1-371/1

1-371/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

3 JULI 1996


Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, strekkende tot de minder zware bestraffing van fietsers wegens zogeheten zware overtredingen

(Ingediend door de heren Boutmans en Jonckheer)


TOELICHTING


Recentelijk is heel wat onvrede ontstaan over het beboeten ven fietsers, die een zogenaamde zware overtreding hadden gepleegd. Met name werd het als onaanvaardbaar aangemerkt dat een fietser, wiens achterlicht defect is, 5 600 frank zou moeten betalen. Een ander voorbeeld : fietsers die rechtsaf slaan zonder het rode licht in acht te nemen, wat op zeer veel plaatsen volstrekt ongevaarlijk is, werden eveneens beboet.

Sinds 1 januari van dit jaar is door een omzendbrief van de gezamenlijke procureurs-generaal een eenvormig tarief vastgelegd voor de minnelijke schikkingen bij « zware overtredingen ».

Daardoor is de praktijk ­ die de hoofdindiener van dit voorstel in een mondelinge vraag aan de minister van Justitie signaleerde op 21 december 1995 ­ uitgegroeid tot een vaste regel. In zijn antwoord wees de minister van Justitie erop dat de magistraat die een concreet geval beoordeelt altijd de bevoegdheid heeft om een ander ­ lager ­ bedrag voor te stellen. Dat is natuurlijk juist, maar het gaat hier niet om de oplossing van een individueel geval, maar om een kwestie van algemeen belang. Een dergelijke « individualisering » is trouwens in strijd met de gewenste automatisering van de minnelijke schikkingen en is dan ook niet het gepaste middel om de ongewenste gelijkschakeling van fietsers met automobilisten te bestrijden. Ofwel vindt men « zware » overtredingen van fietsers gelijkwaardig aan die van automobilisten, en dan is er zowel voor autobestuurders als voor wielrijders eventueel aanleiding om in individuele gevallen een tariefvermindering toe te staan, maar dan hoeft de regel zelf niet aangepast te worden. Ofwel vindt men die gelijkschakeling overdreven, en dan moet dit niet door individuele vermindering, maar door een wijziging van de regel worden aangepakt.

Een fietser rijdt met een voertuig dat enkele duizenden, hooguit een paar tienduizend frank heeft gekost. Een boete van 5 600 frank staat dus dikwijls gelijk met of overschrijdt de waarde van zijn rijwiel. Een autobestuurder rijdt met een voertuijg van enkele tien- tot vele honderdduizenden franken; een boete van 5 600 frank maakt dus hooguit 10 pct. van die waarde uit, in veel gevallen niet eens 1 pct.

Een fietser brengt zelden de veiligheid van anderen in gevaar, een automobilist, die door het rode licht of over de witte streep rijdt, doet iets wat dikwijls levensgevaarlijk is en het resultaat is trouwens dat er jaarlijks ruim 1 600 doden vallen in ons verkeer, velen onder hen zijn zwakke weggebruikers. In die statistieken zal met moeite één fietser gevonden worden die de dood van een ander heeft veroorzaakt.

Om die verschillende redenen menen de indieners van dit voorstel dan ook dat het wenselijk is het koninklijk besluit van 7 april 1976, dat de lijst van zware overtredingen vastlegt, te wijzigen; dat is evenwel de taak van de regering, en de minister van Justite heeft tijdens dezelfde vergadering wel aangekondigd dat hij bereid was na te gaan in welke mate een dergelijke wijziging nodig was, maar tot hiertoe zijn de tekst en de praktijk nog ongewijzigd. Wij denken dan ook dat de wetgever zelf dient bij te sturen, door de basiswet te wijzigen.

Om die reden strekt het voorstel er toe het begrip « zware overtreding » in de verkeerswet zelf (de gecoördineerde wetten) te beperken tot overtredingen van bestuurders van motorvoertuigen. De vaststelling van de lijst van zware overtredingen blijft de bevoegdheid van de regering, maar die zal fietsers en voetgangers dus niet als zware overtreders kunnen kenmerken. De circulaire van de procureurs-generaal zal ook in die zin herzien moeten worden.

Alleszins zal, door de wijziging van de wet zelf, de te zware beboeting van fietsers onmogelijk worden; het koninklijk besluit verliest immers ten aanzien van hen zijn wettelijke basis.

Eddy BOUTMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 29, eerste lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wordt aangevuld als volgt :

« Overtredingen begaan door fietsers en voetgangers kunnen niet als zware overtredingen worden aangewezen. »

Eddy BOUTMANS.
Pierre JONCKHEER.