1-130/1

1-130/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

17 OKTOBER 1995


Wetsvoorstel tot wijziging van de provinciewet van 30 april 1836 en van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen

(Ingediend door de heren Daras en Boutmans)


TOELICHTING


De federalisering van België heeft aanleiding gegeven tot de oprichting van een aantal nieuwe, autonome politieke instellingen op het grondgebied van ons land. Net als in andere landen die dezelfde weg zijn opgegaan, is ook hier de vraag gerezen of bepaalde gedecentraliseerde bevoegdheidsechelons al dan niet moeten blijven bestaan. Het voortbestaan van de provincies, die tussen de plaatselijke basisinstellingen en de nieuwe federale structuren in liggen, werd in de geschiedenis al verschillende keren op de helling gezet. Ze zijn er evenwel nog altijd. De indeling van België in gemeenschappen en gewesten, waaraan sinds 1970 wordt gewerkt, noch de samenvoeging van gemeenten in 1976 konden de provincies aan het wankelen brengen. Ondertussen is de tijd evenwel rijp om de provincie als instelling enigszins te moderniseren, zodat ze beter in de structuur van de nieuwe Belgische federale Staat kan worden ingepast.

De institutionele hervormingen hebben niet alleen tot doel een aantal nieuwe politieke instellingen in het leven te roepen. Zij bieden ook de gelegenheid bestaande bevoegdheidsniveaus te moderniseren. Er dient vooral te worden gestreefd naar meer doorzichtigheid en naar eenvoudiger structuren voor de instellingen waaruit zij bestaan.

De provincie is eigenlijk een archaïsche instelling. Het democratisch tekort van de regeling ingesteld door de provinciewet van 30 april 1836, is een structureel probleem : het kiesstelsel is niet echt proportioneel, de provincieraad is ontwapend tegenover de bestendige deputatie, de provinciegouverneur maakt deel uit van de provinciale instellingen zonder verkozen te zijn, de burgers krijgen moeilijk toegang tot de administratieve informatie en de raadsleden zelf worden met allerlei problemen geconfronteerd als zij de werkzaamheden van de provincie of van haar instellingen en diensten willen controleren.

Velen zijn vandaag dan ook de mening toegedaan dat de provincie, als tussenschakel tussen het gewest en de gemeente, overbodig is geworden. Als de provincies niet worden afgeschaft, moet het hele stelsel dringend een nieuw elan krijgen, waarvoor een grondige wijziging van de werking van de instellingen en een nieuwe afbakening van de taken en bevoegdheden noodzakelijk is.

De provinciewet is kort na de onafhankelijkheid van België tot stand gekomen. Sindsdien onderging die wet de meest uiteenlopende wijzigingen, zodat de huidige tekst op tal van punten erg onsamenhangend is. Eigenlijk zou er een geheel nieuwe provinciewet moeten komen. In afwachting daarvan stellen wij voor de huidige wet als volgt te wijzigen.

De provincie moet voortaan een echte tussenschakel vormen tussen de Staat, het gewest en de gemeenschap enerzijds en de gemeenten anderzijds. Ze dient er dan ook op toe te zien dat de nationale wetten en de decreten van gemeenschappen en gewesten op haar grondgebied worden toegepast. Ze werkt actieprogramma's uit voor een doeltreffend vervoer, een kwalitatief hoogstaande leefomgeving en een zuinig gebruik van de natuurlijke rijkdommen. Ze staat de gemeenten bij en geeft hun raad bij de uitvoering van hun taken. Zo verkeert ze in de beste positie om de werkzaamheden van de verschillende gemeenten te coördineren.

De provincieraadsverkiezingen moeten voortaan echt democratisch verlopen. Daarom moeten de regels van de evenredige vertegenwoordiging onverkort worden toegepast en moet de apparentering tot het gehele grondgebied van de provincie worden uitgebreid.

De provincieraad wordt het soevereine bestuursorgaan van de provincie. Hij kiest de leden van de uitvoerende macht binnen de provincie, die elk afzonderlijk verantwoording aan de raad moeten afleggen. De raadsleden krijgen ruimere bevoegdheden om toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden van de provincie of van de diensten of instellingen die onder het provinciebestuur ressorteren.

De bestendige deputatie wordt vervangen door een uitvoerend provinciecollege, wat de structuur van de provincie als instelling voor de burgers meteen doorzichtiger zou moeten maken. De leden van het college worden bij meerderheid door de raadsleden gekozen. Het college wijst zelf zijn voorzitter aan. De raad kan de leden van het college ter verantwoording roepen door middel van een constructieve motie van wantrouwen.

De gouverneur maakt niet langer deel uit van de provinciale instellingen. Als commissaris van de regering heeft hij alleen nog een algemene taak van toezicht op de provinciale, intercommunale en gemeentelijke besturen. Ten minste één keer per jaar brengt hij verslag uit bij de respectieve assemblées.

De burgers hebben het recht om zich met een vraag tot de provincieraad te wenden. De griffier van de provincie verleent hen toegang tot de administratieve informatie, zonder dat zij van enig specifiek belang moeten doen blijken.

Het onderhavige wetsvoorstel telt in hoofdzaak twee hoofdstukken. Het eerste bevat de wijzigingen die worden aangebracht in de provinciewet van 30 april 1836, terwijl in het tweede de wijzigingen in de organieke wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen zijn ondergebracht. Er is ook nog een derde hoofdstuk met de slotbepalingen betreffende de inwerkingtreding van de verschillende artikelen van dit wetsvoorstel.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

HOOFDSTUK I

Voorafgaande bepaling

Artikel 1

Op het voorstel van wet is de procedure van het ongelijke bicameralisme van toepassing. Artikel 1 van dit wetsvoorstel vloeit voort uit het voorschrift vervat in artikel 83 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II

Wijzigingen van de provinciewet van 30 april 1836

Artikel 2

Artikel 1 van de provinciewet bepaalt uit welke instellingen het provinciebestuur is samengesteld. De gouverneur of commissaris van de federale regering maakt niet langer deel uit van het provinciebestuur en hoort dus niet meer in dit artikel thuis. Toch blijft hij een rol spelen in de werking van de provincie, zij het dan als vertegenwoordiger van de hogere overheid. Het ambt moet dus in andere bepalingen van de provinciewet worden geregeld. Het « uitvoerend college », dat de bestendige deputatie vervangt, vertegenwoordigt daarentegen de uitvoerende macht van de provincie en wordt door de raad uit de eigen raadsleden verkozen. Samen met de raad vormt het uitvoerend college het provinciebestuur als dusdanig en moet het dus in plaats van de gouverneur in dit artikel worden vermeld.

Artikel 3

Artikel 3 van de provinciewet wordt vervangen ten einde de benaming van het uitvoerend orgaan van de provincie aan de nieuwe situatie aan te passen : « bestendige deputatie » wordt « uitvoerend college ». Die nieuwe benaming is gerechtvaardigd, en wel om drie redenen die alle verband houden met de noodzaak om de instellingen voor de burger doorzichtiger te maken. Eerst en vooral zal men in het Frans niet langer kunnen verwarren tussen « député » (volksvertegenwoordiger) en « député permanent » (lid van de bestendige deputatie). Voorts sluit de nieuwe benaming nauwer aan bij de terminologie die voor het uitvoerend orgaan van de gemeenten wordt gebruikt, wat het plaatselijke en gedecentraliseerde karakter van de provinciale instelling extra doet uitkomen. Tot slot worden op die manier de verschillen tussen het nieuwe en het oude uitvoerende orgaan benadrukt. Het artikel vermeldt ook nog dat de verkiezing van het college in de volgende artikelen wordt geregeld. Op dit ogenblik zwijgt de wet in alle talen over die verkiezing.

Artikel 4

Het huidige artikel 4 van de provinciewet bevat de regels van de benoeming, de schorsing en de afzetting van de provinciegouverneurs en de provinciegriffiers. Die bepalingen horen evenwel niet langer thuis in titel I van de wet betreffende het provinciebestuur, aangezien de gouverneur niet langer tot het provinciebestuur behoort en de griffier daarvan nooit lid is geweest.

Het huidige artikel 4 wordt derhalve, onder titel VIII gewijd aan de provinciegriffier, artikel 118bis van de provinciewet, waarbij de bepalingen betreffende de gouverneur wel moeten worden opgeheven. In tegenstelling tot deze laatste bepalingen moeten de bepalingen betreffende de provinciegriffier immers niet worden gewijzigd. Zij kunnen als dusdanig worden overgebracht naar een nieuw artikel 118bis. De nieuwe bepalingen betreffende de gouverneur vormen op hun beurt artikel 122 van de provinciewet.

Een nieuw artikel 4 wordt ingevoegd om de verkiezing van het uitvoerend college door de provincieraad te regelen.

De vier paragrafen van het nieuwe artikel 4 regelen die verkiezing in twee verschillende situaties.

De eerste paragraaf gaat uit van de veronderstelling dat in de raad een meerderheid kan worden gevormd. Die meerderheid kiest dan een college waarin de samenhang groot is. In dat geval worden de door de meerderheid voorgedragen kandidaten verkozen. De orde van voordracht van de kandidaten bepaalt de orde van voorrang van de leden van het college. Beide leden van die paragraaf steunen respectievelijk op § 1, eerste lid, en § 5 van artikel 60 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De drie overige paragrafen gaan uit van de veronderstelling dat zich binnen de provincieraad geen duidelijke meerderheid aftekent. In dat geval bepaalt de tweede paragraaf dat de mandaten voor het uitvoerend college evenredig worden verdeeld over de politieke fracties van de raad. Het aldus samengestelde college vult het politieke vacuüm op totdat een coalitie kan worden gevormd die een meerderheidscollege kan installeren. Beide leden van die paragraaf steunen respectievelijk op artikelen 60, § 2, het oud artikel 65, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en op § 4 van hetzelfde oude artikel 65.

De laatste twee paragrafen regelen voornoemde verkiezing volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging. Ze zijn respectievelijk ontleend aan § 1, tweede tot vierde lid, en aan § 2, eerste en tweede lid, van het oude artikel 65 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Artikelen 5 en 6

De huidige artikelen 5 en 5bis van de provinciewet hebben respectievelijk betrekking op de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad enerzijds en op de vice-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant anderzijds. Die bepalingen horen evenwel niet langer thuis in titel I van de wet, die betrekking heeft op het provinciebestuur aangezien die commissarissen van de federale regering, net als de provinciegouverneurs, niet langer deel uitmaken van het provinciebestuur. Die bepalingen moeten dan ook worden ondergebracht onder titel VIII gewijd aan de gouverneur, in nieuwe artikelen 131ter en 131quater van een nieuw hoofdstuk IV dat, ten einde rekening te houden met de splitsing van de provincie Brabant, die bijzondere bepalingen bevat.

Een nieuw artikel 5 wordt ingevoegd. Het voorziet in een regeling volgens welke een lid kan worden voorgedragen voor een zetel in het uitvoerend college die vacant is geworden als gevolg van het overlijden of het ontslag van een lid van dat college. De drie paragrafen van dit artikel zijn dus niet van toepassing als het voltallige uitvoerend college moet worden vervangen.

Paragraaf 1 bepaalt dat de raadsleden die eerder de desbetreffende zetel hebben toegewezen, in de vervanging voorzien door een nieuwe aanwijzing. Die bepaling geldt ongeacht de samenstelling (meerderheid of proportioneel) van het college. Deze paragraaf steunt op § 5 van het oude artikel 65 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Beide andere paragrafen gaan uit van de veronderstelling dat de leden die eerder de desbetreffende zetel hebben toegewezen, nu niet door een nieuwe aanwijzing in de vervanging voorzien, omdat zij geen deel meer wensen uit te maken van het college. In dat geval wordt voor elke vacante zetel een afzonderlijke verkiezing gehouden.

De laatste paragraaf regelt die afzonderlijke verkiezing. Beide laatste paragrafen steunen respectievelijk op § 2 en § 3 van artikel 60 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Dit soort van aanvullende verkiezing is immers beter geschikt voor de vervanging van een welbepaald lid dan voor de aanwijzing van alle leden van het college.

Artikel 7

Titel II van de provinciewet, die bij de wet van 18 mei 1872 was opgeheven, wordt opnieuw ingevoerd met een nieuw opschrift dat verwijst naar de bevoegdheden van de provincie. Titel II bevat een artikel 6.

Artikel 6 van de wet, dat bij de wet van 18 mei 1872 was opgeheven, wordt immers opnieuw ingevoerd in een nieuwe lezing, die bepaalt in welk algemeen institutioneel kader de provincies hun bevoegdheden moeten uitoefenen. Hierbij wordt verwezen naar de samenwerking die er noodzakelijk moet komen tussen de instellingen van de provincie en de besturen van de gemeenten, de gewesten, de gemeenschappen en het Rijk. In dat artikel wordt onder meer bepaald dat de provincie de drijvende kracht moet zijn achter de onontbeerlijke coördinatie van de werkzaamheden van de verschillende gemeenten. Daarvoor werd inspiratie gezocht bij artikel 4, § 1, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten.

Artikel 8

Artikel 47 van de provinciewet telde oorspronkelijk één lid en wordt nu aangevuld met twee nieuwe leden. Dit artikel legt het aanwezigheidsquorum vast dat in de provincieraad is vereist om rechtsgeldig te kunnen beraadslagen en besluiten. Beide nieuwe leden bieden de raad de gelegenheid om toch zijn werkzaamheden te kunnen voortzetten als herhaaldelijk teveel leden afwezig zijn om het quorum te bereiken. Als de raad tweemaal na elkaar werd bijeengeroepen en het quorum nog steeds niet is bereikt, kan hij voortaan toch rechtsgeldig beraadslagen en besluiten, hoeveel leden op dat ogenblik ook aanwezig zijn. Beide nieuwe leden werden overgenomen uit artikel 90 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 9

Artikel 49, eerste lid, van de provinciewet wordt vervangen teneinde te voorzien in nieuwe regels betreffende de eerste vergadering van de provincieraad na de volledige vernieuwing ervan. De nieuwe provincieraden zullen vergaderen op de eerste vrijdag van het jaar dat volgt op het verkiezingsjaar in plaats van op de tweede vrijdag die volgt op de verkiezingsdag, behalve indien het gaat om een feestdag. De eerste vergadering van de provincieraden zal bijgevolg niet langer plaatshebben tussen 20 en 26 oktober maar tussen 2 en 8 januari van het volgende jaar. De provincieraadsverkiezingen zullen voortaan om de zes jaar gehouden worden op de tweede zondag van oktober samen met de gemeenteraadsverkiezingen. Het plannen van een eerste vergadering onmiddellijk na de provincieraadsverkiezingen is immers niet meer te verantwoorden daar de provincieraden geen provinciale senatoren meer dienen te leveren. Het is daarentegen wenselijk dat de zittingstijd van de provincieraden samenvalt met die van de gemeenteraden aangezien de verkiezing van beide lokale besturen eveneens samenvalt.

Daarenboven zal elke eerste vergadering van de nieuwe provincieraden worden voorgezeten door het lid met de meeste anciënniteit als provincieraadslid en niet langer door het oudste lid in jaren. De ervaring leert immers dat het oudste lid in jaren niet noodzakelijk het raadslid is dat het best geschikt is om de provincieraad voorlopig voor te zitten.

Tenslotte wordt artikel 49, waarvan het huidige tweede lid handelt over de aanwijzing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van het bureau door de nieuw verkozen provincieraad, aangevuld met een nieuw lid. Dat bijkomende lid voert een onverenigbaarheid in tussen een van de bovenvermelde mandaten en het lidmaatschap van het uitvoerend college. Om geen verwarring tussen de diverse ambten in het provinciebestuur te scheppen moet immers een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de personen met de hoedanigheid van raadslid en degenen met de hoedanigheid van lid van het uitvoerend college.

Artikel 10

Artikel 51 van de provinciewet wordt op een aantal punten inhoudelijk gepreciseerd. Het beginsel van de openbaarheid van de raadsvergaderingen wordt gehandhaafd. De mogelijkheid om tot de behandeling met gesloten deuren te beslissen, wordt minder soepel gemaakt. Er kan slechts met gesloten deuren worden beraadslaagd, wanneer daartoe bij tweederdemeerderheid is besloten, en alleen in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren. In een aantal bijzondere gevallen daarentegen wordt voortaan altijd met gesloten deuren beraadslaagd.

Het nieuwe artikel 51 is ontleend aan de artikelen 93 en 94 van de nieuwe gemeentewet. Bedoeld artikel 94 bepaalt onder meer het volgende : « De vergadering van de gemeenteraad mag niet openbaar zijn, (...) wanneer het om personen gaat. ». Duidelijkheidshalve wordt in de tekst zelf aangegeven welke uitlegging de rechtsleer en de rechtspraak daaraan geven (1).

Artikel 11

Artikel 52 van de provinciewet wordt zowel formeel als inhoudelijk enigszins bijgewerkt. De enigszins achterhaalde mogelijkheid om bij zitten en opstaan te stemmen, wordt afgeschaft. De overige beginselen worden gehandhaafd. Alleen de formulering ondergaat wijzigingen. Het nieuwe artikel 52 is ingegeven door artikel 100 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 12

Artikel 55 van de provinciewet wordt gewijzigd om er nadere, tot nog toe niet bestaande bepalingen in verband met de vergaderingen van de raad in te voegen. Deze bepalingen zijn ontleend aan artikel 89 van de nieuwe gemeentewet.

Het eerste lid van het artikel wordt op twee punten aangevuld. Ten eerste wordt gepreciseerd dat de raad in zijn reglement van orde kan bepalen dat de vergadering niet noodzakelijkerwijze met de voorlezing van de notulen van de vorige vergadering aanvangt. Ten tweede wordt op het einde van de raadsvergadering in een interpellatietijd voorzien. Een en ander moet de inwoners van de provincie de gelegenheid bieden om hun mening over de werkzaamheden van de provinciale instellingen te kennen te geven op de wijze te bepalen in het reglement van de raad.

Artikel 55, tweede lid, wordt vervangen. De nieuwe bepaling voorziet uitdrukkelijk in de verplichting om de notulen ten minste een uur voor het begin van de vergadering ter tafel te leggen. Zo kunnen de raadsleden in elk geval vóór het begin van de vergadering van de notulen kennis nemen, zodat het makkelijker wordt om tegen de redactie ervan bezwaar aan te tekenen.

Het nieuwe zesde lid schept de mogelijkheid voor de raad om de notulen staande de vergadering te laten opmaken.

Artikel 13

Artikel 57 van de provinciewet wordt vervangen teneinde te voorzien in nieuwe regels met betrekking tot de bijeenroeping van de raad en de wijzigingen van zijn agenda. Het voorgestelde nieuwe artikel herformuleert het eerste lid, laat het tweede lid vallen, verplaatst het derde lid en neemt het vierde lid van het huidige artikel 57 over.

Het huidige eerste lid bepaalt dat de termijn tussen de bijeenroeping en de vergadering van de raad ingaat op de dag dat de raadsleden hun oproeping thuis ontvangen. Die formule doet een ernstig probleem in verband met de bewijskracht rijzen, dat slechts kan worden opgelost via de buitengewoon omslachtige procedure van het aangetekend schrijven.

De overhandiging van de oproeping ten huize van de raadsleden door ambtenaren lijkt misschien nog doenbaar op het niveau van een gemeente maar is onuitvoerbaar op het niveau van de provincie. Derhalve wordt voorgesteld die termijn te laten ingaan op de dag van verzending van de oproeping. Die datum kan al veel minder worden betwist want het poststempel vormt een onweerlegbaar bewijs. Bijgevolg moet de gewone termijn van vijf op zeven vrije dagen gebracht worden waarin de tijd nodig voor het bezorgen van de post is inbegrepen. De termijn kan evenwel korter zijn in spoedgevallen, die evenwel moeten worden gemotiveerd in de oproeping zelf of in geval van een derde oproeping met toepassing van het nieuwe tweede lid van artikel 47, in welk geval de termijn wordt teruggebracht tot drie vrije dagen.

Het tweede lid van het nieuwe artikel 57 neemt het huidige vierde lid over. Het bepaalt dat een punt dat niet op de agenda voorkomt, toch ter zitting in bespreking kan worden gebracht wanneer ten minste twee derde van de aanwezige leden het dringend karakter ervan erkennen. De hypothese vervat in het huidige tweede lid en volgens hetwelk een dergelijk punt aan de agenda moet worden toegevoegd indien de aanvraag ten minste twee vrije dagen vóór die van vergadering wordt ingediend, wordt afgevoerd. Die voorwaarde volstaat immers niet om af te zien van de eis dat het spoedeisend karakter door een tweederde meerderheid moet worden erkend. De oplossing waarvoor aldus gekozen wordt, ligt in de lijn van de oplossing vervat in artikel 97 van de nieuwe gemeentewet.

Het derde lid van het huidige artikel 57 tenslotte komt op het einde van het artikel en bepaalt dat een verklarende nota of elk ander document dat de raad kan voorlichten, gevoegd wordt bij zowel een dringend punt dat niet op de agenda voorkomt als bij een voorstel dat wel voorkomt op de samen met de oproeping verstuurde agenda.

Artikel 14

In artikel 58 van de provinciewet worden met het oog op modernisering een aantal inhoudelijke en formele wijzigingen aangebracht. In het eerste lid wordt de mogelijkheid voor de voorzitter van de raad om aanwezigen uit de zaal te doen zetten nauwkeuriger omschreven. Het tweede lid wordt vervangen en bepaalt dat de voorzitter, in plaats van de betrokkene gedurende 24 uur op te sluiten, proces-verbaal kan opmaken tegen de betrokkene en hem kan verwijzen naar de politierechtbank die hem kan veroordelen tot geldboete of tot gevangenisstraf van 1 tot 3 dagen. Deze bepalingen steunen op artikel 98 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 15

Artikel 63 van de provinciewet wordt vervangen met het oog op de precisering en aanvulling van het verbod voor provincieraadsleden om deel te nemen aan een beraadslaging of besluit. Het 1º van het nieuwe artikel behelst de verdere uitwerking van het in het huidige artikel 63 opgenomen beginsel. De drie aanvullende punten verduidelijken de nieuwe redenen voor het opleggen van een verbod om zitting te nemen. Het nieuwe artikel 63 is ingegeven door artikel 92 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 16

In artikel 65, eerste lid, van de provinciewet wordt de algemene omschrijving van de bevoegdheden van de provincieraad verduidelijkt. De eerste zinsnede van de nieuwe formulering is een toepassing van artikel 162, tweede lid, 2º, van de Grondwet. In de tweede zinsnede wordt het beginsel verankerd dat de raad niet alleen de aangelegenheden van provinciaal belang regelt, maar ook alle andere aangelegenheden die onder de provinciale bevoegdheden vallen, opgesomd in het nieuwe artikel 6 van de wet. Deze bepaling voorziet tevens in de mogelijkheid voor de nationale, gewestelijke en communautaire overheid om andere bevoegdheden dan die van provinciaal belang aan de provincieraad te delegeren. Deze bepaling is ingegeven door artikel 117 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 17

Artikel 80 van de provinciewet, opgeheven bij de wet van 27 mei 1975, wordt opnieuw ingevoerd in een nieuwe lezing met het oog op de toewijzing van een aantal bijzondere bevoegdheden aan de raad. Deze bepaling legt de raad de verplichting op om een programmabeleid inzake milieu en economie uit te werken. Op die manier kunnen de provincies op hun niveau en in het kader van de eigen of gedelegeerde bevoegdheden aan het beheer van bepaalde gewestmateries deelnemen.

Artikel 18

Ook artikel 81 van de provinciewet, opgeheven bij de wet van 27 mei 1975, wordt met het oog op de toewijzing van een aantal bijzondere bevoegdheden aan de raad opnieuw ingevoerd in een nieuwe lezing. Op grond van dit artikel kan de raad optreden in bepaalde, in beginsel tot hogere of lagere bevoegdheidsniveaus behorende aangelegenheden. Aldus kan de provincieraad, op grond van een beslissing van de aanvankelijk bevoegde bewindsniveaus, de bevoegdheid toegewezen krijgen om een aantal nationale, gewest-, gemeenschaps- of gemeentelijke materies te regelen.

De uitoefening van gemeentelijke bevoegdheden door de provincie is evenwel beperkt tot het grondgebied van de gemeenten die om een dergelijke bevoegdheidsdelegatie hebben verzocht. Deze bepaling moet de provincieraden in staat stellen om sommige, thans door de intercommunale verenigingen uitgeoefende bevoegdheden op een meer democratische wijze uit te oefenen. Het nieuwe artikel 81 is ontleend aan het bepaalde in artikel 4, § 4, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten.

Artikelen 19 en 20

De opschriften van titel VII van de provinciewet en van hoofdstuk I van deze titel worden aangepast aan de nieuwe benaming van het uitvoerend orgaan van de provincie. De redenen voor deze naamsverandering zijn in de commentaar bij artikel 3 van dit wetsvoorstel uiteengezet. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de nieuwe benaming is ingegeven door die welke in de wet van 26 juli 1971 aan het uitvoerend college van de agglomeraties en federaties van gemeenten is gegeven.

Artikel 21

Artikel 100 van de provinciewet, dat de duur van het mandaat van lid van het uitvoerend college vaststelt, wordt gewijzigd om te bepalen dat de leden van het college voortijdig uit hun ambt kunnen worden ontslagen, overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen.

Artikel 22

Een nieuw artikel 100bis wordt ingevoegd. In het eerste lid van dit artikel wordt het beginsel van de verantwoordelijkheid van de leden van het college tegenover de raad vastgesteld. Aangezien de provinciale zittingsperiode van vier tot zes jaar wordt verlengd, mag het college niet onafzetbaar zijn. Integendeel, er moet in de relaties tussen college en raad enige soepelheid tot stand worden gebracht. De meerderheid kan immers tijdens een zo lange periode wijzigingen ondergaan. Bij gebrek aan soepelheid is het gevaar groot dat het college door een hem vijandig geworden raad wordt lamgelegd. Die soepelheid mag evenwel niet tot instabiliteit van de provinciale organen leiden.

Het tweede lid heeft dan ook tot doel de mogelijkheid tot het op het spel zetten van deze verantwoordelijkheid te beperken tot de gevallen bedoeld in de volgende artikelen. Zulks om te voorkomen dat deze procedure wordt omzeild. In het derde lid wordt voorzien in een termijn van achtenveertig uur tussen de indiening en het in stemming brengen van een motie betreffende de verantwoordelijkheid van de leden van het college. Een en ander moet de raad enige bedenktijd geven. Het eerste en het laatste lid zijn respectievelijk ingegeven door artikel 70 en de artikelen 71, derde lid, en 72, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Artikel 23

Een nieuw artikel 100ter wordt ingevoegd tot vaststelling van de procedure van de constructieve motie van wantrouwen. Dit type van motie biedt het voordeel dat de raad alleen een motie van wantrouwen tegenover het college of een van zijn leden kan goedkeuren, als hij meteen een alternatief voorstelt. Aldus wordt voorkomen dat een politiek vacuüm ontstaat. Dit artikel stoelt op artikel 71 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat zelf op artikel 67 van de Duitse Grondwet is gebaseerd.

Artikel 24

Er wordt een nieuw artikel 100quater ingevoegd tot regeling van de door het uitvoerend college voorgelegde vertrouwensstemming. Er wordt slechts vertrouwen geschonken wanneer de meerderheid van de raadsleden de motie goedkeuren. Die meerderheid moet dus te kennen geven dat zij het uitvoerend college nog altijd steunt. Dit artikel is ingegeven door artikel 72 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat op zijn beurt op artikel 68 van de Duitse Grondwet is gebaseerd.

Artikel 25

Er wordt een nieuw artikel 100quinquies ingevoegd. Deze bepaling betreft de periode tussen het ontslag van het college en de vervanging ervan, ongeacht of het om vrijwillig ontslag dan wel om ontslag van rechtswege op grond van artikel 100quater gaat. Zolang het ontslagnemende college niet is vervangen, handelt het de lopende zaken af. Er wordt in zijn vervanging voorzien overeenkomstig het nieuwe artikel 4 van de provinciewet. Een ontslagnemend lid van het college wordt vervangen overeenkomstig het nieuwe artikel 5 van de wet. Dit artikel steunt op artikel 73 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Artikel 26

Artikel 102 van de provinciewet wordt lichtjes aangepast aan de nieuwe benaming van het uitvoerend orgaan van de provincie. De redenen voor deze naamsverandering werden uiteengezet in de commentaar bij artikel 3 van dit wetsvoorstel.

Artikel 27

Artikel 103 van de provinciewet, opgeheven bij de wet van 1 juli 1860, wordt hersteld in een nieuwe lezing. Het bepaalt dat de leden van het college de eed afleggen in handen van de voorzitter van de raad. Deze bepaling is ingegeven door artikel 62 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Artikel 28

Artikel 104 van de provinciewet wordt gewijzigd ten einde in nieuwe regels voor de werkwijze van het college te voorzien.

Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter van het college uit zijn midden wordt aangewezen. De gouverneur kan niet langer voorzitter van het college zijn, aangezien hij geen deel meer uitmaakt van de provinciale organen. Het college wijst zijn voorzitter in beginsel bij consensus aan. Als overeenstemming niet mogelijk is, wordt de voorzitter bij absolute meerderheid van de leden van het college aangewezen. Dit lid is ontleend aan het bepaalde in artikel 60, § 4, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Het nieuwe tweede lid biedt het college de mogelijkheid om, onverminderd de bepalingen van de wet zelf, zijn eigen werkwijze vast te stellen. Dit lid is ontleend aan artikel 68 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en leidt tot het derde lid, waarin het beginsel wordt vastgesteld dat het reglement van het college door de raad moet worden goedgekeurd.

Door de wijziging van het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de mogelijkheid uitgesloten dat één of twee raadsleden zitting krijgen in het college om het quorum te bereiken. Het principe dat het college alleen rechtsgeldig kan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de leden aanwezig is, wordt bijgevolg tot een absoluut principe verheven.

Het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, bepaalt volgens welke regels de besluiten in het college moeten worden genomen. Dit lid wordt vervangen, zodat het principe van de consensus in de plaats komt van het meerderheidsprincipe. Deze bepaling is ingegeven door artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De bijzondere regels die gelden voor de besluitvorming wanneer het college een rechtsprekende taak uitoefent, worden opgenomen onder artikel 104bis .

De vier laatste leden tenslotte vervallen daar ze reeds stilzwijgend werden opgeheven (2) door de bepalingen in artikel 104bis , ingevoegd door de wet van 6 juli 1987.

Artikel 29

Artikel 104bis van de provinciewet, dat een aantal principes vastlegt betreffende de rechtsprekende taken van het college, wordt gewijzigd : in afwachting dat deze taken worden opgedragen aan onafhankelijke administratieve rechtbanken, worden specifieke regels opgenomen in verband met het principe dat de besluiten bij meerderheid worden genomen.

Artikel 30

Artikel 106, derde lid, van de provinciewet wordt lichtjes gewijzigd en bepaalt dat het college zorg draagt voor het voorafgaande onderzoek van alle zaken die aan de raad worden voorgelegd, onder meer van de zaken die aan het college worden opgedragen door de gemeenten, het gewest, de gemeenschap of de Staat, en niet alleen van zaken van provinciaal belang. Deze wijziging gaat gepaard met de vervanging van artikel 122, dat nu bepaalt dat de gouverneur zorg draagt voor het onderzoek van alle zaken, andere dan die bedoeld bij artikel 106. Aangezien de gouverneur laatste geen provinciaal orgaan meer is, moet het college deze verantwoordelijkheid overnemen.

Artikel 106 wordt aangevuld met een nieuw lid waarbij het uitvoerend college wordt verplicht de provincieraad alle gewenste inlichtingen te verstrekken betreffende het beleid van het college en meer algemeen betreffende de uitoefening van de bevoegdheden van het college. Die bepaling maakt het de provincieraadsleden mogelijk de leden van het college te interpelleren, ook over aangelegenheden die niet tot de bevoegdheid van de provincieraad behoren.

Dat nieuwe lid gaat uit van artikel 113 van de Nederlandse provinciewet. Er zijn evenwel twee beperkingen : de verzoeken om inlichtingen mogen niet strijdig zijn met het algemeen belang en zij mogen geen betrekking hebben op de uitoefening van het toezicht op de gemeenten. Afgezien van die twee beperkingen kan de verantwoordelijkheid van de leden van het uitvoerend college zoals die is ingesteld bij het nieuwe artikel 100bis van de wet, naar aanleiding van die verzoeken om inlichtingen in het geding worden gebracht.

Artikel 31

Artikel 107 van de provinciewet, opgeheven bij de wet van 6 januari 1984, wordt opnieuw ingevoerd in een nieuwe lezing. Het eerste lid beperkt de bevoegdheden van het college tot de bevoegdheden die het formeel toegekend krijgt door de provinciewet.

Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat het college meer bevoegdheden krijgt dan bij de provinciewet is bepaald. Zo moet bij de uitbreiding van bevoegdheden de raad worden bevoordeeld ten opzichte van het college. Dit eerste lid is rechtstreeks ontleend aan artikel 105 van de Grondwet.

Het tweede lid beoogt de mogelijkheden van de raad om aan het college te delegeren streng te reglementeren : delegeren is slechts mogelijk voor welbepaalde bevoegdheden en voor ten hoogste een jaar. De bevoegdheden waarvan de Grondwet ­ de regeling van de provinciale belangen (artikelen 41 en 162, tweede lid, 2º) ­ en de nieuwe artikelen 80 tot 82 van de provinciewet bepalen dat het eigen bevoegdheden zijn van de raad, kunnen niet aan het college worden gedelegeerd.

Artikel 32

Artikel 119, derde lid, van de provinciewet wordt vervangen en bepaalt nu de wijze waarop de akten, beraadslagingen en besluiten worden ondertekend : naast de handtekening van de griffier is ook de handtekening van de voorzitter van de raad of van de voorzitter van het college vereist, naargelang het vergaderingen van de raad of van het college betreft. De wijziging strekt ertoe naar gelang van het beslissingsorgaan een duidelijk onderscheid te maken op het stuk van de ondertekenaars : in tegenstelling tot de huidige bepaling mogen de akten, beraadslagingen en besluiten van de raad niet meer ondertekend worden door de leden van het college.

Artikel 33

Artikel 120 van de wet wordt gewijzigd zodat de burgers beter kunnen worden ingelicht over de activiteiten van de provincie. Het vierde lid bepaalt dat de provinciegriffier gehouden is elke inwoner van de provincie die erom vraagt, ter plaatse inzage te geven van de akten van de raad of van het uitvoerend college en van de in het archief berustende stukken. De inwoners moeten niet langer bewijzen dat ze belanghebbende zijn opdat de griffier hun verzoek kan inwilligen.

Er wordt een nieuw lid ingevoegd dat de griffier ertoe verplicht de akten van de raad of van het college die een algemene strekking hebben, door aanplakking bekend te maken in alle gemeenten van de provincie. Via die aanplakking moeten de inwoners van de provincie kennis kunnen nemen van de besluiten die hen eventueel aanbelangen en kunnen vernemen waar de volledige tekst van een besluit ter inzage ligt. Dit nieuwe lid steunt op artikel 112 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 34

Artikel 122 van de provinciewet wordt vervangen en voorziet nu in de nadere regels voor de benoeming en afzetting van de gouverneur, die tot nu door artikel 4 van de provinciewet werden geregeld. Artikel 4 werd zelf vervangen en regelt nu de verkiezing van het uitvoerend college door de provincieraad. De redenen waarom de regels voor de benoeming en de afzetting van de gouverneur werden verplaatst, werden toegelicht in de commentaar bij artikel 4 van dit wetsvoorstel.

Aangezien de gouverneur geen provinciaal orgaan meer is, verliest hij de bevoegdheid die hem door het huidige artikel 122 wordt toegekend, namelijk de bevoegdheid om zorg te dragen voor het onderzoek van bepaalde zaken die aan de provincie worden onderworpen. Deze verantwoordelijkheid wordt geheel overgenomen door het uitvoerend college, conform artikel 106, derde lid, zoals gewijzigd bij artikel 30 van dit wetsvoorstel.

Artikel 35

Artikel 123 van de provinciewet wordt vervangen en omschrijft nauwkeuriger de mogelijkheid waarover de gouverneur beschikt om de beraadslagingen van de raad of van het college bij te wonen. Aangezien de gouverneur geen provinciaal orgaan meer is, kan hij als gouverneur de vergaderingen nog slechts bijwonen als zijn aanwezigheid door de raad of het college wordt gevorderd.

Artikel 36

Artikel 124 van de provinciewet wordt gewijzigd om de taken van de gouverneur nauwkeuriger te definiëren. Tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd. Het bepaalt dat de gouverneur een administratieve en financiële controle uitoefent op de provincie. Ten minste eenmaal per jaar moet hij over zijn controleactiviteiten een verslag opstellen en de gewestraad hiervan in kennis stellen; hij moet de provincieraad en de gemeenteraden kennis geven van de uittreksels van dat verslag die op hen betrekking hebben.

Artikel 37

De bepalingen van de provinciewet waarin, na de doorvoering van de door dit wetsvoorstel aangebrachte wijzigingen, nog de woorden « deputatie » of « bestendige deputatie » voorkomen, worden door de eerste paragraaf van artikel 37 van dit wetsvoorstel aangepast aan de nieuwe terminologie die voor het uitvoerend orgaan van de provincie wordt voorgesteld.

De tweede en derde paragraaf machtigen de Koning om de andere wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan aan te passen aan respectievelijk de nieuwe terminologie die voor het uitvoerend orgaan van de provincie wordt voorgesteld en aan de nieuwe nummering die voor sommige artikelen betreffende de gouverneurs, de vice-gouverneur en de adjunct-gouverneur is aangenomen.

HOOFDSTUK II

Wijzigingen van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen

Artikel 38

De eerste paragraaf van artikel 15 van de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen bepaalt dat, in het kader van de provincieraadsverkiezingen, de apparentering tussen de districtslijsten beperkt wordt tot het administratief arrondissement. De samenstelling van de provincieraad is bijgevolg niet echt evenredig met de resultaten van de stemming. Opdat de provincieraadsverkiezingen echt proportioneel kunnen zijn, moet de apparentering tot de hele provincie worden uitgebreid.

De eerste paragraaf van artikel 15 wordt dus gewijzigd, zodat lijsten die in een kiesdistrict worden voorgedragen zich, met het oog op de apparentering, kunnen verbinden met lijsten die in andere districten van de provincie worden voorgedragen, en niet alleen met die van de andere districten van hetzelfde arrondissement. In de andere paragrafen van artikel 15 wordt dienovereenkomstig de omschrijving gewijzigd van het centraal bureau dat in geval van apparentering de zetels moet verdelen.

Artikel 39

Artikel 20, §§ 1, 3 en 4 van de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen wordt grondig gewijzigd. Hierdoor worden de zetels die door het provinciaal centraal bureau aan de groepen van verbonden lijsten worden toegekend, evenrediger over de districten verdeeld.

De huidige procedure, vastgelegd in de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, steunt immers op de methode van « de grootste overschotten ». Deze methode heeft twee nadelen : enerzijds maakt ze de toekenning van slechts één aanvullende zetel per lijst mogelijk, terwijl de groep in haar geheel via apparentering meer aanvullende zetels kan toegekend krijgen dan ze lijsten telt; anderzijds worden de aanvullende zetels over de districten verdeeld zonder dat rekening wordt gehouden met de kiescijfers van de lijsten die in die districten werden voorgedragen. De verdeling van de zetels die daaruit voortvloeit, kan dan ook onlogisch en verward lijken, ja zelfs het gevolg van het toeval.

De huidige procedure voor de parlementsverkiezingen vastgelegd in het Kieswetboek is niet veel beter. Hier kunnen weliswaar verschillende aanvullende zetels per lijst worden toegekend, maar deze procedure steunt op de methode-D'Hondt en bevoordeelt bijgevolg de hoge kiescijfers. Daardoor worden de sterkst bemande lijsten en de grootste kiesdistricten het eerst bediend, zodat er voor de kleine partijen alleen nog maar kleine kiesdistricten overblijven waarin zij precies het zwakst vertegenwoordigd zijn. Om de ongerijmde toewijzing van zetels aan sommige kiesdistricten te brandmerken, heeft men het principe ervan wel eens als de « haarklieverij van de lijstenverbinding » bestempeld.

Doordat die aberraties alleen afhangen van de methode volgens welke de aanvullende zetels over de lijsten van het kiesdistrict herverdeeld worden, zijn zij helemaal niet onvermijdelijk. De methode van de oneven reeks, die de « Sainte-Lagüemethode » wordt genoemd, maakt, wegens het feit dat ze de hoge stemcijfers minder bevoordeelt, een veel minder ongerijmde verdeling van de zetels over de kiesdistricten mogelijk, zonder dat ze de toekenning van meer dan een zetel per lijst verbiedt. Het tweede lid van § 1 wordt gewijzigd met het oog op een billijker verdeling van de aanvullende zetels over de districten, nl. door het delen van de kiesquotiënten door de oneven reeks.

Opdat de aanvullende zetels werkelijk rationeel over de kiesdistricten kunnen worden verdeeld, mag de gebezigde methode evenwel alleen rekening houden met de met toepassing van § 1 verkregen plaatselijke breuken en niet, zoals dat in de huidige provinciekieswet, onder verwijzing naar het Kieswetboek wordt voorgeschreven, met de orde van toewijzing van de aanvullende zetels aan de respectieve groepen van lijsten (3). Het vierde en de volgende leden van § 3 worden derhalve gewijzigd opdat de aanvullende zetels op grond van de in dalende orde gerangschikte plaatselijke breuken over alle lijsten van alle districten kunnen worden verdeeld.

De nieuwe leden van § 3 bepalen ook dat, als het maximum aan zetels bereikt is voor een groep van lijsten of een district, de met die groep van lijsten of dat district overeenstemmende plaatselijke breuken van iedere latere toewijzing van aanvullende zetels uitgesloten zijn. Dat maximum is bereikt wanneer aan een groep van lijsten of aan een district het aantal zetels is toegewezen waarop zij respectievelijk recht hebben. Voorts zij aangestipt dat die methode van verdeling van de aanvullende zetels over de districten niets aan de verdeling van de zetels over de lijstengroepen verandert. In dat verband blijft § 2 van de artikelen 19 en 20, waarin de methode-D'Hondt wordt gebruikt, onverkort van toepassing.

De nieuwe leden van de §§ 1 en 3 en de nieuwe § 4 bevatten ook bijzondere, maar zeer zelden toegepaste regels voor het geval een aan een lijst toegekende zetel niet kan worden begeven omdat op die lijst niet genoeg kandidaten voorkomen of voor het geval een aan een groep toegewezen zetel niet kan worden begeven omdat er in het district waar die zetel moet worden begeven, geen lijst werd ingediend. Dankzij die regels kan de zetel opnieuw aan een andere lijst van dezelfde groep worden toegewezen. In tegenstelling met de vigerende wetgeving, die de vacante zetel opnieuw aan een andere lijst van hetzelfde district toewijst, kan met diezelfde regels worden voorkomen dat aan de evenredige verdeling wordt geraakt. De zetel wordt alleen opnieuw aan een andere groep toegewezen in de onderstelling dat hij niet kan worden begeven omdat op geen van de lijsten van de groep waaraan die zetel was toegewezen, genoeg kandidaten voorkomen.

Artikel 20, § 2, derde lid, wordt eveneens gewijzigd om een kiesquorum in te voeren dat in verhouding staat tot het algemeen totaal van de geldige stemmen (5 pct.) in plaats van tot de kiesdeler (66 pct.). In vergelijking met het eerste quorum biedt het tweede quorum het nadeel dat de toegang van een lijstengroep tot de apparentering meer afhankelijk is van de omvang van de kiesdistricten dan van de electorale kracht van de lijsten die er werden ingediend. Daarom zorgt het huidig kiesquorum voor de eliminatie van kleine partijen in de dunbevolkte provincies en in de provincies die opgedeeld zijn in een groot aantal districten, hoewel hun stemmenpercentage in de verschillende provincies op hetzelfde niveau ligt. Die nadelige toestand wordt met het nieuwe quorum voorkomen aangezien een lijstenverbinding enkel op grond van het stemmenpercentage geëlimineerd wordt.

Tenslotte worden nog andere bepalingen van artikel 20 licht gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met de uitbreiding van de apparentering tot de hele provincie zoals wordt uiteengezet in de toelichting bij het vorige artikel.

Artikel 40

Artikel 25 van de provinciekieswet wordt gewijzigd : voor de provincieraadsleden wordt een onverenigbaarheid toegevoegd. Zij zullen nog slechts één mandaat in de intercommunales of de interprovinciales kunnen uitoefenen. Die onverenigbaarheid is eveneens van toepassing op de leden van het uitvoerend college aangezien zij ook provincieraadslid zijn.

Artikel 41

Artikel 27 van de provinciekieswet wordt gewijzigd : er wordt voor de leden van het uitvoerend orgaan van de provincie een onverenigbaarheid toegevoegd. Het is hen verboden tegelijk tevens lid te zijn van een federale regering, een gewest- of een gemeenschapsregering. Het is hen eveneens verboden hun functie in het uitvoerend college te cumuleren met een mandaat van gemeenteraadslid of lid van een college van burgemeester en schepenen. Die verbodsbepalingen strekken ertoe te voorkomen dat leden van het uitvoerend college tegelijk rechter en partij zouden zijn bij de uitoefening van respectievelijk het gewone en het bijzondere toezicht op de provincie en het toezicht op de gemeenten.

Artikel 42

Artikel 32 van de provinciekieswet wordt lichtjes gewijzigd om rekening te houden met de in artikel 20 van die wet aangebrachte veranderingen en met de verruiming van de lijstenverbinding tot de gehele provincie. De redenen van die verruiming werden in de commentaar bij artikel 38 van dit wetsvoorstel toegelicht.

Artikel 43

Artikel 33 van de provinciekieswet wordt vervangen om het artikel in overeenstemming te brengen met de wijzigingen aangebracht in artikel 49 van de provinciewet op het stuk van de eerste vergadering van de nieuwe verkozen provincieraden. Daar die eerste vergadering is vastgesteld begin januari van het jaar dat volgt op de verkiezing, is het eveneens wenselijk het zesjarig mandaat van de provincieraadsleden te laten ingaan op 1 januari. Daar de provincieraadsverkiezingen en de gemeenteraadsverkiezingen gelijktijdig worden gehouden, is het immers raadzaam de zittingsperiode van de provincieraden te laten samenvallen met die van de gemeenteraden. Het nieuwe artikel 33 steunt derhalve op artikel 2 van de nieuwe gemeentewet.

Artikel 44

Artikel 34 van de provinciekieswet wordt aangevuld met twee nieuwe leden die bepalen dat de uittredende provincieraadsleden en de leden van de uitvoerende colleges hun mandaat blijven uitoefenen tot zij vervangen zijn. Aangezien de nieuw gekozen provincieraadsleden krachtens het nieuwe artikel 33 van de provinciekieswet hun mandaat pas opnemen op 1 januari van het daaropvolgende jaar, blijven de uittredende provinciale organen tot die datum hun functie uitoefenen. Die termijn biedt hen de mogelijkheid de regelmatigheid na te gaan van de gemeenteraadsverkiezingen die tegelijkertijd hebben plaatsgevonden, zulks in afwachting dat die taak aan onafhankelijke administratieve rechtbanken wordt opgedragen. Die twee nieuwe leden gaan uit van artikel 4 van de nieuwe gemeentewet.

HOOFDSTUK III

Slotbepaling

Artikel 45

Artikel 45 van dit wetsvoorstel stelt de inwerkingtreding van de diverse artikelen ervan vast, met uitzondering van artikel 1 (voorafgaande bepaling), artikel 37, §§ 2 en 3 (delegatie aan de Koning), artikel 44 (verlenging van het mandaat) en artikel 45 (slotbepaling). Die bepalingen treden derhalve in werking tien dagen na de officiële bekendmaking van de wet.

De artikelen in verband met de provincieraadsverkiezingen daarentegen treden in werking bij de eerstkomende algehele vernieuwing van de provincieraden. De overige artikelen betreffende de werking van de provinciale instellingen treden in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op de officiële bekendmaking van de wet.

José DARAS.
Eddy BOUTMANS.

WETSVOORSTEL


HOOFDSTUK I

Voorafgaande bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II

Wijzigingen van de provinciewet van 30 april 1836

Art. 2

In artikel 1 van de provinciewet van 30 april 1836 worden de woorden « commissaris van de regering » vervangen door de woorden « uitvoerend college ».

Art. 3

Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 3. ­ De provincieraad kiest uit zijn midden een uitvoerend college op de wijze bepaald in de hiernavolgende artikelen. »

Art. 4

§ 1. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 3 april 1973 en 28 december 1974, wordt onder titel VIII met als opschrift « De provinciegriffier » artikel 118bis .

In dat artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het eerste lid wordt opgeheven;

2º in het tweede lid vervallen de woorden « Zij worden benoemd en afgezet door de Koning; ».

§ 2. Op de plaats van dat artikel 4 wordt een artikel 4 (nieuw) ingevoegd, dat luidt als volgt :

« Art. 4. ­ § 1. De kandidaten voor het college die voorgedragen zijn op een zelfde lijst ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van de raad, zijn verkozen.

De orde van voordracht van de kandidaten bepaalt de orde van voorrang van de leden van het college.

§ 2. Indien binnen 40 dagen na het ontslag van het college geen enkele lijst aan de voorzitter van de raad wordt overhandigd die ondertekend is door de volstrekte meerderheid van de leden van de raad, worden de mandaten van lid van het college, overeenkomstig § 3, evenredig verdeeld over de politieke fracties waaruit de raad is samengesteld.

In dat geval wordt de rangorde van de leden van het college bepaald door de volgorde van het overeenstemmende quotiënt berekend overeenkomstig § 3.

§ 3. Het aantal mandaten dat aan elke fractie toekomt, wordt bepaald door het bureau van de raad, dat de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek toepast, daarbij als stemcijfer van elke fractie het aantal leden van die fractie in aanmerking nemend.

Elke fractie zendt aan de voorzitter van de raad een lijst met, in de volgorde van haar voorkeur, zoveel namen van haar leden die zij aanwijst om deel uit te maken van het college als er mandaten aan de fractie toekomen overeenkomstig het eerste lid. De lijsten zijn slechts geldig als zij ondertekend zijn door de meerderheid van de raadsleden waaruit de betrokken fractie bestaat.

De voorzitter van de raad vergewist zich of de voorwaarden voor het opmaken van de lijsten vervuld zijn. Hij nodigt de aangewezen leden van het college uit de eed af te leggen.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden geacht een fractie te vormen, de leden van de raad die verkozen zijn op lijsten die onder een gemeenschappelijk volgnummer zijn ingediend met toepassing van artikel 10, § 2, of artikel 13, § 2, van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen.

De niet in het eerste lid bedoelde leden van de raad die op een zelfde lijst verkozen zijn, worden eveneens geacht een fractie te vormen. »

Art. 5

§ 1. Artikel 5 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 16 juli 1993 en gewijzigd door de wet van 11 juli 1994, wordt onder titel IX met als opschrift « De gouverneur » artikel 131ter in een hoofdstuk IV (nieuw) met als opschrift « Bijzondere bepalingen ».

§ 2. Op de plaats van dat artikel 5 wordt een artikel 5 (nieuw) ingevoegd, luidende :

« Art. 5. ­ § 1. Is een mandaat in het college vacant, dan voorzien de raadsleden die de desbetreffende zetel hebben toegewezen, in de vervanging door een nieuwe aanwijzing.

§ 2. Indien, binnen 10 dagen nadat in het college een mandaat is opengevallen, het ontbrekende lid of de ontbrekende leden niet vervangen zijn, wordt overgegaan tot afzonderlijke verkiezingen overeenkomstig § 3.

§ 3. De voordrachten van kandidaturen voor de zetel die in het college is opengevallen, moeten worden ondertekend door ten minste vijf leden van de raad. Dezen mogen slechts een enkele voordracht voor elk mandaat ondertekenen.

De verkiezing gebeurt bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van de leden van de raad in zoveel afzonderlijke stembeurten als er te verkiezen leden zijn.

Indien bij een verkiezing geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid heeft behaald in de eerste stembeurt, wordt er opnieuw gestemd om de twee kandidaten die het grootste aantal stemmen hebben verkregen, te rangschikken, na eventuele terugtreding van een gunstiger gerangschikte kandidaat.

Bij staking van stemmen is de jonste kandidaat gekozen. »

Art. 6

Artikel 5bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 16 juli 1993 en gewijzigd door de wet van 11 juli 1994, wordt onder titel IX met als opschrift « De gouverneur » artikel 131quater in hetzelfde hoofdstuk IV (nieuw) met als opschrift « Bijzondere bepalingen ».

In dat artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden de woorden « bedoeld in de artikelen 1 en 4 » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 122 »;

2º in het zesde lid worden de woorden « vermeld in artikel 5, § 2 » vervangen door de woorden « vermeld in artikel 131ter , § 2 ».

Art. 7

§ 1. Titel II van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 18 mei 1872, wordt hersteld onder het opschrift « Bevoegdheden van de provincie ».

§ 2. In die nieuwe Titel II met als opschrift « Bevoegdheden van de provincie » wordt artikel 6 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 18 mei 1872, hersteld in de volgende lezing :

« Art. 6. ­ De provincie ziet erop toe dat de nationale wetten en de decreten van gemeenschappen en gewesten op haar grondgebied worden toegepast.

Ze staat de gemeenten bij en adviseert hen bij de uitvoering van hun taken, coördineert hun optreden en stimuleert met name de technische coördinatie van de gemeentediensten.

Ze controleert de provinciebesturen en de provinciale instellingen waarin de provincie en de intercommunale verenigingen deel hebben. »

Art. 8

Artikel 47 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 27 mei 1975, wordt aangevuld met de volgende leden :

« De raad kan echter, indien hij tweemaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden is opgekomen, na een derde en laatste bijeenroeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze beraadslagen en besluiten over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda voorkomen.

De tweede en de derde oproeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 57, en er moet vermeld worden of de oproeping voor de tweede of voor de derde maal geschiedt; bovendien moeten de bepalingen van de eerste twee leden van dit artikel in de derde oproeping woordelijk worden overgenomen.»

Art. 9

In artikel 49 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 6 januari 1984 en 11 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

« 1º het eerste lid wordt vervangen door de volgende leden :

« Na elke volledige vernieuwing van de provincieraad vergaderen de nieuw gekozen raadsleden van rechtswege zonder oproeping op de eerste vrijdag van het jaar dat volgt op dat van de verkiezing om 14 uur, onder voorzitterschap van het lid dat de meeste anciënniteit heeft als provincieraadslid of, bij gelijke anciënniteit, de oudste van hen, bijgestaan door de jongste twee leden als secretaris.

Indien de eerste vrijdag bedoeld in het vorige lid evenwel een feestdag is, wordt de vergadering van de nieuwe provincieraad uitgesteld tot de daaropvolgende maandag. »;

2º het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :

« De voorzitter, de ondervoorzitter of ondervoorzitters en de leden van het bureau kunnen geen lid zijn van het uitvoerend college. »

Art. 10

Artikel 51 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 51. ­ Dag, uur, plaats en agenda van de vergaderingen van de raad worden ten minste vijf vrije dagen vóór de vergadering door aanplakking ad valvas in de gemeenten van de provincie bekendgemaakt.

De vergaderingen van de raad zijn openbaar. Tweederde van de aanwezige leden kunnen in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren beslissen dat de vergadering niet openbaar zal zijn.

De vergadering van de raad mag daarenboven niet openbaar zijn in alle gevallen waarin zaken worden behandeld waarbij derden zijn betrokken die niet tot de raad behoren of waarbij de persoonlijke levenssfeer van de raadsleden ter sprake komt. Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter terstond de behandeling in besloten vergadering; de openbare vergadering kan eerst worden hervat nadat dit punt is afgehandeld. »

Art. 11

Artikel 52 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 52. ­ De leden van de raad stemmen mondeling en bij naamafroeping, behalve over voordrachten van kandidaten, benoemingen, schorsingen, afzettingen of ontzettingen, die bij geheime stemming geschieden. »

Art. 12

Artikel 55 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 30 december 1887 en gewijzigd door de wet van 27 mei 1975, wordt gewijzigd als volgt :

« 1º het eerste lid wordt vervangen als volgt :

« De vergadering wordt door de voorzitter geopend en gesloten. Tenzij het reglement van orde anders bepaalt, begint ze met de voorlezing van de notulen van de vorige vergadering die, na goedkeuring, overeenkomstig artikel 119 worden overgeschreven. Op het einde van de vergadering wordt de inwoners van de provincie de mogelijkheid geboden om, met inachtneming van de bepalingen van het reglement, nadere toelichting te vragen omtrent de beraadslagingen en de besluiten van de raad of van het college. »;

2º het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« In elk geval worden de notulen ten minste een uur vóór het openen van de vergadering ter tafel gelegd. »;

3º in het derde lid, in limine, worden de woorden « In dat geval heeft elk lid » vervangen door de woorden « Elk lid heeft »;

4º het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :

« Telkens wanneer de raad het gewenst acht, worden de notulen geheel of gedeeltelijk staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend. »

Art. 13

Artikel 57 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 6 januari 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 57. ­ Behalve in specifiek gemotiveerde dringende gevallen geschiedt de bijeenroeping van de raad schriftelijk en aan huis, ten minste zeven vrije dagen vóór die van de vergadering. Die termijn wordt evenwel tot drie vrije dagen teruggebracht voor de toepassing van artikel 47, tweede lid. Het poststempel geldt als bewijs. De oproepingsbrief vermeldt de agenda evenals de voorstellen die op de agenda voorkomen.

Een voorstel dat niet op de agenda voorkomt, mag ter zitting niet in bespreking worden gebracht behalve in dringende gevallen erkend door ten minste twee derde van de aanwezige leden; hun naam wordt in de notulen opgenomen.

De in de vorige twee leden bedoelde voorstellen moeten vergezeld zijn van een verklarende nota of van elk document dat de raad kan voorlichten. »

Art. 14

Artikel 58 van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt :

1º in het eerste lid worden de woorden « die wanorde veroorzaakt » vervangen door de woorden « die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt »;

2º het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« De voorzitter kan bovendien proces-verbaal opmaken tegen de overtreder en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot geldboete van een frank tot vijftien frank of tot gevangenisstraf van een dag tot drie dagen, onverminderd andere vervolgingen, indien het feit daartoe grond oplevert. »

Art. 15

Artikel 63 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 30 december 1887, wordt vervangen als volgt :

« Art. 63. ­ Het is elk raadslid verboden :

1º tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.

Inzake voordrachten van kandidaten, benoemingen tot bedieningen, afzettingen of schorsingen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad;

2º rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige dienst, heffing van rechten, levering of aanbesteding ten behoeve van de provincie;

3º als advocaat, notaris of zaakwaarnemer werkzaam te zijn in rechtsgedingen, tegen de provincie ingesteld. Het is hem verboden in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de provincie te pleiten, raad te geven of op te treden in enige betwiste zaak, tenzij hij het kosteloos doet;

4º tegenwoordig te zijn bij het onderzoek van de rekeningen der aan de provincie ondergeschikte openbare besturen waarvan hij lid is. »

Art. 16

Artikel 65, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« De raad regelt alles wat van provinciaal belang is; hij beraadslaagt en besluit over elk ander onderwerp dat tot de bevoegdheid van de provincie behoort of dat hem door de hogere overheid wordt voorgelegd. »

Art. 17

Artikel 80 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 27 mei 1975, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 80. ­ De raden werken actieprogramma's uit voor het waarborgen van de kwaliteit van het leefmilieu en van de veiligheid en doeltreffendheid van de transportmiddelen, voor het bevorderen van een spaarzaam gebruik van de natuurlijke rijkdommen en energiebronnen en, meer in het algemeen, van een duurzame economische ontwikkeling. »

Art. 18

Artikel 81 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 27 mei 1975, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 81. ­ De raad oefent bovendien de bevoegdheden uit :

1º van de Staat, het gewest of de gemeenschap, die hem in het kader van de decentralisatie of de deconcentratie worden toegekend;

2º die hij aanvaardt uit te oefenen op verzoek van een of meer gemeenten van zijn grondgebied. »

Art. 19

Het opschrift van titel VII van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Het uitvoerend college van de provincie. »

Art. 20

In de Franse tekst van het opschrift van hoofdstuk I van titel VII van dezelfde wet worden de woorden « Du nombre des députés » vervangen door de woorden « Du nombre des membres ».

Art. 21

Artikel 100 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 15 mei 1949 en gewijzigd door de wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld als volgt :

« Zij kunnen echter voortijdig uit hun ambt worden ontslagen overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen. »

Art. 22

In dezelfde wet wordt een artikel 100bis (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 100 bis. ­ Het uitvoerend college, evenals elk lid ervan, is verantwoordelijk tegenover de raad.

Geen motie van wantrouwen, van afkeuring of van vertrouwen is ontvankelijk wanneer ze niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in de volgende artikelen.

Over die moties kan pas worden gestemd na verloop van achtenveertig uur na de indiening ervan. »

Art. 23

In dezelfde wet wordt een artikel 100ter (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 100 ter. ­ De raad kan te allen tijde een motie van wantrouwen tegen het college of een of meer van zijn leden aannemen.

Die motie is alleen dan ontvankelijk wanneer zij een opvolger voorstelt, naargelang van het geval, voor het college of voor een of meer leden van het college. Zij kan slechts aangenomen worden bij de meerderheid van de leden van de raad.

De aanneming van de motie heeft het ontslag van het college of van het betwiste lid of de betwiste leden tot gevolg, alsmede de aanstelling van het nieuwe college, dan wel van het nieuwe lid of de nieuwe leden. »

Art. 24

In dezelfde wet wordt een artikel 100quater (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 100 quater. ­ De raad kan te allen tijde besluiten de vertrouwenskwestie te stellen in de vorm van een motie.

Vertrouwen wordt slechts geschonken indien de motie wordt goedgekeurd door de meerderheid van de leden van de raad.

Door het verwerpen van de motie is het college van rechtswege ontslagnemend. »

Art. 25

In dezelfde wet wordt een artikel 100quinquies (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 100 quinquies. ­ Zolang het ontslagnemende college niet is vervangen, handelt het de lopende zaken af.

Wanneer het college of een of meer van de leden ervan ontslagnemend zijn, wordt naar gelang van het geval in de vervanging voorzien overeenkomstig artikel 4 of artikel 5. »

Art. 26

In artikel 102 van dezelfde wet worden de woorden « het nieuw gekozen lid » vervangen door de woorden « het nieuw gekozen lid van het college ».

Art. 27

Artikel 103 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 1 juli 1860, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 103. ­ De leden van het uitvoerend college leggen de eed af in handen van de voorzitter van de raad. »

Art. 28

Artikel 104 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 27 mei 1870, 30 december 1887, 27 mei 1975, 6 juli 1987 en 16 juli 1993 wordt gewijzigd als volgt :

1º het eerste lid wordt vervangen als volgt :

« Elk uitvoerend college wijst uit zijn midden een voorzitter aan. Indien geen consensus tot stand komt, wordt de voorzitter gekozen bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van de leden van het college.

Onverminderd de bepalingen van deze wet, regelt elk college zijn werkwijze. »;

2º het vierde lid wordt vervangen als volgt :

« Het uitvoerend college kan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van zijn leden aanwezig is. »;

3º het vijfde lid wordt vervangen als volgt :

« Onverminderd de door het college toegestane delegaties, beraadslaagt elk college collegiaal, volgens de procedure van de consensus, over alle zaken die tot zijn bevoegdheid behoren. »;

4º het zevende lid en de volgende leden worden opgeheven.

Art. 29

In artikel 104bis, eerste lid, 7º, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 6 juli 1987, worden de woorden « wordt iedere tussen- of eindbeslissing met redenen omkleed en wordt ze uitgesproken in openbare terechtzitting » vervangen door de woorden « wordt iedere tussen- of eindbeslissing genomen bij de meerderheid van de aanwezige leden; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend; de beslissing wordt met redenen omkleed en wordt uitgesproken in openbare terechtzitting ».

Art. 30

In artikel 106 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 30 december 1887, 27 mei 1975, 6 januari 1984 en 6 juli 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het derde lid, vervallen de woorden « van provinciaal belang »;

2º het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :

« Het uitvoerend college verstrekt aan de raad alle gewenste inlichtingen betreffende de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, voor zover die niet strijdig zijn met het algemeen belang, noch betrekking hebben op de uitoefening van het toezicht op de gemeenten. »

Art. 31

Artikel 107 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 6 januari 1984, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 107. ­ Het college heeft geen andere macht dan die welke deze wet er uitdrukkelijk aan toekent.

De raad kan, voor een termijn die een jaar niet te boven gaat, aan het college de door hem aangewezen bevoegdheden delegeren, met uitzondering van die welke door de Grondwet en de artikelen 80 tot 81 van deze wet voor de raad zelf worden gereserveerd. »

Art. 32

Artikel 119, derde lid, van dezelfde wet, vervangen door de wet van 27 mei 1870, wordt vervangen door het volgende lid :

« De aldus overgeschreven akten, evenals alle beraadslagingen en besluiten, worden ondertekend door de griffier, samen met de voorzitter van de raad of de voorzitter van het college, naargelang het om een vergadering van de raad dan wel van het college gaat. »

Art. 33

In artikel 120 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 27 mei 1870, 27 mei 1975, 6 juli 1987 en 11 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het vierde lid worden de woorden « elke belanghebbende » vervangen door de woorden « elke inwoner van de provincie die daartoe een aanvraag indient »;

2º tussen het vierde en het vijfde lid wordt het volgende lid ingevoegd :

« De akten met een algemene strekking van de raad of het college worden door de griffier bekendgemaakt door middel van aanplakbrieven die het onderwerp, de datum van het besluit en, in voorkomend geval, het besluit van de toezichthoudende overheid vermelden. Tevens wordt vermeld waar de volledige tekst van het besluit voor het publiek ter inzage ligt. »

Art. 34

Artikel 122 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 6 juli 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 122. ­ In elke provincie is er een commissaris van de federale Regering. Die commissaris voert de titel van provinciegouverneur. Hij wordt benoemd en afgezet door de Koning. »

Art. 35

Artikel 123 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 123. ­ De raad en het uitvoerend college kunnen, elk voor wat hem betreft, de aanwezigheid van de gouverneur vorderen. »

Art. 36

In artikel 124 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 6 juni 1987, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :

« Hij oefent een administratieve en financiële controle uit op de provincie, de gemeenten van de provincie en de intercommunale verenigingen die optreden op een gebied dat zich geheel of ten dele op het grondgebied van de provincie uitstrekt. Ten minste eenmaal per jaar maakt hij over zijn controleactiviteiten een verslag op, dat hij ter kennis brengt van de gewestraad; hij stelt de provincieraad en de gemeenteraden in kennis van de uittreksels van dat verslag die op die instellingen van toepassing zijn. »

Art. 37

§ 1. De in dezelfde wet gebruikte woorden « deputatie » en « bestendige deputatie » worden respectievelijk vervangen door de woorden « college » en « uitvoerend college ».

§ 2. De Koning brengt de bepalingen van de bestaande wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan in overeenstemming met de in deze wet gebruikte terminologie; daarbij worden de woorden « bestendige deputatie », « deputatie », « bestendig afgevaardigde », « afgevaardigde » en hun meervoudsvormen respectievelijk vervangen door de woorden « uitvoerend college », « college », « lid van het uitvoerend college », « lid van het college » en hun meervoudsvormen.

§ 3. De Koning brengt de bepalingen van de geldende wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan in overeenstemming met de in deze wet toegepaste nummering van de artikelen.

HOOFDSTUK III

Wijzigingen van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen

Art. 38

In artikel 15 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, gewijzigd door de wetten van 5 juli 1976 en 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in § 1 worden de woorden « van hetzelfde administratief arrondissement » vervangen door de woorden « van dezelfde provincie »;

2º in de §§ 2 en 7 worden de woorden « hoofdplaats van het administratief arrondissement » en de woorden « hoofdplaats van het arrondissement » telkens vervangen door de woorden « hoofdplaats van de provincie »;

3º in de §§ 2, 4, 5 en 6 worden de woorden « centraal bureau van het arrondissement » telkens vervangen door de woorden « centraal bureau van de provincie ».

Art. 39

In artikel 20 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het tweede lid van § 1 wordt vervangen door de volgende leden :

« Het deelt de stemcijfers door deze deler en bepaalt aldus voor elke lijst haar kiesquotiënt, waarvan de eenheden het aantal onmiddellijk behaalde zetels aangeven.

Indien een van die zetels niet kan worden toegewezen omdat een lijst onvoldoende kandidaten telt, wordt die zetel toegevoegd aan de aanvullende zetels die het centraal bureau van de provincie nog moet toewijzen.

Met uitzondering van de lijsten die minder of evenveel kandidaten tellen als hun kiesquotiënt, deelt het districtshoofdbureau evenveel keer als er niet onmiddellijk toegewezen zetels zijn, elk quotiënt achtereenvolgens door 1, 3, 5, enz. indien de lijst nog geen zetel heeft behaald, door 3, 5, 7, enz. indien de lijst één zetel heeft behaald, door 5, 7, 9, enz. indien de lijst twee zetels heeft behaald, en zo verder. De aldus verkregen breuk bepaalt het eventuele recht van de lijst op de nog door het centraal bureau van de provincie toe te wijzen aanvullende zetel(s).

2º in het derde lid van § 1 en in het eerste lid van de §§ 2 en 3 worden de woorden « centraal bureau van het arrondissement » telkens vervangen door de woorden « centraal bureau van de provincie »;

3º in het tweede lid van § 2 worden de woorden « voor het hele arrondissement » vervangen door de woorden « voor de hele provincie »;

4º in het derde lid van § 2 worden de woorden « zesenzestig procent van de kiesdeler bepaald krachtens § 1, eerste lid » vervangen door de woorden « vijf procent van het algemeen totaal van de geldige stemmen »;

5º het vierde lid en de volgende leden van § 3 worden vervangen als volgt :

« Voor alle lijsten die in de provincie een verbinding zijn aangegaan, rangschikt het centraal bureau van de provincie in de volgorde van hun belangrijkheid de breuken die zijn ingeschreven in de processen-verbaal van de districten die in het laatste lid van § 1 zijn bedoeld; de breuk die het dichtst het getal één benadert, staat bovenaan.

Het vermeldt tegenover elke aldus gerangschikte breuk de naam van de groep en van het district waarop ze betrekking heeft.

De eerste zetel in de aanvullende toewijzing komt toe aan de lijst met de hoogste breuk, en zo verder.

Heeft de in batige rangorde komende breuk betrekking op een district dat het volle aantal zetels reeds heeft verkregen, dan wordt geen aanvullende zetel toegewezen aan de lijst met die breuk. Hetzelfde geldt indien de in batige rangorde komende breuk betrekking heeft op een groep waarvan het totaal aantal zetels dat onmiddellijk of aanvullend werd toegewezen aan de lijsten die de groep samenstellen, gelijk is aan het aantal zetels dat overeenkomstig § 2 aan de groep toekomt.

Indien een van de aanvullende zetels niet kan worden toegewezen in het district dat het volle aantal zetels nog niet verkregen heeft, wordt vervolgens de laatste aanvullende zetel opnieuw toegewezen op de in de vorige leden beschreven wijze, behalve voor de lijst met de hoogste breuk die in aanmerking komt. Die verrichting wordt zoveel keer herhaald als nodig is. »

6º § 4 wordt vervangen als volgt :

« § 4. Indien een zetel niet kan worden toegewezen omdat een lijst onvoldoende kandidaten telt, worden alle zetels die overeenstemmen met de in batige rangorde komende breuken die volgen op de eerst in aanmerking komende breuk die betrekking heeft op de zetel die niet kan worden toegewezen, vervolgens toegewezen, op de in de vorige paragraaf bedoelde wijze, met uitzondering van de lijst die onvoldoende kandidaten telt. Die verrichting wordt zoveel keer herhaald als nodig is.

Indien een zetel niet kan worden toegewezen op de in het vorige lid bedoelde wijze, omdat alle lijsten die een groep vormen onvoldoende kandidaten tellen, wordt die zetel vervolgens toegewezen door de bij § 2 bedoelde verrichtingen te herhalen, met uitzondering van de groep die onvoldoende kandidaten telt op de lijsten waaruit de groep bestaat. De in de vorige paragraaf bedoelde verrichtingen worden vervolgens overgedaan vanaf de in aanmerking komende breuk die overeenstemt met de zetel die niet kon worden toegewezen. De verrichting wordt zoveel keer herhaald als nodig is. »

Art. 40

Artikel 25, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 10 oktober 1967, 5 juli 1976 en 16 juli 1993, wordt aangevuld met een 7º, luidende :

« 7º de personen die meer dan één mandaat uitoefenen in provinciale of gemeentelijke verenigingen die het openbaar nut nastreven. »

Art. 41

Artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 26 juni 1970, 5 juli 1976, 28 juli 1987 en 16 juli 1993, wordt aangevuld met een 3º, luidende :

« 3º de leden van een federale regering, een gewest- of gemeenschapsregering, een gemeenteraad of een college van burgemeester en schepenen. »

Art. 42

In artikel 32 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 30 december 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het tweede lid worden de woorden « van een zelfde arrondissement » vervangen door de woorden « van de provincie »;

2º in het vierde lid worden de woorden « centraal bureau van het arrondissement » en « in artikel 20, § 1, tweede lid » respectievelijk vervangen door de woorden « centraal bureau van de provincie » en « in artikel 20, § 1, laatste lid ».

Art. 43

Artikel 33 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 15 mei 1949, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 33. ­ De provincieraadsleden worden gekozen voor zes jaar, te rekenen van 1 januari na hun verkiezing. Zij zijn herkiesbaar.

De provincieraden worden om de zes jaar geheel vernieuwd ».

Art. 44

Artikel 34 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 6 januari 1984, wordt aangevuld met de volgende leden :

« De provincieraadsleden die aftreden bij de algehele vernieuwing en de ontslagnemende leden blijven hun ambt uitoefenen totdat de geloofsbrieven van hun opvolgers zijn onderzocht en hun installatie heeft plaatsgehad.

Indien het aftredende of ontslagnemende raadslid bovendien een mandaat van lid van het uitvoerend college heeft, is hij gehouden dat mandaat te blijven uitoefenen totdat hij wordt vervangen hetzij als lid van het college, hetzij als provincieraadslid. »

HOOFDSTUK IV

Slotbepaling

Art. 45

De artikelen 2 tot 8, 9, b), 10 tot 36 en 37, § 1, treden in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op dat van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

De artikelen 9, a) en 38 tot 43 treden in werking bij de eerstkomende algehele vernieuwing van de provincieraden.

José DARAS.
Eddy BOUTMANS.

(1) Cf . het op 1 december 1966 door de Raad van State gewezen arrest-Bassleer, dat wordt geciteerd in Manuel de droit communal : La nouvelle loi communale , Brussel, Nemesis, 1992, blz. 132 en 133.

(2) Cf . Advies van de Raad van State over het koninklijk besluit van 6 september 1987, Belgisch Staatsblad van 7 september 1987, blz. 12670 en 12671.

(3) Cf. J. Beaufays en H. Breny, « L'apparentement aux élections législatives », Courrier hebdomadaire du CRISP , 1972, nr. 585.