1-737/1 | 1-737/1 |
8 OKTOBER 1997
Wanneer een van de weinige nog overblijvende bomen in onze geïndustrialiseerde steden of op ons toch al danig monotoon geworden platteland wordt geveld, ervaart de bevolking dat steeds meer als een onherstelbaar verlies voor ons milieupatrimonium. Dat gevoel wordt des te sterker wanneer de boom uitsluitend wordt neergehaald omdat hij in de nabijheid van de scheidingslijn tussen eigendommen werd geplant, hoewel niemand daar eigenlijk hinder van ondervindt.
Artikel 36 van het Veldwetboek bepaalt immers dat « De nabuur [...] de rooiing [kan] eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt. ». De door die bepaling bedoelde wettelijke afstand wordt door artikel 35, eerste lid, van hetzelfde Wetboek vastgelegd op twee meter voor hoogstammige bomen en op een halve meter voor andere bomen en levende hagen. Dat rooien kan op volstrekt willekeurige wijze worden gevraagd : de nabuur moet immers geen schade kunnen aantonen.
Er zij opgemerkt dat de bepalingen van het Veldwetboek zowel voor de steden als voor het platteland gelden (Cass., 4 oktober 1900, Pas ., blz. 357 en Cass., 30 oktober 1911, Pas ., blz. 537) en dat de mogelijkheid voor de nabuur om de rooiing te eisen van een boom die werd geplant op een afstand die kleiner is dan de wet bepaalt, onderworpen is aan de dertigjarige verjaring, die echter niet het recht verleent een dergelijke boom te vervangen (Cass., 6 maart 1947, Pas ., blz. 102).
Het feit dat geen schade hoeft te worden bewezen, vormt het grote verschil tussen deze bijzondere regeling van het Veldwetboek die geldt voor bomen, geplant op een afstand die kleiner is dan de wettelijke afstand en de gewone regeling van het Burgerlijk Wetboek, die geldt voor bomen die geplant werden op een afstand die de wettelijke afstand overschrijdt. De artikelen 544 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek veronderstellen immers het bestaan van schade (wegnemen van zonlicht, woekerende wortels enz.) opdat een nabuur herstel zou kunnen eisen.
De hele theorie van het misbruik van eigendomsrechten en het begrip « burentwist » stoelen op dat beginsel. Er dient nog te worden aangestipt dat het door het Burgerlijk Wetboek bedoelde herstel andere vormen kan aannemen dan het wegnemen van de oorzaak van de schade, zoals bijvoorbeeld het betalen van een schadevergoeding die de hinder met betrekking tot het genot van het eigendomsrecht compenseert en op die manier het evenwicht tussen de buren herstelt.
Dat verschil tussen de regeling voor bomen die werden geplant op een afstand die kleiner is dan de wet toestaat en de regeling voor bomen die geplant werden op een afstand die de wettelijke afstand overschrijdt, blijkt volstrekt voorbijgestreefd en is niet langer verantwoord aan de vooravond van het derde millennium. Het is immers ondenkbaar dat in tijden van broeikaseffect en « smog » bomen worden omgehakt enkel en alleen omdat ze niet op de wettelijke afstanden zijn geplant. Dat soort van kappingen lijkt totaal absurd wanneer we weten dat die bomen de lucht zuiveren door middel van fotosynthese en dus een afdoend middel zijn om de vervuiling door onze op productiviteit gerichte beschaving te bestrijden.
Een recent rechtsgeding voor het vredegerecht van het kanton Oudergem en in hoger beroep voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, heeft aangetoond tot welke uitwassen die bepalingen van het Veldwetboek kunnen leiden (Aménagement-Environnement , 1993/3, blz. 181). In Watermaal-Bosvoorde zullen bomen die bijna dertig jaar geleden werden geplant, op vraag van de eigenaar van het aanpalend goed moeten worden geveld, zonder dat deze laatste enige schade aantoont en in weerwil van het verzet van alle andere naburen en zelfs van de huurders van de eiser.
Dit wetsvoorstel strekt bijgevolg tot de opheffing van de bijzondere regeling waarin door artikel 35, eerste lid, en artikel 36 van het Veldwetboek wordt voorzien. Die opheffing zal geen rechtsvacuüm doen ontstaan. Ze zal immers tot gevolg hebben dat de gewone regeling, gebaseerd op de artikelen 544 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de algemene regeling wordt die zal gelden, ongeacht de afstand tussen de bomen en de grens tussen de eigendommen. Om de rooiing te eisen, zal voortaan dus steeds de geleden schade moeten worden aangetoond.
| Eddy BOUTMANS. Martine DARDENNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 35, eerste lid, van het Veldwetboek, gewijzigd bij de wet van 8 april 1969, wordt opgeheven.
Art. 3
Artikel 36 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
| Eddy BOUTMANS. Martine DARDENNE. |