1-136/1 | 1-136/1 |
24 OKTOBER 1995
Zowat twee jaar geleden maakte het thema van de informatiesnelwegen een opgemerkte entree in zowel de gespecialiseerde media als de publieksmedia. De opkomst van de informatiesnelwegen (I.S.) werd met veel omhaal van beelden en slogans aangekondigd met de bedoeling de publieke opinie te imponeren. Het gaat evenwel veeleer om een weliswaar snelle evolutie en aanpassing van de bestaande netten en technologieën dan om een volkomen nieuwe technologie die de werkplek of de huiskamer plotseling binnendringt. Dat neemt niet weg dat daaraan zo'n grote maatschappelijke, economische, democratische en culturele uitdagingen verbonden zijn dat er op de verschillende beleidsniveaus grondig over moet worden nagedacht indien men de technologieën ten dienste wil stellen van een ambitieus en vernieuwend maatschappelijk project. Voor de overheid is namelijk een beslissende rol weggelegd wanneer het erop aankomt de informatiesnelweg aan te wenden als een middel voor culturele en politieke democratisering en als een waardevol instrument voor de verwezenlijking van een project van duurzame ontwikkeling.
De informatiesnelwegen mogen evenwel niet uit hun context worden gelicht. De samenloop van drie technologische ontwikkelingen informatiesnelwegen, multimedia en aanpassing van de terminals brengt steeds meer waarnemers ertoe aan te kondigen dat het tijdperk van de informatiemaatschappij is aangebroken. Die informatiemaatschappij wordt verondersteld zich te ontwikkelen op basis van een huwelijk tussen de informatica en de telecommunicatie. Er is een maatschappelijke omwenteling van belang op til.
Maatschappelijke veranderingen zijn het produkt van tal van factoren. In het verleden hebben wetenschappelijke ontdekkingen en de toepassing daarvan in aanzienlijke mate bijgedragen tot een transformatie van de maatschappij. De jongste decennia volgen de belangrijke ontwikkelingen elkaar in alle domeinen van de wetenschap razendsnel op. Die ontwikkelingen hebben voor de samenleving vele gevolgen, die even zo veel uitdagingen inhouden voor de deelnemers aan het maatschappelijk, economisch en politiek leven. Die uitdagingen komen uiteindelijk altijd neer op dezelfde fundamentele vraag : stellen de hoogtechnologische samenlevingen met een geavanceerde wetenschappelijke kennis wel voldoende culturele en politieke middelen ter beschikking om de technische vooruitgang te sturen en te beheersen en zodoende het welzijn van alle bevolkingsgroepen te bevorderen ?
Vooral in de biotechnologie en de communicatietechnologie volgen die steeds wisselende uitdagingen elkaar al verscheidene jaren in een bijzonder hoog tempo op. In het Witboek van de Europese Commissie over « Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid » staat in dat verband te lezen : « Een combinatie van vele innovaties zorgt voor een grote omschakeling bij de organisatie van de activiteiten in de verhoudingen binnen de maatschappij » (blz. 101), en de tekst vergelijkt die situatie met een nieuwe industriële revolutie.
Beperkt men zich tot de « informatiemaatschappij », dan ziet men dat de belangrijkste uitdagingen inderdaad rechtstreeks de burger en de werknemer raken. De industriële en financiële uitdagingen zijn aanzienlijk en brengen vandaag steeds meer ondernemingen ertoe transnationale allianties aan te gaan met de bedoeling de verschillende marktsegmenten te bezetten. De nieuwe diensten die worden aangeboden (de « toepassingen ») versterken of liggen aan de basis van nieuwe vormen van arbeidsverdeling en arbeidsorganisatie (delocatie, telewerken, flexibiliteit binnen en buiten het bedrijf,...). Traditionele domeinen van de openbare dienstverlening zoals het onderwijs, overwegen nadrukkelijk die nieuwe mogelijkheden aan te wenden om die activiteiten over te hevelen naar privé-operatoren, zodat de kosten niet meer ten laste komen van de schatkist (ibid. blz. 104).
In het licht van die uitdagingen, is het een elementaire democratische vereiste alle betrokken partijen te laten deelnemen aan een debat over het gebruik (de gebruikswaarde) van het technische potentieel en vooral van de daarvan afgeleide toepassingen, te meer daar de overheid bij de ontwikkeling van de informatiemaatschappij een doorslaggevende rol speelt. In de V.S., in Japan èn in Europa is het proces zowel op wetenschappelijk en technisch als op regelgevend vlak reeds lang ingezet.
De Europese Unie heeft, onder andere in 1991, verscheidene richtlijnen goedgekeurd, die de sectoren van telecommunicatiediensten voor mededinging hebben opengesteld. De E.U. levert ook een bijdrage via de financiering van O & O-programma's, die streven naar de ontwikkeling van de toepassingen zoals vermeld in het rapport-Bangemann. Tevens werd beslist de infrastructuur in de telecommunicatiesector op 1 januari 1998 te liberaliseren. Eind februari 1995 organiseerde de G-7 in Brussel een vergadering waarop werd gedebatteerd over de aspecten van de wereldhandel waarover tijdens de G.A.T.T.-onderhandelingen geen beslissing is genomen.
Gelet op die ontwikkelingen en ondanks het feit dat de essentiële maatschappelijke gevolgen die deze ontwikkelingen voor onze levenswijze zullen hebben nadrukkelijk worden erkend, moet men toch vaststellen dat die gevolgen tot nu toe nog maar amper werden bestudeerd en nog minder werden besproken. Het actieprogramma van de Commissie bijvoorbeeld wil « groepen van prominente deskundigen » de sociale en culturele gevolgen van de huidige en toekomstige processen laten evalueren en overweegt nu reeds promotieacties om het publiek te overtuigen van de voordelen van de informatiemaatschappij.
Verderop in dit voorstel van resolutie vermelden de indieners in detail de onderwerpen die zij aan bod willen laten komen in een parlementair en in een maatschappelijk debat.
De ontwikkeling van nieuwe technologieën, de verspreiding en het gebruik van informatie, de buitengewone commerciële mogelijkheden en de kostprijs van de initiële investering : dat alles maakt de informatiesnelwegen tot een bron van de meest verscheiden maatschappelijke uitdagingen. Sommige daarvan zoals de toegang tot de informatie zijn niet nieuw, maar worden nu versterkt door de opkomst van de informatiesnelwegen. De I.S. liggen anderzijds rechtstreeks aan de basis van weer andere uitdagingen, zoals die welke verband houden met de delocatie van tertiaire activiteiten. Voor de meeste uitdagingen is een interventie van de overheid noodzakelijk. Anders dreigt het verschijnsel van de informatiesnelwegen de meest meedogenloze maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste jaren (uitsluiting, toenemende ongelijkheid, isolement van het individu, technologisch analfabetisme,...) nog meer in de hand te werken.
Voorts moet worden opgemerkt dat de uitdagingen, gelet op de grote wisselwerking tussen de maatschappelijke, economische en culturele aspecten van het probleem van de informatiesnelwegen, gedeeltelijk willekeurig werden gegroepeerd.
1. Toegang tot de informatie
De informatiesnelwegen zijn slechts een drager. Doorslaggevend is de inhoud van de informatie die via de informatiesnelwegen beschikbaar wordt, alsook de juridische, technische en culturele toegankelijkheid daarvan. Voortaan zal via de informatiesnelweg veel informatie worden ontsloten. Dat betekent evenwel nog niet dat die informatie daadwerkelijk toegankelijk zal zijn voor een groter aantal mensen (zie hieronder « technologisch analfabetisme »), en evenmin dat de kwaliteit van de beschikbare informatie zal verbeteren. Op politiek vlak zal de uitdaging onder meer bestaan in het doorvoeren van de nodige wettelijke aanpassingen om te kunnen waarborgen dat de essentiële informatie die de burger en de bedrijfswereld interesseert, in goede omstandigheden wordt opgeslagen en juridisch en technisch toegankelijk is.
2. Technologisch analfabetisme
Vandaag wordt 80 pct. van de geschreven informatie « verbruikt » door minder dan 20 pct. van de lezers. Nieuwe methodes voor de opslag van en de toegang tot informatie zullen deze verhouding niet zonder meer omgooien. De grote culturele en economische verschillen die hierachter schuilgaan, dreigen zelfs nog scherper te worden. Hier bestaat de politieke uitdaging er met name in de nodige middelen ter beschikking te stellen (basisonderwijs en speciale opleidingen) om ervoor te zorgen dat de met de informatiesnelweg verband houdende technologieën de aanzet geven tot een democratisering van de toegang tot en het gebruik van informatie en de culturele kloof niet nog breder zouden maken.
3. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Het grote aantal activiteiten in de dagelijkse (zowel persoonlijke als professionele) levenssfeer waarvoor de informatiesnelweg kan worden gebruikt (bankverrichtingen, aankopen, tolgelden op snelwegen,...) vergroot het risico dat de burgers worden « gevolgd » en dat al dan niet met commerciële doeleinden gebruik wordt gemaakt van allerhande informatie waarmee hun profiel kan worden bepaald. Er bestaan weliswaar wetten ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, meer bepaald door middel van een strenge reglementering van de inhoud en het gebruik van geïnformatiseerde gegevensbestanden, maar de informatiesnelwegen en de technologieën die daarmee verband houden, vergroten het gevaar op ontsporingen. De politieke uitdaging bestaat er met name in zo nodig de vereiste middelen in te zetten, vooral op het stuk van de controle, om de naleving van de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het raam van de informatiesnelwegen te waarborgen.
4. Misdaadbestrijding
De informatiesnelwegen kunnen een werktuig zijn van de witte-boordencriminaliteit. Deze gevolgtrekking ligt zozeer voor de hand dat de Amerikaanse federale regering onlangs heeft voorgesteld bepaalde terminals uit te rusten met een chip waarmee informatie kan worden gecodeerd, terwijl in ruil daarvoor de sleutel tot die code aan de politie zou worden doorgegeven. Gelet op de Amerikaanse politieke traditie werd dat voorstel verworpen. Maar het probleem blijft bestaan en is onrustwekkend. Een van de politieke uitdagingen bestaat erin de politiediensten de middelen te verschaffen waarmee ze kunnen optreden tegen misdadig of onrechtmatig gebruik van de informatiesnelwegen en tegen de misdaden en wanbedrijven die via die snelwegen worden gepleegd.
5. Toekomst van de openbare televisie-omroepen
De openbare televisie-omroep wordt geconfronteerd met een aanbod van honderden televisiestations en zal verwikkeld raken in een concurrentiestrijd waarin hij het steeds moeilijker dreigt te krijgen om te overleven, behalve wanneer zijn specifieke karakter wordt ge(her)definieerd. De ervaringen in Amerika tonen aan dat de openbare televisie-omroepen interessante marktsegmenten kunnen aanboren. Ze kunnen de informatiesnelwegen aanwenden om bepaalde eigen activiteiten te ontwikkelen die in de sfeer van de openbare dienstverlening liggen, bijvoorbeeld op het vlak van het afstandsonderwijs. De uitdaging voor de beleidsmakers bestaat er hier onder meer in de opdrachten van de openbare televisie-omroep als openbare dienst te (her)definiëren tegen de achtergrond van de informatiesnelwegen en de snelle ontwikkeling van het televisieaanbod.
6. Een cultuurbeleid en een promotiebeleid voor de drie landstalen
Door de nadruk te leggen op de drager (de technologie) veeleer dan op de boodschap, verliest men het belang van de culturele uitdagingen van de informatiemaatschappij uit het oog : de evolutie in het wezen van de cultuurprodukten, het gebruik van andere talen dan het Engels, enz. Een artikel dat onlangs in Le Monde Diplomatique verscheen, besluit met de vraag : « Rest de burger aan het einde van de informatiesnelweg dan nog alleen de keuze tussen een opvoeding door Disney of Bertelsmann, informatie door I.B.M. of Alcatel en ontspanning door A.T.T. of Siemens ? » (1).
Daarbij bestaat de politieke uitdaging erin de nodige middelen ter beschikking te stellen om een cultuurbeleid te voeren dat vooral scheppend werk stimuleert.
7. Toekomst en inhoud van de universele dienstverlening
Aan de uitbouw van de traditionele telefonie lag het principe ten grondslag van de universele dienstverlening, wat met name moest garanderen dat die nieuwe dienstverlening voor iedereen relatief goed toegankelijk zou zijn. Dat principe heeft weliswaar vaste voet gekregen, maar wordt niettemin op twee manieren uitgehold : enerzijds door een zonale tarificatie die bepaalde gebruikers de facto achterstelt, en anderzijds door het progressieve verbod op kruiselingse subsidies (2). Op de informatiesnelweg zijn talrijke diensten beschikbaar, waardoor opnieuw de vraag rijst hoe aan de universele dienstverlening concrete vorm moet worden gegeven. In de eerste plaats kan dat door middel van de tarificatie van de toegang tot de diensten. Heel concreet betekent zulks dat moet worden bepaald welk telefoontarief zal worden toegepast op iemand uit Rochefort die toegang krijgt tot een gegevensbank die in de zone Brussel is gevestigd. De prijsverschillen tussen de verschillende soorten van communicatie dreigen nog zwaarder door te wegen dan bij de gewone telefonie. Algemeen gezien is het niet de bedoeling de verschillende categorieën van gebruikers een gelijke behandeling op het stuk van de tarieven te garanderen. Een andere vraag die daarbij kan worden opgeworpen is of voor bepaalde essentiële diensten (bijvoorbeeld inzake afstandsonderwijs) de tarieven niet door de overheid zouden moeten worden gecontroleerd. Voor de politiek is in dat opzicht de taak weggelegd het beleid en de regels inzake tarificatie en taxatie te bepalen van de diensten (de kostprijs van de communicaties en de prijs van de eigenlijke diensten) die via de informatiesnelwegen worden doorgestuurd. Voorts zal ook moeten worden nagedacht over een aanpassing van de fiscaliteit aan een maatschappij waar het immateriële een steeds groter deel van de produktie en consumptie gaat uitmaken.
8. Delocatie van informatiediensten
De delocatie van informatiediensten, die al volop aan de gang is, dreigt meer sociale schade te veroorzaken en nog moeilijker controleerbaar te zijn dan de industriële delocaties. Hoewel iedereen al wel heeft gehoord van de codering van de boekhouding van Swissair in Bombay, kan het grote publiek de omvang van dit nieuwe soort delocaties nog niet goed inschatten (voorbeelden : onderhoud in Bangalore (India) van computers die zich in Parijs bevinden, het coderen van de Franse rechtspraak in China, enz.). In zijn verslag aan de Franse Senaat formuleert Jean Arthuis het als volgt : « De toepassing van een douanetarief dat alleen gebaseerd is op het verkeer van tastbare goederen is in deze gedematerialiseerde en gemondialiseerde economie volkomen uit de tijd (...). Bijgevolg is het van belang een specifieke belastingregeling in te voeren voor het grensoverschrijdend verkeer van immateriële goederen.
Die regeling onderstelt een statistisch overzicht van de gegevensstromen die bijvoorbeeld via de communicatiesatellieten kunnen worden uitgewisseld. Op juridisch vlak en op dat van de douane is een ware revolutie nodig om die goederen te kunnen belasten over hun werkelijke waarde, dat wil zeggen de inkoopwaarde ervan voor de Europese ondernemingen » (3). Een van de politieke uitdagingen daarbij is dat maatregelen moeten worden uitgewerkt voor de controle en de wettelijke regeling van de delocatie van de diensten verbonden aan de informatie, alsmede voor de uitvoeringswijzen ervan (aanpassingen van de internationale akkoorden, in het bijzonder in het kader van de pas opgerichte Wereldhandelsorganisatie, wijzigingen van de fiscaliteit van de ondernemingen enz.).
9. Ontwikkeling en gevolgen van telewerken
De recente oprichting in België van een vereniging ter bevordering van het telewerken en het streven van de minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken om de experimenten met telewerken bij de federale overheid tot een goed einde te brengen, tonen aan dat telewerken vast en zeker een groot actueel thema wordt. Telewerken heeft positieve aspecten (bijvoorbeeld de vermindering van het woon-werkverkeer) en negatieve aspecten (bijvoorbeeld het uiteenvallen van werkgemeenschappen, het ontbreken van een scheiding tussen privé-woonplaats en werkplek). Daarom moeten we ons afvragen of telewerken wel kan en op welke manier het in de praktijk moet worden gebracht. De politieke uitdagingen daarbij zijn onder meer dat maatregelen moeten worden genomen (aanpassing van het arbeidsrecht, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de vakbondsrechten, enz.) om van het telewerken een instrument te maken voor de persoonlijke ontvoogding en voor de ecologische ontwikkeling van de gemeenschap. In België is onlangs de eerste stap in die richting gezet.
10. Gevaren voor de gezondheid verbonden aan een elektromagnetisch geladen omgeving
Computers en telecommunicatie-apparatuur dragen bij tot een elektromagnetisch geladen omgeving. Hoewel die twee door de bank niet de belangrijkste opwekkers van elektromagnetisme zijn, mogen de gezondheidsrisico's verbonden aan het snel toenemend gebruik ervan niet worden verwaarloosd, evenmin als de grotere gevaren waaraan bepaalde categorieën van werknemers of gebruikers worden blootgesteld (4). De politieke uitdaging daarbij is dat op het stuk van de elektromagnetische omgeving een striktere wetgeving nodig is.
11. Macro-economische gevolgen
De evolutie naar een meer « immateriële » samenleving heeft talrijke gevolgen voor de economische sector en voor onze beeldvorming over die sector. De verschuivingen in de verdeling van de economische activiteit over de sectoren zullen nog toenemen, de structuur van de vereiste kwalificaties en van de banen in de onderneming zal sterk evolueren.
Hoewel de gevolgen voor de werkgelegenheid nog niet zijn afgewogen, lijkt het erop dat die op korte en middellange termijn veeleer negatief zullen zijn; de werkloosheid zal door de I.S. natuurlijk niet worden opgelost. Ook het verbruik zal evolueren van materieel naar immaterieel, wat een wijziging in de tijdsbesteding van de consumenten zal meebrengen. Tot de politieke uitdagingen behoren het opleidingsbeleid en het lot van de laaggeschoolden, de beleidsvormen inzake de inrichting, de vermindering en de herverdeling van de arbeidstijd die onmisbaar zijn, zowel om een immateriële informatiemaatschappij te doen functioneren (het bekijken van een film of het raadplegen van een encyclopedie op afstand vergt tijd) als om de produktiviteitswinsten billijker te verdelen.
12. Eigendomsrecht van ieder net en gebruik dat van ieder net wordt gemaakt
Dat is een zeer belangrijk vraagstuk in België, aangezien, enerzijds, die uitdaging verband houdt met de toekomst van Belgacom en, anderzijds, een gedeelte van het kabeltelevisienet via de gemeenten eigendom is van de overheidssector. Om het belang van die uitdaging aan te tonen, volstaat het te bedenken welk buitenmaats economisch en politiek belang Tractebel zou krijgen mocht die groep, die reeds een deel van de kabeldistributie bezit, morgen een belangrijk aandeelhouder van het geprivatiseerde Belgacom worden. Het probleem van de liberalisering van de kabel (zie de voorstellen van de Commissie) is eveneens van cruciaal belang. Er moet worden voorkomen dat een toestand ontstaat waarbij de diensten met een hoge toegevoegde waarde de facto of de jure voorbehouden zijn aan privé-kabelmaatschappijen, ten nadele van de openbare operatoren van spraaktelefonie. Het is de taak van de politiek uit te maken welke plaats Belgacom in de I.S. (op het stuk van de technische dragers en de dienstverlening) moet krijgen, of de kabel geliberaliseerd moet worden en wat de institutionele aspecten van de kabeldistributie zijn.
13. Toegang tot het net
De economische of institutionele regels die worden ingesteld, mogen er niet toe leiden dat geen toegang tot het net wordt verleend aan essentiële diensten (bijvoorbeeld afstandsonderwijs) of aan verleners van identieke of verschillende diensten. Bij de politieke uitdagingen vinden we de regelingen die moeten worden uitgewerkt om op een haalbare manier de toegang tot wezenlijk geachte diensten te waarborgen (zie uitdaging nr. 7) en de normen die moeten worden uitgevaardigd om de onderlinge koppeling tussen de netten te waarborgen.
14. Levering van de infrastructuur (netwerk en terminals)
De uitdaging inzake de materiële netwerken sluit gedeeltelijk aan bij de eerste uitdaging. Hierbij rijst het probleem van de mededinging of de complementariteit van de telefoon- en kabeldistributienetwerken. Ruimer gezien kan de uitdaging als volgt worden geformuleerd : welke terminalsystemen zullen het halen en wie zullen de leveranciers zijn ? Bij de politieke uitdagingen horen het normenbeleid en het industriële beleid die moeten zorgen voor het behoud van de marktaandelen, de economische oorlog die daardoor zal ontstaan tussen de E.U., de V.S. en Japan, de eventuele verspreiding van terminals tegen voor iedereen betaalbare prijzen (zoals Minitel in Frankrijk), het beleid inzake de overheidsbestellingen voor het uitrusten van de besturen, scholen, bibliotheken enz.
15. Opkomst en vestigingsplaats van de dienstverleners die van de I.S. gebruik maken
Wanneer de basisinvesteringen achter de rug zijn, zal het wezenlijke deel van de economische activiteit voor rekening komen van de verleners van diensten met een toegevoegde waarde. Daarbij moet een cruciale vraag worden gesteld : zal een voldoende groot gedeelte van die activiteiten in België worden gevestigd ? Bij de politieke uitdagingen is er de noodzaak om een steunbeleid uit te werken (hulp bij het onderzoek, hulp bij investeringen,... ) voor de verlening van diensten met een toegevoegde waarde en, in voorkomend geval, de wijze waarop een dergelijk beleid moet worden uitgevoerd, zonder daarbij het beleid en de regelingen inzake de tarifering en de verdeling van de inkomsten te vergeten.
16. Bescherming van de intellectuele rechten
De verspreiding van informatie op grote schaal en via verscheidene kanalen maakt de bescherming van de intellectuele rechten natuurlijk niet makkelijker. We moeten in de informatiesector evenwel op onze hoede zijn voor de ontsporing die zich voordoet op het stuk van de patenten op levende organismen. Daarbij maakt de bescherming van een produkt dat valselijk als een uitvinding wordt bestempeld, de ruime toegang tot bepaalde technieken onmogelijk; de bescherming van de intellectuele rechten mag immers de verspreiding van informatie die op politiek, economisch of democratisch gebied van wezenlijk belang wordt geacht, niet vertragen of belemmeren. Tot de politieke uitdagingen rekenen we de middelen die moeten worden aangewend om een juist evenwicht te waarborgen tussen de bescherming van de intellectuele rechten en de toegang tot nuttige en noodzakelijke informatie (bijvoorbeeld informatie uit een wetenschappelijk onderzoek, commerciële gegevens,... ), de eventuele aanpassing van de Belgische wetgeving ter zake, de nood aan passende regels ingesteld door middel van Europese richtlijnen en/of G.A.T.T.-akkoorden.
Uit de analyse van de gevolgen voor de maatschappij van de opkomst van de informatiesnelwegen komen zestien uitdagingen naar voor. Die kunnen worden ingedeeld in drie grote categorieën :
1) de nood aan nieuwe regelgeving,
2) een aanpassing van het onderwijs en de opleiding,
3) een heroriëntering van het ondersteunend beleid (onderzoeksprogramma's, steun bij investeringen en herstructurering,...) op economisch, sociaal en cultureel gebied.
Het belang van die uitdagingen is voor iedereen duidelijk. We stellen evenwel vast :
dat de rechtstreeks betrokken industriële groepen, die trouwens om nieuwe regelgeving verzoeken, op dit ogenblik een doorslaggevende invloed hebben bij de besluitvorming (bijvoorbeeld de Europese richtlijnen inzake telecommunicatie);
dat er geen overheidsbeleid is met betrekking tot de inhoud van de informatie die wordt verspreid via de bestaande of de toekomstige netwerken, of tot het gebruik van die netwerken : ook de overheid staart blijkbaar gefascineerd naar het technologische visioen;
dat de burger geen inspraak krijgt in het debat over de instelling van de informatiemaatschappij : er is geen democratische discussie over de uitdagingen van de informatiesnelwegen, de bespreking wordt toegespitst op de commerciële diensten (video op verzoek, tele-aankopen,...) en op de technologische aspecten.
Twee vergissingen mogen we zeker niet begaan : het onderschatten en het overschatten van de impact van de informatiesnelwegen. In ieder geval zal het beheersen van de uitdagingen verbonden aan de I.S. aantonen dat onze ondernemingen bekwaam zijn om nieuwe technologieën ten dienste te stellen van een groter democratisch en sociaal-economisch welzijn. Er moet derhalve dringend een democratisch debat worden gevoerd.
Uit deze toelichting blijkt duidelijk hoe erg de bevoegdheden versnipperd zijn over de verschillende bevoegdheidsniveaus (Gewest, Gemeenschap, federale Staat).
In het licht van zijn nieuwe samenstelling en bevoegdheden zou de Senaat het initiatief moeten nemen tot een debat dat wordt afgesloten met aanbevelingen aan de Regering. Aldus zou de Senaat zijn rol van reflectiekamer ten volle vervullen en tegelijk een forum bieden aan allerlei maatschappelijke geledingen die rechtstreeks of mogelijk betrokken zijn bij deze veranderingen.
Talrijke Belgische en buitenlandse onderzoekscentra en ook de Europese instellingen buigen zich reeds geruime tijd over deze problematiek. Hun medewerking zou ten zeerste gewaardeerd worden.
Om die redenen lijkt de instelling van een bijzondere senaatscommissie (art. 31 van het Reglement van de Senaat) ons verantwoord.
| Pierre JONCKHEER. |
De Senaat,
oordeelt dat het noodzakelijk is een breed maatschappelijk debat te voeren over de economische, maatschappelijke, culturele en democratische uitdagingen verbonden aan de informatiesnelwegen en, meer in het algemeen, aan de opkomst van wat gemeenzaam de informatiemaatschappij wordt genoemd;
acht daartoe de instelling noodzakelijk van een bijzondere commissie die een initiatiefverslag moet opstellen;
verzoekt de Regering bijgevolg
1º binnen drie maanden een verslag te bezorgen met nadere toelichtingen omtrent :
* de respectieve bevoegdheidsdomeinen van de verschillende betrokken overheden,
* de genomen initiatieven (werkgroepen, opdrachten voor verslagen, onderzoeksprogramma's,...),
* de reeds tot stand gebrachte wetswijzingen en de wetten die de Regering nog zal wijzigen om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de informatiemaatschappij;
2º tevens verslag uit te brengen over :
* het specifieke O & O-programma van de Europese Unie betreffende de informatiemaatschappij en de manier waarop België (in de particuliere en de openbare sector) daaraan wil deelnemen, inzonderheid via steunverlening door de federale en de gewestelijke overheden,
* het onderzoek door de regering van het Groenboek van de Commissie over de liberalisering van de infrastructuur (IIe deel, door de Commissie aangenomen op 25 januari 1995), dat met name betrekking heeft op de universele dienstverlening en de financiering ervan, het toekennen van licenties, het regelen van de concurrentie, de werkgelegenheid, de maatschappelijke aspecten, alsmede de internationale dimensie,
* de wijze waarop België deelneemt aan de werkzaamheden van de O.E.S.O. met betrekking tot de problemen inzake de werkomgeving en aan de « groep van prominente deskundigen » waarvan de oprichting door de Europese Commissie in haar actieplan [C.O.M.(94)347] in uitzicht wordt gesteld; de Senaat vraagt onverwijld in kennis te worden gesteld van ieder onderzoek over de werkgelegenheid en de maatschappelijke en culturele aspecten dat door de Europese Commissie wordt gepland.
| Pierre JONCKHEER. Eddy BOUTMANS. |
(1) Asdrad Torres, « Qui tirera profit des autoroutes de l'information ? », Le Monde Diplomatique, novembre 1994.
(2) Kruiselingse subsidiëring betekent dat minder rendabele activiteiten door andere meer rendabele activiteiten worden gesubsidieerd. Typisch voor de meeste Europese telefoonnetten is, dat ze voor binnenlands telefoonverkeer lange tijd relatief lage tarieven hebben gehanteerd en dat op de internationale communicaties verhaalden. De Europese regelgeving en de internationale concurrentie streven naar een verbod op kruiselingse subsidiëring.
(3) Voorlichtingsverslag van Jean Arthuis over de delocaties, nr. 337, Gewone zitting van de Franse Senaat, 1992-1993.
(4) Voor nadere details zie : Daniel Comblin, « Électromagnétisme et santé », C.E.F.E., Dossier nr. 2, februari 1994.