1-197/1 | 1-197/1 |
6 DECEMBER 1995
1. Op 17 april 1946 werd te Luxemburg een Overeenkomst tot regeling van de exploitatie van het net van de Luxemburgse spoorwegen tussen België, Frankrijk en Luxemburg ondertekend.
Deze Overeenkomst, die goedgekeurd werd door de Belgische wet van 3 april 1949 (Belgisch Staatsblad van 9 april 1949), stelde een eind aan verscheidene decennia van juridisch-diplomatieke moeilijkheden en richtte de Nationale Maatschappij der Luxemburgse Spoorwegen op, die de invoeging van het Luxemburgse net in het Europese net mogelijk maakte en dit met inachtneming van de belangen van elk van de Verdragsluitende Partijen.
Een reële samenwerking heeft zich sinds die datum ontwikkeld zowel op het niveau van de drie regeringen als op dat van de nationale spoorwegmaatschappijen van de drie landen.
2. De groothertogelijke wet van 16 april 1947 keurde op zijn beurt de Overeenkomst van april 1946, evenals de statuten van de Nationale Maatschappij en het erop betrekking hebbende bestek goed. Deze wet gaf de Nationale Maatschappij der Luxemburgse Spoorwegen ook een wettelijke vorm naar Luxemburgs recht, een organisme naar publiek Luxemburgse recht van het commerciële type (cf. arrest van het Luxemburgs Hoog Gerechtshof van 6 januari 1969).
Er dient opgemerkt te worden dat de Overeenkomst van 1946 in zijn artikel 3 bepaalt : « de organieke teksten betreffende de maatschappij zullen eenstemmig door de Hoge Verdragsluitende partijen vastgelegd en door een groothertogelijke wet goedgekeurd worden ».
3. De Europese Economische Unie neemt, in het kader van titel IV van het Verdrag van Rome, de nodige maatregelen met het oog op de vastlegging van een vervoerpolitiek. Richtlijn 440/91/E.G. legt aan de Lid-Staten de verplichting op om het vervoer per spoor fundamenteel te herzien, zowel op economisch als op juridisch vlak. Deze richtlijn behandelt onder meer de onafhankelijkheid van beheer van de spoorwegmaatschappijen, de scheiding tussen het beheer van de infrastructuur en de vervoersactiviteit en de toegang tot de spoorweginfrastructuur.
4. Om het gemeenschapsrecht binnen de gestelde termijnen in de Luxemburgse wetgeving te kunnen opnemen, heeft de Luxemburgse regering aan de twee andere verdragspartijen voorgesteld om de procedures tot wijziging van de statuten en het bestek (« organieke teksten ») van de Nationale Maatschappij der Luxemburgse Spoorwegen te vereenvoudigen.
Onderhavig additioneel protocol, dat op 2 november 1993 te Luxemburg werd ondertekend en dat evenals de overeenkomst van 1946 ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Wetgevende Kamers, heeft tot doel, door de invoeging van een tweede alinea bij artikel 3 van de Overeenkomst, te voorzien in een vereenvoudigde procedure om de statuten en het bestek van de Luxemburgse Spoorwegen aan te passen aan de evolutie van het gemeenschapsrecht. Deze vereenvoudigde procedure vindt ook haar rechtvaardiging in het feit dat de drie landen, die de Overeenkomst van 1946 ondertekenden, eveneens Lid-Staten zijn van de Europese Gemeenschap en om die reden betrokken werden bij de uitwerking van het gemeenschapsrecht.
Onderhavig additioneel protocol heeft geen enkele financiële verbintenis ten gevolge.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Erik DERYCKE.
De minister van Vervoer,
Michel DAERDEN.
Koning der Belgen,
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Vervoer,
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Vervoer zijn gelast het wetsontwerp, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.
Art. 2
Het Aanvullend Protocol ter vervollediging van artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse Overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet, ondertekend te Luxemburg op 2 december 1993, zal volkomen uitwerking hebben.
Gegeven te Brussel, 24 november 1995.
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
De minister van Vervoer,
(Vertaling)
ter vervollediging van artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Zijne Excellentie de President van de Franse Republiek,
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,
Overwegende de evolutie van het recht van de Europese Gemeenschappen betreffende de gemeenschappelijke vervoerpolitiek en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke spoorwegen;
hebben besloten een Aanvullend Protocol te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen :
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Zijne Excellentie de heer Paul Duqué, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;
Zijne Excellentie de President van de Franse Republiek;
Zijne Excellentie de heer Jacques Humann, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg;
De heer Robert Goebbels, Minister van Verkeer,
die na elkaar mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen over de volgende bepalingen :
Artikel 1
Artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse Overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet is aangevuld met een tweede alinea opgesteld als volgt :
« Wanneer een wijziging van deze teksten voortvloeit uit de toepassing van het recht van de Europese Gemeenschappen, worden de voorstellen tot wijziging door de Luxemburgse regering gericht aan de Belgische en de Franse regering. Het akkoord van de Hoge Verdragsluitende Partijen wordt geacht verworven te zijn dertig dagen na genoemde notificatie. Deze wijzigingen zullen worden goedgekeurd volgens de vormen vastgesteld door de Groothertogelijke wet. »
Artikel 2
Dit Protocol dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden neergelegd op het Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Groothertogdom Luxemburg. Dit Protocol treedt in werking op de dag waarop de laatste akte van bekrachtiging wordt neergelegd.
Gedaan te Luxemburg, op 2 december 1993, in drie originelen, in de Franse taal.
Voor het Koninkrijk België,
Paul DUQUÉ.
Voor de Franse Republiek,
Jacques HUMANN.
Voor het Groothertogdom Luxemburg,
Robert GOEBBELS.
Voorontwerp van wet houdende instemming met het Aanvullend Protocol ter vervollediging van artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse Overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet, ondertekend te Luxemburg op 2 december 1993
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.
Art. 2
Het Aanvullend Protocol ter vervollediging van artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse Overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet, ondertekend te Luxemburg op 2 december 1993, zal volkomen uitwerking hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, negende kamer, op 13 september 1994 door de Vice-Eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van wet « houdende goedkeuring van het Aanvullend Protocol ter vervollediging van artikel 3 van de Belgisch-Frans-Luxemburgse Overeenkomst van 17 april 1946 inzake de exploitatie van het Luxemburgse spoorwegnet, ondertekend te Luxemburg op 2 december 1993 », en op 21 november 1994 bij brief van de minister van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking bevestigd, heeft op 21 juni 1995 het volgende advies gegeven :
ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
Opschrift
Ter wille van de overeenstemming met de terminologie die in de Grondwet wordt gebruikt, behoort het opschrift als volgt te worden gesteld :
« Wet houdende instemming met het Aanvullend Protocol ... (voorts zoals in het ontwerp). »
Indieningsbesluit
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 75, derde lid, van de Grondwet moet het indieningsbesluit als volgt worden gesteld :
« Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Vervoer,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ :
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Vervoer zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen : »
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet moet in het ontwerp van wet een artikel 1 worden ingevoegd, luidende :
« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet. »
Het enige artikel van het ontwerp wordt dan artikel 2.
De kamer was samengesteld uit :
De heer R. ANDERSEN, kamervoorzitter;
De heren C. WETTINCK en P. LIÉNARDY, staatsraden;
De heren J. DE GRAVRE en F. DELPERÉE, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw M. PROOST, griffier.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. ANDERSEN.
Het verslag werd uitgebracht door de heer J. REGNIER, eerste auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer M. PAUL, adjunct-referendaris.
| De Griffier,
M. PROOST. |
De Voorzitter,
R. ANDERSEN. |