1-660/4

1-660/4

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

24 JUNI 1997


Wetsontwerp tot bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen

(Artikel 2)


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN COENE EN HOTYAT


I. INLEIDING VAN DE VOORZITTER

De voorzitter licht de dubbele oorsprong toe van de besprekingen die aan de Regie voor Maritiem Transport werden gewijd en waarvan het door de commissie uitgebrachte verslag het resultaat is.

De commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden had uit eigen beweging het debat gehouden over de toekomstperspectieven van de Regie voor Maritiem Transport tijdens twee vergaderingen op 13 en 27 november 1996, waaraan de minister van Vervoer deelnam. In overleg met de minister werd besloten dat de debatten zouden worden afgesloten met een uiteenzetting door deze laatste op 25 juni 1997, waarbij hij de commissie op de hoogte zou brengen van het verloop van de afsluiting van de activiteiten van de RMT.

Anderzijds is het wetsontwerp tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen op 11 juni 1997 door drie meerderheidsfracties geëvoceerd. Het einde van de onderzoekstermijn voor deze tekst valt op 11 augustus 1997, in praktijk betekent dat begin november, tijdens het parlementaire zittingsjaar 1997-1998. Artikel 2 van het wetsontwerp met betrekking tot de RMT werd overgezonden aan de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden. Noch de ondertekenaars van het verzoek tot evocatie, noch andere senatoren hebben amendementen ingediend of gevraagd om het ontwerp in commissie te behandelen. Pas op 17 juni 1997 heeft een senator om een dringend onderzoek gevraagd omdat bepaalde koninklijke besluiten moesten worden bekrachtigd vóór 30 juni 1997, zo niet zouden ze vervallen.

Op 20 juni 1997 is de commissie daarom vervroegd samengekomen in aanwezigheid van de minister.

De heer Coene was aangewezen als rapporteur voor de behandeling van het RMT-dossier. Gezien zijn afwezigheid ­ met verontschuldiging ­ op de vergadering van 20 juni 1997 heeft de voorzitter de aanwijzing van een tweede rapporteur voorgesteld, senator R. Hotyat, die deze opdracht aanvaardde.

De voorzitter wijst er eveneens op dat, aangezien de datum 30 juni 1997 van cruciaal belang was voor de bekrachtiging van de koninklijke besluiten waarin ontwerp 660 voorzag, de regering de Overlegcommissie Kamer-Senaat had moeten samenroepen vóór de indiening van dit ontwerp, zodat de evocatietermijn kon worden ingekort en afgesloten vóór 30 juni 1997. Dat is niet gebeurd, evenmin trouwens als bij de bekrachtiging van de eerste reeks besluiten die zijn goedgekeurd ingevolge de kaderwetten.

De voorzitter heeft in het bureau van de Senaat erop aangedrongen dat de regering bij de derde reeks besluiten met deze opmerkingen rekening zou houden met het oog op de evocatieprocedure.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER OVER DE REGIE VOOR MARITIEM TRANSPORT

Sinds verschillende jaren vertoont de RMT, waarvan de activiteit volledig behoort tot het domein waar de concurrentie speelt, een deficitair resultaat, en dit ondanks verscheidene herstructureringsplannen. Er diende energiek te worden opgetreden.

Zich bewust zijnde van de toestand, heeft de federale regering dit in haar regeringsverklaring van juni 1995 duidelijk gesteld.

De op 20 september 1996 door de Ministerraad genomen beslissing om voor de RMT een herstructureringsplan goed te keuren, is hiervan het gevolg.

De minister heeft steeds gezegd dat het dossier op een drieledige manier benaderd diende te worden :

­ de economische ontwikkeling van de Oostendse regio;

­ het sociaal aspect van de oplossingen voor het personeel;

­ rekening houden met de druk op de openbare financiën.

Hij heeft reeds de gelegenheid gehad te zeggen dat hij ervan overtuigd is dat de op 20 september aangenomen oplossing fundamenteel tegemoetkomt aan deze drie doelstellingen.

Vandaag wil hij belichten welke vooruitgang reeds is gemaakt met betrekking tot het sociale en het economische onderdeel van het plan. Wat het budgettaire onderdeel betreft, wil hij er enkel op wijzen dat een ontwerp van koninklijk besluit, genomen ter uitvoering van de kaderwet « Economische en Monetaire Unie », bepaalt dat een college van vereffenaars in principe op 1 maart 1997 zal aantreden.

Dit college heeft tot taak de vereffening af te sluiten in de loop van het eerste semester van 1999. Op dat ogenblik zullen de resterende rechten en plichten overgedragen worden aan de Staat. Tijdens de vereffeningsperiode blijft de minister van Vervoer wel bevoegd inzake het personeelsbeheer. De personeelsleden die op 1 januari 1999 nog niet zijn overgeplaatst naar andere openbare diensten, zullen worden overgeplaatst naar een specifieke formatie bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur.

Hetzelfde besluit voorziet ook in de verhoging van het door de Staat gewaarborgde leningsplafond (van 12 miljard frank naar 15 miljard frank) teneinde de financiering van de vereffening tijdelijk op te vangen.

Een paar woorden over het economische onderdeel.

Het hierboven bedoelde maakt het mogelijk om statutair personeel van de RMT over te plaatsen naar de nieuwe maatschappij voor passagiersvervoer. Ook regelt het besluit de arbeidsduur van het varend personeel en het sociale-zekerheidsstelsel van het contractueel varend personeel.

De schepen van de nieuwe maatschappij zullen onder Luxemburgse vlag varen. Er staat nu reeds vast :

a) dat vanaf 1 maart 1997 twee fast ferries beschikbaar zullen zijn;

b) dat ook een klassiek vaartuig zal worden ingezet.

Dat laatste schip zal gebruikt worden voor begeleid vrachtvervoer. In deze configuratie kan het schip 300 passagiers vervoeren. Tijdens het hoogseizoen of wanneer de catamarans niet kunnen uitvaren vanwege de weersomstandigheden, kan dit vaartuig naast de vracht 1 100 passagiers vervoeren.

De wijziging van de vlootconfiguratie heeft gevolgen voor de samenstelling van het personeel van de RMT en haar onderaannemers dat de nieuwe maatschappij Holyman-Sally wil aanwerven.

Het totale aantal personeelsleden is toegenomen van 324 tot 331. 263 onder hen behoren tot het varende personeel en 68 tot het kaaipersoneel, van wie 13 personen worden ingeschakeld voor het vrachtvervoer.

Wat de verschillende aspecten van het sociale onderdeel betreft, ontwikkelt de situatie zich in gunstige zin.

De minister wil het eerst hebben over de maatregelen die genomen zijn voor de 902 statutaire en de 444 contractuele personeelsleden van de RMT, waarbij hij een vergelijking maakt met de verwachtingen op 20 september 1996 :

­ 212 personeelsleden zouden werk moeten vinden bij de nieuwe maatschappij (winst 5);

­ 187 gaan naar de loodsdienst van de Vlaamse Gemeenschap;

­ 100 personeelsleden zullen voor een bepaalde periode worden ingeschakeld bij de afsluiting van de activiteiten, van wie 65 voor de bewaking en het onderhoud van de schepen (winst 32); deze personeelsleden zullen vooral worden gekozen onder hen die, zodra ze 55 worden, verlof voorafgaand aan de pensionering kunnen nemen; als men hen buiten beschouwing laat, zijn slechts 25 arbeidsplaatsen gewonnen;

­ de haven van Oostende zal 35 personeelsleden tewerkstellen (winst 35);

­ de specifieke mobiliteitsprojecten zullen een oplossing bieden voor 293 in plaats van 208 personeelsleden (winst 85) : dit gunstige resultaat is het gevolg van de vaststelling van het aantal personeelsleden die nodig zijn in het project strijd tegen de criminaliteit in de kustgemeenten, de versterking van de mobiliteitscel van het openbaar ambt en de toename van het aantal personeelsleden dat bij de rijkswacht terecht kan;

­ de luchthaven van Oostende heeft werk voor 10 personeelsleden.

Het aantal banen dat moet worden gecreëerd op basis van algemene maatregelen is dus van 334 naar 174 gedaald.

Daarnaast kunnen ook de gemeenten een beroep doen op de statutaire personeelsleden van de RMT.

Voor de statutaire personeelsleden werd in 94 % van de gevallen een baan gevonden in de buurt van Oostende; voor de contractuelen werd in 61 % van de gevallen een baan gevonden in de zone Oostende/Brugge.

Men moet er zich wel bewust van zijn dat deze tabel berust op hypotheses wat de keuze betreft die door de personeelsleden zal worden gedaan. Men dient dus voorzichtig te zijn aangaande het definitief resultaat.

Er werden reeds contacten gelegd met Ambtenarenzaken en met Begroting om de toepassing van de algemene maatregelen te verzekeren.

De inspecteurs van Financiën werden gemobiliseerd om de daadwerkelijke controle uit te oefenen over de voorrang die aan de personeelsleden van de RMT wordt gegeven voor openstaande statutaire betrekkingen en voor vacante contractuele betrekkingen voor uitzonderlijke en tijdelijke behoeften.

Met de VDAB werd overeengekomen dat het personeel van de RMT en haar onderaannemers door middel van gemeenschappelijke presentaties en individuele gesprekken op de hoogte zou worden gehouden van de mogelijke werkaanbiedingen. De individuele gesprekken met de 1 700 personeelsleden zijn begonnen op 12 november en zullen eindigen op 30 november. De Staat heeft de VDAB belast met de preselectie (wie wil welke baan en op basis van welke kwalificaties). Ook de nieuwe maatschappij heeft de VDAB belast met de selectie voor de ondergeschikte banen (keuze van een specifiek persoon voor een specifieke baan).

Wat de eindeloopbaanmaatregelen betreft, vermeldt de minister :

1. Het verlof voorafgaande aan de pensionering op 55 jaar voor de statutaire personeelsleden

Met de vakbonden van de RMT is onderhandeld over de berekeningswijze en de basis van de vervangingswedde.

De besprekingen zijn zover gevorderd dat de betrokken personen al een fictieve berekening hebben ontvangen.

2. Brugpensioen voor de contractuele personeelsleden van de RMT

Momenteel wordt met de vakbonden onderhandeld over een overeenkomst die het brugpensioen voor de contractuele personeelsleden van de RMT mogelijk maakt vanaf 52 jaar.

De besprekingen zijn tijdelijk opgeschort aangezien momenteel met CIWLT wordt onderhandeld.

Een paar woorden daarover.

Sinds 20 september 1996 hebben de CIWLT-vakbonden twee stakingsacties gelanceerd (3 dagen in totaal). Na contacten tussen het kabinet van de minister van Vervoer en CIWLT is men uit de impasse geraakt en zijn de onderhandelingen hervat, zodat een spoedige afronding in het vooruitzicht ligt.

De essentiële punten in de onderhandeling zijn :

­ instelling van een brugpensioen vanaf de leeftijd van 50 jaar;

­ bespreking over de duur van de opzeggingsperiode voor bepaalde categorieën van werknemers;

­ mogelijke toekenning van een toeslag bij de werkloosheidsuitkeringen voor een beperkte termijn.

In de komende dagen zouden besprekingen moeten beginnen tussen de directie van het nieuwe bedrijf en de vakbonden omtrent de arbeidsvoorwaarden en de lonen.

Dit zou de selectie mogelijk moeten maken van de personeelsleden van de RMT die naar het nieuwe bedrijf willen overstappen en bijgevolg de start ervan op 1 maart 1997.

De komende weken wil de minister ervoor zorgen dat het nieuwe bedrijf, dat van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van Oostende, daadwerkelijk opstart. Verder wil hij erop toezien dat deze onderneming de overeengekomen personeelsaantallen ook effectief aanwerft en dat de wederaanwervings- en mobiliteitsmaatregelen in praktijk worden omgezet.

Hij is ervan overtuigd dat hij dit delicate dossier met de steun van zijn collega's en de medewerking van andere overheidsdiensten tot een goed einde kan brengen.

III. GEDACHTEWISSELING

Een lid stelt vast dat de manier waarop de regering het probleem van de RMT opgelost heeft, zeker geen voorbeeld van efficiëntie is.

De minister kan weliswaar moeilijk verantwoordelijk worden geacht voor een toestand die al jaren aansleept.

Men hoefde toch niet helderziende te zijn om al in 1994 vast te stellen dat de RMT niet meer levensvatbaar was.

Er waren reeds audits verricht door Team Consult in 1992 en door de Inspectie van Financiën in 1993. In 1994 heeft Coopers and Lybrandt de onderneming eveneens aan een audit onderworpen.

Uit deze verschillende studies bleek toen al dat de RMT niet meer in staat was om haar activiteiten voort te zetten. En de Staat had een dikke tien miljard belastinggeld kunnen besparen indien hij de moed had opgebracht om de toestand onder ogen te zien en om op dat ogenblik de maatregelen te nemen die nu worden genomen.

Wat spreker eveneens verbaast, en hier is de minister wel verantwoordelijk voor, is dat hij het, ondanks de verschillende studies, bij zijn aantreden nog nodig geacht heeft een soort consultant te belasten met een bijkomende studie over de problematiek van de RMT.

Ten slotte heeft hij een crisismanager benoemd om een herstructureringsplan op te stellen.

Daardoor zijn verschillende jaren verloren gegaan hetgeen de belastingbetaler minstens tien miljard gekost heeft. Het gaat hier om een zeldzaam staaltje van inefficiënt beheer.

Het heeft duidelijk te maken met politiek opportunisme bij een aantal leden van de regering dat men niet tot een snelle oplossing komt maar integendeel de zaak laat aanslepen tot de uiteindelijke vereffening die pas in 1999 plaatsvindt.

In de uiteenzetting die de minister gegeven heeft, heeft spreker niet het minste argument gevonden om het feit te rechtvaardigen dat de doodsstrijd van de Regie nog twee jaar duurt.

Waarom kan deze toestand niet onmiddellijk en definitief opgelost worden zodat men nog andere activiteiten kan aanvangen en geen geld meer in een stervende onderneming gepompt wordt om de verliezen aan te vullen ?

Hij herhaalt dat deze manier om de zaken op te lossen totaal inefficiënt is en dat dit typisch is voor de wijze waarop deze regering een hele reeks dossiers beheert : oude aftakelende industrieën worden in leven gehouden zodat er geen geld meer overblijft om nieuwe activiteiten te ondernemen.

Men zet dus een zogenaamd herstructureringsplan op het getouw dat bij nader inzicht uiteindelijk gebaseerd is op hetzelfde stramien als het sociaal akkoord dat de minister met de NMBS heeft gesloten en waarbij alle verbintenissen van de Staat komen. De tegenpartij heeft daarentegen uiteindelijk zeer weinig verbintenissen op zich genomen en de uitvoering daarvan is erg hypothetisch.

De regering blijkt bovendien over geen enkel pressiemiddel te beschikken om de uitvoering af te dwingen van tegenprestaties die de particuliere investeerders beloofd zouden hebben.

Wat krijgt men dus vandaag ? Een dossier waarin de oplossing van het financiële probleem verschoven wordt naar 1999 zodat een andere minister dit vuile werkje zal moeten opknappen.

Spreker plaatst grote vraagtekens bij wat er na de tussenperiode zal gebeuren.

De minister verklaart immers dat hij 324 personen een baan gewaarborgd heeft. Hij heeft echter toegegeven dat die personen natuurlijk moeten voldoen aan de behoeften van de onderneming. Het is dus mogelijk dat slechts een zeer klein gedeelte van de 324 werknemers van het huidige bedrijf opnieuw in dienst worden genomen.

Anderzijds heeft spreker in de pers gelezen dat de meeste werknemers van de RMT bijzonder weinig belangstelling tonen om door de nieuwe onderneming overgenomen te worden en dat er wellicht geen sprake van is hen daartoe te dwingen.

Het is dus niet onmogelijk dat de minister uiteindelijk bijna alle 324 werknemers van de RMT zal moeten overnemen, hetgeen, indien spreker goed is ingelicht, zowat 4 miljard bijkomende kosten zal meebrengen ten opzichte van de huidige ramingen van de operatie.

De minister is trouwens nogal karig met informatie over de kostprijs van heel de operatie.

Er zij herhaald dat de verbintenissen van de regering geen voorbeeld van transparantie vormen, noch wat de financiële noch wat de sociale kant van de zaak betreft.

Op de eerste plaats zal de regering het loonverschil betalen indien het statutair personeel van de Regie opnieuw in dienst wordt genomen.

Ook hier kan de toestand onverwachte wendingen nemen. Dit loonverschil is immers niet verwaarloosbaar (dat is trouwens een van de redenen die de Regie verhinderd hebben te overleven) want zeker gedurende een tiental jaren zal de regering deze verplichting moeten nakomen ten laste van de begroting van Verkeer.

Op de tweede plaats worden de verliezen van 1997 en 1998 op min of meer 2 miljard per jaar geraamd. Het is moeilijk na te gaan of deze bedragen, die de Regie in staat moeten stellen haar activiteiten voort te zetten, realistisch zijn.

Waartoe dient dat uiteindelijk ?

Op de derde plaats zijn de brugpensioenen van het statutair personeel op een bijzondere wijze geregeld, aangezien de betrokkenen gedurende de wachtperiode 80 % van hun loon krijgen, plus premies en vergoedingen die, zoals men weet, ongeveer 30 % van hun nettoloon bedragen. Hierdoor krijgen ze 110 % van hun loon om niets te doen. Ook dat zijn bijkomende kosten die men nergens in de ramingen terugvindt.

Ten vierde komen daar nog de kosten van de vereffening bij, die allesbehalve duidelijk zijn.

Spreker merkt op dat de « Prins Filip » de Staat 4,5 miljard gekost heeft en dat de huidige waarde in de meest gunstige omstandigheden slechts 2,5 miljard frank zou halen, hetgeen de totale kostprijs van de operatie, die aanvankelijk reeds op een dikke tien miljard frank geraamd werd, nog met 2 miljard doet stijgen.

Men kan besluiten dat men bezig is een reusachtig financieel verlies op te bouwen om de RMT, uit politiek opportunisme, een zachte dood te laten sterven.

Met betrekking tot het laatste element dat de minister aangeraakt heeft, namelijk de verbintenissen van de nieuwe investeerders, stelt spreker tot slot vast dat deze misschien in theorie bestaan maar dat ze in de praktijk verre van duidelijk zijn.

Er is voorzien dat de nieuwe schepen van de investeerders op 1 maart 1997 reeds in gebruik worden genomen. Wat zal de minister doen indien dit niet zo is ?

Wat zal de minister met de restanten van de RMT aanvangen indien de particuliere investeerders zich zouden terugtrekken ? De Regie opnieuw opstarten of de vereffening voortzetten ?

Hoe zal de minister de werkgelegenheidsproblematiek in dat geval oplossen ?

Dit dossier roept nog tal van vragen op waarop de minister nauwelijks heeft geantwoord. Ook bevat dat niet meer dan een aantal algemeenheden over de verbintenissen van de Staat op dit punt.

Dat alles was te voorkomen indien men in 1994 de moed had opgebracht te beslissen de activiteiten van de Regie stop te zetten.

Iedereen is ervan overtuigd dat het een moeilijke en pijnlijke stap is doch men had die miljarden kunnen aanwenden om nieuwe activiteiten op te starten in de streek van Oostende. Vast staat dat men daarmee meer dan 324 banen had kunnen scheppen.

De thans voorgestelde oplossing schept een reusachtig tekort dat zelfs na 1999 het budget zal blijven bezwaren alleen al door de kosten van de sociale begeleidingsmaatregelen.

Een initiatief dat meer dan 10 miljard opslorpt en nauwelijks 324 nieuwe banen schept, valt moeilijk als positief te beschouwen.

Spreker verklaart dat hij moeite heeft het optimisme en de euforie van de minister op dat punt te delen.

Hoe kan deze laatste beweren dat de voorgestelde oplossing hem zoveel voldoening schenkt aangezien wie dan ook met een dergelijk bedrag tot een betere oplossing gekomen zou zijn.

Spreker zegt te vrezen dat wij tijdens de volgende jaren nog voor tal van onaangename verrassingen zullen komen te staan wanneer duidelijk wordt wat precies de financiële gevolgen zijn die een volgende regering voorgeschoteld zal krijgen en zal moeten oplossen.

Tot slot vraagt spreker met aandrang aan de minister wat die overweegt te doen wanneer de investeerders hun verbintenissen niet nakomen.

Een lid verklaart zich niet te willen laten meeslepen door de kritische en pessimistische houding van de vorige spreker. Zij wenst de minister geluk met de inspanningen die deze laatste heeft geleverd om de schade van die stopzetting te beperken, meer bepaald op het sociale vlak en, zo valt te hopen, ook op het financiële vlak.

Wat betreft de overplaatsing van het statutair personeel van de RMT naar andere overheidsdiensten, vraagt spreekster welk deel van het budget van de RMT thans naar de personeelsuitgaven gaat.

Verschuift men door het overplaatsen van het personeel het probleem niet naar andere sectoren van het openbaar ambt ?

Of zal men die personeelsleden overplaatsen naar sectoren waar er werkelijk vraag naar is ?

Een ander lid meent persoonlijk dat de NMBS en de RMT helemaal niet op dezelfde manier worden behandeld. Er bestaan twee belangrijke verschilpunten. Het eerste is dat de werknemersorganisaties bij de NMBS heel wat sterker staan dan bij de RMT. Daaruit volgt dat een staking bij de NMBS heel andere gevolgen heeft dan wanneer het personeel van de RMT beslist te staken, want dan gebeurt er niets.

Het tweede punt is ­ welke kritiek men daarover ook uitbrengt, wat de eerste spreker gul heeft gedaan ­ dat het probleem van de financiële aderlating op termijn beperkte gevolgen heeft terwijl men bij de NMBS, na het verstrijken van de termijn van « wapenstilstand », weer helemaal van voren af aan zal moeten beginnen.

Bij de RMT is het tenminste zo dat, hoe groot ook het verlies is, men toch de zekerheid heeft dat het op een bepaald moment afgelopen zal zijn.

Na deze algemene overwegingen wil spreker twee gerichte vragen stellen.

In de pers heeft hij vernomen dat de werknemers van de RMT geweigerd hebben naar nieuwe betrekkingen te solliciteren. Uiteraard is het zo dat men hen daar niet toe kan dwingen.

Is het echter niet zeer onrustbarend dat de werknemers van de RMT werkloos verkiezen te blijven in plaats van een baan aan te nemen die naar hun mening misschien niet past volgens de bepalingen van de sociale wetgeving en waarvan de beloning waarschijnlijk lager ligt dan voordien bij de RMT ?

Dat betekent dat de begroting van de minister van Tewerkstelling en Arbeid bezwaard wordt met bedragen die het beheer nog meer zullen bemoeilijken. Wat wil de minister dus ondernemen om die werknemers ertoe aan te zetten opnieuw aan het arbeidscircuit deel te nemen ?

Voorts vraagt spreker of de brand in de Kanaaltunnel in zekere zin geen financiële meevaller kan worden voor de RMT, wat uiteindelijk een positief resultaat is ? Heeft men daarvan een raming gemaakt ?

Tot slot vindt spreker het niet te verantwoorden de afbouw te laten aanslepen tot in 1999, behalve wanneer het in de bedoeling ligt het reactievermogen van de betrokken personen af te zwakken.

Aangezien er in mei-juni 1999 verkiezingen plaatshebben, valt nu reeds vast te stellen dat de nieuwe regering opgescheept zal zitten met het afsluiten van de vereffening en dat zij op dat ogenblik de balans zal moeten opmaken.

Tot haar verrassing zal zij dan de lijken vinden die dank zij de vorige minister gedurende vier jaar in de kast waren opgeborgen.

Dat is de enige echte kritiek.

Een lid wenst een aanvullende vraag te stellen. Zal het stelsel van de premies en de vergoedingen definitief behouden blijven voor statutair personeel dat in andere diensten wordt tewerkgesteld ?

Antwoorden van de minister

De minister verklaart dat hij met veel belangstelling naar de eerste spreker geluisterd heeft maar diens analyse niet kan onderschrijven.

Het is juist dat er verschillende studies zijn verricht, dat er meermaals een doorlichting is georganiseerd en dat er gedurende jaren gedraald is en dat zulks zich ongetwijfeld heeft vertaald in een financieel verlies. Dat ontkennen is de waarheid geweld aandoen.

Hij vindt het echter intellectueel oneerlijk te beweren dat men, zodra de regering geïnstalleerd was, alles op de lange baan geschoven heeft.

De nieuwe regering is inderdaad aangetreden op 23 juni 1995 en de minister heeft van de vakantieperiode gebruik gemaakt om een inventaris te laten opstellen van de problemen in dit dossier. Dat heeft een maand geduurd.

Die maand is een minimum om een dergelijke operatie voor te bereiden.

Onmiddellijk daarna is een crisismanager aangewezen die tot taak had eventuele overnemers te vinden en met hen een degelijke overeenkomst te sluiten. Het kabinet en de crisismanager hebben gedurende acht of negen maanden gepoogd die belangstellenden te vinden.

Op het einde van die periode, dit wil zeggen binnen het jaar, is het probleem potentieel geregeld. Het is dus niet billijk te beweren dat de regering getalmd heeft.

Zodra die principiële overeenkomsten voorlagen, kregen ze een officieel karakter in de vorm van een koninklijk besluit dat voorzag in de vereffening met voortzetting van de activiteit.

Dat koninklijk besluit stond twee weken geleden op de agenda van de Ministerraad en is voorgelegd aan de Raad van State. Zodra het is goedgekeurd, zal de tekst worden overgezonden aan de leden van de Commissie.

De minister antwoordt dus op de kritiek van beide sprekers dat hij het proces zeker niet laat aanslepen. Indien hij die bedoeling had, zou hij het koninklijk besluit anders hebben opgesteld.

Wanneer men zich over een dossier buigt, moet het zo vlug mogelijk afgehandeld worden. De minister kon evenwel niet anders dan beslissen dat de activiteit diende te worden voortgezet. Alles onmiddellijk stilleggen was onmogelijk.

Er is immers een effectieve vereffeningsperiode noodzakelijk. Het is trouwens niet zeker dat zulks drie jaar in beslag zal nemen. Hij verzekert de commissie dat die vereffening zo snel mogelijk zal worden afgesloten.

De minister merkt ook op dat hij niet alles voor het zeggen heeft aangezien hij rekening moet houden met een bedrijfsrevisor en twee inspecteurs van financiën.

De minister is zeker niet van plan het probleem door te spelen aan de volgende regering. Voor hem is de belangrijke politieke beslissing potentieel genomen. Zodra de teksten zijn goedgekeurd, zullen de vereffenaars worden aangewezen en zal alles in het werk worden gesteld om de uitvoering ervan te bespoedigen.

Wat de financiële kant van de zaak betreft, hoopt de minister dat de opbrengst van de overdrachten voldoende zal zijn om de vereffeningskosten te dekken. Hij hoopt dat de verliezen niet zullen oplopen tijdens die periode en dat alles definitief geregeld zal zijn op het einde van de vereffeningsoperatie.

Een commissielid preciseert dat de minister met andere woorden verwacht dat de opbrengst van de verkoop van de « Prins Filip » de sociale en andere kosten zal dekken en dat het, indien men een ramp wil vermijden, zeker niet de bedoeling is de « Prins Filip » voor een symbolische frank over te dragen.

De minister bevestigt dat.

Op de vraag van de tweede spreekster antwoordt de minister dat, wat de verschillende voorstellen tot nieuwe dienstaanwijzing betreft, het aanbod in overeenstemming is met de vraag. Er is geen enkele kunstmatige post gecreëerd. Bovendien heeft hij zich steeds ingezet om voor het betrokken personeel de geografisch gunstigste oplossing te zoeken.

De minister is het volledig eens met het standpunt van de derde spreker over het verschil tussen de toestand bij de NMBS en die bij de RMT.

Wat het belangrijke probleem betreft dat het RMT-personeel nauwelijks solliciteert naar een betrekking in de voorgestelde diensten, is het juist dat er op het ogenblik niet veel geestdrift bestaat voor die nieuwe dienstaanwijzingen.

De VDAB is nog maar pas begonnen met zijn werk. Misschien werden er kleine psychologische fouten gemaakt, zoals bijvoorbeeld het verzenden van documenten waarop de mogelijkheid om in het zuiden van Luxemburg te gaan werken, niet werd geschrapt ­ hoewel dat natuurlijk nooit de bedoeling is geweest.

Het is thans onontbeerlijk om over te gaan tot een volgende fase : die van de voorlichting van het personeel over de nieuwe betrekkingen.

Na de brand in de Kanaaltunnel zijn de vervoersactiviteiten van de Regie weliswaar licht gestegen maar men moet toch erkennen dat de omzetdaling duurzaam is en dat het marktklimaat niet gunstig is, ook niet voor de jet-foils.

Een lid stelt vast dat veel van zijn vragen onbeantwoord zijn gebleven, onder meer zijn vraag over de noodzaak om de activiteit van de Regie nog twee jaar voort te zetten.

De minister antwoordt dat de vereffening een zekere tijd in beslag neemt. Zo weet hij bijvoorbeeld niet hoeveel tijd de vereffenaars nodig hebben om de Prins Filip en de andere schepen te verkopen. Hij herhaalt dat het materieel onmogelijk is de vereffening onmiddellijk af te sluiten.

Het is volstrekt duidelijk dat de schepen niet meer geëxploiteerd zullen worden vanaf 1 maart 1997. Dat wordt niet meer betwist. In de overeenkomst met de privé-investeerders is zelfs een niet-mededingingsbeding opgenomen. Hij kan spreker dus volkomen geruststellen.

Die laatste zegt nog dat de NMBS-problematiek en de RMT-problematiek inderdaad twee volkomen verschillende dossiers zijn, maar dat hij met zijn opmerking dat de regering bij de regeling van beide dossiers op dezelfde manier is tewerkgegaan, alleen maar heeft willen wijzen op het gemeenschappelijke punt in die dossiers, namelijk de verbintenis van de Staat om in de komende jaren enorme subsidies te verlenen zonder dat daar een concrete verbintenis tegenover staat van de andere partij.

Voor het overige heeft de minister spreker absoluut niet kunnen overtuigen van de doeltreffendheid van die operatie en hij stelt zich heel wat vragen in verband met de toekomst.


IV. UITEENZETTING VAN DE MINISTER TIJDENS DE BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

Deze koninklijke besluiten bevatten alle maatregelen die nodig waren ten einde het herstructureringsplan voor de RMT, zoals goedgekeurd door de Ministerraad van 20 september 1996, te kunnen realiseren.

De minister beperkt zich tot deze ene uiteenzetting. Hij is ten zeerste verheugd over de ontwikkelingen in het RMT-dossier aangezien dit dossier reeds verschillende jaren op de regeringstafel lag.

Een lid onderstreept dat het dossier er al zeer lang ligt. Het was al een probleem voor de regeringen van de jaren '80.

Wegens de rol die de RMT als werkgever vervulde, wist niemand hoe die belangrijke lokale problemen opgelost dienden te worden.

De minister is van mening dat de regering een economisch verantwoorde oplossing heeft gevonden. Dank zij de medewerking van alle regeringsleden heeft de minister op sociaal vlak een oplossing kunnen vinden waarbij hij trouwens vernieuwend is opgetreden. Alle regeringsleden hebben hun steentje bijgedragen aangezien een oplossing moest worden gevonden voor de mobiliteitsproblemen, de nieuwe dienstaanwijzingen, enz. De regering heeft een goed compromis uitgewerkt.

De minister hoopt de activa, dit wil zeggen, de schepen, te kunnen verzilveren. Hij heeft een college van vereffenaars aangewezen en heeft regels ingevoerd die aanleunen bij de regels die in de privé-sector gangbaar zijn. Hij hoopt dat de vereffenaars de goederen snel te gelde kunnen maken teneinde die vereffening in goede omstandigheden te kunnen afsluiten.

De minister herinnert aan zijn doel : hoewel hij gevraagd heeft zijn leningscapaciteit met 3 miljard te verhogen, hoopt hij die vereffening af te ronden zonder daarvan gebruik te maken.

V. ALGEMENE BESPREKING

Een lid verklaart dat hij niet gekant is tegen de oplossing die de minister voor het zware probleem van de RMT gevonden heeft. Hij feliciteert hem omdat hij het probleem zowel commercieel als sociaal heeft weten op te lossen, ook al is die oplossing zeer duur en zullen de gevolgen nog vele jaren de Rijksbegroting bezwaren.

Een lid onderstreept de verdienste van de minister en van de hele regering die een oplossing hebben gegeven aan dit probleem dat al sinds jaren aansleept, ook al is de gevonden oplossing inderdaad een dure oplossing.

Tot op heden heeft geen enkele regering het aangedurfd om de problematiek ten gronde aan te pakken. De minister heeft nu, ondanks het feit dat het een moeilijke beslissing was, een relatief bevredigende oplossing gevonden, die geen grote schokken noch sociale drama's tot gevolg had. Spreker wenst eveneens de minister en de regering hiervoor te feliciteren.

Een ander lid ziet zelfs een argument voor de eenheid van het land in deze oplossing aangezien een Waalse minister een einde gemaakt heeft aan deze problematiek, hetgeen onmogelijk was voor een Vlaamse minister.

VI. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN EN STEMMINGEN

Op artikel 2 zijn geen amendementen ingediend.

Het onderdeel van het wetsontwerp (artikel 2) wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Dit verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De Rapporteurs,
Luc COENE.
De Voorzitter,
Paul HATRY.

Robert HOTYAT.