eis van België. Sommige vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld stelden anderzijds voor het beginsel dat elke Lid-Staat in de Commissie vertegenwoordigd moet zijn, volledig op te geven, maar het Adviescomité heeft dit voorstel niet aanvaard. Uiteindelijk kwam het tot het standpunt dat de Commissie minstens 1 lid per Lid-Staat moet bevatten en dat alles wat verder reikt, slechts aanvaardbaar is voor zover de werking van de Commissie als collegiaal en onafhankelijk orgaan daardoor niet onmogelijk wordt gemaakt.
2. Het Europees Parlement
Wat de rol en de bevoegdheden van het Europees Parlement betreft, heeft het Adviescomité een amendement aangenomen van de rapporteur van de Senaat strekkende tot het doen vervallen van punt b) van de oorspronkelijke tekst van het ontwerpmemorandum, die in het tweede tussentijds verslag over de I.G.C. staat. Het Adviescomité is van mening dat de strijd tegen de fraude met gemeenschapsgelden in de eerste plaats een taak is van de autoriteiten van de Lid-Staten (zie deel « Middelen » V.F. van het ontwerpmemorandum).
Een amendement van een Kamerlid waarin werd gevraagd dat het Europees Parlement de bevoegheid zou krijgen om de individuele leden van de Commissie te verkiezen en te ontslaan, werd verworpen omdat het niet spoort met het collegiale karakter van de Commissie. Dit belet echter niet dat kandidaat-commissarissen door het Europees Parlement kunnen worden gehoord. Het Adviescomité heeft bij de tweede lezing een amendement in die zin aangenomen dat door een fractie was ingediend.
Tegelijk werden ook aangenomen : een amendement van dezelfde fractie inhoudende dat het Europees Parlement wordt betrokken bij de voornaamste benoemingen bij de E.C.B., het Europese Hof van Justitie en de Europese Rekenkamer.
Het Adviescomité heeft bijzondere aandacht besteed aan kwesties betreffende de verkiezing van het Europees Parlement. Het heeft de noodzaak benadrukt het aantal Europese parlementsleden te beperken met het oog op de verruiming, en daarbij gesteld dat 700 leden een redelijk maximum lijkt (zonder mordicus aan dat cijfer te willen vasthouden). Het heeft eveneens aangegeven welke evenwichten in acht moeten worden genomen bij de daaruit voortvloeiende wijziging van het aantal vertegenwoordigers van elk land. Zich baserend op ideeën voortgekomen uit de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld, pleit het tenslotte voor het eenvorming maken van de verkiezingsprocedure in de Lid-Staten en het opheffen van iedere wettelijke belemmering voor het opstellen van transnationale kieslijsten.
3. De Raad
De besprekingen over dit onderwerp hebben het vooral mogelijk gemaakt de oorspronkelijke tekst van de rapporteurs aan te vullen en er de punten d) tot f) aan toe te voegen. De punten d) en e) werden aangenomen via amendementen voorgesteld door de rapporteur van de Senaat (het idee van een collegiaal voorzitterschap gedurende een jaar werd ook te berde gebracht bij de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld) en punt f) op basis van een amendement van een fractie.
Stippen wij hierbij aan dat het Adviescomité, door een beknoptere versie van punt a) aan te nemen, onbedoeld een gebrek aan overeenstemming heeft gecreëerd t.o.v. het standpunt uiteengezet in het deel « Middelen », V.A. (« Democratische besluitvorming »).
In de hier besproken passage wordt de stemming bij gekwalificeerde meerderheid voor alle wetgevingsbesluiten immers een doelstelling « op termijn » genoemd. Een lid heeft bij de tweede lezing terecht opgemerkt dat deze beperking niet voorkomt in het deel « Middelen », V.A. Het Adviescomité heeft het echter niet nodig geacht de tekst van deze passage te wijzigen. Anders dan de tekst lijkt te suggereren, kan worden bevestigd dat het Adviescomité wel degelijk wil dat deze doelstelling wordt verwezenlijkt bij de I.G.C. van 1996 en niet in een later stadium.
Het Adviescomité heeft verscheidene amendementen van een Kamerlid verworpen waarin werd gevraagd (i) dat een uitzondering zou worden gemaakt op de stemming bij gekwalificeerde meerderheid voor ieder wetgevingsbesluit betreffende de cultuur of het burgerschap van de Unie, (ii) dat de deelstaten van de federale Lid-Staten rechtstreeks in de Raad vertegenwoordigd zijn het Adviescomité was van mening dat artikel 146 van het E.G.-Verdrag het reeds mogelijk maakt deze aangelegenheid binnen elke Staat te regelen, wat in België trouwens gebeurd is en (iii) dat het aantal stemmen waarover een Staat in de Raad beschikt in federale Staten kan worden verdeeld over de deelgebieden voor aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.
4. Comité van de Regio's
Het Adviescomité heeft twee aanbevelingen opgesteld betreffende het Comité van de Regio's : dat Comité moet uitdrukkelijk de bevoegdheid krijgen (i) om adviezen uit te brengen aan het Europees Parlement (en niet alleen aan de Raad en de Commissie) en (ii) om adviezen uit te brengen voor alle aangelegenheden in verband met de regionale ontwikkeling.
De eerste aanbeveling stond reeds in de oorspronkelijke tekst van de rapporteurs. De tweede kwam tot stand na aanneming van een amendement ingediend door twee leden en gesubamendeerd door de rapporteurs.
Het Adviescomité is niet ingegaan op enkele voorstellen aangebracht door parlementsleden en/of vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, nl. :
rechtstreekse verkiezing van het Comité van de Regio's of ten minste een meer homogene samenstelling;
evenredige vertegenwoordiging van de Lid-Staten in het Comité van de Regio's;
instemming van het Comité van de regio's vereist voor sommige aangelegenheden;
het Comité krijgt wetgevend initiatiefrecht;
het Comité kan zich rechtstreeks tot het Europees Hof van Justitie wenden en moet worden betrokken bij de benoeming van Europese magistraten.
5. Het Economisch en Sociaal Comité
Het Adviescomité heeft de door de rapporteurs voorgestelde tekst zonder verdere bespreking aangenomen.
6. Europese rechterlijke instanties
Tijdens de eerste lezing heeft het Adviescomité verschillende voorstellen betreffende het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg besproken maar ze heeft er geen enkel aanvaard.
Ze heeft twee amendementen van een lid van de Kamer verworpen : een amendement waarin aan de Regio's die over grondwettelijk erkende bevoegdheden beschikken, het recht wordt verleend zich rechtstreeks tot die instanties te wenden, en een amendement dat ertoe strekt in het Protocol over het statuut van het Hof van Justitie een bijkomende verschoningsgrond te doen invoegen om te verhinderen dat de magistraten van het Hof betrokken zijn bij de toetsing van rechtsnormen aan de totstandkoming waarvan zij vroeger hebben meegewerkt in een andere hoedanigheid (bijvoorbeeld als lid van het Europees Parlement of als minister die zitting heeft in de Raad).
Sommige gedetailleerde voorstellen afkomstig van de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld, betreffende de hervorming van de organisatie van de rechterlijke instanties (aantal en duur van het mandaat van de rechters, wenselijkheid van het oprichten van regionale gerechtshoven, versterking van de prejudiciële rechtspleging) zijn evenmin in aanmerking genomen. Het Adviescomité was van mening dat het niet over voldoende elementen beschikte om een oordeel uit te spreken over de noodzaak of zelfs het nut van een dergelijke hervorming.
Tijdens de tweede lezing heeft het Adviescomité in het memorandum verschillende aanbevelingen van de Senaatscommissie voor de Justitie over dit punt (zie Gedr. St. Senaat 1-129/3) opgenomen in het memorandum. Op voorstel van de rapporteur van de Senaat is evenwel besloten de toekenning van strafrechtelijke bevoegdheden aan de Europese Unie niet expressis verbis te vermelden, met name in het kader van de strijd tegen de fraude met gemeenschapsgeld, maar alleen op te roepen tot een versterking van de slagvaardigheid van de rechterlijke instanties in de strijd tegen deze fraude. Een door een fractie ingediend amendement waarin gevraagd werd dat elke Lid-Staat minstens één rechter heeft, ofwel in het Hof, ofwel in het Gerecht van Eerste Aanleg, is verworpen.
C. Subsidiariteit
Aanvankelijk had het Adviescomité het voornemen over dit punt het advies van de Gemeenschaps- en Gewestraden in te winnen. Aangezien de Raden inzake de herziening van de oprichtingsverdragen van de Europese Unie, voor de materies die hen aangaan, dezelfde bevoegdheden hebben als het federaal Parlement, achtte het Comité het evenwel wenselijk dat elke assemblée haar standpunt op autonome wijze zou bepalen. De Raden zijn niettemin verzocht het Adviescomité op de hoogte te brengen van hun initiatieven ter zake.
Wat de tekst zelf betreft, hebben twee leden een amendement ingediend waarin vermeld wordt dat moet worden voorkomen dat het subsidiariteitsbeginsel gebruikt kan worden om communautaire initiatieven te blokkeren. Het amendement is aangenomen.
Een lid van de Kamer heeft drie amendementen ingediend om het begrip subsidiariteit een concrete invulling te geven. Het ging met name om de verdeling van de bevoegdheden over de verschillende gezagsniveaus (Unie, Lid-Staten, Regio's), de invoering van het beginsel van wederzijdse communautaire loyaliteit en de mogelijkheid voor de Staten om in bepaalde domeinen strengere regels te bepalen dan die welke op Europees vlak gelden. De amendementen zijn verworpen omdat zij schade zouden kunnen berokkenen aan de communautarisering van een aantal materies en omdat zij een efficiënte werking van de Europese instellingen in de weg zouden staan.
Een voorstel van het maatschappelijk middenveld waarin de mening wordt uitgesproken dat het opstellen van lijsten met bevoegdheden niet noodzakelijk is, is door een lid overgenomen in de vorm van een amendement. Bij subamendement heeft de rapporteur van de Senaat de tekst van het amendement afgezwakt en heeft er de plicht aan toegevoegd voor de Commissie om haar voorstellen te motiveren. Het aldus gewijzigde amendement is aangenomen.
Een lid, wiens amendement is aangenomen, heeft gepleit voor het opstellen van een hiërarchie van de communautaire normen, hetgeen zou kunnen bijdragen tot een betere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.
Ten slotte hebben de rapporteurs een eerste lid (voorgesteld door het maatschappelijk middenveld) toegevoegd waarin de betekenis van het bovengenoemde beginsel geschetst wordt. De toevoeging is door het Adviescomité aangenomen.
D. Transparantie
Een senator heeft een voorstel overgenomen van een vereniging die aan de hoorzitting met het maatschappelijk middenveld heeft deelgenomen. In het voorstel werd gevraagd dat het wetgevend werk van de Raad in de openbaarheid verloopt om een democratische controle mogelijk te maken. De rapporteur van de Kamer verzette zich tegen de totale openbaarheid van het wetgevend werk die naar zijn mening een hinderpaal zou kunnen vormen voor de Europese ministers die de nodige toegevingen moeten doen om in delicate aangelegenheden een consensus te bereiken. Ten gevolge van dit optreden heeft het Adviescomité besloten zijn eis af te zwakken en genoegen te nemen met de onverwijlde publikatie van de uiteindelijke beslissing.
Een ander amendement van een lid heeft geleid tot de toevoeging van een derde lid waarin de openbaarheid van bestuur op Europees niveau gevraagd wordt.
E. Een goed financieel beheer
De rapporteur van de Senaat heeft een amendement ingediend dat ertoe strekt in dit deel van het memorandum twee budgettaire principes in te voeren (het beginsel van begrotingsdiscipline en het beginsel van de universaliteit van de begroting). Het amendement is aangenomen.
F. De rol van de nationale Parlementen bij de Europese integratie
Het Adviescomité wenst dat de rol van de nationale Parlementen bij de eenwording van Europa erkend wordt. Op voorstel van de rapporteur van het Europees Parlement is niet uitdrukkelijk gevraagd deze rol te doen erkennen in de tekst zelf van het Verdrag over de Europese Unie (deze rol wordt thans beklemtoond in een verklaring bij het Verdrag).
Inzake de omschrijving van deze rol heeft het Adviescomité opnieuw duidelijk de opvatting bevestigd die ook tijdens de vorige zittingsperioden verdedigd werd door de Adviescomités voor Europese Aangelegenheden van de Kamer en van de Senaat : de rol van de nationale Parlementen ten aanzien van de Europese besluitvorming bestaat in het controleren van de werkzaamheden van de nationale ministers in de Raad; een rechtstreekse deelname van de nationale Parlementen aan de Europese besluitvorming als dusdanig, door middel van een vertegenwoordiging binnen het institutioneel raamwerk van de Unie via een tweede Kamer, wordt niet voorgesteld.
Over het algemeen heeft het Adviescomité geen voorstellen willen doen die de positie van het Europees Parlement in gevaar kunnen brengen en heeft het de amendementen die verder reikten dan het hierboven beschreven standpunt, verworpen en met name :
het idee om een aantal Europese parlementsleden te laten aanwijzen door de nationale Parlementen of parlementsleden op te nemen in de nationale delegatie in de Raad;
het idee om de nationale en regionale Parlementen een initiatiefrecht toe te kennen inzake Europese wetgeving of te voorzien in een « alarmbelprocedure », waardoor zij de mogelijkheid zouden krijgen zich te verzetten tegen ontwerpen van Europese regelgeving die zij strijdig zouden achten met hun vitale belangen of met het subsidiariteitsbeginsel.
VI. Uitbreiding van de Europese Unie
In dit laatste hoofdstuk heeft het Adviescomité zich gebogen over de problemen die zullen rijzen bij de toekomstige uitbreiding en bij de mogelijke ontwikkeling van de uitgebreide Unie.
Ten opzichte van de oorspronkelijke tekst zijn aan het begin van dit hoofdstuk twee zinnen toegevoegd ingevolge een amendement en een subamendement. Het amendement, ingediend door twee leden, neemt het principe over dat de uitbreiding in geen enkel geval mag leiden tot een afzwakking van het communautaire acquis. Het subamendement, voorgesteld door een senator, voegt een tweede zin toe waarin gevraagd wordt dat de uitbreiding pas plaatsvindt na een nieuwe verdragswijziging. Op die wijze zullen de toetredingsonderhandelingen niet al te zwaar doorwegen op het slotresultaat van de I.G.C. Op voorstel van een volksvertegenwoordiger is de invoering van de eenheidsmunt toegevoegd als voorwaarde voor de uitbreiding. Dit lid was van mening dat de invoering van de eenheidsmunt in de nabije toekomst de belangrijkste stap is voor de Unie en dat moeizame en lange toetredingsonderhandelingen dit proces niet in de weg mogen staan. Verschillende leden hebben akte doen nemen van het feit dat zij niet akkoord gingen met deze toevoeging omdat het proces van de uitbreiding reeds volop aan de gang is en niet meer tot stilstand kan worden gebracht.
Het amendement van een volksvertegenwoordiger om duurzame uitzonderingen mogelijk te maken, is verworpen.
Ten slotte is de toevoeging, op voorstel van een senator, van een vijfde voorwaarde goedgekeurd. In dit laatste punt vraagt het Comité dat een Lid-Staat de andere Lid-Staten niet meer mag verhinderen in een specifiek domein vooruitgang te boeken.
De rapporteur herinnert eraan dat het federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden het ontwerp van memorandum opgenomen in het Gedr. St. Kamer nr. 190/2 - 95/96 en Senaat nr. 1-140/2, eenparig heeft aangenomen.
De afvaardiging van de Senaat in het federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden heeft vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De Rapporteur, | De Voorzitter, |
| Paul HATRY. | Robert URBAIN. |
over de
Intergouvernementele Conferentie van 1996
Tekst door de rapporteurs voorgesteld
aan het Adviescomité voor Europese
aangelegenheden van Kamer en Senaat
op 27 februari 1996 (tweede lezing)
Probleemstelling
1. Door de toegenomen mondialisering van de economie en het verkeer van kapitaal, personen en informatie, missen de individuele staten vaak de instrumenten om hun beleid te voeren, met name op economisch, monetair, sociaal, ecologisch, fiscaal, en infrastructureel vlak.
2. Door die toegenomen mobiliteit hebben de individuele staten zeker ook nood aan de geschikte beleidsinstrumenten om een intern veiligheids- en justitiebeleid te voeren.
3. Sinds de ondertekening van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de internationale wereldorde grondige veranderingen doorgemaakt, onder andere door het verdwijnen van de communistische regimes in Midden- en Oost-Europa.
4. Tal van landen willen lid worden van de Europese Unie.
5. De werking van de Europese Unie vertoont nog steeds een democratisch tekort, zowel wat de werking van de Europese instellingen zelf betreft als wat de verhouding tussen de Europese Unie enerzijds en de Lid-Staten en hun bevolkingen anderzijds betreft.
6. De Europese Unie is, wat betreft de doelstellingen en de instellingen, het meest geschikt om al deze problemen aan te pakken; daartoe moet de huidige werking van de Europese Unie versterkt en aangepast worden.
7. De regeringen van de Lid-Staten van de Europese Unie zullen tijdens de Intergouvernementele Conferentie (I.G.C.) waarin het Verdrag van Maastricht voorziet, de werking en de bevoegdheden van de Europese Unie evalueren en de Verdragen aan de nieuwe problemen moeten aanpassen.
Parlementaire strategie
1. Het nieuwe verdrag zal aan het Belgische Parlement ter goedkeuring worden voorgelegd. Volgende elementen zullen als toetssteen bij de beoordeling worden gebruikt :
Het nieuwe Verdrag moet :
het communautaire acquis verstevigen;
voorzien in een efficiënter werkende politieke unie, die het noodzakelijke kader biedt voor de Economische en Monetaire Unie (E.M.U.);
de Unie en haar Lid-Staten in staat stellen een efficiënt en krachtig economisch en sociaal beleid te voeren, vooral wat de werkgelegenheid betreft;
het institutioneel kader aanreiken voor de financiering van haar beleid na 1999;
voorzien in een efficiënt buitenlands en veiligheidsbeleid om de nieuwe internationale uitdagingen het hoofd te bieden;
voorzien in een doeltreffend beleid inzake binnenlandse zaken en justitie;
ervoor zorgen dat de burger kan beschikken over eenvoudiger en begrijpelijke teksten zodat de ratificering wordt vergemakkelijkt;
de werking van de Europese instellingen verder democratiseren zodat nieuwe stappen in de richting van een federaal Europa mogelijk worden.
Het Parlement zal te gelegener tijd aan de Regering de minimale eisen meedelen met betrekking tot de resultaten van de Intergouvernementele Conferentie, zodat de in dit memorandum genoemde doelstellingen maximaal worden verwezenlijkt.
2. Het Belgisch Parlement vraagt bovendien aan de Regering om erop toe te zien dat de agenda van de komende Intergouvernementele Conferentie ruimer is dan de bepalingen onder artikel N, § 2, zoals voorgesteld door het Europees Parlement en door een meerderheid van de Intergouvernementele reflectiegroep.
3. Het Belgisch Parlement :
is zich bewust van de noodzaak de bevolking en het maatschappelijk middenveld te informeren over de inzet van de I.G.C., en het verband duidelijk te maken tussen de institutionele kwesties en de inhoudelijke problemen en uitdagingen die de bevolking bezig houden. Daarom neemt het Parlement zich voor om regelmatig initiatieven te nemen om de bevolking en het maatschappelijk middenveld in de discussie te betrekken;
vraagt de Belgische Regering deze doelstellingen eveneens ter harte te nemen;
neemt zich voor om de onderhandelingen, tijdens de I.G.C., nauwlettend op te volgen;
herinnert eraan dat artikel 168 van de Grondwet en de wetten betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, impliceren dat de parlementaire assemblées geregeld moeten ingelicht worden over de onderhandelingen in de I.G.C.;
drukt de wens uit dat in het raam van de wettelijke bepalingen, het nodige overleg tussen de federale instellingen en de Gewesten en Gemeenschappen wordt georganiseerd;
vraagt dat de bevolking in zo ruim mogelijke mate zou worden geraadpleegd over de resultaten van de I.G.C.
4. Het verdient aanbeveling dat door de I.G.C. wordt onderzocht of voor fundamentele ontwikkelingen van de E.U. niet kan worden afgestapt van het vetorecht van elke Lid-Staat, om dramatische blokkeringen te vermijden.
Het afzwakken van het vetorecht doet het probleem rijzen van de wijze waarop de gekwalificeerde meerderheid moet tot uiting komen.
Tevens is het opportuun formules uit te werken die opschorting van lidmaatschap, vrijwillige uitstap en uitsluiting (als sanctie) van lidstaten in principe moeten mogelijk maken. Deze formules mogen onder geen enkel beding leiden tot verregaande incoherenties en inefficiënties o.m. door het ontstaan van een Europa à la carte.
In deze context zou artikel N, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kunnen herzien worden.
5. Het Belgisch Parlement verwijst naar een aantal documenten waarop het zich heeft gebaseerd om de doelstellingen en middelen te formuleren die de Regering in de I.G.C. moet behartigen (als bijlage de referentiedocumenten).
Doelstellingen
Het Belgisch Parlement bevestigt de doelstellingen vooropgesteld in het Verdrag van Rome, de Europese akte en het Verdrag van Maastricht.
Geconfronteerd met de huidige problemen zoals de werkloosheid, de toename van de armoede en de heersende conflicten op het Europese continent, verwacht de bevolking meer van de Europese Unie en wenst dat haar doelstellingen worden aangevuld en verfijnd.
I. Behartiging van vrede en veiligheid
De Europese Unie moet de middelen in het werk stellen die overeenstemmen met haar economisch potentieel en haar cultureel waardensysteem, om de vrede en veiligheid te behartigen.
De samenwerking tussen verschillende landen, die de Europese Unie kon verwezenlijken, is de beste waarborg voor vrede en stabiliteit in West-Europa. Maar er blijven in Europa conflicten mogelijk.
De Europese Unie moet door een efficiënt en eensgezind optreden, gebaseerd op samenwerking en overleg, alles in het werk stellen om de vrede en de veiligheid te waarborgen, ook in deze gebieden waar thans oorlog of burgeroorlog dreigt of heerst.
II. Werk en duurzame ontwikkeling
De Europese economische integratie heeft ontegensprekelijk voordelen opgeleverd, onder andere inzake welvaart en het scheppen van bijkomende arbeidsplaatsen. Maar de economische groei alleen volstaat niet langer om aan de werkloosheid het hoofd te bieden. Daarenboven heeft de internationalisering van de economie en het geldverkeer, de impact van de nationale en regionale overheden verzwakt. Daarom moet de Economische en Monetaire Unie dringend tot stand worden gebracht.
[De gunstige economische gevolgen van de E.M.U. moeten de bevordering van de werkgelegenheid, van een Europees sociaal model en van een duurzame ontwikkeling, in het belang van de verbruikers, mogelijk maken.] (2)
III. Veiligheid binnen de Europese Unie
Het openen van de grenzen tussen de landen van de Unie biedt veel voordelen, maar doet ook een nieuw veiligheidsprobleem rijzen. De Europese Unie moet een eigen beleid inzake binnenlandse aangelegenheden en justitie kunnen voeren, zodat internationale en grensoverschrijdende criminaliteit efficiënt kunnen worden aangepakt.
IV. Europees burgerschap
De Europese Unie moet de individuele en groepsgebonden rechten van haar burgers waarborgen.
De individuele rechten zoals de fundamentele vrijheden; de mensenrechten; de politieke, sociale en economische rechten en de gelijke kansen o.a. van mannen en vrouwen zijn onvervreemdbaar en van essentieel belang voor alle burgers.
Ook de groepsgebonden rechten zoals het respect voor de culturele diversiteit vormen het noodzakelijk kader van de uitoefening van het Europees burgerschap.
De Europese Unie moet een verdraagzame en multiculturele samenleving zijn die in contact met andere culturen haar eigenheid vrijwaart. De Europese Unie moet tevens een zorgzame samenleving zijn die strijdt tegen armoede en de sociale uitsluiting.
Om deze rechten, en de waarden die ze vertegenwoordigen te waarborgen, moet de Europese Unie, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel, het gezin beschermen als factor van continuïteit en solidariteit tussen de generaties.
V. Democratische Europese instellingen
De Europese Unie moet een echte democratie zijn, gestoeld op :
een democratische besluitvorming;
een nieuw evenwicht tussen de Europese instellingen, waarbij het rechtstreeks verkozen Europees Parlement grotere bevoegdheden heeft;
subsidiariteit;
transparantie;
de zorg voor een gezond beheer van de financiële middelen (evenwichtige begroting en fraudebestrijding) die democratisch gecontroleerd worden;
de erkenning van de bevoegdheid van de nationale parlementen, in de eerste plaats van hun controlefunctie t.a.v. de nationale ministers in de Europese ministerraden, inzonderheid inzake intergouvernementele aangelegenheden.
VI. De uitbreiding voorbereiden en de solidariteit versterken
De landen en de volkeren van het Europese continent die dezelfde sociaal-economische en democratische waarden delen, moeten op termijn tot de Europese Unie kunnen toetreden voor zover zij de vaste wil hebben deel te nemen aan de realisatie van een federaal Europa. De huidige Unie is niet uitgerust om deze uitbreiding tot een goed einde te brengen. De verdieping van de Unie is dan ook een essentiële voorwaarde voor de uitbreiding ervan.
Middelen
Om deze doelstellingen te realiseren moeten door de komende I.G.C. volgende instrumenten in het werk worden gesteld :
I. Vrede en veiligheid
1. Er moet dringend begonnen worden met de opbouw van een coherent en efficiënt Europees veiligheidssysteem. Dit systeem dient bijzondere aandacht te besteden aan conflictpreventie.
Een versterkte Europese Unie moet een invloedrijke rol kunnen spelen in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
De verschillende organisaties die in Europa bevoegd zijn voor veiligheid en defensie moeten tot een duidelijke samenwerking en taakverdeling komen.
2. Om tot een efficiënt Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (G.B.V.B.) te komen, moet de Raad tot een gemeenschappelijke actie kunnen besluiten zonder dat daarvoor nog langer de eenparigheid van de Lid-Staten is vereist. De Commissie dient ten volle betrokken te worden bij de vaststelling en uitwerking van het G.B.V.B. en daartoe over mede-initiatiefrecht te beschikken.
Zij moet, onder controle van het Europees Parlement, de Europese Unie kunnen vertegenwoordigen in die zaken die vallen onder het G.B.V.B., de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de uitvoering van gemeenschappelijke maatregelen en de Unie kunnen vertegenwoordigen in internationale organisaties en op internationale conferenties.
De instantie, bevoegd voor de analyse, de evaluatie en de stimulering van het buitenlands veiligheidsbeleid moet versterkt worden en dient onder het gezag te werken van een lid van de Commissie.
3. De versterking van het G.B.V.B. houdt ook in dat het Europees Parlement (in samenwerking met de nationale Parlementen) de democratische controle op de beslissingen van de Europese Raad en op de werking van de Europese defensiestructuur kan uitoefenen.
4. De inpassing van de Westeuropese Unie (W.E.U.) in de Europese Unie moet worden nagestreefd.
Daartoe zou het wenselijk zijn dat de E.U. en de W.E.U. hun administratieve onderbouw gemeenschappelijk maken, met name op het vlak van de Permanente Vertegenwoordiging (C.O.R.E.P.E.R.) en het Secretariaat-generaal van beide instanties.
Bij de uitbouw van een echt gemeenschappelijk defensiebeleid, moet een structurele synergie met de N.A.V.O. behouden blijven.
Het operationeel karakter van de W.E.U. moet worden versterkt.
5. De Europese Unie moet via haar buitenlands beleid de nodige impulsen geven om verdere stappen te zetten in de internationale en gecontroleerde conventionele, nucleaire, bacteriologische en chemische ontwapening.
6. De financiering van de gemeenschappelijke acties zou in principe ten laste moeten zijn van het budget van de Europese Gemeenschappen.
7. Inzake wapenhandel mag een Lid-Staat zich niet langer beroepen op de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.
8. Het G.B.V.B. moet uitdrukkelijk gebaseerd zijn op de wil om de rechtvaardigheid en de solidariteit te bevorderen in de relaties tussen de Europese Unie met alle volkeren van de wereld, in het bijzonder de armsten.
9. In het E.U.-verdrag moet een verbintenis worden ingeschreven tot het scheppen van een kader met betrekking tot de acties die de E.U. onderneemt ten aanzien van mensenrechtenschendingen in derde landen.
II. Werk en duurzame ontwikkeling
A. Economische en Monetaire Unie (E.M.U.)
1. De Belgische Regering dient een snelle verwezenlijking van de derde fase van de E.M.U. te verdedigen en de noodzakelijke maatregelen te nemen opdat België van bij het begin, in 1999, aan deze derde fase kan deelnemen.
2. De I.G.C. moet de procedures voor een goede werking van de E.M.U. aanvullen en verbeteren; de procedures en middelen moeten er bovendien op gericht zijn alle Lid-Staten van de Unie op termijn in staat te stellen om toe te treden tot de E.M.U.
3. De convergentie in andere domeinen, in het bijzonder op fiscaal vlak, moet worden bevorderd [o. m. door middel van een meer doorgedreven harmonisering, inclusief de heffing op CO 2 en energie en de overige directe en indirecte belastingen. Een gelijkaardig probleem van harmonisering stelt zich voor het vennootschapsrecht (bijvoorbeeld de definitie van winst) en de sociale zekerheidsstelsels.
Voor die aangelegenheden moet de regel van de gekwalificeerde meerderheid in de Raad van toepassing zijn.] (3)
[4. Het Europees Parlement moet in de toekomst medebeslissingsrecht krijgen met betrekking tot de richtsnoeren voor het economisch beleid. Deze richtsnoeren, gericht op economische convergentie, moeten uitdrukkelijk rekening houden met de bevordering van de werkgelegenheid.] (3)
5. [Het monetaire beleid moet nauwer aansluiten bij het werkgelegenheidsbeleid en de economische en sociale samenhang bevorderen. De invoering van een gemeenschappelijke munt moet gepaard gaan met een verruiming van de werkingsmiddelen voor een economisch en sociaal beleid (onder meer door het verlagen van de rentevoeten en het stimuleren van de investeringen zonder te vervallen in « deficit spending »).] (3)
De Economische en Monetaire Unie moet tevens kunnen leiden tot één sociaal-economische ruimte binnen geharmoniseerde normen.
6. De Unie moet een coherent milieubeleid voeren, dat erop gericht is het ecologisch evenwicht van de Unie en van onze planeet te vrijwaren.
De afspraken die op de Conferenties van Rio en Kopenhagen werden gemaakt, moeten worden geïntegreerd in de communautaire beleidslijnen en aldus leiden tot een model van duurzame ontwikkeling.
B. Een Europees sociaal beleid
1. De werkgelegenheid moet een centrale plaats innemen in het beleid van de Europese Unie. Gepleit wordt voor een Europees werkgelegenheidsbeleid waarbij kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen worden nagestreefd.
2. Een herkenbaar sociaal beleid is van het grootste belang voor de geloofwaardigheid van de Europese Unie. Dit beleid moet voorzien in een hoge graad van sociale bescherming en de strijd aanbinden tegen de armoede en de uitsluiting.
[De verbetering van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie moet worden gewaarborgd door een onderlinge aanpassing van de sociale bepalingen op de weg van de vooruitgang, waarbij tegelijkertijd eerlijke concurrentie moet worden gegarandeerd en sociale dumping zowel binnen als buiten Europa moet worden vermeden. Dit mag echter niet leiden tot het afsluiten van de Europese markt voor derde wereld-landen.] (3)
3. Alle Lid-Staten, die de voordelen van de eenheidsmarkt genieten moeten onverkort alle sociale, ecologische en fiscale spelregels van de Unie respecteren.
[De sociale opting-out van het Verenigd Koninkrijk wordt betreurd en moet dan ook ongedaan gemaakt worden, omdat dit leidt tot sociale dumping en concurrentievervalsing.] (3)
[4. Het Sociaal protocol moet in het Verdrag worden opgenomen. De bevoegdheden die in het sociaal protocol worden opgesomd moeten onder de regel van de gekwalificeerde meerderheid worden gebracht. Het politiek en sociaal gedeelte moet worden aangevuld met specifieke bepalingen en met een procedure betreffende de sociale convergentie.] (3)
5. Het Witboek over de groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid moet in al zijn aspecten uitgevoerd worden.
6. De sociale dialoog, ingevoerd door het Verdrag van Maastricht moet worden uitgebreid en verbeterd; [zo moet de eventuele bekrachtiging van de Europese C.A.O.'s door de Europese ministerraad vereenvoudigd worden, moeten informatie en overlegprocedures met het Europees Parlement worden voorzien en moet de Europese sociale dialoog ook op sectoraal en bedrijfsvlak worden bevorderd.] (3)
III. Veiligheid binnen de Europese Unie
1. [Het gemeenschappelijk binnenlands en justitiebeleid moet tot stand komen op basis van de communautaire methode.] (3) Het vluchtelingen-, het asiel- en het immigratiebeleid, moeten gecoördineerd worden bij voorkeur langs communautaire weg. Een gemeenschappelijk visumbeleid moeten worden uitgebouwd.
[2. Opdat dit beleid efficiënt zou zijn, moet de Raad beslissen bij gekwalificeerde meerderheid, moet de Commissie over een toereikend initiatiefrecht en moet het Europees Parlement medebeslissingsrecht krijgen. Het Hof van Justitie moet bevoegdheid krijgen in deze materie zodat de wetgeving terzake afdwingbaar is.] (3)
3. De overgangsmechanismen voorzien in artikel K9 van het Verdrag van Maastricht moeten ook veralgemeend worden tot de materies voorzien in artikel K1.
4. De Overeenkomst van Schengen moet opgenomen worden in het Unieverdrag.
IV. Europees burgerschap
1. De Europese Unie moet ervoor zorgen dat alle bepalingen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, van het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa en van het Gemeenschapshandvest van de sociale rechten van werkenden van toepassing zijn op alle ingezetenen van de Unie.
2. Het Verdrag betreffende de Europese Unie moet worden aangevuld met een bepaling over de niet-discriminatie op basis van geslacht, sociale afkomst, ras, godsdienst, sexuele geaardheid, meningsuiting, handicap, [taal ] (4) en leeftijd.
[Het fundamenteel recht van vrouwen en mannen op een gelijke behandeling moet in het nieuwe verdrag worden opgenomen ten einde :
het toepassingsgebied van het gelijkheidsbeginsel uit te breiden tot alle beleidsaspecten waarvoor de Europese Unie bevoegd is;
te streven naar gelijke deelneming van mannen en vrouwen aan de besluitvorming op alle niveau's. Deze bepalingen dienen op een positieve wijze te worden geformuleerd en niet als het resultaat van een verbod op discriminatie.] (3)
[3. Het Verdrag moet eveneens worden aangevuld met bepalingen die de strijd tegen racisme en vreemdelingenhaat op Europees vlak mogelijk maken.] (3)
[4. In geen geval mogen toegevingen worden gedaan op het vlak van de talenregeling in de Europese Unie; ook niet met als argument de uitbreiding van de Europese Unie.
Iedere burger moet in zijn eigen taal, die tegelijk als officiële taal van de Unie is erkend, met de diensten van al die instellingen kunnen communiceren.] (3)
5. [De randvoorwaarden moeten gecreëerd om op Europees niveau een dynamisch maatschappelijk middenveld te ontwikkelen, zodat een meer democratische samenleving tot stand komt.
Pas op die wijze kan de bevolking deelnemen aan de democratische discussie over het Europese beleid.] (3)
Uitwisselingsprogramma's allerhande moeten worden uitgebreid zodat een Europese identiteit en bewustzijn kunnen groeien.
[6. Het Europees burgerschap behelst het recht op toegang tot een aantal diensten en de ontwikkeling van een aantal beleidsdomeinen, zoals :
een beleid inzake consumentenbescherming;
een cultuurbeleid;
een jeugdbeleid;
een onderwijsbeleid;
de toegang tot openbare diensten.] (5)
[7. De plaats, het belang en de financiering van de openbare dienstverlening zouden moeten worden bevestigd. De universele dienstverlening die elke burger het recht op een billijke toegang tot de diensten van algemeen economisch belang garandeert, moet als begrip en qua toepassingsveld per sector worden gedefinieerd.
De diensten dienen [kunnen] (6) in het licht van een grotere efficiëntie geresponsabiliseerd [en kunnen eventueel geprivatiseerd worden (4).] (7)
V. Democratische Europese instellingen
De Verdragen moeten zo worden gewijzigd dat de EU als zodanig rechtspersoonlijkheid kan krijgen.
A. Een democratische besluitvorming
1. De besluitvorming moet sterk worden vereenvoudigd en gedemocratiseerd : de medebeslissing moet gelden voor het geheel van het wetgevende werk, inclusief de domeinen inzake binnenlandse zaken en justitie; wanneer de medebeslissingsprocedure wordt gebruikt, dient de Raad met gekwalificeerde meerderheid te beslissen; de instemming door het Europees Parlement moet worden uitgebreid tot de verdragswijzigingen en alle internationale akkoorden; op het vlak van het buitenlands- en veiligheidsbeleid moet het Europese Parlement een controlerecht verwerven, zonder dat dit de efficiëntie van het gevoerde beleid in het gedrang brengt. De begrotingsprocedure moet vereenvoudigd en aan democratische controle onderworpen worden.
2. Inzake de vereenvoudiging van de medebeslissingsprocedure worden de voorstellen van het Europese Parlement onderschreven.
3. De verdragsteksten moeten verhelderd en vereenvoudigd worden om ze toegankelijker te maken voor de burgers.
B. Evenwicht tussen de Europese instellingen
1. De Commissie
De Commissie moet een lid per Lid-Staat tellen.
Het aantal leden mag een echt collegiaal en onafhankelijk optreden van de Commissie echter niet in de weg staan. Op termijn zou de Commissie moeten kunnen omgevormd worden tot een Europese Regering die steunt op een meerderheid in het Europees Parlement.
De bevoegdheden van de Raad kunnen geenszins ten nadele van de Commissie worden uitgebreid.
Het initiatiefrecht van de Commissie binnen de tweede pijler (gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid) en de derde pijler (binnenlandse veiligheid en justitie) dient te worden uitgebreid.
2. Het Europees Parlement
a) Het Europees Parlement moet meer wetgevende bevoegdheden en een ruimer initiatiefrecht krijgen. Het beslist samen met de Raad over de begroting en de wetten. Het oefent de politieke controle uit over de activiteiten van de Europese Unie en kan onderzoekscommissies oprichten. Het Europees Parlement verkiest de voorzitter van de Commissie en moet instemmen met haar investituur. Het kan via een negatieve vertrouwensstemming de Commissie afzetten.
b) Het aantal leden van het Europees Parlement moet beperkt blijven om werkbaar te kunnen zijn. Het Europees Parlement zelf stelt een maximum voor van 700 leden. Met het oog op de mogelijke uitbreiding dringen zich maatregelen op waarbij evenwel rekening gehouden wordt met de representativiteit en de significante vertegenwoordiging van de Lid-Staten.
c) De Europese verkiezingen moeten vanaf 1999 op uniforme wijze gebeuren. De nationale kieswetgevingen mogen de vorming van transnationale kieslijsten niet verhinderen.
3. De Raad
a) Op termijn moet de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad veralgemeend worden voor elke beslissing van wetgevende aard.
b) De drempel voor de gekwalificeerde meerderheid kan niet langer meer worden verhoogd.
Eventueel moeten andere formules worden onderzocht die rekening houden met het evenwicht tussen kleine en grote Lid-Staten en het bevolkingsaantal.
c) Een sterke vermindering van de comitologie de betrokkenheid van nationale ambtenaren bij de implementatie van de bestuurstaken van de Commissie is dringend vereist, zulks met het oog op een doelmatige parlementaire controle.
d) Het voorzitterschap van de Raad zou moeten herzien worden. Het zou kunnen worden uitgeoefend op collegiale wijze gedurende één jaar en zou kunnen samengesteld zijn uit drie Lid-Staten volgens de Trojka-formule.
e) De Raad zou zijn taak efficiënter moeten kunnen uitoefenen.
4. Het Comité van de Regio's
Het is wenselijk de adviesbevoegdheid van het Comité van de regio's (dat thans beperkt is tot de Raad en de Commissie) uit te breiden tot het Europees Parlement.
5. Het Economisch en Sociaal Comité
Het Economisch en Sociaal Comité moet eveneens adviesbevoegdheid krijgen ten aanzien van het Europees Parlement.
6. Europese gerechtelijke instanties
Aan het Europees Hof van Justitie moet volledige rechtsmacht worden toegekend om een uniforme en correcte toepassing van het Unie-recht aangaande justitiële aangelegenheden mogelijk te maken.
De samenstelling van het Hof van Justitie moet opnieuw onder ogen genomen worden in het licht van deze nieuwe bevoegdheidsoverdracht.
De gerechtelijke instanties moeten zodanig worden uitgerust dat de E.G.-fraude slagvaardiger kan worden aangepakt.
C. Subsidiariteit
Het subsidiariteitsbeginsel mag niet tot concurrentie tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus leiden, maar moet hun synergisme benadrukken en moet de complementaire initiatieven via een eenvoudig en doeltreffend beleid meer effect doen sorteren.
Dit principe mag niet dienen om de communautaire initiatieven te blokkeren.
De opstelling van een hiërarchie van de communautaire normen kan bijdragen tot een betere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.
Het is niet nodig lijsten op te stellen met bevoegdheden van de Unie, in ieder geval niet in deze fase van de integratie. In het kader van de gedeelde bevoegdheden moet het subsidiariteitsprincipe doeltreffender worden toegepast, door de Commissie een algemene motiveringsplicht op te leggen voor alle voorstellen volgens nauwkeurige criteria.
D. Transparantie
De bureaucratie moet worden bestreden en de Europese burgers moeten gemakkelijk toegang krijgen tot de diensten van de instellingen van de Europese Unie.
De besluiten van het wetgevend werk, getroffen door de Raad, moeten worden gepubliceerd.
E. Een goed financieel beheer
1. Het beginsel van de universaliteit van de begroting moet worden erkend.
2. Het Verdrag bepaalt dat in begrotingszaken discipline in acht moet worden genomen.
De nationale en de regionale regeringen en parlementen hebben de taak om toe te zien op de correcte aanwending van de Europese middelen in hun Lid-Staat of regio; zij moeten daartoe geresponsabiliseerd worden.
F. De rol van de nationale parlementen, de bevoegdheden van de nationale parlementen, die de dragers zijn van de nationale soevereiniteit, moeten erkend worden.
De leden van de nationale regeringen moeten worden onderworpen aan een democratische controle op hun werkzaamheden in de Raad. De interventie van een nationaal parlement in de wetgevende procedure mag er alleen toe strekken zijn standpunt ter kennis te brengen van de regering.
De oprichting van een kamer van nationale parlementen is niet wenselijk. De contacten tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen moeten zich binnen de bestaande samenwerkingsvormen ontwikkelen, zoals de C.O.S.A.C. (Conférence des organes spécialisés en affaires communautaires).
VI. Uitbreiding van de Unie
Het uitbreidingsproces mag het communautaire acquis niet afzwakken.
Daarom mogen de onderhandelingen over de uitbreiding slechts beginnen na de herziening van de Verdragen, enerzijds, en de invoering van de eenheidsmunt, anderzijds.
De totstandkoming van een « Europe à la carte », zoals dat nu het geval is met Schengen en het Sociaal protocol moet worden vermeden. Dit neemt niet weg dat met het oog op een eventuele uitbreiding van de Europese Unie ruimte gelaten wordt voor een gedifferentieerde integratie die aan de volgende voorwaarden moet voldoen :
1. Alle Lid-Staten, die tot de Unie toetreden, moeten alle doelstellingen van het Verdrag en de daaruit voortvloeiende plichten onderschrijven.
2. Een overgangsprocedure, die toelaat dat een Lid-Staat op een later tijdstip aansluit bij een onderdeel van het Verdrag, is mogelijk.
3. De overgangsprocedure mag enkel toegepast worden wanneer het de enige mogelijkheid is om vooruitgang te boeken.
4. De economische en sociale samenhang moet een gezamenlijke bekommernis zijn. De solidariteit tussen de Lid-Staten die aan bepaalde normen voldoen, en zij die daar nog niet aan voldoen, moet voorop staan. Dit betekent dat er maatregelen moeten genomen worden om toetreding mogelijk te maken.
5. Geen enkele Lid-Staat die niet wenst te participeren aan een bepaald Europees beleidsdomein, mag de andere Lid-Staten verhinderen op deze domeinen vooruitgang te boeken.
Aangezien de toekomst van de Europese Unie in grote mate wordt bepaald door de steun van de bevolkingen in al hun geledingen, heeft het Federaal Adviescomité, op zaterdag 25 november 1995, een hoorzitting georganiseerd met het maatschappelijk middenveld van ons land (met name de vertegenwoordigers van de sociaal-economische en sociaal-culturele organisaties). Bedoeling was de bevolking nauwer bij de Europese uitbouw (en bij de komende Intergouvernementele Conferentie in het bijzonder) te betrekken.
De rapporteurs hebben kennis genomen van de voorstellen geformuleerd door de vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld.
Alhoewel een groot deel van deze onderwerpen wellicht niet zal behandeld worden tijdens de Intergouvernementele Conferentie, hebben de deelnemers toch een aantal belangrijke krachtlijnen geschetst voor specifieke beleidsdomeinen. Zij worden hierna weergegeven en, ter nadere beoordeling, voorgelegd aan de Belgische regering.
Een aantal van de elementen aangebracht door het middenveld werd trouwens door het Federaal Adviescomité reeds overgenomen onder vorm van amendementen in de tekst hierboven.
Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen
Milieubeleid
Een coherent milieubeleid veronderstelt dat het fiscale, sociale en milieubeleid geen voorwerp mogen zijn van sociale dumping. Deze beleidsdomeinen moeten uitdrukkelijk beschouwd worden als ondeelbaar en interdependent.
Ook moeten het landbouwbeleid, het regionaal beleid, het transportbeleid, het beleid inzake onderzoek en ontwikkeling, het beleid inzake buitenlandse handel en het concurrentiebeleid verenigbaar zijn met de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling.
Elke Lid-Staat moet strengere maatregelen voor de bescherming van het leefmilieu kunnen handhaven of invoeren.
De Commissie moet het bewijs leveren dat de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid niet worden nageleefd (bewijslast).
De Commissie moet bij het formuleren van haar voorstellen voortaan de hoogste beschermingsniveaus die in de Lid-Staten gelden, als uitgangspunt nemen.
Op de fiscale bepalingen betreffende het milieubeleid is de regel van de gekwalificeerde meerderheid in de Raad en het medebeslissingsrecht van het Europees Parlement van toepassing.
Om concurrentieverstoringen te voorkomen moet het communautaire milieubeleid, wat zijn aanpak en toepassing betreft, voldoende geharmoniseerd zijn. De definitie van dit beleid moet overigens meer rekening houden met de sociaal-economische gevolgen van de aanbevolen maatregelen. Daartoe zou elk nieuw voorstel systematisch vergezeld moeten gaan van impactfiches en een kosten/batenanalyse.
Om de progressieve naleving van de communautaire milieubepalingen door de kandidaat toetredende landen van Centraal- en Oost-Europa te vergemakkelijken, zou de Europese Unie de overdracht van know-how en schone technologieën naar die landen moeten aanmoedigen.
Consumentenbeleid
De Unie stelt zich ten doel ook de consumentenbelangen te vrijwaren en te bevorderen, opdat het communautair beleid ter zake een duurzaam verbruik zou verzekeren.
De verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming moet tot stand komen door het consumentenbeleid los te maken van het interne marktbeleid, zodat het een bredere reikwijdte krijgt. Voorts dient het consumentenbeleid geïntegreerd te worden in een aantal andere beleidsdomeinen zoals het mededingingsbeleid, het gemeenschappelijk handelsbeleid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het milieubeleid, de volksgezondheid en de openbare diensten zodat men een horizontaal consumentenbeleid bereikt.
Het consumentenbeleid is een specifieke uiting van het Europees burgerschap dat de economische, sociale en culturele aspecten omvat.
Cultuurbeleid
De Europese Unie moet de nodige middelen vrijmaken om haar culturele diversiteit te beschermen en de culturele uitstraling van Europa te waarborgen.
De zogenoemde cultuurparagraaf in het Verdrag moet worden uitgebreid en herschreven.
Het optreden van de Unie moet mede gericht zijn op uitwisseling en activiteiten met een cultureel doel. Hiertoe behoort onder meer de stimulering en de verspreiding van scheppend werk. Het optreden moet eveneens gericht zijn op de verbetering van de kennis inzake de geschiedenis van de volkeren in Europa. De Unie moet in alle beleidsdomeinen rekening houden met de culturele aspecten en moet waarborgen dat haar initiatieven het culturele leven, noch het culturele erfgoed schaden.
De huidige talenregeling moet verdragsrechtelijk verankerd worden.
Alle talen moeten volwaardige werktalen blijven binnen de Europese instellingen.
Jeugdbeleid
De Gemeenschap voert een algemeen jeugdbeleid [op basis van een coherente benadering van de sociale, economische en culturele factoren die de persoonlijke en professionele ontwikkeling van de jongeren bevorderen. De belangen van de jongeren dienen op de voorgrond te staan bij de uitstippeling en tenuitvoerlegging van andere communautaire beleidslijnen.
De Gemeenschap dient aandacht te besteden aan de ontwikkeling en verbetering van programma's voor jongeren op gebied van opvoeding, opleiding en uitwisseling. Zij moet maatregelen nemen om deelname vooral van de kansarme jongeren aan dergelijke programma's te bevorderen.
Grotere voorrang moet gegeven worden aan de samenwerking met landen buiten de Unie om tot wederzijds begrip en verdraagzaamheid te komen tussen de jongeren]. (8)
De Europese Unie moet de jongeren op een rechtstreekse en actieve manier bij de Europese opbouw betrekken.
Onderwijsbeleid
De uitwisselingsprogramma's voor studenten moeten worden uitgebreid. [Zij vormen een onmiskenbare basis voor de vorming van een Europese identiteit. Daarenboven stelt het de jongeren in staat beter te beantwoorden aan de vereisten van de eengemaakte arbeidsmarkt. De gemeenschappelijke erkenning van diploma's wordt aldus eveneens versterkt aangezien de universiteiten in een concurrentiepositie terecht komen, waardoor zij worden aangemoedigd om het onderwijs- en onderzoeksniveau te verbeteren.] (8)
Gemeenschappelijk landbouwbeleid (G.L.B.)
De huidige hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet worden voortgezet. De toetreding van nieuwe Lid-Staten mag geen voorwendsel zijn om de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid af te zwakken of om dat beleid gedeeltelijk opnieuw te nationaliseren.
De basisprincipes van het G.L.B. (communautaire preferentie, veiligstellen van voedselvoorziening, inkomensondersteuning) moeten gerespecteerd worden.
De hervorming van het landbouwbeleid moet de multifunctionele rol van de landbouw versterken : de valorisatie van natuurwaarden, de toegankelijkheid van het platteland voor de bevolking.
Mededingingsbeleid
Bij de toepassing van de verordening betreffende de controle op concentraties moet met de mundialisering van de markt rekening worden gehouden. De Commissie moet haar interne procedures overigens aanpassen opdat aangemelde overeenkomsten snel tot de vergunningen kunnen leiden die de ondernemingen nodig hebben vooraleer zij over vaak aanzienlijke investeringen kunnen beslissen. Mits deze verbeteringen worden aangebracht, zou de Intergouvernementele Conferentie zonder meer de bevoegdheden van de Europese Commissie ter zake moeten bevestigen.
[De algemene regels van het Verdrag op het gebied van vestigingsrecht, vrije dienstverlening, vrije mededinging en overheidssteun zouden voor het vervoerbeleid moeten gelden. Er zal een eind moeten worden gemaakt aan de praktijk die erin bestaat de algemene regels van het Verdrag aan te tasten door systematisch uitzonderingen toe te kennen.] (8)
Telecommunicatiebeleid
Wat de telecommunicatie betreft, moet een beleid van openstelling worden gevoerd dat het bedrijfsleven in staat stelt de nodige investeringen te plannen om het potentieel te ontwikkelen waarover Europa ter zake beschikt. Dit houdt in dat de Commissie erop toeziet dat de regels op het gebied van vrij handelsverkeer en wederzijdse toegang tot de markt worden nageleefd.
Energiebeleid
Een goede marktwerking is van wezenlijk belang voor de kwantitatieve ontwikkeling van de energiebronnen, de diversifiëring van deze bronnen en het behoud van concurrerende produktiekosten en verkoopprijzen. Het marktmechanisme mag niet in het gedrang komen wegens divergerende nationale, fiscale en milieumaatregelen.
De Europese Unie moet bovendien een gunstig klimaat ontwikkelen voor de investeringen en modernisering van de industriële processen die positieve gevolgen hebben voor energiebesparing.
Vervoerbeleid
De ontwikkeling van onderling verbonden efficiënte vervoersnetwerken is onontbeerlijk voor een goede werking van de interne markt. De Europese Commissie moet daartoe de openbare en particuliere financiële middelen vrijmaken.
K.M.O.-beleid
Een coherent K.M.O.-beleid moet een expliciete doelstelling zijn van de Europese Unie.
Dit impliceert dat alle instellingen van de Europese Unie bij hun beslissingen, rekening houden met de gevolgen voor de K.M.O.'s.
Ontwikkelingsbeleid
In het kader van de Noord-Zuidsolidariteit moet de Europese Unie beter het handelsbeleid, het landbouwbeleid en het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (G.B.V.B.) met het ontwikkelingsbeleid coördineren.
Openbare dienstverlening
[De plaats, het belang en de financiering van de openbare dienstverlening zouden moeten worden bevestigd. De universele dienstverlening die elke burger het recht op een billijke toegang tot de diensten van algemeen economisch belang garandeert, moet als begrip en qua toepassingsveld worden gedefinieerd.
De diensten dienen in het licht van een grotere efficiëntie geresponsabiliseerd en kunnen eventueel geprivatiseerd worden.] (9)
Emancipatiebeleid
[ De significante deelname van vrouwen in alle politieke, administratieve en gerechtelijke instellingen en organen van de Europese Unie moet worden verzekerd.
De integratie van de vrouwen in het arbeidsproces dient te worden bevorderd. De Lid-Staten van de Europese Unie moeten daartoe als prioritaire doelstellingen voorop stellen :
de uitbouw van flexibele arbeidsvormen gericht op de combinatie arbeid-gezin;
de uitbouw van opvangstructuren en formules zowel voor jonge en schoolgaande kinderen als voor hulpbehoevende personen;
de garantie voor vrouwen van deelname aan de besluitvorming in het arbeidsproces op alle niveaus;
de bevordering van het vrouwelijk ondernemerschap.
Het is van belang dat de Lid-Staten van de Europese Unie erop toezien dat de taken en verantwoordelijkheden van mannen en vrouwen in de samenleving op een evenwichtige wijze worden naar voor gebracht in de media.] (10)
Armoedebeleid
[ de belangrijkste conclusies van het Algemeen Verslag over de Armoede moeten gevaloriseerd worden bij het uitwerken van een Europees armoedebeleid en er met name op wijzen :
1. dat dankzij de sociale zekerheid het armoedepercentage in de meeste Europese landen relatief laag is gebleven ondanks de tewerkstellingscrisis;
2. dat de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting een geïntegreerd beleid vergt in de diverse maatschappelijke sectoren, in het bijzonder de werkgelegenheid, de sociale zekerheid, de gezondheidszorg, de huisvesting en de jeugdzorg;
3. dat een efficiënt armoedebeleid slechts tot stand kan worden gebracht en uitgevoerd in samenspraak met de rechtstreekse betrokkenen en hun organisaties.] (10)
Dit memorandum zal overgezonden worden aan de Gemeenschaps- en Gewestraden, het Europees Parlement en de parlementen van de Lid-Staten van de Europese Unie, de Europese Raad, de Raad van ministers, de Commissie, de Belgische regering alsmede aan de Intergouvernementele Conferentie.
Referentiedocumenten
De resolutie van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 27 juni 1991 over de intergouvernementele Conferenties inzake de Europese Politieke Unie en de Economische en Monetaire Unie (Stuk Kamer nr. 1668/4-90/91).
De verslagen van de Adviescomités voor Europese aangelegenheden (Stuk Kamer nr. 460-91/92, B.Z., Stuk Senaat 465-2; B.Z. 1991-1992) over de evaluatie van het Verdrag betreffende de Europese Unie alsmede over het voorstel van resolutie dat er betrekking op heeft.
Het rapport van de Reflectiegroep bestaande uit vertegenwoordigers van de ministers van Buitenlandse Zaken en uit twee leden van het Europees Parlement, belast met de voorbereiding van die intergouvernementele Conferentie.
De beleidsnota van de Belgische Regering aan het Parlement betreffende de Intergouvernementele Conferentie van 1996.
Artikel 168 van de Grondwet dat bepaalt dat « van bij het begin der onderhandelingen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen van de verdragen en akten waarbij deze verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, () de Kamers daarover (worden) geïnformeerd. Zij krijgen kennis van het verdragsontwerp vóór de ondertekening ervan ».
Artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie dat voorziet in de bijeenroeping van de Conferentie van afgevaardigden van de regeringen van de Lidstaten in 1996 om de bepalingen van het verdrag te onderzoeken die voor herziening in aanmerking komen.
Het tussentijds verslag (Stuk Kamer nr. 1783/1-94/95) van het Adviescomité voor Europese aangelegenheden over de Intergouvernementele Conferentie 1996.
De verslagen van de Europese instellingen over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie, opgesteld overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Corfu.
De resolutie van het Europees Parlement over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie in het perspectief van de intergouvernementele Conferentie van 1996 Oprichting en uitbouw van de Unie, aangenomen door het Europees Parlement op 17 mei 1995.
De slotverklaring van de Conferentie van de Parlementen van de Europese Gemeenschap of « Assisen », gehouden te Rome van 27 tot 30 november 1990.
De adviezen van de Vaste Commissies van Kamer en Senaat.
Het standpunt van de parlementaire assemblées van de Raad van Europa en de W.E.U.
Het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad, uitgebracht op 5 december 1995.
(1) Zie bijlage bij dit verslag.
Uw rapporteur heeft afgezien van zijn bezwaren betreffende de volgende passages :
Doelstellingen, II. Werk en duurzame ontwikkeling;
Middelen, II. Werk en duurzame ontwikkeling, A. Economische en Monetaire Unie (E.M.U.), punten 4 en 5;
Middelen, II. Werk en duurzame ontwikkeling, B. Een Europees sociaal beleid, punt 2, punt 4 (op voorwaarde dat de woorden « sans exception » worden geschrapt) en punt 6;
Middelen, III. Veiligheid binnen de Europese Unie, punt 2;
Krachtlijnen voor specifieke beleidsdomeinen.
(2) De heer Hatry : schrappen.
(3) De heer Hatry : schrappen.
(4) De heer Willockx : schrappen.
(5) De heer Hatry : alternatieve voorstelling van een aantal beleidsdomeinen uit het deel « Krachtlijnen... » (zie hieronder).
(6) Voorstel van de heer Willockx.
(7) De heer Willockx : opnemen als punt 7 i.p.v. in sectoriële beleidsdomeinen.
(8) De heer Hatry : schrappen.
(9) De heer Willockx : opname in punt 7, IV. Europees burgerschap.
(10) De heer Hatry : schrappen.