1-382/1

1-382/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

10 JULI 1996


Wetsvoorstel betreffende de instelling van administratieve rechtbanken van eerste aanleg (1)

(Ingediend door de heren Daras en Boutmans)


TOELICHTING


I. ­ ALGEMEEN

Dit wetsvoorstel strekt ertoe administratieve rechtbanken van eerste aanleg in te stellen.

De instelling van dergelijke rechtscolleges is geen nieuw initiatief : al in de jaren 1933-1935 werd in internationale colloquia gepraat over een hervorming van de behandeling van geschillen van bestuur en over administratieve rechtscolleges van eerste aanleg.

In 1935 deden J. Lespès en M. Vauthier onderzoek naar datzelfde onderwerp (« Les juridictions administratives du premier degré », Ann. dr. pol., 1935, blz. 317).

Dertig jaar later vinden de rechtsgeleerden eindelijk gehoor bij 's lands vertegenwoordigers. Tijdens de parlementaire zitting 1963-1964 dient J. de Staercke bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel in tot invoering van provinciale administratieve rechtbanken (Parl. St., Kamer, 1963-1964, nr. 652/1, en advies van de Raad van State, nr. 652/2). Nog voor men aan de bespreking ervan toe was, kwam het voorstel evenwel te vervallen ingevolge de ontbinding van de Kamers.

In 1976 publiceert de toenmalige minister voor de Hervorming van de Instellingen, Robert Vandekerckhove, een belangrijk werkdocument met concrete voorstellen om de behandeling van geschillen van bestuur anders te organiseren en te vereenvoudigen. De nota voorziet daartoe in de instelling van vijf administratieve rechtbanken van eerste aanleg (één voor Brussel; twee voor het Vlaamse Gewest ­ waaronder één voor Vlaams-Brabant, Antwerpen en Limburg en één voor West- en Oost-Vlaanderen; twee voor het Waalse Gewest ­ waaronder één voor Waals-Brabant, Henegouwen en Namen en een tweede voor Luik en Luxemburg). Die rechtbanken beschikken over een tweevoudige volstrekte bevoegdheid : zij zijn bevoegd om bepaalde administratieve handelingen te vernietigen en hebben volle rechtsmacht voor bepaalde aangelegenheden, waaronder die welke deel uitmaken van de rechtsprekende bevoegdheden van de bestendige deputatie van de provincieraad (cf. « Essai de réforme du contentieux administratif », A.P.T., 1976-1977, blz. 175-207).

Ondertussen heeft de huidige minister van Binnenlandse Zaken tijdens een colloquium dat plaatsvond op 22 april 1989 aangekondigd dat binnenkort op ruime schaal een algemeen werkdocument zal worden verspreid over de instelling van administratieve rechtbanken. De minister stelt de instelling voor van één administratief rechtscollege per provincie, met een opsplitsing voor de provincie Brabant. Dat rechtscollege zal in eerste aanleg de algemene bevoegdheid tot vernietiging van de Raad van State uitoefenen (cf. « Vers une réforme globale du contentieux administratif » in « Le citoyen face à l'administration. Commissions et juridictions administratives : quels droits de défense ? », Actes du colloque organisé le 22 avril 1989 par la Conférence libre du jeune barreau de Liège, Éditions du jeune barreau de Liège, 1990, blz. 221).

Op 23 december 1989 ten slotte dient de heer Cerexhe in de Senaat een voorstel van wet in betreffende de instelling, de organisatie, de bevoegdheid en de werkwijze van de administratieve rechtbanken (Stuk Senaat, nr. 808/1, 1989-1990). Hij doet dat een tweede keer tijdens de parlementaire zitting 1991-1992 (Stuk Senaat, nr. 184-1, B.Z. 1991-1992).

De krachtlijnen van dat voorstel zijn de volgende :

­ er worden vijf administratieve rechtbanken van eerste aanleg ingesteld;

­ ze zijn gevestigd te Brussel, Gent, Antwerpen, Luik en Bergen;

­ hun rechtsgebied is hetzelfde als dat van de hoven van beroep te Brussel, Gent, Antwerpen, Luik en Bergen;

­ hun volstrekte bevoegdheid is vrij ruim : enerzijds is er de bevoegdheid tot het vernietigen van bepaalde bestuurshandelingen; zij oefenen die uit in eerste aanleg en onder voorbehoud van hoger beroep bij de Raad van State. Anderzijds hebben zij in bepaalde aangelegenheden volle rechtsmacht, niet alleen in eerste aanleg (meer bepaald voor de door de bestendige deputatie behandelde aangelegenheden), maar ook in hoger beroep.

Dit wetsvoorstel sluit bij voornoemde initiatieven aan en voorziet in de instelling van drie administratieve rechtbanken van eerste aanleg met de volgende kenmerken :

­ ze zijn gevestigd in het Vlaamse, Brusselse en Waalse Gewest, respectievelijk in de steden Gent, Brussel en Namen;

­ het rechtsgebied van elke rechtbank stemt overeen met het grondgebied van het gewest waarin ze is gevestigd;

­ de territoriale bevoegdheid wordt in hoofdzaak bepaald op grond van de woonplaats van de verzoeker;

­ de volstrekte bevoegdheid van de administratieve rechtbanken is tweevoudig en wordt uitsluitend in eerste aanleg en onder voorbehoud van hoger beroep bij de Raad van State uitgeoefend. Enerzijds hebben ze volle rechtsmacht voor alle aangelegenheden waarvoor de bestendige deputatie van de provincieraad rechtsprekende bevoegdheid heeft en anderzijds zijn ze bevoegd voor alle geschillen rond de vernietiging van onwettige bestuurshandelingen. Die vernietigingsbevoegdheid wordt dus integraal van de Raad van State naar de administratieve rechtbanken van eerste aanleg overgeheveld. De Raad van State treedt alleen nog op als rechter in hoger beroep tegen de beslissingen van de administratieve rechtbanken.

De instelling van die rechtscolleges zou vier hiaten in de huidige procedure voor de behandeling van bestuursgeschillen in België moeten opvullen : de eerste drie problemen hebben betrekking op de bij de Raad van State aangebrachte vernietigingsgeschillen met betrekking tot onwettige bestuurshandelingen (A), terwijl het laatste de rechtsprekende bevoegdheden van de bestendige deputatie (B) betreft.

A. Bij de Raad van State aangebrachte vernietigingsgeschillen in verband met onwettige bestuurshandelingen

1) Voor vele rechtzoekenden kan de in Brussel gevestigde Raad van State overkomen als een rechter die veel te ver van hen af staat. Dit negatieve beeld van de rechter schept problemen, aangezien het de drempelvrees van de burgers voor het gerecht versterkt en hen van een rechtsvordering kan doen afzien, ook al was de kans op succes niet gering.

De instelling van administratieve rechtbanken van eerste aanleg sloopt die drempel en brengt de administratieve rechtspraak dichter bij de burgers. Daarbij spelen drie factoren een rol : het aantal rechtscolleges (drie in plaats van een); hun zetel (Gent, Brussel en Namen liggen in het hart van respectievelijk het Vlaamse, het Brusselse en het Waalse Gewest); het feit dat de woonplaats van de verzoeker als belangrijkste criterium voor de bepaling van de territoriale bevoegdheid wordt gehanteerd.

2) De behandeling van vernietigingsgeschillen rond onwettige bestuurshandelingen gebeurt nu in eerste en laatste aanleg voor de Raad van State. Dat betekent dat de rechtzoekenden onmogelijk bij enige andere instantie tegen de arresten van de Raad van State kunnen opkomen. Elk beroep voor de Raad van State wordt weliswaar eerst onderzocht door een auditeur (een onafhankelijke magistraat dus), die de zaak behandelt en vervolgens door de raadsheren van de Raad van State (het « dubbele » onderzoek), maar dat biedt nog altijd minder garanties dan een rechtscollege dat zich in tweede instantie uitspreekt (R. Vandekerckhove, op. cit., blz. 189, nr. 33).

De instelling van administratieve rechtbanken van eerste aanleg werkt dat rechtsvacuüm weg en biedt de rechtzoekenden tegelijkertijd de waarborg dat hun zaak in eerste aanleg en in hoger beroep door een verschillend rechtscollege kan worden behandeld : de bevoegdheid inzake de behandeling van geschillen tot vernietiging van onwettige bestuurshandelingen in eerste aanleg wordt dan ook integraal van de Raad van State naar de administratieve rechtbanken van eerste aanleg overgeheveld en de rechtzoekenden hebben steeds het recht om bij de Raad van State beroep in te stellen tegen de uitspraak van de administratieve rechtbank.

3) Vaak verloopt zeer veel tijd tussen het ogenblik waarop het verzoek tot vernietiging bij de Raad van State wordt ingediend en het ogenblik waarop de Raad zich uitspreekt : « De gemiddelde behandelingsduur van een Franstalige procedure bedraagt reeds 28 maanden, terwijl die van een Nederlandstalige procedure niet minder dan 55 maanden bedraagt; 57 pct. van de procedures bij de Raad van State kennen een behandelingsduur van meer dan 3,5 jaar. » (cf. de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 oktober 1990 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet, Stuk Senaat, nr. 984-1, 1989-1990, blz. 1).

De oorzaken van die vertraging bij het afhandelen van de dossiers zijn legio : het aantal zaken dat hangende is bij de Raad van State blijft hoog (6 148 zaken op 31 augustus 1989), de procedures zijn onaangepast, het aantal magistraten is vrij gering, er bestaat geen enkele garantie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de arresten; ten slotte vertoont ook de algemene structuur van de berechting van de geschillen van bestuur gebreken (cf. voornoemde parlementaire voorbereiding, Stuk Senaat, nr. 984-1, 1989-1990, blz. 1).

Een aantal wetgevende initiatieven heeft het grootste deel van die problemen verholpen :

­ de wet van 16 juni 1989 verhoogde het aantal staatsraden en auditeurs (op 1 mei 1990 kwamen er twee staatsraden bij, op 1 juni 1990 twee auditeurs en op 1 juli 1990 nog eens vier staatsraden; dat gebeurde overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 april 1990 tot vaststelling van de inwerkingtreding van de verhoging van het aantal leden van de Raad van State, van het auditoraat en van het coördinatiebureau);

­ de termijn binnen welke de memories moeten worden ingediend, werd vastgelegd en kan niet worden verlengd; wie de termijn overschrijdt, wacht een zware sanctie. Bovendien werd in een versnelde procedure voorzien als het beroep klaarblijkelijk gegrond is en kan een dwangsom worden opgelegd aan de administratieve overheid die weigert een arrest tot vernietiging of schorsing van de Raad van State uit te voeren (cf. voornoemde wet van 17 oktober 1990).

De minister van Binnenlandse Zaken heeft er zelf op gewezen dat men zich wel rekenschap moet geven van het feit dat niet met incidentele maatregelen kan worden volstaan om de tijd die nodig is vooraleer het hoge administratieve rechtscollege een zaak kan afhandelen, aanzienlijk te verkorten. De overbelasting van de Raad van State kan ook niet zomaar door een nieuwe uitbreiding van de personeelsformatie worden weggewerkt, wil men de eenvormigheid van de rechtspraak niet in het gedrang brengen (cf. R. Vandekerckhove, op. cit., blz. 189, nr. 33).

In de praktijk kan alleen een algemene hervorming van de behandeling van administratieve geschillen de termijn binnen welke de Raad van State zich uitspreekt, aanzienlijk verkorten. De instelling van administratieve rechtbanken van eerste aanleg is een stap in die richting. In dit voorstel wordt de behandeling van geschillen over machtsmisbruik overgeheveld van de Raad van State naar de administratieve rechtbanken van eerste aanleg. Het hoge rechtscollege zal zich alleen nog als rechtbank in hoger beroep over de beslissingen van de administratieve rechtbanken ter zake dienen uit te spreken. De ervaringen van de Franse administratieve rechtbanken van eerste aanleg leren ons dat maar in een heel beperkt aantal gevallen beroep wordt ingesteld (P. Waline, « L'expérience française des tribunaux administratifs de premier degré », A.P.T., 1976-1977, blz. 211). De Raad van State zal dan ook definitief worden ontlast van heel wat geschillen en die welke alsnog worden aangebracht, sneller kunnen afhandelen.

B. Behandeling van geschillen door de bestendige deputatie

Bij de uitoefening van haar rechtsprekende bevoegdheden kampt de bestendige deputatie met een intrinsiek probleem, met name de samenstelling ervan. De bestendige deputatie bestaat immers uitsluitend uit politiek verkozenen. Als dusdanig kan de instelling dan ook nooit voldoen aan de elementaire eisen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Bovendien beschikken de leden niet over de nodige kwalificaties om zich als rechtscollege in geschillen uit te spreken (cf. R. Vandekerckhove, op. cit., blz. 184, nr. 22).

Sommigen maakten terecht volgende opmerking : « Les députations permanentes ne présentent pas de garanties contre les influences et les passions politiques. Elles ne peuvent d'ailleurs se soustraire à la loi de leur nature, car électives et politiques, les députations permanentes, avec les intentions les plus pures, doivent subir la pression de leur parti, de ses préférences, de ses idées, de ses aspirations. (...) Toute décision d'un corps politique semble un acte de la majorité contre la minorité. On ne peut empêcher celle-ci d'y voir un acte de parti » (rapport fait à la Chambre, loi du 8 mai 1869 modifiant les dispositions légales qui régissent la constitution des listes électorales, Pasinomie, blz. 96, in R. Vandekerckhove, op. cit., blz. 184, nr. 22).

Die algemene kritiek geldt ook in verband met de fiscale en electorale bevoegdheden van de bestendige deputatie :

­ in verband met de berechting van fiscale geschillen schrijft A. Baar : « Je l'ai dit et je le répéterai encore autant qu'il le faudra, faire juger des contestations de droit par des personnes qui ont établi elles-mêmes les règlements, par un organisme purement politique composé d'hommes que rien n'a préparé à ces fonctions judiciaires, qui ont d'autres soucis en tête et qui théoriquement se renouvelle tous les six ans, n'est certes pas le moyen d'avoir une bonne justice » (« Réforme du contentieux en matière fiscale », Revue de l'administration, 1935, blz. 107);

­ wat de verkiezingsgeschillen betreft, verklaart de minister van Binnenlandse Zaken dat de bestendige deputatie de klachten misschien wel op een ernstige manier behandelt, maar desalniettemin een politieke en dus geen onafhankelijke instelling is en blijft (op. cit., blz. 225).

De overheveling van de rechtsprekende bevoegdheden van de bestendige deputatie naar de administratieve rechtbanken kan dit gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestendige deputatie verhelpen. Administratieve rechtbanken bieden immers alle nodige waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Kortom, dit wetsvoorstel maakt de administratieve rechtsbedeling wel degelijk toegankelijker voor de burgers :

­ voor geschillen rond de vernietiging van onwettige bestuurshandelingen kunnen zij zich wenden tot een rechter die dichter bij hen staat; bovendien wordt naast de behandeling in eerste aanleg ook in een mogelijkheid van hoger beroep voorzien en is in geval van beroep tegen een uitspraak van de administratieve rechtbank een snellere behandeling door de Raad van State gewaarborgd;

­ de overheveling van de rechtsprekende bevoegdheden van de bestendige deputatie naar de administratieve rechtbanken biedt de rechtzoekenden bovendien de nodige waarborgen dat onafhankelijk en onpartijdig recht wordt gesproken.

II. ­ TOELICHTING BIJ HET VOORSTEL

A. Organisatie van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

1. Wij stellen voor drie administratieve rechtbanken van eerste aanleg in te stellen die respectievelijk in Gent, Brussel en Namen hun zetel zullen hebben.

2. Het rechtsgebied van die rechtbanken stemt overeen met het grondgebied van het gewest waarin zij zijn gevestigd, i.c. het Vlaamse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest.

De verwijzing naar het grondgebied van de gewesten impliceert dat ten volle rekening wordt gehouden met de positie van deze laatste in 's lands federale structuur. Voor het eerst zullen die politieke structuren op hun niveau over rechtscolleges beschikken.

De keuze voor het grondgebied van de gewesten als rechtsgebied van de administratieve rechtbanken sluit aan bij het plan om de geschillenbehandeling in verband met de wettigheid van bestuurshandelingen in eerste aanleg integraal aan die rechtbanken op te dragen. Op dit ogenblik ressorteert die bevoegdheid in eerste en laatste aanleg onder de Raad van State.

Rechtbanken met een minder uitgestrekt rechtsgebied (bijvoorbeeld een provincie of het rechtsgebied van een hof van beroep) zouden onmogelijk al die bevoegdheden kunnen overnemen. Immers : hoe kleiner het rechtsgebied van een rechtbank, hoe talrijker het aantal rechtscolleges dat zich op het grondgebied van het Rijk moet uitspreken. Een hoog aantal rechtscolleges biedt evenwel ontegensprekelijke nadelen als de woonplaats van de verzoeker als voornaamste criterium voor de territoriale bevoegdheid wordt gehanteerd : er is namelijk veel meer kans op een geschil rond de territoriale bevoegdheid van de rechtscolleges die gelijkelijk bevoegd zijn om zich uit te spreken over de beroepen die bij hen worden ingesteld. In dat geval is het immers niet uitgesloten dat bij elk van die rechtscolleges een beroep wordt ingesteld tegen een zelfde handeling door personen die hun woonplaats in verschillende rechtsgebieden hebben.

Een dergelijk probleem kan alleen worden voorkomen als een ander criterium wordt gehanteerd om de territoriale bevoegdheid af te bakenen : de vestigingsplaats van het bestuursorgaan. Het grote nadeel is in dat geval dat de administratieve rechtbank van Brussel met verzoeken zou worden overspoeld, aangezien tal van bestuursorganen, waaronder niet de minst belangrijke, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn gevestigd. Een van de belangrijkste doelstellingen van ons voorstel, met name de administratieve rechtsbedeling dichter bij de burger te brengen, zou dan ook niet worden bereikt.

3. De administratieve rechtbank van Brussel is samengesteld uit zes rechters. Namen beschikt over negen rechters en Gent over twaalf. Zij worden voor het leven door de Koning benoemd uit een dubbeltal met telkens drie kandidaten voor elke vacante functie. De ene lijst wordt beurtelings voorgedragen door de Raad van State en de administratieve rechtbank waar het ambt vacant is, de andere door de Senaat, die ze met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen moet goedkeuren.

Om tot rechter in een administratieve rechtbank te worden benoemd, moeten de kandidaten aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd, opleiding, beroepservaring en talenkennis voldoen die naar gelang van de rechtbank kunnen verschillen.

4. Bij elke administratieve rechtbank wordt een auditoraat ingesteld met een wisselend aantal auditeurs en telkens één hoofdauditeur. Het auditoraat bij de rechtbank van Gent telt acht auditeurs, dat van Brussel vier en dat van Namen zes.

De hoofdauditeur wordt door de Koning benoemd uit de auditeurs bij de Raad van State en van de betrokken administratieve rechtbank die ten minste zeven jaar als eerste auditeur, auditeur of adjunct-auditeur in dienst zijn.

De overige auditeurs worden door de Koning benoemd volgens hun rangschikking bij een vergelijkend examen, waarbij de Raad van State en de betrokken administratieve rechtbank de voorwaarden bepalen en als examencommissie optreden. Hoogstens de helft van het aantal vacatures kan worden ingevuld door adjunct-auditeurs en auditeurs bij de Raad van State, die ook in dat geval door de Koning worden benoemd.

Om tot auditeur bij een administratieve rechtbank te worden benoemd, moeten de kandidaten aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd, opleiding, beroepservaring en talenkennis voldoen. Die voorwaarden kunnen voor elk rechtscollege anders zijn.

Het ambt van auditeur bij een administratieve rechtbank is vergelijkbaar met dat van auditeur bij de Raad van State.

5. De Koning benoemt de griffiers bij de administratieve rechtbanken. Aan elke kamer van de administratieve rechtbank moet een griffier worden toegevoegd. Een van de griffiers wordt aangewezen als hoofdgriffier.

B. Bevoegdheid van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

6. De territoriale bevoegdheid van elke administratieve rechtbank wordt hoofdzakelijk bepaald op grond van de woonplaats van de verzoeker. Op die manier wordt de administratieve rechtsbedeling dichter bij de burger gebracht en wordt voorkomen dat de administratieve rechtbank van Brussel met beroepen tot vernietiging wordt overspoeld. Dat laatste was wel het geval geweest indien men als criterium de vestigingsplaats van het bestuursorgaan dat de betwiste handeling heeft verricht, zou hebben gehanteerd. Veel van die bestuursorganen zijn immers in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gevestigd (onder meer de Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering).

Bij ontstentenis van een voor betwisting vatbare handeling (bij verkiezingsgeschillen bijvoorbeeld) geldt de woonplaats van de verzoeker als enig criterium. Is er wel sprake van een voor betwisting vatbare handeling, dan geldt de woonplaats van de verzoekende partij niet in alle gevallen als criterium : soms wordt ervan afgeweken en kiest men voor de vestigingsplaats van het bestuursorgaan dat de betwiste handeling heeft verricht of voor de plaats waar het betwiste onroerend goed is gelegen.

7. De volstrekte bevoegdheid van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg is dubbel :

a) ze zijn bevoegd tot vernietiging van onwettige bestuurshandelingen; die bevoegdheid is vergelijkbaar met de algemene vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State, zoals bepaald in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit betekent met andere woorden dat de administratieve rechtbanken zich bij vonnis uitspreken over elk verzoek tot vernietiging dat wegens machtsoverschrijding tegen de handelingen van de diverse bestuursorganen wordt ingesteld. Er zij in dat verband op gewezen dat die vernietigingsbevoegdheid beperkter is dan de algemene bevoegdheid waarover de Raad van State krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikt, aangezien de administratieve rechtbanken zich niet kunnen uitspreken over de vernietiging van beslissingen in geschillen van bestuur. Dat blijft een aangelegenheid waarvoor alleen de Raad van State bevoegd is;

b) de administratieve rechtbanken hebben bovendien volle rechtsmacht inzake de rechtsprekende bevoegdheden van de bestendige deputatie :

­ de verkiezingsgeschillen;

­ de belastinggeschillen;

­ de geschillen in verband met de eindafrekening van de ontvangers;

­ de geschillen over studiebeurzen;

­ de geschillen over bosgebruiksrecht;

­ de geschillen over het verlaten van inrichtingen voor geesteszieken;

­ de geschillen over bepaalde gemeenteuitgaven;

­ de mijngeschillen;

­ de geschillen over het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

­ de geschillen inzake de niet-bevaarbare waterlopen.

C. De procedure voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

8. De voorgestelde procedure voor de administratieve rechtbanken sluit nauw aan bij de thans geldende procedure voor de Raad van State.

De maatregelen ingevoerd bij de bovengenoemde wet van 17 oktober 1990 om de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State te bespoedigen worden ­ soms met enkele nuances ­ toegepast op de administratieve rechtbanken [zo moet de eisende partij de memories binnen de vastgestelde termijnen indienen, zo niet, dan wordt het ontbreken van het vereiste belang vastgesteld en worden de memories ingediend door de tegenpartij ambtshalve uit de debatten geweerd (artikelen 58 en 61, § 4); ingeval het administratieve dossier niet binnen de vastgestelde termijn wordt overgezonden, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen beschouwd, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn (artikel 61, § 4); ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer zij geen vordering tot voortzetting van de procedure indient (artikel 61, § 3)].

De administratieve rechtbanken zijn net als de Raad van State bevoegd om de tenuitvoerlegging te schorsen van de beslissingen die door hen kunnen worden vernietigd; in bepaalde gevallen kunnen ze ook een dwangsom opleggen aan de onwillige administratieve overheid.

De procedureregels houden ook rekening met de specifieke eigenschappen van bepaalde aangelegenheden die anders moeten worden behandeld, bijvoorbeeld inzake het belang om in rechte op te treden (zie de bepalingen inzake de gemeenteraadsverkiezingen, waaronder de artikelen 74, 75, § 2, 80 en 82 van de gemeentekieswet en de artikelen 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn), de in acht te nemen termijnen of de noodzaak om een onderzoek de commodo et incommodo in te stellen (zie de wet van 28 december 1967 betreffende de niet-bevaarbare waterlopen), of ook nog de verplichting om sommige partijen te horen (zie artikel 23 van de wet van 10 april 1841 inzake de buurtwegen). Om aan die specifieke eigenschappen tegemoet te komen, bepalen de artikelen 55, 77 en 110 dat de bepalingen betreffende de procedure van toepassing zijn onverminderd de bijzondere bepalingen van de wetten en verordeningen opgesomd in artikel 41 van het onderhavige voorstel.

III. ­ TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

TITEL I

Organisatie van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Aantal en lokalisatie van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Artikel 2

Artikel 2 bevestigt het bestaan van drie administratieve rechtbanken van eerste aanleg. Er wordt één administratieve rechtbank ingesteld per gewest. Het rechtsgebied van elke rechtbank komt overeen met het grondgebied van het gewest waar die rechtbank haar zetel heeft. Zo omvat het rechtsgebied van de rechtbank te Gent het grondgebied van het Vlaams Gewest; het rechtsgebied van de rechtbank te Brussel omvat het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het rechtsgebied van de rechtbank te Namen omvat het grondgebied van het Waals Gewest.

HOOFDSTUK II

Samenstelling en leden van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Artikel 3

Artikel 3 regelt de samenstelling van de administratieve rechtbanken.

Paragraaf 1 bepaalt hoeveel rechters worden toegewezen aan elk van de rechtbanken : de administratieve rechtbank te Gent is samengesteld uit twaalf leden; die van Brussel telt zes leden en die van Namen negen. Deze aantallen werden bepaald op grond van :

a) de belangrijkste maatstaf voor de territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbanken, namelijk de woonplaats van de verzoeker;

b) het aantal beroepen dat werd ingediend bij de Nederlandstalige en Franstalige kamers van de Raad van State.

Elke rechtbank is onderverdeeld in kamers van drie rechters, aangewezen door de voorzitter van de rechtbank. Net als in het voorstel Cerexhe (Parl. Stuk, Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 184/1, blz. 15) is de aanwijzing van de rechters die in een kamer zitting hebben, flexibel : ze kan veranderen naar gelang van de behoeften van de dienst of de omstandigheden.

Bij de administratieve rechtbank te Brussel telt elke kamer een Nederlandstalige rechter en een Franstalige rechter. De ene kamer wordt voorgezeten door een Nederlandstalige rechter en de andere door een Franstalige rechter. Door de samenstelling aan deze voorwaarden te onderwerpen wordt vermeden dat de rechtbank in twee kamers zou worden verdeeld : een Nederlandstalige en een Franstalige. De hoedanigheid van Nederlandstalige of Franstalige rechter wordt bepaald door de taal waarin het diploma bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, is gesteld.

Krachtens de §§ 2 en 3 kiest de administratieve rechtbank uit haar leden een voorzitter en kiest elke kamer uit haar leden een kamervoorzitter. Die aanwijzing geschiedt op dezelfde wijze als bij de Raad van State overeenkomstig artikel 70, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Paragraaf 4 bepaalt dat het aantal leden van elke rechtbank bij koninklijk besluit kan worden verhoogd. Op die manier zullen de administratieve rechtbanken snel kunnen inspelen op eventuele aanzienlijke stijgingen van het aantal geschillen dat tot hun bevoegdheid behoort.

Artikel 4

Artikel 4 bepaalt de wijze waarop de rechters worden benoemd : zij worden voor het leven benoemd door de Koning uit twee drietallen per vacant ambt; het ene wordt voorgedragen door beurtelings de Raad van State en de administratieve rechtbank waar het ambt vacant is; het andere wordt voorgedragen door de Senaat, die beslist bij twee derde van de stemmen van de aanwezige leden.

Deze procedure combineert twee benoemingsmethodes : die van de leden van het Arbitragehof (zie artikel 32 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, dat het optreden van de Senaat en een tweederde meerderheid vereist) en die van de Staatsraden (zie artikel 70, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt dat per vacant ambt drie kandidaten moeten worden voorgedragen).

De verwijzing naar de Senaat wordt verklaard doordat minstens een deel van de senatoren na de Staatshervorming door de deelgebieden van de federatie zal worden aangewezen, zodat ook rekening zal worden gehouden met hun belangen. Het optreden van de Senaat is des te belangrijker daar de administratieve overheden die zich in de invloedssfeer van de deelgebieden van de federatie bevinden, door de administratieve rechtbanken kunnen worden gecensureerd.

De regel van de tweederde meerderheid garandeert dat de aanwijzing van de leden van de administratieve rechtbank op basis van een consensus geschiedt, en niet de afspiegeling is van de regeringsgezinde meerderheid van het ogenblik.

Dat de rechters voor het leven worden benoemd, komt de onafhankelijkheid van de rechtbank ten goede.

De lijsten voor de leden van de administratieve rechtbank te Brussel moeten worden opgesteld met inachtneming van de taalpariteit voorgeschreven door artikel 6, § 3, van de wet.

Artikel 5

Artikel 5 is de omzetting van de regel bepaald bij artikel 70, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : de rechters in elke administratieve rechtbank worden voor de helft benoemd uit de leden van het auditoraat bij de Raad van State en bij de administratieve rechtbank waar het ambt vacant is.

Zoals het voorstel Cerexhe (op. cit. , blz. 16) aanstipt, zorgt deze voorwaarde voor een grotere diversiteit in de aanpak van de problemen en voor een gelijke invloed van de vorige werkkring.

Om enige soepelheid te garanderen bij de benoeming van kandidaten op grond van deskundigheid, voorziet artikel 4 niet in een vaste verhouding tussen de leden van het auditoraat bij de Raad van State en de leden van het auditoraat bij een administratieve rechtbank.

Artikel 6

Artikel 6 regelt de benoemingsvoorwaarden van de rechters in de administratieve rechtbanken.

Net als voor de staatsraden is het diploma van licentiaat of doctor in de rechten vereist.

De vereiste minimumleeftijd ligt lager dan bij de Raad van State : drieëndertig jaar tegen zevenendertig jaar voor de Raad van State. Twee redenen liggen daaraan ten grondslag :

a) in tegenstelling met de Raad van State is een administratieve rechtbank geen opperste rechtsmacht;

b) aangezien men het diploma van licentiaat in de rechten kan behalen vanaf de leeftijd van drieëntwintig jaar, zou de vereiste van tien jaar beroepservaring (zie hieronder) in principe moeten verworven zijn op drieëndertigjarige leeftijd.

De vereiste inzake beroepservaring is overgenomen uit het terzake bepaalde in artikel 70, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : de kandidaten moeten gedurende ten minste tien jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een bediening van algemeen bestuur, een rechterlijk ambt, een ambt bij de Raad van State of bij een administratief rechtscollege hebben bekleed of het recht hebben gedoceerd aan een Belgische universiteit.

Naast die voorwaarden, die een waarborg moeten zijn voor de nodige beroepsbekwaamheid van de kandidaten, moet ook aan bepaalde vereisten inzake talenkennis worden voldaan :

­ voor de rechtbank te Gent moeten de kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens hebben afgelegd in het Nederlands;

­ voor de rechtbank te Brussel moeten drie rechters door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens in het Nederlands hebben afgelegd, en de drie anderen in het Frans; bovendien moet elk van hen het bewijs leveren van zijn kennis van de andere landstaal dan die waarin zijn diploma is gesteld;

­ voor de rechtbank van Namen moeten de kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens hebben afgelegd in het Frans; ten minste twee van hen moeten het bewijs leveren van hun kennis van het Duits.

Artikel 7

Artikel 7 is ingegeven door artikel 39 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de referendarissen.

Gezien de analogie tussen het ambt van rechter in een administratieve rechtbank en het ambt van staatsraad of het ambt van rechter, stelt artikel 7 het ambt van rechter in een administratieve rechtbank gelijk met de rechterlijke ambten op het stuk van de voorwaarden voor benoeming tot een rechterlijk ambt bepaald bij artikel 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en op het stuk van de benoemingsvoorwaarden voor de staatsraden. Bijgevolg mogen de leden van de administratieve rechtbanken zich kandidaat stellen voor een ambt van staatsraad of voor een rechterlijk ambt als bedoeld in de artikelen 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

HOOFDSTUK III

Het auditoraat

AFDELING 1

Samenstelling van het auditoraat

Artikel 8

Artikel 8 stelt bij elke administratieve rechtbank een auditoraat in voor het onderzoek van de zaken.

Het nut van een auditoraat moet niet meer worden aangetoond : het heeft reeds bewezen wat het waard is bij de Raad van State. Door een auditoraat in te stellen, kan zoveel mogelijk worden voorkomen dat er verwarring ontstaat tussen het onderzoeksambt en het ambt van eigenlijke rechter; de onpartijdigheid van dit laatste ambt wordt er alleen maar door versterkt.

Ieder auditoraat bestaat uit auditeurs, onder wie een hoofdauditeur.

Het aantal auditeurs is evenredig aan het aantal kamers van de rechtbank :

­ het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Gent telt acht auditeurs voor vier kamers;

­ het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Brussel telt vier auditeurs voor twee kamers;

­ het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Namen telt zes auditeurs voor drie kamers.

Artikel 9

Artikel 9 bepaalt de wijze van benoeming van de auditeurs.

De hoofdauditeur bij elke rechtbank wordt door de Koning benoemd uit de auditeurs bij de Raad van State en bij de betrokken administratieve rechtbank die reeds ten minste zeven jaar het ambt vervuld hebben, hetzij als eerste auditeur, auditeur of adjunct-auditeur bij de Raad van State, hetzij als auditeur bij een administratieve rechtbank. Deze vereiste in verband met de beroepservaring als auditeur wil een waarborg zijn dat de betrokkene voldoende beroepsbekwaamheid heeft.

De overige auditeurs worden door de Koning benoemd uit een lijst waarop hun rangschikking voorkomt bij een vergelijkend examen waarvan de Raad van State en elke administratieve rechtbank, ieder wat hem betreft, de voorwaarden bepalen en de examencommissie aanstellen. Die regel is een omzetting van artikel 71, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Ten hoogste de helft van het aantal auditeurs kan tevens door de Koning worden benoemd uit de adjunct-auditeurs en de auditeurs bij de Raad van State. Het auditoraat bij de administratieve rechtbanken kan op die wijze voordeel halen uit de ervaring van de auditeurs bij de Raad van State.

Artikel 10

Dit artikel stelt de benoemingsvoorwaarden voor de auditeurs vast : de kandidaten moeten voldoen aan vereisten inzake leeftijd (volle zevenentwintig jaar oud zijn), diploma (doctor of licentiaat in de rechten zijn) en beroepservaring (een passende juridische beroepservaring van drie jaar hebben). Die voorwaarden zijn dezelfde als voor de auditeurs bij de Raad van State overeenkomstig artikel 71, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Daarbij komen nog de taalvereisten die eigen zijn aan iedere rechtbank :

­ voor de rechtbank te Gent moeten de kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens in het Nederlands hebben afgelegd;

­ voor de rechtbank te Brussel moeten twee auditeurs door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens in het Nederlands hebben afgelegd en de twee andere dat zij de examens in het Frans hebben afgelegd; ieder van hen moet bovendien het bewijs leveren van zijn kennis van een andere landstaal dan die van zijn diploma;

­ voor de rechtbank te Namen moeten de auditeurs door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens in het Frans hebben afgelegd en ten minste een van hen moet bovendien het bewijs leveren van zijn kennis van het Duits.

Artikel 11

Artikel 11, eerste lid, bepaalt dat de Koning de auditeurs bij een administratieve rechtbank kan benoemen tot auditeur bij de Raad van State zonder dat zij eerst het vergelijkend examen voorgeschreven bij artikel 71, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten afleggen. Die vrijstelling geldt natuurlijk alleen voor de auditeurs bij de administratieve rechtbanken die niet van de Raad van State komen. Ze is gerechtvaardigd doordat de betrokken auditeurs een vergelijkend examen moeten afleggen van hetzelfde niveau als het examen dat de Raad van State organiseert om in zijn eigen behoeften te voorzien.

Zoals blijkt uit het voorstel Cerexhe (op. cit. , blz. 19), volstaan het examen dat zij hebben afgelegd om auditeur te worden bij een administratieve rechtbank en de beroepservaring die zij bij de uitoefening van hun ambt hebben opgedaan, ruimschoots om hen op voet van gelijkheid te plaatsen met de kandidaten die geslaagd zijn voor het examen voor de Raad van State.

Artikel 10, tweede lid, bepaalt dat het ambt van auditeur bij een administratieve rechtbank wordt gelijkgesteld met de rechterlijke ambten ten aanzien van de benoemingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 71 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De betrokken auditeurs kunnen derhalve dingen naar de rechterlijke ambten vermeld in de artikelen 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede naar het ambt van auditeur of van referendaris bij de Raad van State.

AFDELING 2

Taken van de auditeurs

Artikelen 12 en 13

Deze bepalingen beschrijven de taken van de auditeurs uitgaande van de beginselen vervat in de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Net zoals de auditeur-generaal (art. 75 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) verdeelt de hoofdauditeur de zaken onder de leden van het auditoraat en leidt hij de werkzaamheden. Hij kan ook rechtstreeks de zaken van zijn keuze onderzoeken.

De taken van de auditeurs zijn gelijkaardig met die van de auditeurs bij de Raad van State : zij nemen in de kamers van de administratieve rechtbank deel aan het onderzoek van de zaken. Zij kunnen worden belast met de onderzoeksverrichtingen waartoe de kamers hebben besloten. Zij brengen aan de kamers advies uit in de openbare terechtzitting aan het einde van de debatten.

HOOFDSTUK IV

De griffiers

Artikel 14

Artikel 14 neemt gedeeltelijk de regel over die is vastgelegd in artikel 72, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : de Koning benoemt evenveel griffiers als de rechtbank kamers telt, uit een lijst met ten minste twee kandidaten voorgedragen door de administratieve rechtbank.

Elke griffier is verbonden aan een kamer van de administratieve rechtbank en een van hen wordt door de Koning aangewezen als hoofdgriffier.

Artikel 15

Artikel 15 somt de benoemingsvoorwaarden voor het ambt van griffier op. Die voorwaarden zijn vergelijkbaar met die welke voor de griffiers bij de Raad van State gelden.

De paragrafen 2 tot 5 hebben betrekking op de talenkennis van de griffiers :

­ om tot griffier van de administratieve rechtbank te Gent te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van het Nederlands;

­ om tot griffier van de administratieve rechtbank te Brussel te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van beide landstalen;

­ om tot griffier van de administratieve rechtbank te Namen te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van het Frans; een van de griffiers moet bovendien het bewijs leveren van zijn kennis van het Duits.

Artikel 16

Net zoals artikel 72, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, regelt artikel 16 de procedure voor de schorsing en het ontslag van de griffiers : zij kunnen uitsluitend door de Koning worden geschorst en ontslagen en enkel nadat zij vooraf zijn gehoord.

HOOFDSTUK V

Het administratief personeel

Artikelen 17 tot 19

Net zoals in het voorstel Cerexhe (op. cit. , blz. 20) zijn deze bepalingen ingegeven door de bepalingen betreffende het administratief personeel in de gecoördineerde wetten op de Raad van State (cf . artikel 102 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).

HOOFDSTUK VI

Bezoldigingen en pensioenen

Artikelen 20 tot 24

Deze artikelen regelen het financiële statuut van de leden van de administratieve rechtbank, de leden van het auditoraat, de griffiers en de personeelsleden.

Die bepalingen zijn vergelijkbaar met de artikelen 19 tot 23 van het voorstel Cerexhe (op. cit. , blz. 20). Zij gaan uit van artikel 103 en volgende van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met uitzondering van artikel 23 dat, zoals ook gebeurd is in de wet op het Arbitragehof, werd aangepast aan de bepalingen van de wet van 24 augustus 1968.

HOOFDSTUK VII

Onverenigbaarheden

Artikelen 25 tot 32

Deze bepalingen zijn vergelijkbaar met de artikelen 24 tot 31 van het voorstel Cerexhe (op. cit. , blz. 21). Zij gaan uit van de artikelen 107 en volgende van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met betrekking tot de onverenigbaarheden, met uitzondering van artikel 29, dat de daarmee verband houdende bepalingen van de wet op het Arbitragehof overneemt.

HOOFDSTUK VIII

Tucht

Artikel 33

Artikel 33 vermeldt de gevallen waarin de leden van de administratieve rechtbank en van het auditoraat ontzetting uit hun ambt of schorsing kunnen oplopen. Die gevallen zijn dezelfde als die welke beschreven zijn in artikel 115 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bedoeld zijn de gevallen waarin de leden te kort geschoten zijn in de waardigheid van hun ambt of aan de plichten van hun staat.

HOOFDSTUK IX

Diverse bepalingen

Artikel 34

Artikel 34 regelt de procedure van de eedaflegging.

Artikel 35

Zoals artikel 78 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verleent artikel 35 aan de Koning de bevoegdheid om de ambtskledij te bepalen die de ambtsdragers in de administratieve rechtbank op terechtzittingen en bij officiële plechtigheden dragen; de Koning regelt ook de voorrang en de eerbewijzen.

TITEL II

Bevoegdheid van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Territoriale bevoegdheid

Artikel 36

Artikel 36 gebruikt drie criteria om de territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbanken te bepalen, namelijk de woonplaats van de eiser, de ligging van het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft en de zetel van het bestuursorgaan waarvan de aangevochten handeling uitgaat.

Het hoofdcriterium is de woonplaats van de eiser. In bepaalde gevallen wordt daarvan afgeweken en wordt voorrang gegeven aan de zetel van het bestuursorgaan waarvan de betwiste handeling uitgaat of de ligging van het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft.

Het criterium betreffende de zetel van het bestuursorgaan waarvan de aangevochten handeling uitgaat, is van toepassing in de volgende vier gevallen :

­ wanneer de aangevochten handeling een regelgevende handeling is met een territoriaal toepassingsgebied dat ruimer is dan datgene waarop een handeling die betrekking heeft op de gemeenschapsaangelegenheden bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet van toepassing kan zijn;

­ wanneer de aangevochten handeling een regelgevende handeling is die betrekking heeft op een andere aangelegenheid dan die bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet en met een territoriaal toepassingsgebied dat ruimer is dan het gewestelijk rechtsgebied van de administratieve rechtbank;

­ wanneer de aangevochten handeling uitgaat van een bestuursorgaan dat een andere taal moet gebruiken dan die welke de rechtbank zelf kan gebruiken om de zaak te behandelen;

­ wanneer de eiser geen woonplaats of zetel heeft in België.

De hierboven vermelde eerste twee gevallen hebben betrekking op het geheel van de nationale en quasi-nationale handelingen, inzonderheid op de « extra-communautaire » handelingen (handelingen waarvan het territoriale toepassingsgebied ruimer is dan hetzij de grenzen van het gebied overeenstemmend met het Franse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, hetzij de grenzen van het gebied overeenstemmend met het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad) en op de « extragewestelijke » handelingen.

Het criterium van de ligging van het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft, is van toepassing ingeval de aangevochten handeling een onroerend goed betreft.

Die afwijkingen op het criterium betreffende de woonplaats van de eiser hebben tal van voordelen :

­ ze bieden de mogelijkheid zoveel mogelijk te voorkomen dat tussen twee rechtbanken conflicten betreffende de territoriale bevoegdheid ontstaan, wanneer die rechtbanken allebei bevoegd zijn voor de behandeling van een beroep tot vernietiging ingesteld tegen een zelfde handeling door personen die in een verschillend rechtsgebied hun woonplaats hebben;

­ ze maken het mogelijk de eenheid en de homogeniteit te waarborgen van de rechtspraak en van de interpretatie van de nationale administratieve handelingen die op een groot aantal of zelfs op alle burgers van toepassing zijn;

­ de verwijzing naar de ligging van het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft, brengt de administratieve rechtsbedeling dichter bij de burger;

­ de verwijzing naar de zetel van het bestuursorgaan waarvan de aangevochten handeling uitgaat, maakt het mogelijk om hetzij problemen te voorkomen in verband met het gebruik van de talen voor de administratieve rechtbank, hetzij te vermijden dat de eiser de territoriaal bevoegde rechtbank kan kiezen, wat in strijd zou zijn met het principe dat de territoriale bevoegdheid van openbare orde is.

Artikel 37

Artikel 37 bevestigt het principe dat de territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbanken van openbare orde is.

Artikel 38

Artikel 38 voorziet in twee uitbreidingen van de territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbank : wanneer bij een administratieve rechtbank een vordering aanhangig wordt gemaakt die binnen haar territoriale bevoegdheid valt, is ze overeenkomstig artikel 137 eveneens bevoegd hetzij voor een vordering die hetzelfde onderwerp heeft maar uitgaat van een derde die zijn woonplaats heeft in een ander rechtsgebied, hetzij voor een verschillende maar daarmee samenhangende vordering die normalerwijze tot de territoriale bevoegdheid van een andere administratieve rechtbank behoort.

HOOFDSTUK II

Volstrekte bevoegdheid

AFDELING 1

Geschillenbehandeling in verband met de wettigheid

Artikel 39

Artikel 39 is ontleend aan artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op grond van het ontworpen artikel wordt aan de administratieve rechtbanken van eerste aanleg de thans aan de Raad van State toegewezen rechtsprekende bevoegdheid inzake de wettigheidstoetsing van bestuurshandelingen verleend. Een en ander laat de beroepsmogelijkheden die zijn vervat in artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door dit wetsvoorstel, onverlet.

De aan de administratieve rechtbanken toegewezen vernietigingsbevoegdheid reikt minder ver dan die waarover de Raad van State beschikt. Ze omvat immers niet de mogelijkheid tot vernietiging van beslissingen in geschillen van bestuur, die tot de uitsluitende bevoegdheid van de Raad van State blijft behoren.

De begrippen « handeling », « bestuursorgaan », « overschrijding van bevoegdheid » en « belang » moeten volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State worden uitgelegd.

Tot de handelingen die voor de administratieve rechtbanken kunnen worden aangevochten, behoren zowel de individuele als de regelgevende handelingen; ook de handelingen inzake toezicht behoren daartoe.

Artikel 40

Artikel 40 is gebaseerd op artikel 14, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

AFDELING 2

Rechtspraak met volle rechtsmacht

Artikel 41

In artikel 41 wordt de draagwijdte van de aan de administratieve rechtbanken van eerste aanleg opgedragen rechtspraak met volle rechtsmacht vastgesteld, onverminderd de beroepsmogelijkheden die zijn vervat in artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd bij dit voorstel.

Het betreft de door de bestendige deputatie uitgeoefende rechtsprekende bevoegdheden, met name die betreffende :

­ geschillen in verband met verkiezingsaangelegenheden;

­ geschillen in verband met fiscale aangelegenheden;

­ geschillen in verband met de eindafrekening van de ontvangers;

­ geschillen over studiebeurzen;

­ geschillen over het bosgebruiksrecht;

­ geschillen over het verlaten van inrichtingen voor geesteszieken;

­ geschillen over bepaalde gemeenteuitgaven (zie artikel 256 van de gemeentewet);

­ geschillen in verband met het mijnwezen;

­ geschillen over het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

­ geschillen inzake de niet-bevaarbare waterlopen.

HOOFDSTUK III

Exceptie van onbevoegdheid

Artikelen 42 tot 47

Deze artikelen regelen het probleem van de exceptie van onbevoegdheid wanneer een van de partijen of de auditeur de bevoegdheid van de administratieve rechtbank afwijst. Deze laatste kan de exceptie van onbevoegdheid altijd ambtshalve opwerpen. De inhoud van deze artikelen is grotendeels ontleend aan het bepaalde in de artikelen 42 tot 47 van het voorstel van wet-Cerexhe.

Er zijn drie mogelijkheden :

Een eerste mogelijkheid (artikel 44) : de onbevoegdheid wordt opgeworpen op grond van het feit dat een ander administratief rechtscollege bevoegd is. In dat geval komt het de administratieve rechtbank waarbij de exceptie is opgeworpen, toe om de bevoegdheid te regelen, uiteraard onder voorbehoud van hoger beroep bij de Raad van State overeenkomstig artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd bij dit voorstel.

Met die oplossing moet het mogelijk zijn om het probleem spoedig van de baan te helpen.

Concreet geschiedt de regeling van de exceptie van onbevoegdheid als volgt :

1) De rechtbank die zich onbevoegd verklaart omdat de zaak tot de bevoegdheid van een ander administratief rechtscollege behoort, verwijst de zaak naar het bevoegde rechtscollege. De griffier zendt dan een expeditie van het vonnis en het dossier over aan de griffier van het rechtscollege waarnaar de zaak wordt verwezen. Dat rechtscollege kan dan ofwel de rechtsdag op een zittingsdag binnen een maand bepalen en over zijn bevoegdheid uitspraak doen, ofwel het tussengeschil bij de hoofdzaak voegen.

2) Elke partij of de hoofdauditeur kan, binnen acht dagen na de kennisgeving van het vonnis inzake de bevoegdheid, overeenkomstig artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door dit voorstel, tegen dit vonnis hoger beroep aantekenen bij de Raad van State.

3) Indien het rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen, uitspraak doende over zijn bevoegdheid, zich op zijn beurt onbevoegd verklaart, wordt de bevoegdheid geregeld door de Raad van State op verzoek van de meest gerede partij of van de hoofdauditeur volgens dezelfde regels als die welke gelden voor het beroep tegen het door de eerste rechtbank gewezen vonnis over de bevoegdheid.

Tweede mogelijkheid : de onbevoegdheid van de rechtbank wordt opgeworpen, omdat een gewoon rechtscollege bevoegd is. In dat geval zijn er vier mogelijkheden :

1) De rechtbank verklaart zich van meet af onbevoegd, omdat de zaak tot de bevoegdheid van een ander administratief rechtscollege behoort.

2) De rechtbank verklaart zich bevoegd, maar de partijen of de hoofdauditeur betwisten die bevoegdheid, daarbij als grond aanvoerend dat een gewoon rechtscollege bevoegd is. In dat geval kunnen zij zich niet tot de Raad van State wenden op grond van artikel 44, § 2, van dit wetsvoorstel, aangezien het in dit artikel niet om dezelfde gronden van onbevoegdheid gaat.

3) Nadat overeenkomstig artikel 44, § 2, van dit voorstel bij de Raad van State hoger beroep is ingesteld, werpt de Raad ambtshalve de onbevoegdheid van de rechtbank ten gunste van een gewoon rechtscollege op, terwijl noch de partijen noch de hoofdauditeur zulks hebben gedaan.

4) Niemand heeft te voren het probleem opgeworpen en het rechtscollege waarnaar de zaak wordt verwezen, werpt ambtshalve op dat het onbevoegd is op grond van het feit dat een gewoon rechtscollege bevoegd is.

In die vier gevallen moet naar analogie van artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het Hof van Cassatie uitspraak doen over de bevoegdheid op de wijze voorgeschreven bij artikel 33, tweede lid, van dezelfde wetten. Zulks geschiedt op verzoek van de meest gerede partij of van de hoofdauditeur, op verzoek van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is of op verzoek van de Raad van State (in het derde geval).

Zodra het arrest is gewezen, verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de gewone dan wel naar de administratieve rechter die het bevoegd heeft verklaard. Deze moet zich dan gedragen naar de beslissing van het Hof over het beslechte rechtspunt.

Derde mogelijkheid : zowel een administratieve rechtbank als een gewoon rechtscollege hebben zich hetzij bevoegd, hetzij onbevoegd verklaard om van dezelfde vordering kennis te nemen.

In dat geval bepaalt artikel 46 van het wetsvoorstel, naar analogie van artikel 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat het Hof van Cassatie zich over de regeling van het bevoegdheidsgeschil uitspreekt op de wijze bepaald voor de regeling van rechtsgebied in burgerlijke zaken.

TITEL III

Rechtsbijstand

Deze titel omvat vijf artikelen (de artikelen 48 tot 52) die zijn ingegeven door de artikelen 78 tot 82 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, hierna « procedureregeling » te noemen.

TITEL IV

Gewone rechtspleging voor de administratieve rechtbank van eerste aanleg

De rechtspleging voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg is onder twee afzonderlijke titels, titel IV en titel V, uitgewerkt. Titel IV behelst de gewone rechtspleging, titel V een aantal bijzondere rechtsplegingen.

Titel IV is onderverdeeld in zeven hoofdstukken die respectievelijk verband houden met het verzoekschrift, het onderzoek, de terechtzitting, het vonnis, de kennisgeving en de tenuitvoerlegging van het vonnis, de kosten en de rechtsmiddelen.

De procedurele bepalingen zijn in wezen niet meer dan de omzetting van soortgelijke bepalingen met betrekking tot de Raad van State. Zo wordt de eenheid van de rechtspleging gehandhaafd, en de taak voor de praktijkjuristen die met de huidige rechtspleging voor de Raad van State vertrouwd zijn, vereenvoudigd.

In een aantal gevallen wijkt dit voorstel echter af van de voor de Raad van State geldende regeling, met name om sommige tekortkomingen te verhelpen (wat deze laatste betreft, zie P. Nihoul, « La loi du 17 octobre 1990 modifiant les lois coordonnées sur le Conseil d'État », J.T. , 1991, blz. 345-349).

HOOFDSTUK I

Het verzoekschrift

Artikelen 53 tot 55

Aan deze artikelen liggen de beginselen ten grondslag die in de artikelen 1 tot 4 van de procedureregeling voor de Raad van State zijn vervat, zij het dat daarvan op een belangrijk punt wordt afgeweken.

In tegenstelling tot de procedure voor de Raad van State hoeft de advocaat die de verzoekende partij bijstaat en vertegenwoordigt, niet op de tabel van de Orde van advocaten te zijn ingeschreven. Zo moet ook de persoon die in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen is gevestigd en gemachtigd is om de verzoeker bij te staan of te vertegenwoordigen, die machtiging niet sedert ten minste drie jaar hebben gekregen. Deze afwijkingen hebben tot doel de burgers gemakkelijker toegang tot de rechtsbedeling te verlenen.

HOOFDSTUK II

Het onderzoek

AFDELING 1

Het administratieve dossier, de uitwisseling van memories en de verslagen van de met het onderzoek belaste auditeur

Artikelen 56 tot 62

Deze bepalingen sluiten enigszins aan bij het bepaalde in artikelen 5, 6, 7, 8, 12, 14, 14bis en 14quater van de procedureregeling voor de Raad van State.

Artikel 58, § 3, wijkt af van artikel 14bis van de procedureregeling. Er is immers bepaald dat, wanneer de verzoeker zijn memorie van antwoord of van toelichting buiten de vastgestelde termijn indient, de voorzitter of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank onverwijld uitspraak doet, waarbij hij constateert dat de verzoeker niet het vereiste belang heeft, tenzij deze overmacht of een onoverkomelijke dwaling kan inroepen (voor een pleidooi ten gunste van een dergelijke mogelijkheid ten behoeve van de verzoekende partij, zie P. Nihoul, op. cit. , blz. 346, nr. 4).

Overeenkomstig artikel 59 wordt aan artikel 12 van de procedureregeling een vereiste toegevoegd. Op grond van dit artikel van het wetsvoorstel dient de auditeur zijn verslag binnen zestig dagen na ontvangst van de memorie van antwoord van de tegenpartij dan wel van de memorie van toelichting van de verzoekende partij, te doen toekomen aan de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. In de rechtspraak wordt deze oplossing in het kader van de Raad van State voorgestaan (zie P. Nihoul, op. cit. , blz. 348, nr. 8). Deze bepaling zet de partijen ertoe aan snel te handelen, om er aldus voor te zorgen dat de uitspraak binnen een redelijke termijn kan volgen.

In navolging van het bepaalde in artikel 58, § 3, biedt artikel 61, § 3, de verzoekende partij de mogelijkheid overmacht of een onoverkomelijke dwaling in te roepen wanneer zij de termijn voor de kennisgeving van het verzoek tot voortzetting van de procedure niet heeft in acht genomen. Zo kan zij voorkomen dat tegen haar afstand van geding wordt uitgesproken. Deze oplossing wijkt af van artikel 14quater van de procedureregeling.

Artikel 61, § 3, bepaalt uitdrukkelijk dat indien de tegenpartij haar laatste memorie indient na het verstrijken van de termijn, deze memorie uit de behandeling wordt geweerd, en louter als informatie geldt. In tegenstelling tot de bestaande procedureregeling wordt de mogelijkheid tot het weren van de laatste memorie aldus afgezwakt (over het nut daarvan, zie P. Nihoul, op. cit. , blz. 346, nr. 4).

Nog steeds in afwijking van de procedureregeling biedt artikel 62 de voorzitter van de betrokken kamer de mogelijkheid om de door de partijen in acht te nemen termijnen voor het indienen van hun memories te verlengen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden en de noodzaak van het onderzoek zulks verantwoorden (over de gepastheid van een dergelijke soepelheid, zie P. Nihoul, op. cit. , blz. 346, nr. 4). De onderzoeksauditeur beschikt over dezelfde mogelijkheid voor het overzenden van zijn verslagen.

AFDELING 2

De onderzoeksmaatregelen genomen op initiatief
van de met het onderzoek belaste auditeur

Artikelen 63 tot 71

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Zij sluiten nauw aan bij de artikelen 16, 17 en 19 tot 25 van de bestaande procedureregeling.

HOOFDSTUK III

De terechtzitting

Artikelen 72 tot 76

Deze bepalingen komen nagenoeg volledig overeen met het bepaalde in de artikelen 26 tot 29 van de bestaande procedureregeling.

HOOFDSTUK IV

Het vonnis

Artikelen 77 tot 81

Inhoudelijk stroken deze artikelen in wezen met het bepaalde in de artikelen 11, 15 en 33 tot 35 van de bestaande procedureregeling.

Artikel 77 wijkt evenwel af van artikel 11 van de procedureregeling, doordat is voorzien in een kortere termijn voor het wijzen van het vonnis, namelijk drie maanden in plaats van de voor de Raad van State geldende twaalf maanden. Veiligheidshalve wordt echter bepaald dat de kamer, na advies van de onderzoeksauditeur, bij beschikking kan beslissen de termijn van drie maanden te verlengen, zonder dat de uiteindelijke termijn meer dan tweemaal de aanvankelijke termijn mag bedragen.

HOOFDSTUK V

Kennisgeving en tenuitvoerlegging van de vonnissen

Artikelen 82 en 83

Deze bepalingen stemmen overeen met de artikelen 36 en 37 van de bestaande procedureregeling.

HOOFDSTUK VI

De kosten

Artikel 84

Dit artikel bepaalt dat de Koning de regeling met betrekking tot de kosten vaststelt.

HOOFDSTUK VII

De rechtsmiddelen

Artikelen 85 tot 100

Dit hoofdstuk is verdeeld in drie afdelingen, die betrekking hebben op het verzet (artikelen 85 tot 91), het derdenverzet (artikelen 92 tot 95) en het beroep tot herziening (artikelen 96 tot 100).

Deze bepalingen verschillen niet van die van de bestaande procedureregeling (cf. de artikelen 40 tot 46, 47 tot 50, 50bis tot 50sexies ).

HOOFDSTUK VIII

Algemene bepalingen

Artikelen 101 tot 110

Deze artikelen nemen de beginselen van de artikelen 84 tot 93 van de bestaande procedureregeling over.

TITEL V

Bijzondere rechtsplegingen voor de administratieve rechtbank van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Het administratieve kort geding

Artikelen 111 tot 120

Deze artikelen kennen aan de rechtbank de bevoegdheid toe tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de handelingen die voor vernietiging door die rechtbank vatbaar zijn, als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten handeling kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De rechtbank waarbij een vordering tot schorsing is ingediend, kan tevens bij voorraad alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op burgerlijke rechten.

Ingevolge artikel 120 is beroep uitgesloten tegen de beslissing van de administratieve rechtbank die uitspraak doet over de vordering tot schorsing. Die maatregel heeft tot doel te voorkomen dat de Raad van State uitspraak zou moeten doen over een groot aantal bij wijze van vertragingsmanoeuver ingestelde beroepen.

Deze bepalingen behoeven verder geen bijzondere commentaar aangezien zij rechtstreeks zijn ingegeven door de artikelen 17 en 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en door het koninklijk besluit van 27 oktober 1989 tot bepaling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, waarbij een vordering tot schorsing aanhangig is gemaakt.

HOOFDSTUK II

De versnelde procedure

Artikelen 124 en 125

Deze artikelen nemen de artikelen 93 en 94 van de procedureregeling voor de Raad van State over. Zij bieden de mogelijkheid snel en definitief uitspraak te doen over de kennelijk onontvankelijke, kennelijk ongegronde of kennelijk gegronde vorderingen.

HOOFDSTUK III

De tussengeschillen

Artikelen 126 tot 141

Dit hoofdstuk is ingedeeld in zes afdelingen die achtereenvolgens betrekking hebben op de betichting van valsheid (artikel 126), de tussenkomst (artikelen 127 tot 130), de hervatting van het geding (artikelen 131 tot 134), de afstand van het geding (artikel 135), de samenhang (artikelen 136 en 137) en de wraking (artikelen 138 tot 141).

De voormelde artikelen zijn hoofdzakelijk een afspiegeling van die welke van toepassing zijn voor de Raad van State (cf. respectievelijk artikel 51 van de procedureregeling voor de betichting van valsheid, artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor de tussenkomst, de artikelen 55 tot 58 van de procedureregeling voor de hervatting van het geding, artikel 59 van dezelfde regeling voor de afstand van het geding, artikel 60 voor de samenhang en de artikelen 62 tot 65 voor de wraking).

De bewoordingen waarin artikel 137 over de samenhang handelt, verschillen van die van artikel 60 van de procedureregeling.

Worden bij twee administratieve rechtbanken gelijktijdig, hetzij vorderingen ingesteld, die hoewel ze op precies dezelfde zaak betrekking hebben, uitgaan van verschillende personen die in een verschillend rechtsgebied woonachtig zijn, hetzij vorderingen die onderscheiden maar samenhangend zijn, dan heeft de eerst-geadieerde rechtbank voorrang boven die waarvoor de zaak later aanhangig wordt gemaakt. Deze regel is ingegeven door artikel 565, 5º, van het Gerechtelijk Wetboek.

HOOFDSTUK IV

De dwangsom

Artikelen 142 tot 158

Deze artikelen zijn ontleend aan artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 april 1991 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State inzake de dwangsom.

TITEL VI

Gebruik van de talen voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Gebruik van de talen door de partijen die optreden voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Artikel 159

Artikel 159 is rechtstreeks ingegeven door de artikelen 64 en 66 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het biedt de particulier die als verzoeker optreedt de mogelijkheid de taal van zijn keuze te gebruiken voor de opstelling van het verzoekschrift en de memories die tijdens het geding moeten worden neergelegd.

HOOFDSTUK II

Gebruik van de talen door de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Artikelen 160 tot 162

De particulier die als verzoeker optreedt, kan kiezen in welke taal hij het verzoekschrift en de memories stelt, maar de rechtbank die uitspraak moet doen, kan dat niet.

De regels verschillen naar gelang van de rechtbank waarbij het geding aanhangig wordt gemaakt.

De rechtbank van Gent beschikt over geen enkele speelruimte : de rechtspleging moet geheel in het Nederlands worden gevoerd.

De situatie is verschillend voor de rechtbanken van Namen en Brussel :

­ voor de rechtbank van Namen wordt een onderscheid gemaakt naargelang de tegenpartij al dan niet haar woonplaats heeft in het Duitse taalgebied : wanneer zij haar woonplaats niet in dat taalgebied heeft, is de taal van de rechtspleging verplicht het Frans; wanneer zij daarentegen wel haar woonplaats heeft in dat taalgebied, is de taal van de rechtspleging naar gelang van het geval het Frans of het Duits. In het laatste geval is de taal die moet worden gebruikt in beginsel die waarin de betwiste akte is gesteld; bij gebreke van betwiste akte is de te gebruiken taal in beginsel dezelfde als de taal van het verzoekschrift;

­ de rechtbank te Brussel behandelt de zaak naar gelang van het geval in het Nederlands of in het Frans, volgens dezelfde criteria als die welke voor de rechtbank van Namen worden gehanteerd wanneer de tegenpartij haar woonplaats heeft in het Duitse taalgebied.

HOOFDSTUK III

Gebruik van de talen in de diensten van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Artikel 163

Artikel 163 stelt de administratieve rechtbank gelijk met een gewestdienst wat betreft het gebruik van de talen in de binnendiensten van de rechtbank.

TITEL VII

Wijzigings- en opheffingsbepalingen

HOOFDSTUK I

Bepalingen tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

Artikel 164

Dit artikel bevat een aantal wijzigingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met het oog op de aanpassing van de relevante bepalingen van die wetten aan de nieuwe bevoegdheid van de administratieve rechtbanken.

HOOFDSTUK II

Bepalingen tot opheffing en wijziging van de wetten en koninklijke besluiten bedoeld in artikel 41 van de wet

Artikel 165

Volgens artikel 165 kan de Koning alle in artikel 41 van het voorstel bedoelde wetten en koninklijke besluiten opheffen of wijzigen die de bestaande administratieve rechtspraak regelen teneinde de bepalingen ervan aan te passen aan de nieuwe voorschriften op het stuk van de overdracht van bevoegdheden.

HOOFDSTUK III

Overgangsbepaling

Artikel 166

Artikel 166 bepaalt dat alle administratieve rechtscolleges waarbij vóór de inwerkingtreding van deze wet officieel vorderingen, verzoekschriften, betwistingen en eisen aanhangig waren gemaakt, volgens de vóór de inwerkingtreding van de wet geldende regels uitspraak blijven doen. Bovendien blijven alle rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen openstonden, onderworpen aan de regels die vóór de inwerkingtreding van deze wet golden.

José DARAS.

INHOUD


WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

TITEL I

Organisatie van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Aantal en lokalisatie van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 2

Er zijn in België drie administratieve rechtbanken van eerste aanleg :

1º de administratieve rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarvan het rechtsgebied het grondgebied van het Vlaamse Gewest omvat, namelijk het grondgebied van de provincies Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg;

2º de administratieve rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarvan het rechtsgebied het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest omvat, namelijk het grondgebied van de negentien gemeenten van de Brusselse agglomeratie;

3º de administratieve rechtbank van eerste aanleg te Namen, waarvan het rechtsgebied het grondgebied van het Waalse Gewest omvat, namelijk het grondgebied van de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Namen, Luik en Luxemburg.

HOOFDSTUK II

Samenstelling en leden van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 3

§ 1. De administratieve rechtbank te Gent bestaat uit twaalf leden, verdeeld over vier kamers van drie rechters aangewezen door de voorzitter.

De administratieve rechtbank te Brussel bestaat uit zes leden, verdeeld over twee kamers van drie rechters aangewezen door de voorzitter. Elke kamer van die rechtbank moet, de voorzitter buiten beschouwing gelaten, een Nederlandstalige en Franstalige rechter tellen. De hoedanigheid van Nederlandstalige of Franstalige rechter wordt bepaald door de taal waarin het diploma vermeld in artikel 6, § 3, eerste lid, is gesteld.

De administratieve rechtbank te Namen bestaat uit negen leden, verdeeld over drie kamers van drie rechters aangewezen door de voorzitter.

§ 2. Elke rechtbank kiest uit haar leden een voorzitter.

§ 3. Elke kamer kiest uit haar leden een voorzitter.

§ 4. Het aantal leden van elke administratieve rechtbank kan bij koninklijk besluit worden verhoogd naar gelang van de ontwikkeling van het aantal geschillen dat tot de bevoegdheid van die rechtbank behoort.

Art. 4

§ 1. De leden van de administratieve rechtbanken worden door de Koning voor het leven benoemd uit twee drietallen per vacant ambt :

­ het ene voorgedragen door beurtelings de Raad van State en de administratieve rechtbank waar het ambt vacant is;

­ het andere voorgedragen door de Senaat. Dit drietal wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen van de aanwezige leden.

§ 2. Wanneer moet worden voorzien in de benoeming van een lid van de administratieve rechtbank te Brussel, moet elke lijst bedoeld in § 1 worden opgesteld met inachtneming van de taalpariteit voorgeschreven door artikel 6, § 3.

Art. 5

De leden van elke administratieve rechtbank worden voor ten minste de helft van hun aantal benoemd uit de leden van het auditoraat bij de Raad van State en bij de administratieve rechtbank waar het ambt vacant is.

Art. 6

§ 1. Om tot lid van een administratieve rechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn, volle drieëndertig jaar oud zijn en gedurende ten minste tien jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een bediening van algemeen bestuur, een rechterlijk ambt, een ambt bij de Raad van State of bij een administratief rechtscollege hebben bekleed of rechten hebben gedoceerd aan een Belgische universiteit.

§ 2. Om tot lid van de administratieve rechtbank te Gent te worden benoemd, moet de kandidaat door zijn diploma het bewijs leveren dat hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd in het Nederlands.

§ 3. Om tot lid van de administratieve rechtbank te Brussel te worden benoemd, moeten drie kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten hebben afgelegd in het Nederlands en moeten de drie andere kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten hebben afgelegd in het Frans. Bovendien moeten de kandidaten het bewijs leveren van hun kennis van de andere landstaal dan die waarin hun diploma is gesteld op de wijze voorgeschreven bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

In elke kamer moet er, de voorzitter buiten beschouwing gelaten, een Nederlandstalige rechter en een Franstalige rechter zijn. De hoedanigheid van Nederlandstalige of Franstalige rechter wordt bepaald door de taal waarin het diploma vermeld in het eerste lid is gesteld.

§ 4. Om tot lid van de administratieve rechtbank te Namen te worden benoemd, moet de kandidaat door zijn diploma het bewijs leveren dat hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd in het Frans.

Van de leden van de administratieve rechtbank te Namen moeten ten minste twee leden het bewijs leveren van hun kennis van het Duits op de wijze voorgeschreven bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Art. 7

Het ambt van lid van een administratieve rechtbank wordt met de rechterlijke ambten gelijkgesteld ten aanzien van de benoemingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 70 en 71 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in de artikelen 187 tot 216 van het Gerechtelijk Wetboek.

De dienstjaren als rechter in een administratieve rechtbank komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elk bestuurlijk of rechterlijk ambt dat de betrokkene nadien zou bekleden.

HOOFDSTUK III

Het auditoraat

AFDELING 1

Samenstelling van het auditoraat

Art. 8

Bij elke administratieve rechtbank is er een auditoraat.

Elk auditoraat bestaat uit auditeurs, onder wie een hoofdauditeur.

Het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Gent bestaat uit acht auditeurs.

Het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Brussel bestaat uit vier auditeurs.

Het auditoraat bij de administratieve rechtbank te Namen bestaat uit zes auditeurs.

Art. 9

De hoofdauditeur bij de administratieve rechtbank wordt door de Koning benoemd uit de auditeurs bij de Raad van State en bij de betrokken administratieve rechtbank die reeds ten minste zeven jaar het ambt van eerste auditeur, auditeur of adjunct-auditeur hebben vervuld.

De andere auditeurs worden door de Koning benoemd uit een lijst waarop hun rangschikking voorkomt bij een vergelijkend examen waarvoor de Raad van State en elke administratieve rechtbank, elk wat hem betreft, de voorwaarden bepalen en de examencommissie aanstellen. De Koning kan ook ten hoogste de helft van hen benoemen uit de adjunct-auditeurs en de auditeurs bij de Raad van State. De adjunct-auditeurs die belangstelling hebben voor die benoeming, moeten zich kandidaat stellen op de door de Koning bepaalde wijze.

Art. 10

§ 1. Om tot auditeur bij een administratieve rechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat volle zesentwintig jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten en drie jaar juridische beroepservaring hebben.

§ 2. Om tot auditeur of hoofdauditeur bij de administratieve rechtbank te Gent te worden benoemd, moet de kandidaat door zijn diploma het bewijs leveren dat hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd in het Nederlands.

§ 3. Om tot auditeur of hoofdauditeur bij de administratieve rechtbank te Brussel te worden benoemd, moeten twee kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten hebben afgelegd in het Nederlands en moeten de twee andere kandidaten door hun diploma het bewijs leveren dat zij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten hebben afgelegd in het Frans. Bovendien moet iedere kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van de andere landstaal dan die waarin zijn diploma is gesteld op de wijze voorgeschreven bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

§ 4. Om tot auditeur of hoofdauditeur bij de administratieve rechtbank te Namen te worden benoemd, moet de kandidaat door zijn diploma het bewijs leveren dat hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd in het Frans. Ten minste een lid moet bovendien het bewijs leveren van zijn kennis van het Duits op de wijze voorgeschreven bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Art. 11

De auditeurs bij een administratieve rechtbank kunnen door de Koning worden benoemd in de ambten bepaald in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zonder dat zij het vergelijkend examen moeten afleggen voorgeschreven in artikel 71, § 1, van dezelfde wetten.

Het ambt van auditeur bij een administratieve rechtbank wordt met de rechterlijke ambten gelijkgesteld ten aanzien van de benoemingsvoorwaarden bepaald in artikel 71, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in de artikelen 187 tot 216 van het Gerechtelijk Wetboek.

De dienstjaren als auditeur bij een administratieve rechtbank komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elk bestuurlijk of rechterlijk ambt dat de auditeurs nadien zouden bekleden.

AFDELING 2

Taken van de auditeurs

Art. 12

De hoofdauditeur verdeelt de zaken onder de leden van het auditoraat en leidt de werkzaamheden. Hij kan ook rechtstreeks de zaken van zijn keuze onderzoeken.

Art. 13

De leden van het auditoraat nemen in de kamers van de administratieve rechtbank deel aan het onderzoek. Zij kunnen worden belast met de onderzoeksverrichtingen waartoe de kamers hebben besloten. Zij brengen aan de kamers advies uit in de openbare terechtzitting aan het einde van de debatten.

HOOFDSTUK IV

De griffiers

Art. 14

De Koning benoemt evenveel griffiers als de rechtbank kamers telt, uit een lijst met ten minste twee kandidaten voorgedragen door de administratieve rechtbank.

Elke griffier is verbonden aan een kamer van de administratieve rechtbank. Een van de griffiers wordt door de Koning aangewezen als hoofdgriffier.

Art. 15

§ 1. Om tot griffier te worden benoemd, moet de kandidaat volle vijfentwintig jaar oud zijn en houder zijn van een diploma van hoger middelbaar onderwijs of van een door de Koning daarmee gelijkgestelde studie.

§ 2. Om tot griffier van de administratieve rechtbank te Gent te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van het Nederlands.

§ 3. Om tot griffier van de administratieve rechtbank te Brussel te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van beide landstalen.

§ 4. Om tot griffier van de administratieve rechtbank te Namen te worden benoemd, moet de kandidaat het bewijs leveren van zijn kennis van het Frans. Een van de griffiers moet bovendien het bewijs leveren van zijn kennis van het Duits.

§ 5. Het bewijs van de kennis van de landstalen moet worden geleverd op de wijze voorgeschreven bij artikel 53, § 4, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken. De wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd, wordt door de Koning bepaald.

Art. 16

De griffiers kunnen worden geschorst en ontslagen door de Koning, de administratieve rechtbank en de betrokkene vooraf gehoord.

HOOFDSTUK V

Het administratief personeel

Art. 17

De leden van het administratief personeel worden benoemd en ontslagen door de administratieve rechtbank, die deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de voorzitter kan opdragen.

Art. 18

Het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het rijkspersoneel zijn van toepassing op het administratief personeel van de administratieve rechtbank.

Art. 19

De administratieve rechtbank regelt de opdrachten, verhinderingen en vervangingen, de afwezigheden, verloven en vakanties van de leden van het administratief personeel.

HOOFDSTUK VI

Bezoldigingen en pensioenen

Art. 20

De wedden, verhogingen en vergoedingen toe te kennen aan de leden van de administratieve rechtbank, het auditoraat en de griffie worden bij de wet vastgesteld.

Art. 21

§ 1. De leden van de administratieve rechtbank en van het auditoraat worden in ruste gesteld wanneer zij wegens ziekte of gebrekkigheid van ernstige en blijvende aard niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt.

§ 2. De griffiers en de leden van het administratief personeel worden op pensioen gesteld wanneer zij wegens ziekte of gebrekkigheid van ernstige en blijvende aard niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt.

Art. 22

§ 1. De artikelen 391, 392, 393, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de administratieve rechtbank en van het auditoraat, alsmede op de hoofdgriffier.

§ 2. De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is van toepassing op de griffiers en op de leden van het administratief personeel van de administratieve rechtbank.

Art. 23

De leden van het administratief personeel die op 24 augustus 1968 administratieve of gerechtelijke diensten vervulden die in aanmerking komen voor een rustpensioen ten bezware van de Staatskas, maar die, op de leeftijd van volle 65 jaar, niet de wettelijke dienstvoorwaarden vervullen om dat pensioen te verkrijgen, worden in disponibiliteit gesteld volgens dezelfde regeling als die voor het rijkspersoneel, tenzij zij, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, § 4, tweede en derde lid, van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de particuliere sector, om de toepassing van artikel 4, §§ 1 en 2, van dezelfde wet verzoeken.

Art. 24

De griffiers en de leden van het administratief personeel kunnen, op voorstel van de administratieve rechtbank, bij uitzondering in dienst worden gehouden boven de in artikel 21, § 2, gestelde grens, ingeval de administratieve rechtbank bij hun verdere medewerking bijzonder belang heeft en zij vervangen zouden moeten worden als zij op pensioen werden gesteld.

De Koning beslist over het in dienst houden van de griffiers en van de leden van het administratief personeel. De indiensthouding geldt slechts voor een jaar. Ze kan worden vernieuwd.

HOOFDSTUK VII

Onverenigbaarheden

Art. 25

De ambten van lid van de administratieve rechtbank, lid van het auditoraat en lid van de griffie zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten en de ambten bij de Raad van State, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of enig openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.

Van het eerste lid kan worden afgeweken :

1º wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een instelling voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;

2º wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;

3º wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan een tiende van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de administratieve rechtbank.

Deze afwijkingen worden door de Koning of door de minister van Binnenlandse Zaken toegestaan, naargelang het gaat om een afwijking bepaald in het 1º dan wel in het 2º of het 3º. Ze worden toegestaan op advies van de voorzitter wanneer het gaat om leden van de administratieve rechtbank of van de griffie en op advies van de hoofdauditeur wanneer het gaat om leden van het auditoraat.

Art. 26

De leden van de administratieve rechtbank, het auditoraat en de griffie mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.

Art. 27

Het is hun verboden :

1º mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;

2º in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;

3º hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding of het bestuur van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.

In afwijking van het 3º kan de Koning, in bijzondere gevallen, de deelneming in het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen toestaan.

Art. 28

De artikelen 25 en 27, 1º en 3º, zijn mede van toepassing op de leden van het administratief personeel van de administratieve rechtbank.

Afwijkingen kunnen hun ook door de administratieve rechtbank worden toegestaan in de gevallen waarin de op de rijksambtenaren toepasselijke bepalingen aan dezen of hun echtgenoot de uitoefening van bepaalde aanvullende bezigheden toestaan.

Art. 29

Bloed- en aanverwanten, tot en met de derde graad, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd lid van dezelfde administratieve rechtbank zijn.

Art. 30

De ambtsdragers bij de administratieve rechtbank kunnen met hun instemming en op het advies bedoeld in artikel 25, derde lid, door de Koning tijdelijk belast worden met het vervullen van een opdracht of het uitoefenen van een ambt bij een nationale instelling. Indien zij door de hun aldus opgedragen taak niet meer in staat zijn hun ambt bij de administratieve rechtbank te vervullen, worden zij gedetacheerd.

De detachering mag voor niet langer dan een jaar worden toegestaan. Onder de in het eerste lid bepaalde voorwaarden kan de detachering evenwel telkens voor ten hoogste een jaar worden verlengd, zonder dat de totale duur van de detachering vier jaar mag te boven gaan. Indien de betrokkene bij het verstrijken van de detacheringstermijn zijn ambt bij de administratieve rechtbank niet opnieuw heeft opgenomen, wordt hij geacht ontslag te hebben genomen.

De gedetacheerde ambtsdragers behouden hun plaats op de ranglijst. De periode gedurende welke zij zijn gedetacheerd, wordt als een periode van werkelijke dienst beschouwd.

Zij blijven de wedde verbonden aan hun ambt bij de administratieve rechtbank genieten. Geen aanvullende bezoldiging noch vergoeding mag hun worden verleend, buiten die welke de werkelijke lasten verbonden aan de hun toevertrouwde opdrachten of ambten dekken en die welke door de Koning in ieder bijzonder geval worden bepaald.

Art. 31

De ambtsdragers bij de administratieve rechtbank kunnen, op het advies bedoeld in artikel 25, derde lid, door de Koning worden gemachtigd om een opdracht te vervullen of een ambt uit te oefenen bij een supranationale, internationale of buitenlandse instelling.

Indien zij door de hun aldus opgedragen taak niet meer in staat zijn hun ambt bij de administratieve rechtbank te vervullen, worden zij buiten formatie gesteld.

De totale duur van de periode gedurende welke zij buiten formatie worden gesteld, mag niet langer zijn dan de periodes van werkelijke dienst bij de administratieve rechtbank.

De betrokkenen die buiten formatie zijn gesteld, ontvangen niet langer de wedde die aan hun ambt bij de administratieve rechtbank verbonden is en komen niet meer in aanmerking voor bevorderingen. Zij behouden hun recht om wederopgenomen te worden in hun vroegere ambt bij de administratieve rechtbank, ongeacht het aantal plaatsen bepaald in de artikelen 3 en 8.

Indien de betrokkenen bij het verstrijken van de termijn gedurende welke zij buiten formatie zijn gesteld, hun ambt bij de administratieve rechtbank niet opnieuw hebben opgenomen, worden zij geacht ontslag te hebben genomen.

De personen bedoeld in het tweede lid mogen de termijn van hun opdracht doen gelden voor de berekening van hun pensioen, voor zover deze niet reeds voor die berekening in aanmerking is genomen. Het aldus berekende pensioen wordt verminderd met het netto-bedrag van het pensioen dat uit hoofde van de opdracht aan de betrokkene wordt toegekend door de buitenlandse regering, het buitenlands bestuur of de supranationale of internationale instelling waarbij hij ze heeft vervuld. Die vermindering wordt enkel toegepast op de pensioenverhoging voortvloeiend uit de tenlasteneming door de Staatskas van de termijn van die opdracht.

Art. 32

De Koning kan, ook wanneer er geen vacature is, rechters in de administratieve rechtbank en leden van het auditoraat benoemen om het ambt te vervullen van hen die regelmatig gemachtigd zijn tot het aanvaarden van een openbaar ambt bij een supranationale, internationale of buitenlandse instelling. Aan het aantal leden bepaald in de artikelen 3 en 8 mag evenwel niet meer dan een rechter in de administratieve rechtbank en niet meer dan een lid van het auditoraat worden toegevoegd.

De benoemingen om in een vervanging te voorzien worden beschouwd als benoemingen in nieuwe betrekkingen.

Degenen aan wie een ambt wordt begeven om in een vervanging te voorzien, worden in vast verband benoemd. Van rechtswege bezetten zij de betrekkingen van rechter in de administratieve rechtbank en van auditeur naargelang deze betrekkingen vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen betrekking vereist is.

HOOFDSTUK VIII

Tucht

Art. 33

De leden van de administratieve rechtbank of van het auditoraat die te kort geschoten zijn in de waardigheid van hun ambt of in de plichten van hun staat, kunnen, al naar het geval, uit hun ambt ontzet of daarin geschorst worden, bij een arrest dat door de afdeling administratie van de Raad van State, in verenigde kamers, wordt uitgesproken.

HOOFDSTUK IX

Diverse bepalingen

Art. 34

§ 1. De voorzitter en de hoofdauditeur leggen schriftelijk in handen van de Koning de eed af die voorgeschreven is bij het decreet van 20 juli 1831. De leden van de administratieve rechtbank, de auditeurs en de griffiers leggen die eed schriftelijk of persoonlijk af in handen van de voorzitter van de rechtbank.

§ 2. De in § 1 bedoelde personen zijn gehouden tot de eedaflegging binnen een maand na de dag waarop hun benoeming hun is ter kennis gebracht; anders kan in hun vervanging worden voorzien.

De eed wordt in het Nederlands of in het Frans afgelegd naargelang de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is. De taal van het voor de benoeming vereiste diploma bepaalt of de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is.

Art. 35

De Koning bepaalt de ambtskledij die de ambtsdragers in de administratieve rechtbank op terechtzittingen en bij officiële plechtigheden dragen.

Hij regelt voorrang en eerbewijzen.

TITEL II

Bevoegdheid van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Territoriale bevoegdheid

Art. 36

§ 1. Onverminderd de §§ 2 en 3 van dit artikel, wordt de territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbank bepaald door de woonplaats of de zetel van de eiser.

§ 2. Wanneer de aangevochten handeling een onroerend goed betreft, is de bevoegde rechtbank die van het rechtsgebied waarin het onroerend goed is gelegen waarop het geschil betrekking heeft.

§ 3. De bevoegde rechtbank is die van het rechtsgebied waarin de zetel is gelegen van het bestuursorgaan waarvan de aangevochten handeling uitgaat :

­ wanneer de aangevochten handeling een regelgevende handeling is met een territoriaal toepassingsgebied dat ruimer is dan datgene waarop een handeling die betrekking heeft op de gemeenschapsaangelegenheden bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet van toepassing kan zijn;

­ wanneer de aangevochten handeling een regelgevende handeling is die betrekking heeft op een andere aangelegenheid dan die bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet en met een territoriaal toepassingsgebied dat ruimer is dan het gewestelijk rechtsgebied van de administratieve rechtbank;

­ wanneer de aangevochten handeling uitgaat van een bestuursorgaan dat een andere taal moet gebruiken dan die welke de rechtbank zelf kan gebruiken om de zaak te behandelen;

­ wanneer de eiser geen woonplaats of zetel heeft in België.

Art. 37

De territoriale bevoegdheid van de administratieve rechtbanken is van openbare orde.

Onverminderd artikel 101 kan van de territoriale bevoegdheid niet worden afgeweken, zelfs niet door keuze van woonplaats of door onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

Art. 38

De administratieve rechtbank waarbij een vordering aanhangig is gemaakt waarvoor zij territoriaal bevoegd is, is op de wijze bepaald in artikel 137 eveneens bevoegd om kennis te nemen hetzij van een vordering die hetzelfde onderwerp heeft maar uitgaat van een derde die zijn woonplaats heeft in een ander rechtsgebied, hetzij van een verschillende maar daarmee samenhangende vordering die normalerwijze tot de territoriale bevoegdheid van een andere administratieve rechtbank behoort.

HOOFDSTUK II

Volstrekte bevoegdheid

AFDELING 1

Geschillenbehandeling in verband met de wettigheid

Art. 39

§ 1. De administratieve rechtbank doet, bij vonnis, in eerste aanleg uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring die wegens overschrijding van bevoegdheid worden ingesteld tegen de individuele en verordenende handelingen van de verschillende bestuursorganen.

§ 2. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een belang kan doen gelden, kan het in § 1 omschreven beroep instellen.

Art. 40

Wanneer een bestuursorgaan verplicht is een beslissing te nemen en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen van een daartoe strekkende aanmaning van een belanghebbende geen beslissing is genomen, wordt het stilzwijgen van het bestuursorgaan geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van het bestuursorgaan andere gevolgen verbinden.

AFDELING 2

Rechtspraak met volle rechtsmacht

Art. 41

De administratieve rechtbank doet met volle rechtsmacht in eerste aanleg bij vonnis uitspraak over de volgende geschillen, bezwaren en conflicten :

1º de geschillen bedoeld in de artikelen 74 en 84 van de gemeentekieswet, de artikelen 9, 10, 22 en 77 van de gemeentewet en de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 77bis van de gemeentekieswet en de artikelen 18bis , 21bis en 22 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

2º de geschillen over de invordering van provinciale en plaatselijke heffingen, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen;

3º de bezwaren inzake de polderbelasting of belastingen voor wateringen bedoeld in respectievelijk artikel 68 van de wet van 3 juni 1957 en artikel 68 van de wet van 5 juli 1956, alsmede de bezwaren bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet van 20 juni 1855 betreffende de politie op de bevloeiingen in de Kempen;

4º de geschillen bedoeld in de artikelen 17 en 42 van de wet van 19 december 1864 betreffende de stichtingen ten voordele van het openbaar onderwijs of ten bate van bursalen;

5º de geschillen op grond van artikel 69, tweede lid, en artikel 97, tweede lid, van het Boswetboek, alsmede van artikel 49, derde lid, en artikel 3 van de op 15 september 1919 gecoördineerde wetten betreffende de mijnen, groeven en graverijen;

6º de geschillen over de belasting op de buurtwegen, bedoeld in artikel 23 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen;

7º de geschillen op grond van de artikelen 8, 9, 12 en 13 van de wet van 28 december 1967 betreffende de niet-bevaarbare waterlopen;

8º de geschillen over :

a) de eindafrekening van de plaatselijke gemeenteontvangers, zoals geregeld door artikel 244 van de gemeentewet en de artikelen 213 en 219 van het besluit van de Regent van 10 februari 1945 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit en de rekeningen van de gewestelijke ontvangers;

b) de eindafrekening van de penningmeesters van de kerkfabrieken, bedoeld in de artikelen 8 en 12 van de wet van 4 maart 1870 op het tijdelijke der eredienten;

c) de eindafrekening van de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bedoeld in de wet van 8 juli 1976;

d) de eindafrekening van de ontvanger van de provinciale commissies ingesteld tot beheer van de studiebeurzen, bedoeld in artikel 29 van de wet van 19 december 1864;

9º de geschillen bedoeld in artikel 15 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand;

10º de geschillen bedoeld in artikel 256 van de nieuwe gemeentewet.

HOOFDSTUK III

Exceptie van onbevoegdheid

Art. 42

Indien een partij of de met het onderzoek belaste auditeur de territoriale of de volstrekte bevoegdheid van de administratieve rechtbank afwijst, roept de voorzitter van de kamer de verzoekende partij, de tegenpartij en, in voorkomend geval, de tussenkomende partij op om binnen korte termijn en uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop de exceptie van onbevoegdheid is opgeworpen, te verschijnen.

Na de partijen en het advies van de met het onderzoek belaste auditeur te hebben gehoord, doet de rechtbank onverwijld uitspraak over haar bevoegdheid.

Art. 43

De rechtbank kan de exceptie van onbevoegdheid te allen tijde ambtshalve opwerpen.

Art. 44

§ 1. De rechtbank die zich onbevoegd verklaart op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een ander administratief rechtscollege behoort, verwijst de zaak naar het bevoegde rechtscollege.

Ieder vonnis inzake de bevoegdheid wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen.

§ 2. Hoger beroep bij de Raad van State tegen het vonnis inzake de bevoegdheid of de onbevoegdheid op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een ander administratief rechtscollege behoort, wordt, binnen acht dagen na de kennisgeving, door de hoofdauditeur of door de partijen ingesteld overeenkomstig artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De akte van hoger beroep wordt, op straffe van verval, neergelegd op de griffie van de rechtbank tegen gedagtekend ontvangbewijs of aan de griffier van de rechtbank gezonden bij een ter post aangetekende brief.

De hoofdgriffier van de rechtbank zendt de akte van hoger beroep met het dossier onverwijld over aan de griffier van de Raad van State.

Na zijn arrest te hebben gewezen, verwijst de Raad van State de zaak naar het administratieve rechtscollege dat hij bevoegd acht.

§ 3. Indien tegen het vonnis van verwijzing geen hoger beroep wordt ingesteld, zendt de griffier een expeditie van het vonnis alsmede het dossier over aan de griffier van het rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen.

Het rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen, bepaalt de rechtsdag op een zittingsdag binnen een maand en doet uitspraak over zijn bevoegdheid. Het kan evenwel de voorkeur eraan geven het tussengeschil bij de hoofdzaak te voegen.

§ 4. Indien het rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen, zich op zijn beurt onbevoegd verklaart op grond van het feit dat een ander administratief rechtscollege bevoegd is, wordt de bevoegdheid geregeld door de Raad van State op verzoek van de meest gerede partij of van de hoofdauditeur op de wijze voorgeschreven bij artikel 45.

Art. 45

§ 1. De zaak wordt overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek bij het Hof van Cassatie aanhangig gemaakt bij verzoekschrift van de meest gerede partij of door de hoofdauditeur bij de geadieerde administratieve rechtbank of, in voorkomend geval, door de auditeur-generaal bij de Raad van State, op de wijze voorgeschreven bij artikel 33, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer :

­ de rechtbank zich onbevoegd verklaart op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een gewoon rechtscollege behoort;

­ de hoofdauditeur of de partijen, op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een gewoon rechtscollege behoort, het vonnis betwisten waarbij de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard;

­ de Raad van State, in hoger beroep, de onbevoegdheid van de administratieve rechtscolleges ambtshalve opwerpt op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een gewoon rechtscollege behoort;

­ het administratief rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen, zich onbevoegd verklaart op grond van het feit dat de zaak tot de bevoegdheid van een gewoon rechtscollege behoort.

§ 2. Na uitspraak te hebben gedaan over de bevoegdheid, verwijst het Hof de zaak naar het door hem bevoegd geachte rechtscollege. Het rechtscollege waarnaar de zaak wordt verwezen, moet zich gedragen naar de beslissing van het Hof wat het door hem beslechte rechtspunt betreft.

Art. 46

Wanneer zowel een administratieve rechtbank als een hof of een rechtbank van de rechterlijke macht zich hetzij bevoegd, hetzij onbevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van een zelfde vordering, wordt de regeling van het bevoegdheidsgeschil vervolgd door de meest gerede partij of door de hoofdauditeur bij een administratieve rechtbank en door het Hof van Cassatie beslecht op de wijze bepaald voor de regeling van rechtsgebied in burgerlijke zaken.

Art. 47

In de gevallen bedoeld in de artikelen 45 en 46, wordt het arrest door het Hof van Cassatie in verenigde kamers gewezen.

TITEL III

Rechtsbijstand in de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 48

De artikelen 667, 668 en 669 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de vorderingen en beroepen ingesteld bij de administratieve rechtbank van eerste aanleg, behoudens hetgeen hierna is bepaald.

Art. 49

Hij die rechtsbijstand vraagt, voegt bij zijn verzoekschrift de bescheiden voorgeschreven bij de artikelen 676 en 677 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 50

De voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, doet zonder verdere rechtspleging uitspraak over het verzoek om rechtsbijstand.

Indien daartoe grond bestaat, hoort hij de partijen.

Tegen zijn beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Art. 51

Indien de rechtsbijstand wordt geweigerd, wordt de verzoekende partij verzocht haar verzoekschrift van een zegel te voorzien.

Doet zij dat niet binnen vijftien dagen na het bericht van de griffier, dan wordt het verzoekschrift op de rol doorgehaald.

Art. 52

De voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan in de loop van het geding rechtsbijstand toestaan voor de door hem te bepalen akten en verrichtingen.

TITEL IV

Gewone rechtspleging voor de administratieve rechtbank van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Het verzoekschrift

Art. 53

§ 1. De in de artikelen 39 en 41 omschreven beroepen en vorderingen worden bij de administratieve rechtbank aanhangig gemaakt bij verzoekschrift, gedagtekend en ondertekend hetzij door de partij, hetzij door een advocaat of een in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap gevestigde persoon die gemachtigd is de verzoekende partij te vertegenwoordigen en bij te staan, hetzij door het bestuursorgaan.

§ 2. Het verzoekschrift wordt aangetekend verzonden of tegen ontvangbewijs neergelegd op de griffie van de administratieve rechtbank.

Art. 54

§ 1. Het verzoekschrift vermeldt :

1º de naam, de hoedanigheid en de woonplaats of zetel van de verzoeker;

2º het onderwerp van de vordering of van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen;

3º de naam en de woonplaats of zetel van de tegenpartij;

4º in voorkomend geval, de stukken waarop de verzoeker zijn partij vordering of beroep steunt.

§ 2. Het verzoekschrift bevat bovendien :

1º in de gevallen bedoeld in artikel 39, een afschrift van de betwiste akte;

2º in de gevallen bedoeld in de artikelen 42 tot 46, een exemplaar van het vonnis waarin uitspraak wordt gedaan over de bevoegdheid.

Art. 55

Onverminderd de bijzondere termijnen die, in voorkomend geval, door de in artikel 41 bedoelde wetten en verordeningen zijn bepaald, moet het beroep tegen de handeling van een bestuursorgaan bij de administratieve rechtbank aanhangig worden gemaakt binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de bekendmaking of de kennisgeving van de betwiste handeling. Wanneer bekendmaking of kennisgeving van de betwiste handeling niet vereist is, gaat de termijn van zestig dagen in op de dag waarop de verzoeker er kennis van gekregen heeft.

HOOFDSTUK II

Het onderzoek

AFDELING 1

Het administratieve dossier, de uitwisseling van memories en de verslagen van de onderzoeksauditeur

Art. 56

De hoofdgriffier zendt een afschrift van het verzoekschrift over aan de voorzitter van de rechtbank, die de zaak aan de bevoegde kamer toewijst.

Een afschrift van het verzoekschrift wordt eveneens aan de hoofdauditeur overgezonden. Deze onderzoekt de zaak zelf of wijst daartoe een lid van het auditoraat aan. De auditeur die de zaak onderzoekt, wordt hierna de onderzoeksauditeur genoemd.

Art. 57

§ 1. De hoofdgriffier bezorgt de tegenpartij zonder verwijl een afschrift van het verzoekschrift en maakt daarbij melding van het bepaalde in de §§ 2 tot 5 van dit artikel. Hij vermeldt tevens de kamer waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt, alsmede de naam van de onderzoeksauditeur.

§ 2. Is de tegenpartij in het bezit van het administratieve dossier, dan beschikt zij over een termijn van zestig dagen om een memorie van antwoord alsmede het administratieve dossier aan de griffie over te zenden.

§ 3. Is de tegenpartij niet in het bezit van het administratieve dossier, dan moet zij zulks ter kennis brengen van de onderzoeksauditeur, die het bestuursorgaan dat het dossier onder zich heeft, verzoekt om het mede te delen. Het bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onverwijld over, en wel uiterlijk binnen dertig dagen nadat de onderzoeksauditeur daarom verzocht heeft.

§ 4. Is de tegenpartij niet in het bezit van het administratieve dossier, dan gaat de termijn van zestig dagen voor het indienen van de memorie van antwoord in op de dag waarop de tegenpartij in kennis wordt gesteld van de neerlegging van het dossier op de griffie.

§ 5. Indien het bestuursorgaan dat de betwiste handeling heeft verricht, het administratieve dossier niet binnen de in § 2 genoemde termijn heeft overgezonden, of indien het bestuursorgaan dat het dossier onder zich heeft, dit dossier niet binnen de in § 3 genoemde termijn doet toekomen, kan de kamer waarbij het beroep aanhangig is gemaakt, bevelen dat het administratieve dossier moet worden neergelegd en een overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 143 tot 145 vastgestelde dwangsom opleggen. De kamer kan deze maatregel ambtshalve nemen dan wel op verzoek van de onderzoeksauditeur, de verzoekende partij of welke tussenkomende partij ook. Zij doet hoe dan ook pas uitspraak na de partijen en het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord.

§ 6. Indien de tegenpartij het administratieve dossier niet binnen de opgelegde termijn, onverminderd het bepaalde in artikel 127, overzendt, worden de door de verzoekende partij aangehaalde feiten geacht te zijn bewezen, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn. Een en ander laat het bepaalde in de voorgaande paragraaf onverlet.

§ 7. De door de tegenpartij ingediende memorie van antwoord wordt ambtshalve uit de behandeling geweerd, indien ze niet binnen de gestelde termijn is overgezonden. In dat geval geldt ze als informatie.

Art. 58

§ 1. De griffier bezorgt de verzoekende partij een afschrift van de memorie van antwoord, stelt haar in kennis van de neerlegging van het dossier op de griffie en vermeldt het bepaalde in de §§ 2 tot 4 van dit artikel.

Indien de verzoekende partij overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, § 3, woonplaats kiest in België, is de door de griffier gedane kennisgeving geldig, wanneer deze in de gekozen woonplaats geschiedt.

§ 2. De verzoekende partij moet haar memorie van wederantwoord binnen zestig dagen bij de griffie indienen. De griffier bezorgt de tegenpartij een afschrift daarvan.

§ 3. Indien de verzoekende partij de termijnen voor het toezenden van de memories niet in acht neemt, doet de onderzoeksauditeur binnen acht dagen daarvan verslag aan de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

De voorzitter roept de verzoeker, de tegenpartij en, in voorkomend geval, de tussenkomende partij op om spoedig en uiterlijk binnen tien dagen na de indiening van het verslag voor hem te verschijnen; dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.

Na de partijen en het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord, doet de voorzitter of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank onverwijld uitspraak, waarbij wordt vastgesteld dat de verzoekende partij niet het vereiste belang heeft, tenzij deze overmacht of een onoverkomelijke dwaling kan opwerpen.

§ 4. Dient de tegenpartij binnen de gestelde termijn geen memorie van antwoord in, dan wordt de verzoekende partij hiervan door de griffie in kennis gesteld en mag zij de memorie van wederantwoord vervangen door een memorie van toelichting.

Art. 59

Nadat de in de artikelen 57 en 58 bedoelde maatregelen zijn uitgevoerd, maakt de onderzoeksauditeur een verslag over de zaak op.

Te dien einde kan hij rechtstreeks briefwisseling voeren met alle bestuursorganen en aan deze zowel als aan de partijen alle dienstige gegevens en stukken vragen.

Dit gedagtekend en ondertekend verslag wordt aan de kamer bezorgd binnen zestig dagen na ontvangst van, naar gelang van het geval, de memorie van antwoord van de tegenpartij of de memorie van toelichting van de verzoekende partij.

Art. 60

Is de kamer van oordeel dat nieuwe verrichtingen moeten worden bevolen, dan brengt ze zulks ter kennis van de onderzoeksauditeur, die de genoemde verrichtingen doet en een aanvullend verslag opmaakt. Dat verslag wordt gedagtekend, ondertekend en binnen de door de kamer gestelde termijn aan haar bezorgd.

Art. 61

§ 1. Na kennisneming van de in de artikelen 59 en 60 bedoelde verslagen, beveelt de voorzitter van de kamer dat het dossier en de verslagen op de griffie worden neergelegd. De griffier brengt deze verslagen ter kennis van de partijen. Hij stelt de verzoekende partij en de tegenpartij daarbij in kennis respectievelijk van het bepaalde in artikel 58, § 3, en van het bepaalde in § 3 van dit artikel.

§ 2. De verzoekende partij beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen.

§ 3. Binnen dertig dagen na kennisgeving van het verslag van de onderzoeksauditeur dient de verzoekende partij bij een ter post aangetekende brief een verzoek tot voortzetting van de procedure in, wanneer de onderzoeksauditeur in zijn verslag de afwijzing van het beroep voorstelt.

Wanneer binnen de gestelde termijn geen verzoek is ingediend, brengt de onderzoeksauditeur binnen acht dagen verslag uit bij de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

De voorzitter roept de verzoeker, de tegenpartij en, in voorkomend geval, de tussenkomende partij op om spoedig en uiterlijk binnen tien dagen na de indiening van het verslag voor hem te verschijnen; dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.

Na de partijen en het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord, doet de voorzitter of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank onverwijld uitspraak, waarbij tegen de verzoekende partij afstand van geding wordt uitgesproken, tenzij deze overmacht of een onoverkomelijke dwaling kan opwerpen.

§ 4. De tegenpartij beschikt over dertig dagen om de laatste memorie van de verzoekende partij te beantwoorden. Deze memorie wordt ambtshalve uit de behandeling geweerd, indien ze niet binnen de gestelde termijn is overgezonden. In dat geval geldt ze als informatie.

Art. 62

Indien buitengewone omstandigheden en de noodzaak van het onderzoek zulks wettigen, kunnen de aan de partijen opgelegde termijnen voor het indienen van de memories na advies van de onderzoeksauditeur worden verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

Met inachtneming van de in het vorige lid genoemde voorwaarden kunnen de aan de onderzoeksauditeur opgelegde termijnen voor het overzenden van zijn verslag en, in voorkomend geval, van zijn aanvullend verslag worden verlengd, bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

De beschikking wordt door de griffier ter kennis van de partijen gebracht.

AFDELING 2

Onderzoeksmaatregelen genomen op initiatief van de onderzoeksauditeur

Art. 63

De onderzoeksauditeur kan rechtstreeks briefwisseling voeren met alle bestuursorganen en hun alle dienstige gegevens vragen. Hij is gerechtigd zich alle stukken te doen overleggen door de bestuursorganen. Hij kan aan de partijen, hun advocaat of aan een ieder die in het bezit is van informatie over de zaak, alle aanvullende opheldering vragen.

Art. 64

De onderzoeksauditeur kan de partijen en alle andere personen horen. In dit laatste geval worden de partijen en hun advocaten opgeroepen.

Het proces-verbaal van verhoor wordt ondertekend door de onderzoeksauditeur, door de griffier en door de gehoorde persoon.

Art. 65

De onderzoeksauditeur kan, nadat de partijen en hun advocaten zijn opgeroepen, ter plaatse overgaan tot alle vaststellingen.

Art. 66

De onderzoeksauditeur kan deskundigen aanstellen en hun opdracht bepalen. De griffier brengt de beslissing ter kennis van de deskundigen en van de partijen.

Binnen acht dagen na deze kennisgeving stellen de deskundigen, bij een ter post aangetekende brief, elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen.

Art. 67

De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld.

De partijen kunnen zodanige verklaringen afleggen en vragen stellen als zij goed vinden.

Daarvan wordt melding gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.

Art. 68

Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt dit laatste ondertekend door alle deskundigen.

De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de volgende eed : « Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld. »

De minuut van het verslag wordt op de griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.

Art. 69

De kamer kan, in de loop van de debatten, de deskundigen ter informatie horen op de terechtzitting. De deskundigen worden door de griffier opgeroepen.

Art. 70

De kamer kan, om gewichtige redenen en bij een gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord.

De griffier brengt de beslissing ter kennis van de deskundigen en van de partijen.

Art. 71

Worden getuigen op de terechtzitting gehoord, dan worden de partijen en hun advocaten opgeroepen.

De kamer kan bevelen dat de getuige die op de terechtzitting wordt gehoord, de volgende eed aflegt : « Ik zweer in eer en geweten de volledige waarheid te zeggen, niets dan de waarheid. »

Het proces-verbaal van verhoor wordt ondertekend door de voorzitter van de kamer, de griffier en de gehoorde persoon.

HOOFDSTUK III

De terechtzitting

Art. 72

Bij het verstrijken van de termijnen binnen welke de laatste memories moeten worden opgemaakt, bepaalt de voorzitter de rechtsdag waarop de zaak wordt opgeroepen.

Art. 73

De terechtzittingen van de administratieve rechtbank zijn openbaar, tenzij die openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden. In dat geval wordt zulks door de kamer bij een gemotiveerde beslissing verklaard.

Art. 74

De aanwezigen wonen de terechtzitting bij met onbedekt hoofd, eerbiedig en in stilte.

Alles wat de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.

Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar de leden van het auditoraat of de leden van de administratieve rechtbank hun ambt waarnemen.

Art. 75

De partijen en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.

Art. 76

De onderzoeksauditeur vat de feitelijke toedracht van de zaak en de middelen van de partijen samen.

De partijen en hun advocaten kunnen mondelinge opmerkingen voordragen.

Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet, tenzij het gaat om middelen van openbare orde.

Aan het einde van de debatten geeft de onderzoeksauditeur zijn advies over de zaak.

De voorzitter van de kamer verklaart daarna de debatten voor gesloten en houdt de zaak in beraad.

HOOFDSTUK IV

Het vonnis

Art. 77

Onverminderd de bijzondere bepalingen waarin, in voorkomend geval, de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 41 voorzien, moet het vonnis worden gewezen binnen drie maanden te rekenen van de dag waarop, met toepassing van artikel 59 of eventueel van artikel 60, verslag over de zaak is uitgebracht.

Deze termijn kan, na advies van de onderzoeksauditeur, bij beschikking van de kamer worden verlengd zonder dat deze verlengingen in totaal meer dan tweemaal deze termijn mogen bedragen.

Art. 78

De kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan, na advies van de onderzoeksauditeur, bij verstek uitspraak doen ten opzichte van de partijen die zich van alle verweer hebben onthouden.

Wordt de zaak vervolgd tegen verscheidene partijen waarvan sommige hun verweermiddelen hebben voorgedragen, maar andere niet, dan doet de kamer bij dezelfde beslissing uitspraak ten opzichte van alle partijen.

Art. 79

Het vonnis wordt met redenen omkleed en in openbare terechtzitting uitgesproken.

Art. 80

Het vonnis bevat de gronden en het dispositief. Het vermeldt :

1. de naam, de woonplaats of de zetel van de partijen en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die hen vertegenwoordigt;

2. de bepalingen op het gebruik van de talen die zijn toegepast;

3. de oproeping van de partijen en van hun advocaten, alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting;

4. de vermelding dat het advies van de onderzoeksauditeur al dan niet overeenstemt met het vonnis;

5. de uitspraak in openbare terechtzitting, de datum daarvan en de naam van de leden van de administratieve rechtbank die erover hebben beraadslaagd.

Art. 81

Het vonnis wordt ondertekend door de voorzitter van de kamer en de griffier.

HOOFDSTUK V

Kennisgeving en tenuitvoerlegging van de vonnissen

Art. 82

De vonnissen worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen, alsmede van de bevoegde minister.

Art. 83

De vonnissen zijn van rechtswege uitvoerbaar.

De Koning draagt zorg voor de tenuitvoerlegging.

De griffier brengt op de expedities, na het dispositief, en naar gelang van het geval, het door de Koning vastgestelde formulier van tenuitvoerlegging aan.

De expedities worden afgegeven door de griffier, die ze ondertekent en bekleedt met het zegel van de administratieve rechtbank. De vorm van dit zegel wordt door de Koning bepaald.

HOOFDSTUK VI

De kosten

Art. 84

De regeling van de kosten wordt door de Koning bepaald.

HOOFDSTUK VII

De rechtsmiddelen

AFDELING 1

Verzet

Art. 85

Tegen de vonnissen van de administratieve rechtbank staat verzet open.

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij er anders over wordt beslist, hetzij in het vonnis, hetzij bij een latere beschikking.

Art. 86

De partij die zich voor de rechtbank van alle verweer heeft onthouden, wordt geacht verstek te laten gaan.

Verzet is alleen dan ontvankelijk wanneer de eiser in verzet in de onmogelijkheid verkeerde zich te verdedigen.

Verzet tegen een vonnis dat een eerste verzet heeft afgewezen, is niet ontvankelijk. Verzet van de verzoekende of de tussenkomende partij is in geen enkel geval ontvankelijk.

Art. 87

De termijn van verzet is dertig dagen, te rekenen van de kennisgeving van het vonnis.

Art. 88

Verzet wordt gedaan bij een overeenkomstig artikel 54 gesteld verzoekschrift.

Het verzoekschrift vermeldt de omstandigheden waardoor de eiser in verzet in de onmogelijkheid verkeerde zich te verdedigen.

Art. 89

De hoofdgriffier zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen wie het verzet aangaat.

Art. 90

Binnen vijftien dagen kunnen de partijen wie het verzet aangaat, op de griffie een memorie van antwoord indienen.

Deze termijn kan niet worden verlengd.

De griffier bezorgt de eiser in verzet een afschrift van de memories.

Art. 91

Na het verstrijken van de termijn voorgeschreven voor het indienen van de memorie van antwoord, wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van deze titel.

AFDELING 2

Derdenverzet

Art. 92

Tegen de vonnissen van de administratieve rechtbank staat derdenverzet open. Het derdenverzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij er anders over wordt beslist bij beschikking van de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

Art. 93

Ieder die verzet wil doen tegen een vonnis dat zijn rechten benadeelt en waarbij noch hij, noch degenen die hij vertegenwoordigt partij zijn geweest, kan derdenverzet doen.

Niet ontvankelijk is het derdenverzet van degene die verzuimd heeft vrijwillig tussen te komen in de zaak, hoewel hij er kennis van had.

Art. 94

De termijn van derdenverzet is dertig dagen, te rekenen van de bekendmaking van het vonnis en, bij ontstentenis daarvan, dertig dagen te rekenen van de tenuitvoerlegging.

Art. 95

Derdenverzet wordt gedaan bij een overeenkomstig artikel 53 gesteld verzoekschrift.

De griffier zendt een afschrift ervan aan de partijen wie het derdenverzet aangaat.

Derdenverzet wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden vonnis heeft gewezen.

AFDELING 3

Beroep tot herziening

Art. 96

Tegen de vonnissen van de administratieve rechtbank kan beroep tot herziening worden ingesteld.

Het beroep tot herziening schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij er anders over wordt beslist bij de beschikking van de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

Art. 97

Beroep tot herziening kan alleen worden ingesteld door degenen die partij zijn geweest bij het bestreden vonnis.

Art. 98

Beroep tot herziening is slechts ontvankelijk binnen zestig dagen na de ontdekking dat een stuk vals is of dat een stuk is achtergehouden.

Art. 99

Beroep tot herziening wordt ingesteld bij een overeenkomstig artikel 53 gesteld verzoekschrift.

De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de andere partijen die bij het bestreden vonnis betrokken zijn.

Beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden vonnis heeft gewezen.

Art. 100

Geen beroep tot herziening kan worden ingesteld tegen het vonnis dat een zodanig beroep heeft afgewezen, noch tegen het vonnis waarbij, na toewijzing van een zodanig beroep, uitspraak wordt gedaan over de zaak zelf.

Een zelfde partij kan geen tweede beroep tot herziening instellen tegen een vonnis waartegen zij dat middel reeds heeft aangewend.

HOOFDSTUK VIII

Algemene bepalingen

Art. 101

De verzoeker die een beroep tot vernietiging van de handeling van een bestuursorgaan instelt en/of de schorsing van de tenuitvoerlegging van die handeling vordert, moet in België woonplaats kiezen, als hij hier geen woonplaats noch zetel heeft.

Art. 102

Alle processtukken worden bij een ter post aangetekende brief aan de administratieve rechtbank gezonden.

De verzending van deze stukken door de administratieve rechtbank wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief met ontvangbewijs.

De kennisgevingen, berichten en oproepingen worden op dezelfde wijze verzonden.

De termijn waarover de partijen beschikken, gaat in op de dag van ontvangst van de brief.

Indien de geadresseerde de brief weigert, gaat de termijn in op de dag van de weigering.

De datum van het postmerk heeft bewijskracht, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering. Indien de geadresseerde langs de post niet werd bereikt, zendt de onderzoeksauditeur de brief over langs administratieve weg.

De aangezochte burgemeester neemt de nodige maatregelen om de brief aan de geadresseerde te bezorgen en stelt de onderzoeksauditeur hiervan in kennis.

Art. 103

Bij ieder verzoekschrift of iedere memorie worden drie afschriften gevoegd, door de ondertekenaar voor eensluidend verklaard.

Dit aantal wordt met zoveel exemplaren vermeerderd als er partijen in het geding zijn.

De neerlegging van bijkomende afschriften kan worden bevolen.

Art. 104

De tot de administratieve rechtbank gerichte verzoekschriften en memories bevatten een inventaris van de bewijsstukken.

Het administratieve dossier wordt overgezonden met een inventaris van de stukken waaruit het is samengesteld.

Art. 105

De partijen en hun raadslieden kunnen ter griffie kennis nemen van het dossier van de zaak.

Art. 106

De termijnen beginnen eerst te lopen de dag nadat de akte tot stand is gekomen.

De vervaldag wordt in die termijn meegerekend.

Is die dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de termijn tot de eerstvolgende werkdag verlengd.

Art. 107

De bij deze wet bedoelde termijnen worden met dertig dagen verlengd ten behoeve van de personen die hun woonplaats hebben in een Europees land dat niet aan België grenst, en met negentig dagen ten behoeve van de personen die hun woonplaats buiten Europa hebben.

In spoedeisende gevallen kan de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, na advies van de onderzoeksauditeur, bevelen dat de termijnen voorgeschreven voor de proceshandelingen worden ingekort.

Art. 108

De bij deze wet bedoelde termijnen lopen tegen de minderjarigen, de onbekwaamverklaarden en de andere onbekwamen. Wanneer evenwel vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet tijdig was verzekerd vóór het verstrijken van de termijnen, kan de administratieve rechtbank de ontheffing van verval uitspreken.

Art. 109

Wanneer een partij overlijdt, en behoudens hervatting van het geding, worden alle mededelingen en kennisgevingen, uitgaande van de administratieve rechtbank, rechtsgeldig gedaan ter woonplaats van de overledene, aan de rechtverkrijgenden gezamenlijk en zonder vermelding van naam en hoedanigheid.

Art. 110

In de aangelegenheden vermeld in artikel 41 wordt de rechtspleging, in voorkomend geval, geregeld door bijzondere bepalingen.

TITEL V

Bijzondere rechtsplegingen voor de administratieve rechtbank van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Het administratieve kort geding

AFDELING 1

Voorwaarden betreffende de schorsing

Art. 111

§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Raad van State inzake hoger beroep, kan, wanneer de handeling van een bestuursorgaan krachtens artikel 39 vatbaar is voor vernietiging, de administratieve rechtbank als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen.

Nadat de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen zijn, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerd vonnis van de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing voorlopig worden bevolen door de voorzitter van de kamer of door het lid van de administratieve rechtbank dat hij daartoe aanwijst, onder voorbehoud van bevestiging door de kamer binnen vijfenveertig dagen na de vordering. Als de zaak zoveel spoed eist dat de partijen of sommige van hen niet kunnen worden gehoord, worden in het vonnis dat de schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de bevoegde kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.

De voorzitter van de kamer of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank die de voorlopige schorsing heeft bevolen, mag geen zitting hebben in de kamer die uitspraak doet over het handhaven van de schorsing.

§ 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten handeling kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de handeling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

§ 3. De vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot vernietiging en uiterlijk samen met dat verzoekschrift.

De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen vóór het indienen van het verzoekschrift tot vernietiging van de handeling, worden door de voorzitter van de kamer die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat er binnen de in artikel 55 vastgestelde termijn van zestig dagen geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.

§ 4. De kamer doet binnen vijfenveertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing.

Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen zes maanden na de uitspraak van het vonnis uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot vernietiging.

§ 5. Het vonnis dat de schorsing of de voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging van een handeling of een verordening beveelt, kan, op vordering van de verzoekende partij, een dwangsom opleggen aan de betrokken overheid. In dat geval zijn de artikelen 149, § 3, en 150 tot 152 van toepassing.

§ 6. Indien de rechtbank de betwiste handeling of verordening niet vernietigt, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben.

AFDELING 2

Voorlopige maatregelen

Art. 112

§ 1. Wanneer bij de administratieve rechtbank een vordering tot schorsing op grond van artikel 111 aanhangig wordt gemaakt, kan zij als enige, bij voorraad en onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op burgerlijke rechten.

Die maatregelen worden, nadat de partijen gehoord of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd vonnis bevolen door de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak.

§ 2. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen de voorlopige maatregelen op verzoek van de partij die de schorsing heeft gevorderd, bevolen worden bij vonnis van de voorzitter van de kamer of van het lid van de administratieve rechtbank dat hij daartoe overeenkomstig de in artikel 116 beschreven procedure aanwijst.

De voorzitter van de kamer of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank dat de maatregelen heeft bevolen, mag geen zitting hebben in de kamer die uitspraak doet over het handhaven van deze maatregelen.

§ 3. Tegen de krachtens de §§ 1 en 2 uitgesproken vonnissen staat geen verzet open.

§ 4. De vonnissen waarbij voorlopige maatregelen zijn bevolen, kunnen op verzoek van de partijen worden ingetrokken of gewijzigd.

AFDELING 3

Het instellen van de vordering tot schorsing

Art. 113

De vordering tot schorsing moet gedagtekend en ondertekend zijn door de eisende partij of door een advocaat die voldoet aan de in artikel 54 gestelde voorwaarden.

De vordering vermeldt :

1º de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de eisende partij en eventueel de gekozen woonplaats;

2º het onderwerp van de vordering;

3º de handeling waartegen het beroep tot vernietiging wordt ingesteld;

4º een uiteenzetting van de feiten en de middelen die volgens de eisende partij rechtvaardigen dat de schorsing en eventueel voorlopige maatregelen worden bevolen; die uiteenzetting geeft onder meer de feiten aan waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten handeling de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;

5º in voorkomend geval, een uiteenzetting van de feiten waaruit de uiterst dringende noodzakelijkheid in de zin van artikel 116 blijkt.

AFDELING 4

Het onderzoek van de vordering tot schorsing

Art. 114

De hoofdgriffier zendt zonder verwijl een afschrift van het verzoekschrift tot vernietiging en van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging aan de hoofdauditeur en aan de verwerende partij.

De verwerende partij bezorgt zonder verwijl het dossier van de zaak aan de griffier. Dat kan per bode geschieden tegen ontvangbewijs.

De verwerende partij kan bij het dossier een nota in vier exemplaren voegen met opmerkingen over de uiteenzetting die de eiser krachtens artikel 113 heeft gegeven. Een van die exemplaren wordt door de griffier zonder verwijl aan de verzoeker bezorgd.

Is het dossier niet in het bezit van de verwerende partij, dan verzoekt de onderzoeksauditeur het bestuursorgaan dat het dossier onder zich heeft, om het mede te delen.

Art. 115

Wordt de uiterst dringende noodzakelijkheid door de verzoeker niet ingeroepen, dan onderzoekt de onderzoeksauditeur of de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Binnen acht dagen na ontvangst van het dossier brengt hij daarover verslag uit aan de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

Indien het verslag van de onderzoeksauditeur niet tot de kennelijke onontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van de vordering tot schorsing concludeert, bepaalt de voorzitter van de kamer bij beschikking de datum van de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging door de kamer wordt onderzocht.

De datum van de terechtzitting moet worden bepaald binnen dertig dagen na het instellen van de vordering tot schorsing.

Indien het verslag van de onderzoeksauditeur evenwel concludeert dat de vordering tot schorsing kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, roept de voorzitter de verzoeker en de verwerende partij op om spoedig, en uiterlijk tien dagen na de indiening van het verslag, voor hem te verschijnen; het verslag wordt bij de oproeping gevoegd.

De voorzitter doet onverwijld uitspraak, na de partijen en het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord.

Indien hij de vordering tot schorsing niet bij vonnis als kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond afwijst, handelt hij overeenkomstig het eerste lid.

De kennisgevingen kunnen, tegen ontvangbewijs, per bode geschieden.

Art. 116

Wanneer de verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid inroept, brengt de onderzoeksauditeur onmiddellijk verslag uit bij de voorzitter van de kamer of bij het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank. Zijn verslag preciseert of de zaak zoveel spoed eist dat de partijen of sommige ervan niet gehoord kunnen worden en, indien zulks het geval is, concludeert hij voorts of de vordering gegrond is.

Op grond van het verslag van de onderzoeksauditeur oordeelt de voorzitter van de kamer of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank of de zaak zoveel spoed eist dat de partijen of sommige ervan niet gehoord kunnen worden.

Indien zulks het geval is, kan de voorzitter van de kamer of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank, na het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord, voorlopig de schorsing bevelen. Binnen drie dagen roept hij de partijen op voor de bevoegde kamer, die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.

Bij ontstentenis van een dergelijke dringende noodzakelijkheid onderzoekt de voorzitter van de kamer of het door hem aangewezen lid van de administratieve rechtbank de vordering overeenkomstig artikel 115, tweede tot vijfde lid.

Hij kan de partijen bij bevelschrift, eventueel te zijnen huize, oproepen op het bepaalde uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.

Art. 117

De beschikking waarbij wordt bepaald wanneer de kamer de zaak behandelt, wordt door de griffier onverwijld ter kennis gebracht van :

1º de onderzoeksauditeur;

2º de verzoeker;

3º de verwerende partij;

4º de personen aan wie de onderzoeksauditeur de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft medegedeeld.

De kennisgevingen aan de verwerende partij en aan de tussenkomende partijen kunnen per bode geschieden tegen ontvangbewijs.

Art. 118

De partijen en hun advocaat kunnen gedurende de in de beschikking van de voorzitter bepaalde termijn inzage nemen van het dossier op de griffie van de administratieve rechtbank.

AFDELING 5

De terechtzitting

Art. 119

De artikelen 73 en 74 zijn van toepassing op de terechtzitting.

De verzoeker of zijn advocaat en een behoorlijk gemachtigd vertegenwoordiger van de verwerende partij moeten aanwezig zijn.

Indien de verzoeker aanwezig noch vertegenwoordigd is, wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging verworpen.

Indien de verwerende partij niet vertegenwoordigd is, wordt ze geacht in te stemmen met de besluiten van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging.

De onderzoeksauditeur memoreert de gegevens van de zaak en stelt de vragen die nodig zijn voor zijn advies.

De partijen en de advocaten brengen hun opmerkingen mondeling naar voren.

Aan het einde van de debatten geeft de onderzoeksauditeur zijn advies.

De voorzitter van de kamer verklaart daarna de debatten voor gesloten en houdt de zaak in beraad.

AFDELING 6

Het vonnis

Art. 120

Het vonnis wordt zonder verwijl en uiterlijk zeven werkdagen na de sluiting van de debatten uitgesproken. Wordt het vonnis niet binnen deze termijn uitgesproken, dan wordt de schorsing geacht te zijn toegestaan.

De partijen worden binnen 24 uur van het vonnis in kennis gesteld of, ingeval het niet om een werkdag gaat, de daaropvolgende werkdag.

De kennisgeving aan de verwerende partij kan, tegen ontvangbewijs, per bode geschieden.

De artikelen 79 tot 83 zijn van toepassing op het vonnis.

Wordt schorsing van de administratieve beslissing uitgesproken, dan worden de gevolgen van de beslissing geschorst, te rekenen van de dag waarop het vonnis ter kennis wordt gebracht van het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen.

Onverminderd het bepaalde in artikel 112, § 4, staat geen enkel rechtsmiddel open tegen het vonnis waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing.

AFDELING 7

De tussengeschillen

Art. 121

Indien een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt op de terechtzitting gehandeld overeenkomstig artikel 126.

Indien de kamer oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de uitspraak over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, beslist ze bij voorraad of met het stuk rekening moet worden gehouden.

Art. 122

De artikelen 89 en 92 tot 95 zijn van toepassing.

AFDELING 8

Algemene bepalingen

Art. 123

Onverminderd de artikelen 114, tweede lid, 115, zesde lid, 117, tweede lid, en 120, derde lid, zijn de artikelen 101 tot 103, 105 en 107 tot 109 van toepassing op dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK II

De versnelde procedure

Art. 124

Wanneer na inzage van de vordering blijkt dat de administratieve rechtbank kennelijk niet bevoegd is of dat de vordering tot schorsing kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond is, brengt de onderzoeksauditeur overeenkomstig artikel 13 onmiddellijk verslag uit bij de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

De voorzitter roept de verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij op om op korte termijn en uiterlijk de tiende dag na de indiening van het verslag, voor hem te verschijnen. Het verslag wordt bij de oproeping gevoegd.

De voorzitter doet onverwijld uitspraak, na de partijen en het advies van de auditeur te hebben gehoord.

Indien hij bij vonnis oordeelt dat de administratieve rechtbank kennelijk niet bevoegd is of indien hij bij vonnis de vordering tot schorsing verwerpt als kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond, wordt de zaak definitief beslecht.

Indien hij bij vonnis niet oordeelt dat de administratieve rechtbank kennelijk niet bevoegd is of indien hij bij vonnis de vordering tot schorsing niet verwerpt als kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond, wordt de procedure voortgezet, overeenkomstig de artikelen 57 en volgende.

Art. 125

Wanneer na inzage van het administratieve dossier blijkt dat de vordering kennelijk gegrond is, brengt de onderzoeksauditeur overeenkomstig artikel 59 onmiddellijk verslag uit bij de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

Artikel 124, tweede en derde lid, zijn van toepassing.

Indien de voorzitter van de kamer bij vonnis oordeelt dat de vordering kennelijk gegrond is, wordt de zaak definitief beslecht.

In het andere geval wordt de procedure voortgezet, overeenkomstig de artikelen 57 en volgende.

HOOFDSTUK III

De tussengeschillen

AFDELING 1

Betichting van valsheid

Art. 126

Indien een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, verzoekt de onderzoeksauditeur of de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, de partij die het stuk heeft overgelegd, zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar voornemen ervan gebruik te maken.

Gaat de partij op deze vraag niet in of verklaart zij dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, dan wordt het verworpen.

Verklaart de partij dat zij er gebruik wil van maken, dan wordt onverwijld verslag uitgebracht aan de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid betichte stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt de rechtspleging voortgezet.

Oordeelt zij daarentegen dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding, tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.

AFDELING 2

Tussenkomst

Art. 127

§ 1. Degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, kunnen er in tussenkomen.

De partijen kunnen de tussenkomst vorderen van degenen van wie zij de aanwezigheid vereist achten voor de zaak.

§ 2. De onderzoeksauditeur kan de vordering mededelen aan ieder wiens belangen bij de zaak betrokken zijn. Indien het beroep gericht is tegen een benoeming, een aanstelling, een machtiging of een vergunning, brengt de onderzoeksauditeur dit, zodra hij het administratieve dossier heeft ontvangen, ter kennis van degene wiens benoeming, aanstelling, machtiging of vergunning wordt bestreden.

Art. 128

De vordering tot tussenkomst wordt ingesteld bij een overeenkomstig de artikelen 53 en 54 gesteld verzoekschrift.

Het verzoekschrift vermeldt bovendien de gronden van de tussenkomst.

De tussenkomende partij kan ter ondersteuning van de vordering geen andere middelen aanvoeren dan die welke in het inleidend verzoekschrift zijn uiteengezet.

Art. 129

§ 1. Onverminderd § 2 geschiedt de vordering tot tussenkomst uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het beroep door de griffier en, bij ontstentenis van kennisgeving, vóór het neerleggen van het verslag door de onderzoeksauditeur.

De kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan evenwel een latere tussenkomst toestaan, op voorwaarde dat die tussenkomst de procedure op generlei wijze vertraagt.

§ 2. In het bij artikel 127, § 2, bedoelde geval moet de betrokkene zijn vordering tot tussenkomst instellen binnen zestig dagen nadat de onderzoeksauditeur de kennisgeving van beroep heeft ontvangen.

Art. 130

De kamer waarbij de tussenkomst aanhangig is gemaakt, doet zonder verwijl uitspraak over de ontvankelijkheid van de tussenkomst en bepaalt de termijn waarbinnen de tussenkomende partij haar middelen ten gronde kan uiteenzetten.

AFDELING 3

Hervatting van het geding

Art. 131

Indien, vóór de sluiting van de debatten, een der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het geding.

Behoudens spoedeisende gevallen wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden.

Art. 132

De rechthebbenden van de overledene hervatten het geding bij een verzoekschrift dat, gesteld overeenkomstig artikel 53, ter griffie wordt ingediend.

De griffier zendt een afschrift van dit verzoekschrift over aan de andere partijen.

Art. 133

Na het verstrijken van de termijnen voor het opmaken van de boedelbeschrijving en het beraad wordt de rechtspleging tegen de rechthebbenden van de overledene op geldige wijze hervat bij een overeenkomstig artikel 54 gesteld verzoekschrift.

Art. 134

In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het geding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie.

AFDELING 4

Afstand van het geding

Art. 135

Wanneer uitdrukkelijk afstand wordt gedaan van de vordering, doet de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zonder verwijl uitspraak over de afstand.

AFDELING 5

Samenhang

Art. 136

Indien in één en hetzelfde vonnis uitspraak moet worden gedaan over verscheidene zaken die aanhangig zijn bij verschillende kamers, kan de voorzitter van de rechtbank bij beschikking de kamer aanwijzen die er kennis van zal nemen. Daartoe handelt hij hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de hoofdauditeur of de onderzoeksauditeur, hetzij op verzoek van een van de partijen.

De griffier stelt de partijen in kennis van die beschikking.

Indien het gaat om zaken die bij dezelfde kamer aanhangig zijn gemaakt, kan die kamer de samenvoeging van de zaken bevelen.

Art. 137

Indien vorderingen met een zelfde onderwerp, maar uitgaande van verschillende personen die hun woonplaats hebben in een verschillend rechtsgebied, of afzonderlijke maar samenhangende vorderingen gelijktijdig aanhangig zijn bij twee administratieve rechtbanken, heeft de eerst geadieerde rechtbank voorrang op de later geadieerde rechtbank.

AFDELING 6

Wraking

Art. 138

De leden van de administratieve rechtbank kunnen worden gewraakt om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek aanleiding geven tot wraking.

Elk lid van de administratieve rechtbank die weet dat er grond tot wraking tegen hem bestaat, moet daarvan kennis geven aan de kamer, die beslist of hij zich al dan niet van de zaak moet onthouden.

Art. 139

Hij die wil wraken, moet dit doen zodra hij kennis heeft van de grond tot wraking.

Art. 140

De wraking wordt voorgedragen bij een met redenen omkleed verzoekschrift overeenkomstig artikel 53.

Art. 141

Over de wraking wordt zonder verwijl uitspraak gedaan, de wrakende partij en het gewraakte lid gehoord.

HOOFDSTUK IV

Dwangsom

AFDELING 1

Het opleggen van een dwangsom ingeval een vernietigings- of opschortingsvonnis niet wordt nageleefd

Art. 142

§ 1. Wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling gevolgd moet worden door een nieuwe beslissing of handeling van het bestuursorgaan, kan, bij in gebreke blijven van het bestuursorgaan, de persoon op wiens verzoek de vernietiging is uitgesproken, de administratieve rechtbank verzoeken aan het betrokken orgaan een dwangsom op te leggen.

In het in het eerste lid bedoelde geval is de vordering tot oplegging van een dwangsom slechts ontvankelijk wanneer :

1º de verzoeker het bestuursorgaan bij een ter post aangetekende brief tot het nemen van een nieuwe beslissing heeft aangemaand en ten minste drie maanden vanaf de kennisgeving van het vonnis tot vernietiging zijn verlopen;

2º het bestuursorgaan geweigerd heeft de aanmaning tot het nemen van een nieuwe beslissing in te willigen of, bij stilzitten van het bestuursorgaan, na het verstrijken van een termijn van een maand na de aanmaning.

§ 2. Wanneer uit een vonnis tot vernietiging voor het bestuursorgaan een onthoudingsplicht ten aanzien van bepaalde beslissingen volgt, kan de persoon op wiens verzoek de vernietiging is uitgesproken, de administratieve rechtbank vragen het bestuursorgaan het bevel te geven, op verbeurte van een dwangsom, de beslissingen in te trekken die het zou hebben genomen met schending van de uit het vonnis tot vernietiging volgende onthoudingsplicht.

§ 3. Wanneer uit een opschortingsvonnis voor het bestuursorgaan een onthoudingsplicht ten aanzien van bepaalde beslissingen volgt, kan de persoon op wiens verzoek de schorsing is uitgesproken, de administratieve rechtbank vragen het bestuursorgaan het bevel te geven, op verbeurte van een dwangsom, de beslissingen in te trekken die het zou hebben genomen met schending van de uit het opschortingsvonnis volgende onthoudingsplicht.

Art. 143

De administratieve rechtbank kan de dwangsom op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan de administratieve rechtbank eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.

Art. 144

De dwangsom kan niet worden verbeurd alvorens kennis gegeven is van het vonnis waarbij ze wordt vastgesteld. Deze dwangsom, als ze eenmaal is verbeurd, wordt toegewezen aan een bijzonder fonds dat wordt opgericht overeenkomstig artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Art. 145

De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn mede van toepassing op de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij een dwangsom wordt opgelegd.

AFDELING 2

Het instellen van de vordering tot dwangsom

Art. 146

Het verzoekschrift tot oplegging van een dwangsom wordt gedagtekend en ondertekend door de verzoeker of een advocaat, dan wel door een persoon die voldoet aan de in artikel 53 gestelde voorwaarden. Het vermeldt :

1º de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker of, indien deze in België geen woonplaats of zetel heeft, de gekozen woonplaats in België;

2º het vonnis tot vernietiging;

3º het onderwerp van de vordering, alsmede een uiteenzetting waardoor het verzuim van de tegenpartij kan worden aangetoond;

4º in het in artikel 142, § 1, bedoelde geval, het bewijs dat de verzoeker het bestuursorgaan bij een ter post aangetekende brief tot het nemen van een nieuwe beslissing heeft aangemaand;

5º in de in artikel 142, §§ 2 en 3, bedoelde gevallen, een afschrift van de beslissing waarbij de tegenpartij de uit het vernietigings- of opschortingsvonnis volgende onthoudingsplicht heeft geschonden.

AFDELING 3

Het onderzoek

Art. 147

De griffier zendt zonder verwijl een afschrift van het verzoekschrift aan de hoofdauditeur en aan de tegenpartij.

De tegenpartij beschikt over een termijn van vijftien dagen om het administratieve dossier en een nota met opmerkingen in vier exemplaren aan de griffie te zenden. Een van die exemplaren wordt door de griffier zonder verwijl aan de verzoeker bezorgd.

De onderzoeksauditeur brengt binnen vijftien dagen na ontvangst van de in het vorige lid vermelde nota verslag uit over de zaak.

Na inzage van dit verslag stelt de voorzitter bij beschikking de rechtsdag vast. De zaak moet voorkomen binnen tien dagen na ontvangst van het verslag.

De beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald, wordt zonder verwijl ter kennis van de onderzoeksauditeur gebracht door de griffier. Deze stelt ook de partijen in kennis van die beschikking en van het verslag van de onderzoeksauditeur.

De kennisgevingen kunnen per bode geschieden tegen ontvangbewijs.

Art. 148

De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie van de administratieve rechtbank inzage nemen van het dossier gedurende de in de beschikking van de voorzitter bepaalde termijn.

Art. 149

De voorzitter van de kamer kan de inkorting bevelen van de termijnen bepaald in deze afdeling, indien zulks door de omstandigheden van de zaak verantwoord is.

AFDELING 4

De terechtzitting

Art. 150

Indien de tegenpartij niet vertegenwoordigd is, wordt zij geacht in te stemmen met de besluiten van het verzoekschrift tot het opleggen van een dwangsom.

Voor het overige verloopt de terechtzitting overeenkomstig artikel 119.

AFDELING 5

Het vonnis

Art. 151

Het vonnis wordt zonder verwijl uitgesproken en de partijen worden ervan in kennis gesteld.

De kennisgeving van het vonnis aan de tegenpartij kan per bode geschieden tegen ontvangbewijs.

De artikelen 79 tot 83 zijn van toepassing op het vonnis.

Onder voorbehoud van de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van het geval waarin bij die Raad hoger beroep is ingesteld tegen het door de administratieve rechtbank uitgesproken vernietigings- of opschortingsvonnis, staat tegen het vonnis tot oplegging van een dwangsom geen rechtsmiddel open.

AFDELING 6

De tussengeschillen

Art. 152

Indien een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt op de terechtzitting gehandeld overeenkomstig artikel 126.

Indien de kamer oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de uitspraak over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, beslist ze bij voorraad of met het stuk rekening moet worden gehouden.

Art. 153

Degenen die belang hebben bij de zaak, kunnen erin tussenkomen. De partijen kunnen de tussenkomst vorderen degenen van wie zij de aanwezigheid vereist achten voor de zaak.

De vordering tot tussenkomst geschiedt ten laatste acht dagen na ontvangst van de kennisgeving van het beroep door de griffier en, bij ontstentenis van kennisgeving, vóór het neerleggen van het verslag door de auditeur.

De kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan evenwel een latere tussenkomst toestaan, op voorwaarde dat die tussenkomst de procedure op generlei wijze vertraagt.

De kamer waarbij de tussenkomst aanhangig is gemaakt, doet zonder verwijl uitspraak over de ontvankelijkheid van de tussenkomst en bepaalt de termijn waarbinnen de tussenkomende partij haar eis over de grond van de zaak kan uiteenzetten.

Art. 154

Indien, vóór de sluiting van de debatten, de verzoeker komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het geding.

Behoudens spoedeisende gevallen wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden.

De rechthebbenden van de overleden verzoeker hervatten het geding bij een verzoekschrift dat, gesteld overeenkomstig artikel 53, binnen de in het vorige lid bepaalde termijn ter griffie wordt ingediend. De griffier zendt zonder verwijl een afschrift van dit verzoekschrift aan de hoofdauditeur en de partijen.

In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het geding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie.

AFDELING 7

Vordering tot opheffing, opschorting van de looptijd en vermindering van een dwangsom

Art. 155

De kamer die de dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van het veroordeelde bestuursorgaan de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor het veroordeelde bestuursorgaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de kamer haar niet opheffen of verminderen.

Art. 156

Het verzoekschrift van de tot een dwangsom veroordeeld bestuursorgaan wordt ondertekend, gedagtekend en vermeldt :

1º het vonnis waarbij een dwangsom is opgelegd;

2º het onderwerp van het verzoekschrift alsook een uiteenzetting tot staving van de vordering tot opheffing, opschorting van de looptijd of vermindering van een dwangsom.

Art. 157

De griffier zendt zonder verwijl een afschrift van het verzoekschrift aan de hoofdauditeur en de persoon op wiens verzoek de administratieve rechtbank een dwangsom heeft opgelegd.

Deze beschikt over een termijn van vijftien dagen om een nota met opmerkingen in vier exemplaren aan de griffie te zenden. Een van die exemplaren wordt door de griffier zonder verwijl aan de verzoeker bezorgd.

De onderzoeksauditeur brengt binnen vijftien dagen na ontvangst van de in het vorige lid vermelde nota verslag uit over de zaak.

De voorzitter van de kamer roept de partijen op om op korte termijn en uiterlijk binnen tien dagen na ontvangst van het verslag voor de kamer te verschijnen; dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.

De kamer doet zonder verwijl uitspraak, na de partijen en het advies van de onderzoeksauditeur te hebben gehoord.

AFDELING 8

Algemene bepalingen

Art. 158

De artikelen 101 tot 103, 105 en 107 tot 109 zijn mede van toepassing op dit hoofdstuk.

TITEL VI

Gebruik van de talen voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

HOOFDSTUK I

Gebruik van de talen door de partijen die optreden voor de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 159

De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun is opgelegd door die wetgeving, in hun binnendiensten.

De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen. Zo nodig, en inzonderheid op verzoek van een der partijen, wordt een beroep gedaan op een vertaler; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.

HOOFDSTUK II

Gebruik van de talen door de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 160

Onverminderd artikel 159 wordt de rechtspleging voor de administratieve rechtbank te Gent geheel in het Nederlands gevoerd.

Art. 161

§ 1. Onverminderd artikel 159 wordt de rechtspleging voor de administratieve rechtbank te Namen geheel in het Frans gevoerd.

§ 2. Heeft de tegenpartij evenwel haar woonplaats in het Duitse taalgebied, dan moet de rechtspleging worden gevoerd in het Frans of in het Duits, naar gelang van de taal van de betwiste akte, tenzij de tegenpartij, vóór ieder verweer en iedere exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

Wanneer verscheidene akten worden betwist, wordt de rechtspleging in het Frans of in het Duits gevoerd, naar gelang van de taal van de meerderheid van de betwiste akten. Bij een gelijk aantal akten komt de keuze toe aan de rechtbank, die een beslissing neemt overeenkomstig § 5.

Bij gebreke van een betwiste akte wordt de rechtspleging in het Frans of in het Duits gevoerd, naar gelang van de taal van het verzoekschrift, tenzij de tegenpartij, vóór ieder verweer en iedere exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

Wanneer er in een zelfde zaak meer dan één verzoeker is, wordt de taal gebruikt van de meerderheid van de in het Frans of in het Duits gestelde verzoekschriften. Bij een gelijk aantal verzoekschriften komt de keuze toe aan de rechtbank, die een beslissing neemt overeenkomstig § 5.

§ 3. De aanvraag bedoeld in de voorgaande paragraaf wordt door de tegenpartij of door haar advocaat schriftelijk ingediend en door de tegenpartij zelf ondertekend.

§ 4. De administratieve rechtbank doet zonder verwijl uitspraak; zij kan niet weigeren de aanvraag in te willigen indien de tegenpartij krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht is uitsluitend de taal te gebruiken ten gunste waarvan zij de wijziging vraagt.

De rechtbank kan echter weigeren de aanvraag in te willigen :

1º wanneer de tegenpartij niet onderworpen is aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en uit de elementen van het dossier blijkt dat ze in staat is de taal van het verzoekschrift te gebruiken;

2º wanneer de eiser onderworpen is aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en hij krachtens die wetgeving verplicht is uitsluitend de taal van het verzoekschrift te gebruiken.

§ 5. De beslissing van de rechtbank wordt met redenen omkleed. Ze is niet vatbaar voor hoger beroep noch voor verzet. Ze is uitvoerbaar op de minuut en vóór registratie zonder andere rechtspleging noch vormvereisten; de uitspraak van de beslissing, zelfs bij afwezigheid van de partijen, geldt als betekening.

Art. 162

Voor de administratieve rechtbank te Brussel wordt het gebruik van de talen bij de rechtspleging geregeld als volgt :

§ 1. Onverminderd artikel 159 wordt de rechtspleging in het Nederlands of in het Frans gevoerd, naar gelang van de taal van de betwiste akte, tenzij de tegenpartij, vóór ieder verweer en iedere exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

§ 2. Wanneer verscheidene akten worden betwist, wordt de rechtspleging in het Nederlands of in het Frans gevoerd, naar gelang van de taal van de meerderheid van de betwiste akten. Bij een gelijk aantal akten, komt de keuze toe aan de rechtbank, die een beslissing neemt overeenkomstig § 5.

Bij gebreke van een betwiste akte wordt de rechtspleging in het Nederlands of in het Frans gevoerd, naar gelang van de taal van het verzoekschrift, tenzij de tegenpartij, vóór ieder verweer en iedere exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

Wanneer er in een zelfde zaak meer dan één verzoeker is, wordt de taal gebruikt van de meerderheid van de in het Nederlands of in het Frans gestelde verzoekschriften. Bij een gelijk aantal verzoekschriften komt de keuze toe aan de rechtbank, die een beslissing neemt overeenkomstig § 5.

§ 3. De aanvraag bedoeld in de voorgaande paragraaf wordt door de tegenpartij of haar advocaat schriftelijk ingediend en door de tegenpartij zelf ondertekend.

§ 4. De administratieve rechtbank doet zonder verwijl uitspraak. Zij kan niet weigeren de aanvraag in te willigen indien de tegenpartij krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht is uitsluitend de taal te gebruiken ten gunste waarvan zij de wijziging vraagt.

De rechtbank kan echter weigeren de aanvraag in te willigen :

1º wanneer de tegenpartij niet onderworpen is aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en uit de elementen van het dossier blijkt dat ze in staat is de taal van het verzoekschrift te gebruiken;

2º wanneer de eiser onderworpen is aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en hij krachtens die wetgeving verplicht is uitsluitend de taal van het verzoekschrift te gebruiken.

§ 5. De beslissing van de rechtbank wordt met redenen omkleed. Ze is niet vatbaar voor hoger beroep, noch voor verzet. Ze is uitvoerbaar op de minuut en vóór registratie zonder andere rechtspleging noch vormvereisten; de uitspraak van de beslissing, zelfs bij afwezigheid van de partijen, geldt als betekening.

§ 6. Wanneer er in een zelfde zaak meer dan één eiser is en krachtens § 1 de keuze van de taal van de rechtspleging aan de eisers wordt gelaten, wordt de taal gebruikt die door de meerderheid is gevraagd. Bij gelijk aantal eisers wordt de keuze gemaakt door de rechtbank bij een beslissing genomen overeenkomstig § 5.

HOOFDSTUK III

Gebruik van de talen in de diensten van de administratieve rechtbanken van eerste aanleg

Art. 163

De administratieve werkzaamheden van de administratieve rechtbank en de organisatie van haar diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken die van toepassing zijn op de gewestdiensten.

TITEL VII

Wijzigings- en opheffingsbepalingen

HOOFDSTUK I

Bepalingen tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

Art. 164

§ 1. In artikel 12, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, worden de woorden « De afdeling beslecht ­ » vervangen door de woorden « Onverminderd de bevoegdheid van de administratieve rechtbanken, beslecht de afdeling ­ »

§ 2. In artikel 14, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wetten, worden de woorden « De afdeling doet uitspraak ­ » vervangen door de woorden « Onverminderd de bevoegdheid van de administratieve rechtbanken, doet de afdeling uitspraak ­ »

§ 3. Artikel 16 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wetten van 5 en 8 juli 1976 en 3 december 1984, wordt aangevuld met een 6º, luidende :

« 6º de voorzieningen in hoger beroep tegen de vonnissen van de administratieve rechtbanken gewezen krachtens de artikelen 39 en 41 van de wet van... tot instelling van administratieve rechtbanken van eerste aanleg. »

HOOFDSTUK II

Bepalingen tot opheffing en wijziging van de wetten en koninklijke besluiten bedoeld in artikel 41 van de wet

Art. 165

De Koning heft op en/of wijzigt de bepalingen van de wetten en koninklijke besluiten bedoeld in artikel 41 ten einde die in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.

HOOFDSTUK III

Overgangsbepaling

Art. 166

De administratieve rechtscolleges waarbij vóór de inwerkingtreding van deze wet beroepen, verzoekschriften, betwistingen en eisen aanhangig waren gemaakt, blijven volgens de vóór de inwerkingtreding van de wet geldende regels uitspraak doen. Alle rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen openstonden, blijven onderworpen aan de regels die vóór de inwerkingtreding van de wet golden.

José DARAS.
Eddy BOUTMANS.

(1) Dit wetsvoorstel werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers reeds ingediend op 8 april 1993, onder het nummer 973/1 (1992-1993).