1-132/1 | 1-132/1 |
18 OKTOBER 1995
Het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden is opgericht bij de wet van 1 augustus 1985. De bedoeling van dit voorstel is niet het vergoedingsstelsel grondig te herzien, maar wel twee belangrijke verbeteringen aan te brengen : één die alle slachtoffers van gewelddaden ten goede zal komen, één die de slachtoffers van seksueel geweld een mogelijkheid tot vergoeding toekent.
Het voorstel beoogt de slachtoffers van verkrachting e.d. eveneens het recht te geven een beroep te doen op het Fonds ook als ze geen inkomensverlies lijden en verder de verjaringstermijn te verlengen.
Er is geen budgettaire weerslag te verwachten : het Fonds bedruipt zichzelf en de bijkomende aanvragen zullen beperkt zijn.
Artikel 2
Door deze wijziging worden aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging, en verkrachting, eveneens vatbaar verklaard voor het verlenen van de hulp, zelfs als zij geen lichamelijk letsel of « nadeel voor de gezondheid » hebben veroorzaakt.
Artikel 3
De schade, die vergoed kan worden, is bij seksueel geweld dus niet alleen de strikt materiële of medische schade, maar ook psychisch letsel, kosten van opvang en begeleiding, enz. Juist daaraan bestaat voor vrouwen, die aangerand zijn, grote behoefte. (Waarmee niet gezegd is dat de wet alleen op vrouwen toepasselijk zou zijn.)
Vanzelfsprekend oordeelt de vergoedingscommissie altijd « naar billijkheid », rekening houdend met de thans in de wet vastgelegde criteria. Daar wijzigt het voorstel niets aan.
Artikel 4
De verjaringstermijn is thans één jaar « te rekenen, naargelang het geval, ofwel van de dag waarop bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, ofwel vanaf de beslissing van het onderzoeksgerecht. »
De praktijk toont aan dat deze termijn erg kort is :
1º omdat de beslissing op burgerlijk gebied soms veel later wordt genomen dan de beslissing op strafrechtelijk gebied (soms na expertises, soms ook wordt alleen beroep aangetekend op burgerlijk gebied, enz.);
2º omdat de solvabiliteit van de veroordeelde vaak moeilijk te beoordelen is. Soms zit hij in de gevangenis, en weet men niet of hij na zijn vrijlating weer werk zal vinden, soms betaalt hij de schuld gedurende een aantal maanden af, maar staakt hij de betalingen na enige tijd (en dan kan de termijn al verstreken zijn);
3º ook de toestand van de verzoeker kan lange tijd onzeker blijven (waar hij de hulp oorspronkelijk niet nodig achtte kan hij intussen in een moeilijke gezinssituatie zijn beland, werkloos zijn geworden, enz.).
In het licht van de wet van 13 april 1995 zal voor personen die als kind slachtoffer zijn geweest van een seksueel misdrijf, een nieuwe mogelijkheid geboden worden om, na hun meerderjarigheid, zo nodig hulp en bijstand te verkrijgen als de dader niet solvabel is. De strafvordering kan immers nog na de meerderjarigheid worden ingesteld. Dit ligt zeker in het verlengde van de doelstellingen van die wet.
Er is ook geen goede reden om zo'n korte termijn te stellen : misbruik valt niet te vrezen, de commissie oordeelt steeds van geval tot geval, naar billijkheid.
Artikel 5
Het lijkt verantwoord de nieuwe verjaringstermijn ook toe te passen voor reeds toegebrachte schade.
| Eddy BOUTMANS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
De aanhef van artikel 31, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen wordt vervangen als volgt :
« Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, of wie in België slachtoffer is geweest van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 373 tot 377 van het Strafwetboek, kan een hulp aanvragen en wel onder de volgende voorwaarden : »
Art. 3
Artikel 32, § 2, van dezelfde wet wordt aangevuld met een tweede zin, luidende :
« Ingeval van aanranding van de eerbaarheid of verkrachting komt ook psychisch lijden in aanmerking voor hulp, evenals de kosten voor maatschappelijke, medische of psychische begeleiding of nazorg. »
Art. 4
In artikel 34, § 3, van dezelfde wet worden de woorden « een jaar » vervangen door de woorden « vijf jaar ».
Art. 5
Deze wet is van toepassing vanaf haar inwerkingtreding op alle gevallen, waarvoor de bij artikel 4 bepaalde verjaringstermijn nog niet verstreken is.
Reeds ingediende verzoeken, waarop nog geen beslissing is gewezen, kunnen uitgebreid of gewijzigd worden, teneinde de bepalingen van deze wet aan te wenden. De verzoeker of zijn advocaat dient de wijziging in per aangetekende brief, gericht aan de commissie; zij vermelden daarin de reeds aanhangig gemaakte zaak.
Indien de commissie een eerder verzoek heeft afgewezen, omdat het verjaard was of omdat de gevraagde hulp niet voldeed aan de restrictieve bepalingen van artikel 31 of 32, of indien afstand van het verzoek werd gedaan om die reden, kan een nieuw verzoek worden ingediend, met inachtneming van artikel 34, §§ 1 tot 3, voor zover dit nieuwe verzoek gedaan wordt binnen de termijn bepaald in artikel 4 van deze wet, en voor zover de hulp, volgens de nieuwe tekst van de artikelen 31 en 34 wel kan worden toegekend.
| Eddy BOUTMANS. Martine DARDENNE. |