1-89/7 | 1-89/7 |
18 JUNI 1996
Tijdens haar vergaderingen van 23 april, 7 mei en 28 mei 1996 heeft de Commissie voor de Justitie een eerste keer het wetsvoorstel onderzocht.
Zij heeft artikel 2 daarvan geamendeerd en het opschrift van het voorstel dienovereenkomstig gewijzigd.
De tekst in zijn geheel werd, aldus gewijzigd, aangenomen en overgezonden aan de plenaire vergadering.
Deze heeft op 6 juni 1996 het wetsvoorstel teruggestuurd naar de commissie voor een tweede onderzoek.
De rapporteur memoreert dat het voorliggende voorstel tot doel heeft in de wet op de voorlopige hechtenis een bepaling te wijzigen waarvan de toepassing in de rechtspraak, bevestigd door het Hof van Cassatie (arrest van 3 juli 1992 - zaak Cockx), ertoe leidt dat de raadkamer niet in staat is de invrijheidstelling van de verdachte onder voorwaarden uit te spreken bij het regelen van de rechtspleging. Op basis van die interpretatie door de rechtspraak kan de verdachte op dat ogenblik alleen zonder voorwaarden in vrijheid worden gesteld, dan wel aangehouden blijven.
Om die toestand, die door de wetgever niet is gewild, te verhelpen heeft de indiener van het voorstel voorgesteld om in fine van artikel 36, § 2, van de wet, de volzin « Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen » te vervangen door de woorden « Zij kan de voorwaarden waaronder de verdachte in vrijheid is gesteld, niet verzwaren ».
Tijdens de debatten was de minister van Justitie, daarin bijgevallen door de commissie, van oordeel dat het beter zou zijn artikel 26, § 3, als volgt te wijzigen : « Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, kan zij bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft. »
De indiener van het voorstel, die het eens was met het standpunt van de minister, heeft dan een amendement ingediend dat ertoe strekte zijn oorspronkelijke tekst te vervangen als volgt : « Artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt aangevuld als volgt : « of dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35. »
De commissie heeft het amendement aangenomen en artikel 36, § 2, bleef daarbij onveranderd.
Daardoor kwam artikel 26, § 3, te luiden als volgt :
« Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank (...) verwijst (...), kan zij bij afzonderlijke en (...) gemotiveerde beschikking beslissen dat de verdachte aangehouden blijft of dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35. »
Te vrezen valt dat dit artikel tot onduidelijkheid leidt omdat het maar twee mogelijkheden biedt : aangehouden blijven of onder voorwaarden in vrijheid worden gesteld, terwijl de onvoorwaardelijke invrijheidstelling uiteraard mogelijk moet blijven.
Om een dergelijke dubbelzinnigheid te vermijden, lijkt het wenselijk artikel 2 van het wetsvoorstel te formuleren als volgt :
« Artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt aangevuld als volgt : « of dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld eventueel onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35. »
Zo wordt duidelijk aangegeven dat de invrijheidstelling onvoorwaardelijk kan zijn dan wel aan voorwaarden is onderworpen.
Voorts kan men zich afvragen of er geen tegenstrijdigheid is tussen het nieuwe artikel 26, § 3, en artikel 36, § 2, dat uiteindelijk niet zal worden gewijzigd.
Die tegenstrijdigheid lijkt er echter niet te zijn aangezien artikel 26 het geval beoogt van de verdachte die in hechtenis zit bij het regelen van de rechtspleging, terwijl artikel 36 betrekking lijkt te hebben op de verdachte die voordien onder voorwaarden in vrijheid is gesteld.
De indiener van het voorstel verklaart dat de tekst die in eerste lezing door de commissie werd aangenomen, inderdaad aanleiding zou kunnen geven tot verkeerde interpretaties.
De hierboven voorgestelde oplossing zou het mogelijk maken die uit te sluiten. Een andere mogelijkheid zou zijn terug te keren naar de oorspronkelijke tekst.
De gedachte achter die tekst was dat alle bepalingen betreffende de invrijheidstelling onder voorwaarden gegroepeerd moesten blijven, zoals dat het geval was in de wet van 20 juli 1990.
Spreker blijft van oordeel dat artikel 35, § 5, van die wet voldoende duidelijk is wat betreft de mogelijkheid voor de raadkamer om iemand in vrijheid te stellen en dat het vastleggen van voorwaarden meer op zijn plaats zou zijn in artikel 36.
Essentieel is echter dat iedere dubbelzinnigheid wordt opgeheven.
De minister van Justitie geeft toe dat de aangenomen tekst tot interpretaties kan leiden. Hij onderstreept dat het nu zo is dat wanneer de raadkamer bij het regelen van de rechtspleging de betrokkene wil blijven vasthouden, zij daarvoor een afzonderlijke beschikking moet geven.
In alle andere gavallen wordt de betrokkene krachtens de wet zelf in vrijheid gesteld.
De voorgestelde tekst lijkt in te houden dat de raadkamer voortaan een afzonderlijke beschikking moet geven ongeacht of zij de betrokkene in hechtenis wil houden, onder voorwaarden in vrijheid wil stellen dan wel onvoorwaardelijk wil vrijlaten.
De rapporteur is het met die opmerking eens maar wijst erop dat het precies de invoering is van de mogelijkheid van invrijheidstelling onder voorwaarden die tot verwarring kan leiden.
Volgens de in eerste lezing aangenomen tekst bepaalt artikel 26 immers dat de raadkamer ofwel iemand kan blijven vasthouden, dan wel hem onder voorwaarden in vrijheid stellen, maar het onvoorwaardelijk vrijlaten wordt niet vermeld.
Het toevoegen van het woord « eventueel » zou duidelijkheid scheppen over de drie mogelijkheden.
Reagerend op de opmerking van de minister stelt een lid voor de wijziging die men in artikel 2 van het voorstel wil aanbrengen anders te formuleren. Hij dient een amendement in dat als volgt luidt (Gedr. St. Senaat 1-89/6, amendement nr. 3) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. In artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, worden de woorden « kan zij bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft » vervangen door de woorden « kan zij de verdachte in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft, of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35. »
Aldus zou voor een onvoorwaardelijke invrijheidstelling geen afzonderlijke beschikking moeten worden gegeven.
Spreker onderstreept voorts dat het woord « eventueel » ook tot dubbelzinnigheid aanleiding kan geven.
Het voormelde amendement en artikel 2, aldus geamendeerd, worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt met dezelfde eenparigheid aangenomen.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.
| De Rapporteur,
Claude DESMEDT. |
De Voorzitter,
Roger LALLEMAND. |
| TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE |
TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE NA TERUGZENDING DOOR DE PLENAIRE VERGADERING |
| Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (Nieuw opschrift) | Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (Nieuw opschrift) |
| Artikel 1 | Artikel 1 |
| Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. | Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. |
| Art. 2 | Art. 2 |
| Artikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt aangevuld als volgt : « of dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35 ». | In a rtikel 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994, worden de woorden « kan zij bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft » vervangen door de woorden « kan zij de verdachte in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft, of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35 ». |
| Art. 3 | Art. 3 |
| Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. | Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. |