1-304/2 | 1-304/2 |
15 OKTOBER 1996
Het verdrag nr. 168 van de Internationale Arbeidsorganisatie vervangt twee vroegere verdragen, te weten het verdrag nr. 44 betreffende de werkloosheid van 1934 en het verdrag nr. 102 betreffende de sociale zekerheid van 1952 (deel IV over de werkloosheid).
In deze eerdere verdragen werd een niveau van bescherming vastgelegd dat veel minder ver reikt dan de meeste thans bestaande uitkeringsstelsels in de geïndustraliseerde landen. De nieuwe teksten zijn een duidelijke verbetering ten opzichte van de vroegere verdragen, die leemten en tekortkomingen vertoonden. De teksten sluiten aan bij de huidige economische situatie en bij de eisen van onze tijd.
De bekrachtiging van dit verdrag door België levert geen enkel probleem op, aangezien de huidige Belgische wetgeving en meer bepaald de reglementering betreffende de werkloosheid overeenstemt met de doelstellingen van het Verdrag, en reeds borg staat voor de rechten die er in vastgelegd zijn, vaak zelfs onder gunstigere voorwaarden.
Het Verdrag bestaat in feite uit drie delen :
deel 1 bevat algemene bepalingen;
deel 2 betreft de bevordering van de productieve arbeid met alle mogelijke middelen : sociale zekerheid, arbeidsbemiddeling, beroepsopleiding en beroepsvoorlichting;
deel 3 is gewijd aan de bescherming tegen de werkloosheid.
Zoals de Raad van State onderstreept in zijn advies, gaat het hier om een gemengd verdrag dat aan zowel federale, als gemeenschaps- en gewestbevoegdheden raakt.
Het Verdrag kan dus pas volkomen uitwerking hebben nadat ook de Gemeenschaps- en Gewestraden ermee hebben ingestemd (artikel 16, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen).
Het Verdrag is bijgevolg ook naar de Gemeenschappen en de Gewesten gezonden.
Pas na de instemming van alle bevoegde assemblees kan het officiële bekrachtigingsdocument door België worden ondertekend.
Artikel 2 betreft de coördinatie van het stelsel voor bescherming tegen werkloosheid en het werkgelegenheidsbeleid.
Er wordt met name het volgende gesteld : « Ieder lid dient passende stappen te ondernemen teneinde zijn stelsel voor bescherming tegen werkloosheid en zijn werkgelegenheidsbeleid te coördineren. Hiertoe dient het te trachten te waarborgen dat (...) de methoden voor het verlenen van een werkloosheidsuitkering bijdragen tot de bevordering van volledige (...) arbeid en dat deze niet van zodanige aard zijn dat zij werkgevers ontmoedigen om productieve arbeid aan te bieden en werknemers demotiveren om die te zoeken. »
Hier dient te worden opgemerkt dat wij recentelijk een aantal maatregelen hebben genomen die reeds in de richting gaan van een actiever gebruik van de werkloosheidsuitkeringen : de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, de gewaarborgde inkomensuitkering voor werklozen die deeltijdarbeid aanvaarden, uitbreiding van de mogelijkheden tot hervatten van de studie voor werklozen, bepalingen die de vestiging als zelfstandige bevorderen, P.E.P.-contracten, programma's voor beroepsomschakeling (in voorbereiding).
Verder zijn hier de klassieke bepalingen opgenomen, eigen aan alle internationale akten : definities (art. 1), mogelijkheid voor de Staten die het verdrag ondertekenen om hoogstens twee tijdelijke uitzonderingen te maken (art. 5) en het principe van de gelijke behandeling (art. 6).
Dit gedeelte bestaat uit twee bepalingen die de algemene doelstellingen omschrijven :
artikel 7 onderstreept dat de bevordering van de volledige, productieve en vrij gekozen arbeid een prioritaire doelstelling moet zijn (cf. art. 23 van de Grondwet);
artikel 8 bepaalt dat de Lid-Staten ernaar moeten streven bijzondere maatregelen vast te stellen tot ondersteuning van de arbeid voor bepaalde categorieën van kansarme personen, zoals jongeren en langdurig werklozen.
Het belangrijkste deel van het Verdrag is gewijd aan de bescherming tegen de werkloosheid.
Dit gedeelte bepaalt :
dat de gedekte risico's op ten minste de volledige werkloosheid moeten slaan (art. 10);
dat de beschermde personen uit ten minste 85 pct. van het totaal van de werknemers moeten bestaan (art. 11);
dat de Lid-Staten zelf hun beschermingsmethodes vastleggen (verzekering, bijstand of combinatie van beide) (art. 12);
aan welke voorschriften de aan werklozen te betalen uitkeringen moeten voldoen : periodieke betaling, minimumbedrag van de uitkering, eventueel in aanmerking te nemen andere gezinsinkomsten (art. 13 tot 16);
aan welke voorwaarden moet worden voldaan bij een eventuele wachttijd en referteperiode (art. 17 en 18);
wat de minimumduur van de uitkering is (art. 19);
welke voorwaarden er gelden voor het verlies, de schorsing of de vermindering van het recht op uitkeringen (art. 20 en 21);
welke gelijkstelling men moet trachten te waarborgen van de werkloosheidsperiodes met de arbeidsperiodes wat betreft de pensioenregeling, de gezondheidszorg, de invaliditeit en de kinderbijslag (art. 23 en 24);
dat de sociale zekerheid aangepast dient te worden aan de nieuwe omstandigheden die deeltijdarbeid meebrengt (art. 25);
dat er geleidelijk rekening gehouden dient te worden met nieuwe werkzoekenden onder wie jongeren die hun studie hebben beëindigd (art. 26);
welke juridische, administratieve en financiële waarborgen er moeten komen, waaronder het recht van de werkloze om een klacht in te dienen (art. 27 en volgende).
Tot slot bevat het Verdrag een aantal algemene bepalingen, onder meer over de procedure van bekrachtiging, de inwerkingtreding en de eventuele opzegging (art. 31 tot 39).
Tot heden hebben niet meer dan zes landen het Verdrag bekrachtigd. Het is passend dat ons land, dat over een doeltreffend sociaal vangnet beschikt, op dit punt het voorbeeld geeft.
Als medeoprichter van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft ons land er bovendien steeds naar gestreefd zijn steun toe te zeggen aan deze drieledige organisatie, die door haar doelstellingen en realisaties de Lid-Staten tot meer sociale rechtvaardigheid wil brengen.
Volgens de minister zouden de rechten welke het verdrag wenst te waarborgen, reeds in de bestaande Belgische reglementering zijn opgenomen. Bij de huidige stand van de reglementering is de Belgische Regering in staat het verdrag te bekrachtigen. In dit verband verwijst een commissielid naar artikel 5 van het verdrag, dat de Regering de mogelijkheid biedt zich het recht voor te behouden maximaal twee tijdelijke afwijkingen te maken van bepaalde artikelen van het verdrag. Voor welke afwijkingen heeft de Belgische Regering gekozen ?
Het lid wijst vervolgens op de artikelen 2 en 7 van het verdrag betreffende de bevordering van de volledig productieve en vrij gekozen arbeid. Houdt de term « productieve » arbeid in dat de hele non-profitsector uitgesloten wordt ? Is er daarnaast ook geen tegenstrijdigheid tussen de termen « vrij gekozen arbeid » en de prestaties die worden geleverd in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen ?
Het commissielid wenst ook meer uitleg over het geval wanneer een volledig werkloze uitkeringsgerechtigde praktisch verplicht wordt een deeltijds werk te aanvaarden om zijn werkloosheidsuitkering niet te verliezen.
In het verdrag wordt bepaald dat ieder land dient te streven naar het betalen van een uitkering aan deeltijdwerkers die daadwerkelijk op zoek zijn naar voltijdarbeid. Geldt deze regel nog steeds in België ?
Een ander commissielid wijst op de datum waarop het verdrag is aangenomen (21 juni 1988). Waarom heeft de Belgische Regering tot nu gewacht om dit verdrag voor te leggen aan het Parlement ?
Volgens de minister hebben slechts zes landen het verdrag geratificeerd, zodat men terecht kan aanvoeren dat België toch nog bij de eerste is om het verdrag om te zetten.
Hoeveel landen moeten het verdrag ratificeren alvorens het in werking treedt ?
De Belgische wetgeving zou reeds aangepast zijn aan de bepalingen van het verdrag. Spreker wenst te weten welke aanpassingen de Regering dan heeft moeten aanbrengen om de Belgische wet te doen overeenstemmen met het verdrag.
Welke adviesorganen, zoals bijvoorbeeld de N.A.R., werden geconsulteerd ? Kunnen deze adviezen bij het verslag gevoegd worden ?
De Raad van State heeft in zijn advies opgemerkt dat het voorgelegde verdrag naar zijn inhoud een gemengd verdrag is dat zowel aan federale als gemeenschaps- en gewestbevoegdheden raakt. In het bijzonder wordt verwezen naar artikel 7, dat betrekking heeft op de beroepsopleiding.
Is er reeds overleg geweest met de gemeenschaps- en gewestautoriteiten over de ratificatie van het verdrag ? Na de stemming in de openbare vergadering van de Senaat kan het nog vele maanden duren alvorens de andere gezagsniveaus hun goedkeuring geven. Wat zijn de vooruitzichten hieromtrent ? Kan het overleg met de Gemeenschappen en de Gewesten niet vooraf worden georganiseerd, zodat de Senaat er rekening mee kan houden ?
Een senator gaat ervan uit dat men als algemeen beginsel kan stellen dat de bepalingen van dit verdrag het minimum minimorum vormen van hetgeen bereikt kan worden gelet op de wetgeving van de landen die het verdrag ratificeren. Heeft men nationale wetgevingen moeten aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met de tekst van het verdrag ? Bestaan er in onze wetgeving nog bepalingen die niet overeenstemmen met de minimale voorschriften van het verdrag ?
Het lid wijst vervolgens op artikel 19, dat handelt over de beperking van de werkloosheidsuitkeringen. Het lid beklemtoont dat deze bepaling niet impliceert dat België ertoe gehouden zou zijn om de bestaande wetgeving op een meer beperkende wijze in de zin van het verdrag te wijzigen.
Een senator heeft enkele vragen over de gelijkstelling van de werkloosheidsperioden met arbeidsperioden voor de stelsels geneeskundige verzorging, invaliditeit en kinderbijslag. Blijven de bepalingen van de recente kaderwetten binnen hetgeen in dit verdrag is bepaald ?
Volgens de memorie van toelichting is het niet nodig om het recht van bezwaar bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening reglementair te organiseren. Ingevolge artikel 27, § 1, van het verdrag, moet nochtans een recht van bezwaar worden georganiseerd bij de instelling die het uitkeringsstelsel beheert. Kan België dan niet worden veroordeeld omdat het recht van bezwaar niet is georganiseerd ?
Een commissielid is van oordeel dat de Belgische instemming met het voorliggend verdrag eerder een voorbeeldfunctie heeft voor landen die nog niet zo ver gevorderd zijn als België met betrekking tot de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid. De Belgische wetten bieden immers een veel ruimere bescherming dan hetgeen in het verdrag is bepaald.
Een lid wenst te weten of de bepalingen van artikel 30 van het verdrag (fraudebepalingen) conform zijn met het globale beheer van ons sociale-zekerheidstelsel waardoor verschuivingen tussen de verschillende sectoren mogelijk blijven.
In verband met de gelijkgestelde perioden voor onvrijwillig deeltijds werkenden vraagt het lid zich af of de werkloosheidsperioden nog steeds gelijkgesteld worden met arbeidsperioden voor de berekening van het pensioen.
Wat betreft de tijdelijke afwijkingen die het verdrag toestaat (artikel 5), onderstreept de minister dat de Regering niet in afwijkingen voorziet aangezien er geen enkele moeilijkheid rijst bij de omzetting van dit verdrag in het Belgische recht. Er moeten geen afwijkingen gevraagd worden.
De minister stipt vervolgens aan dat de bevordering van de productieve arbeid (artikelen 2 en 7) voor alle sectoren geldt, inclusief de non-profitsector.
De minister verklaart dat de binnen het kader van de P.W.A.'s geleverde prestaties door het Arbitragehof niet als arbeid worden beschouwd.
Wat betreft de werkloze die een deeltijds werk aanvaardt, wijst de minister op het feit dat de werkloosheidsuitkeringen in België voor onbepaalde tijd worden toegekend, terwijl in andere landen een werkloze na b.v. één jaar uitgesloten wordt van de werkloosheidsvergoedingen. Het Belgisch systeem is breder zodat het toegestaan is om een werkloze te verzoeken te werken, binnen het kader van de werkloosheidsreglementering.
De regels in het verdrag zijn minimumregels, terwijl de Belgische wet boven deze minima zit. Bijgevolg kan de Belgische wet op sommige punten afwijken van enkele verdragsbepalingen.
Met betrekking tot het aantal landen die het verdrag moeten ratificeren alvorens het verdrag in werking treedt, verwijst de minister naar artikel 33 van het verdrag : « Het (Verdrag) treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-generaal zijn geregistreerd. »
De minister deelt de lijst mee van de landen die het verdrag reeds hebben geratificeerd :
Datum van inwerkingtreding : 17/10/1991
| Staten | Ratificatie geregistreerd op |
| Brazilië | 24/03/1993 |
| Finland | 19/12/1990 |
| Noorwegen | 19/06/1990 |
| Roemenië | 15/12/1992 |
| Zweden | 18/12/1990 |
| Zwitserland | 17/10/1990 |
| Totaal aantal ratificaties : 6. |
Over de vraag naar het tijdsverloop tussen de datum van de ondertekening van het verdrag (21 juni 1988) en de indiening van het voorliggende wetsontwerp (22 maart 1996), meent de minister dat deze termijn niet uitzonderlijk lang is. In tegenstelling tot vroeger wordt sinds het aantreden van de huidige regering veel aandacht geschonken aan de opvolging van de internationale verdragen die België heeft ondertekend. Zo wordt nu een keer per maand in de ministerraad de stand van zaken met betrekking tot deze verdragen nagegaan.
Over de voorliggende teksten moeten zowel de administratie van Tewerkstelling en Arbeid als die van Buitenlandse Zaken trouwens akkoord gaan, alvorens het voorontwerp van wet naar de Raad van State kan worden gestuurd. Ook het advies van de N.A.R. moet worden gevraagd. De minister voegt dit advies bij het verslag (zie bijlage).
De procedure is omslachtig en neemt dan ook een geruime tijd in beslag.
Wat betreft het overleg met de Gewesten en de Gemeenschappen stipt de minister aan dat tot nu toe de teksten eerst bij het federale Parlement worden ingediend, zodat de beslissing van dit Parlement ook zwaarder zal doorwegen. Het is natuurlijk denkbaar dat de teksten eerst naar de Gewesten en de Gemeenschappen worden gezonden.
De minister beklemtoont dat de bestaande wetgeving over de werkloosheid niet zal worden gewijzigd. De arbeidswetgeving of de wetgeving inzake werkloosheid en sociale zekerheid zal alleen worden gewijzigd indien het eigen nationaal belang dit vereist, en niet vanwege een internationaal verdrag dat voor België in feite achterhaald is.
Enkele uitzonderingen op dit principe waren de wijzigingen met betrekking tot de nachtarbeid voor vrouwen en de pensioenen voor vrouwen, waar de Belgische regering gedwongen was de wetgeving aan te passen.
Voor alle verdragen geldt dat de Internationale Arbeidsorganisatie, op basis van periodieke rapporten die de regering en de sociale partners moeten opstellen, nagaat of de wetten en reglementen in overeenstemming zijn met de verdragsbepalingen. Wanneer de nationale wet niet overeenstemt met het verdrag, zal de overheid worden verwittigd.
De minister onderstreept dat de Belgische reglementering volledig in overeenstemming is, ook voor de gelijkgestelde perioden.
In vele andere landen wordt gewoonweg geen werkloosheidsuitkering gegeven voor deeltijds werkenden. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld wordt de toekenning van een werkloosheidsvergoeding beperkt in de tijd en geniet men ook geen vergoeding meer ingeval er daarna deeltijds wordt gewerkt.
Artikel 30 van het verdrag is een anti-fraudeartikel. Heel het verdrag handelt over de nodige opleiding van arbeiders teneinde hun arbeid te verzekeren.
Op de uitdrukkelijke vraag van een lid of onze wetgeving overeenstemt met alle bepalingen van het verdrag, antwoordt de minister bevestigend. De reden waarom andere landen het verdrag niet ondertekenen, is dat hun wetgeving waarschijnlijk niet zo ver gaat als dit betrekkelijk goed uitgewerkt verdrag.
De artikelen 1 en 2, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, worden aangenomen met 10 stemmen, bij 1 onthouding.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De Rapporteur,
Michèle BRIBOSIA-PICARD. |
De Voorzitter,
Valère VAUTMANS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag nr. 168 betreffende de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid, aangenomen te Genève op 21 juni 1988 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar vijfenzeventigste zitting, zal volkomen uitwerking hebben.
ADVIES NR. 950
Zitting van dinsdag 15 mei 1990
I.A.O.
Voorlegging, aan het Parlement, van de door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 75ste zitting (Genève, juni 1988) aangenomen oorkonden.
Verdrag nr. 168 betreffende de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid.
Aanbeveling nr. 176 betreffende bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid.
(Vraag om advies van de minister van Tewerkstelling en Arbeid van 25 oktober 1989.)
INLEIDING
Overeenkomstig het Verdrag nr. 144 betreffende de tripartiete raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van de internationale arbeidsnormen, heeft de minister van Tewerkstelling en Arbeid de Raad op 25 oktober 1989 om advies verzocht over het ontwerp van voorlegging, aan het Parlement, van de genoemde oorkonden, welke door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 75e zitting (Genève, 1 tot 22 juni 1988) werden aangenomen.
De Raad heeft zich in zijn advies nr. 845 van 23 september 1986 reeds uitgesproken over de vragenlijst die was gevoegd bij Rapport IV (1) Bevordering van de werkgelegenheid en sociale zekerheid 73e zitting 1987. Verder heeft hij in zijn advies nr. 876 van 10 november 1987 een onderzoek gewijd aan de ontwerpen van Verdrag en van Aanbeveling die het I.A.B. met het oog op de 75e zitting van de Conferentie had voorbereid.
De Commissie Internationale Arbeidsorganisatie werd belast met de bespreking van de Regeringsverklaring betreffende de houding van de Regering ten aanzien van de twee oorkonden die tijdens de 75e zitting werden goedgekeurd.
Op verslag van die Commissie heeft de Raad op 15 mei 1990 het volgende advies uitgebracht.
ADVIES VAN DE NATIONALE ARBEIDSRAAD
A. Opmerkingen vooraf
1. De Raad constateert in de eerste plaats dat de Internationale Arbeidsconferentie het Verdrag nr. 168 en de Aanbeveling nr. 176 unaniem heeft goedgekeurd, wat weinig voorkomt.
Dit resultaat moet evenwel worden gezien in de context waarbinnen de besprekingen te Genève werden gevoerd :
die oorkonden werden unaniem goedgekeurd omdat de wil bestond de bescherming tegen werkloosheid tot alle ontwikkelingslanden uit te breiden;
de aangenomen teksten zijn het resultaat van een internationaal compromis om een evenwicht te bereiken tussen de industrielanden en de ontwikkelingslanden;
die teksten hebben tot doel een minimumnorm op wereldschaal te bevorderen, wat niet wegneemt dat de Lid-Staten gunstiger normen kunnen vaststellen of behouden.
2. De Raad neemt verder akte van het standpunt van de Belgische Regering zoals het is vervat in de Verklaring die bij de mededeling van de twee oorkonden aan het Parlement is gevoegd.
In die Verklaring meent de Belgische Regering dat zij het Verdrag nr. 168 kan ratificeren en de Aanbeveling nr. 176 kan aannemen.
De Regering heeft deze oorkonden in hun geheel bestudeerd en was van oordeel dat internationale instrumenten die wellicht door een groot aantal landen kunnen worden goedgekeurd, de sociale vooruitgang in de hand kunnen werken. De Regering heeft de nationale reglementering vergeleken met de inhoud van het Verdrag nr. 168 en de Aanbeveling nr. 176 en heeft daaruit geconcludeerd dat de Belgische regelgeving geen bepalingen bevat die de ratificatie of de goedkeuring van die instrumenten in de weg staan.
Zonder zich over dat standpunt uit te spreken vestigt de Raad evenwel de aandacht van de Regering op een aantal punten waarmee tijdens de ratificatieprocedure rekening moet worden gehouden.
B. Beschouwingen van de Raad
De Raad wijst erop dat de opmerkingen die hij ten aanzien van het Verdrag nr. 168 en de Aanbeveling nr. 176 wenst te formuleren, eensdeels betrekking hebben op de economie van die instrumenten, in het licht van de Belgische situatie, en anderdeels op sommige bepalingen ervan.
1. Beschouwingen omtrent de economie van de internationale oorkonden
De Raad onderstreept het belang van zijn beschouwingen omdat zij betrekking hebben op de economie van de internationale oorkonden en op de mogelijke gevolgen voor het in België te voeren beleid.
a) Beschouwingen met betrekking tot de economie van de oorkonden
Zoals hij reeds in zijn adviezen nrs. 845 en 876 heeft geconstateerd, neemt de Raad er in de eerste plaats kennis van dat de door de Internationale Arbeidsconferentie (Genève, juni 1988) aangenomen oorkonden beantwoorden aan de door tal van Lid-Staten geformuleerde en door het I.A.B. overgenomen bekommering, namelijk dat een nauw verband wordt gelegd tussen de werkgelegenheid en de sociale-zekerheidsuitkering, gelet op de rol die deze uitkering inzake de bevordering van de werkgelegenheid kan spelen.
Bovendien voorzien die instrumenten in de tenuitvoerlegging van zowel een verzekeringsstelsel als een systeem van bestaanszekerheid.
In België bestaan er twee duidelijk verschillende regelingen : een werkloosheidsverzekeringsstelsel dat is gebaseerd op bijdragen en een bestaansminimum dat betrekking kan hebben op de gehele bevolking. De filosofie van de Belgische regelgeving verschilt in dat verband totaal van de economie van het Verdrag en de Aanbeveling.
De in de Raad vertegenwoordigde organisaties hebben over die twee punten uiteenlopende standpunten ingenomen.
De leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen zijn van oordeel dat de werkloosheidsuitkering in onze huidige wetgeving ongetwijfeld tot doel heeft het verlies van een betrekking of de onvrijwillige werkloosheid te vergoeden, maar dat dit niet de enige doelstelling mag zijn. Zij moet immers een positieve rol kunnen spelen bij de bevordering van de werkgelegenheid.
Zij bevestigen dan ook hun belangstelling voor een actief beleid inzake « productieve werkgelegenheid », waarbij de aandacht zowel naar de werkgelegenheid, de werkloosheid als naar de beroepsopleiding uitgaat.
Zonder een discussie te willen aangaan over de vraag of het opportuun is dat van de sociale uitkering wordt overgeschakeld op het bestaansminimum, zijn zij van oordeel dat het Belgische systeem van werkloosheidsverzekering in bepaalde gevallen ongewenste gevolgen kan meebrengen en de (her)opneming in het arbeidsproces eerder zal belemmeren dan bevorderen.
De leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen merken op dat er ongetwijfeld een verband bestaat tussen de sociale-zekerheidsuitkeringen en de bevordering van de werkgelegenheid aangezien deze uitkering de (her)opneming in het arbeidsproces niet mag belemmeren.
Zij wijzen er evenwel op, zoals de Raad in zijn vroegere adviezen trouwens reeds heeft aangestipt, dat er andere, met name economische middelen bestaan om de werkgelegenheid te bevorderen.
Zij onderstrepen verder dat de sociale-zekerheidsuitkering niet in de eerste plaats tot doel heeft de werkgelegenheid te bevorderen. In het Belgische systeem, dat stoelt op het beginsel van de sociale verzekering, is die uitkering vooral opgevat om een bepaald risico te ondervangen, namelijk het verlies van een betrekking of de onvrijwillige werkloosheid.
Het recht op werkloosheidsuitkeringen is met andere woorden aan bepaalde voorwaarden onderworpen; alleen personen die een bezoldigd beroep hebben uitgeoefend of zullen uitoefenen en die bereid zijn een betrekking te aanvaarden, kunnen die uitkeringen genieten.
Het Belgische systeem van bijstand of bestaanszekerheid bestaat daarentegen in de toekenning van een minimuminkomen zonder dat er enig verband is met de arbeidsprestaties. Dit systeem kan dus betrekking hebben op de gehele Belgische bevolking.
b) Beschouwingen met betrekking tot het in België te voeren beleid
De Raad brengt in herinnering dat hij in zijn adviezen nr. 845 en nr. 876 erop heeft gewezen dat in de nieuwe Belgische staatsstructuur het werkgelegenheidsbeleid een nationale materie blijft maar dat een belangrijk deel ervan, namelijk de arbeidsbemiddeling, onder de Gewesten ressorteert.
De Raad merkt andermaal op dat in beide internationale oorkonden een duidelijk verband wordt gelegd tussen de werkgelegenheid, de werkloosheid en de beroepsopleiding.
Hoewel de Raad er voorstander van is dat het beleid in die verschillende materies wordt gecoördineerd, wat een nauwe samenwerking en een voortdurende dialoog tussen de betrokken overheden vereist, vraagt hij zich af of die coördinatie wel zal kunnen worden doorgevoerd en welke problemen daarbij eventueel kunnen rijzen.
2. Beschouwingen ten aanzien van sommige bepalingen van de internationale oorkonden
De Raad brengt in herinnering dat hij in het huidige stadium van de procedure, namelijk de mededeling van de door de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen oorkonden aan het Parlement, geenszins van plan is het Verdrag nr. 168 en de Aanbeveling nr. 176 omstandig te onderzoeken.
Hij wijst er overigens op dat de Belgische Regering, in haar verklaring die bij de mededeling aan het Parlement is gevoegd, die oorkonden in hun geheel heeft beoordeeld en van mening was dat onze huidige reglementering in de sfeer ligt van die internationale normen.
Volgens de Regering heeft de enige mogelijke bedenking ten aanzien van het Verdrag nr. 168 (artikel 27, § 1) betrekking op het recht om bezwaar aan te tekenen bij de R.V.A., welk recht niet meer reglementair is vastgesteld.
De Regering was evenwel van oordeel dat andere procedures aan de doelstelling van artikel 2, § 1 van het Verdrag tegemoet komen. Zij verwees daarbij naar de artikelen 174 en 176 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 waarin wordt gesteld dat de gewestelijke inspecteur de werkloze moet oproepen vooraleer wordt beslist dat het recht op uitkeringen wordt geweigerd, beperkt of geschorst en dat de inspecteur een door hem genomen beslissing kan herzien.
De Raad is evenwel van oordeel dat dit vraagstuk een meer algemene problematiek opwerpt, namelijk de rechten van de burger ten aanzien van de sociale zekerheid.
Hij wenst verder ook enige beschouwingen te formuleren betreffende het beginsel van gelijke behandeling, dat in het Verdrag nr. 168 is vervat.
a) Beschouwingen omtrent de rechten van de burger ten aanzien van de sociale zekerheid
De Raad brengt in herinnering dat hij reeds vele jaren pleit voor een vereenvoudiging van de sociale zekerheid en voor de daaruit voortvloeiende doorzichtigheid en harmonisatie.
Zowel in het kader van de werkzaamheden betreffende de informatisering van de sociale zekerheid, waarbij de Raad nauw is betrokken, als binnen het raam van de « Koninklijke Commissie », hebben de sociale gesprekspartners zich unaniem uitgesproken voor deze vereenvoudiging, doch ook voor een grotere bescherming van de burger en van zijn persoonlijke levenssfeer.
De bescherming van de rechten van de burger impliceert eveneens dat zijn betrekkingen met de administratie worden geharmoniseerd, met name door te voorzien in een recht van correctie van een administratieve fout, in een duidelijke informatieverstrekking en in een vereenvoudiging van de procedures.
Onlangs heeft de minister van Sociale Zaken, de heer Philippe Busquin, de Raad om advies verzocht betreffende de doorzichtigheid, de harmonisatie en de vereenvoudiging van de sociale zekerheid, alsook betreffende het meer filosofische vraagstuk inzake het « Handvest van de sociaal verzekerden ».
De commissiewerkzaamheden zijn op dit ogenblik aan de gang. Gelet op het belang van de materie zal de Raad over dit omvangrijke onderwerp opeenvolgende adviezen uitbrengen, in het licht van de akkoorden die kunnen worden bereikt.
b) Beschouwingen omtrent het beginsel van gelijke behandeling dat is vervat in het Verdrag nr. 168 betreffende de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid
De Raad neemt er kennis van dat in artikel 6 van het Verdrag uitdrukkelijk het beginsel van gelijke behandeling is gehuldigd en in de definitieve tekst van het Verdrag zelfs aanzienlijk werd uitgebreid.
Artikel 6 van die oorkonde bepaalt immers het volgende :
« Tout Membre doit garantir l'égalité de traitement à toutes les personnes protégées, sans discrimination fondée sur la race, la couleur, le sexe, la religion, l'opinion politique, l'ascendance nationale, la nationalité, l'origine ethnique ou sociale, l'invalidité ou l'âge. »
De Raad constateert dat dit artikel ruimer is geformuleerd dan in de oorspronkelijke versie, waarin het volgende was bepaald :
« Tout Membre doit garantir l'égalité de traitement à toutes les personnes protégées, sans discrimination fondée sur l'âge, le sexe, la race, la religion, l'origine nationale ou la nationalité. »
De Raad verheugt er zich over dat het beginsel van niet-discriminatie zo algemeen is gesteld in een internationaal verdrag.
Hij stelt evenwel vast dat sommigen de mening zijn toegedaan dat de Belgische reglementering niet overeenstemt met het beginsel van de gelijke behandeling, zoals het in het Verdrag nr. 168 van de I.A.O. is opgenomen.