1-114/1

1-114/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 1995

3 OKTOBER 1995


Wetsvoorstel betreffende het samenlevingscontract

(Ingediend door de heren Boutmans en Jonckheer)


TOELICHTING


Het samenlevingscontract beoogt op maatschappelijk vlak concrete gestalte te geven aan de band tussen twee natuurlijke personen die op een of andere manier samen willen leven en daarbij voor hun wederzijdse materiële zekerheid willen instaan.

Het gaat om een individuele verbintenis die slechts bindend is voor degenen die ze aangaan en waar de respectieve familieleden volstrekt niet bij betrokken worden.

Men kan een vergelijking maken met de twee vormen van adoptie die in het Belgisch recht bekend zijn, waarbij het samenlevingscontract overeenkomst vertoont met de gewone adoptie en het huwelijk te vergelijken is met de volle adoptie.

De erkenning van het samenlevingscontract is ten gevolge van de samenloop van een aantal factoren een noodzaak geworden :

­ het huwelijk als instelling staat niet meer zo hoog in aanzien als vroeger;

­ de voorstanders van het concubinaat laten steeds luider hun stem horen en geven blijk van een compromisloze strijdvaardigheid die erop neerkomt dat zij iedere juridische instelling die eens en voor altijd het leven van een paar wil organiseren, onvoorwaardelijk van de hand wijzen;

­ degenen die als ongehuwd stel samenleven, komen niet zelden voor ernstige problemen van familiale, financiële, godsdienstige, psychologische en andere aard te staan;

­ bepaalde groepen in onze samenleving, zoals homoseksuelen eisen een specifiek juridisch levenskader dat hun relatie de nodige bescherming biedt.

Wat er ook van zij, het is duidelijk dat al die factoren juridische consequenties hebben die kenmerkend zijn voor het samenleven, al was dat aanvankelijk niet de bedoeling.

Men kan nu reeds stellen dat het ongehuwd samenwonen een feitelijke toestand is die een plaats heeft verworven in onze rechtsorde. De juridische gevolgen daarvan vloeien echter niet voort uit een algemene regelgeving, maar wel uit interpretaties van de rechtspraak of uit specifieke wetteksten die betrekking hebben op het samenwonen.

Wij denken meer bepaald aan al degenen die, doordat zij buitenechtelijk samenleven, elkaar geen enkel materieel houvast kunnen bieden, aan hen die niet kunnen huwen (homoseksuelen), alsmede aan allen wier materiële toestand en gevoelsleven gekenmerkt worden door grote onzekerheid en die op die manier de nodige hulp en bijstand zouden krijgen (bejaarden).

Het samenlevingscontract dient evenwel wezenlijk te worden onderscheiden van het huwelijkscontract.

In tegenstelling tot het huwelijk heeft het samenlevingscontract niet tot doel een gezin te stichten en is er niet noodzakelijk sprake van een seksuele relatie.

Het bedoelde contract houdt hoofdzakelijk verplichtingen in op het gebied van hulp en bijstand. De partijen zijn niet verplicht tot trouw en samenleven, wat voor gehuwden wel het geval is.

Doch als beide partners wensen samen te leven, zal dat juridische gevolgen hebben, met name inzake huurovereenkomsten, verbreking van het samenlevingscontract, sociale zekerheid of toegang tot het grondgebied.

Iedereen kan een samenlevingscontract sluiten, wat de aard van de beoogde band ook moge zijn. Om te voorkomen dat de voorschriften inzake erfopvolging in de rechte lijn zouden worden verstoord, zijn de bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn er evenwel van uitgesloten.

Het samenlevingscontract beoogt niet tot een gemeenschap van goederen te komen, maar wil beide partners elementaire waarborgen bieden.

Een en ander betekent dat iedere partner de vrije beschikking over zijn goederen behoudt en dat, als er toch gemeenschap van goederen is, die als onverdeeld moet worden beschouwd.

Zo ook impliceert die elementaire bescherming dat, indien een van beide partners het contract verbreekt, de andere pas een uitkering tot onderhoud kan vorderen indien hij behoeftig is.

Ingeval van verbreking van het contract kan één van de partners ook het recht voor zich opeisen om in de gemeenschappelijke woning te mogen blijven. Eventuele geschillen daaromtrent worden voor de bevoegde vrederechter gebracht, die naar billijkheid uitspraak doet.

De regels voor een minimumbescherming impliceren ook het recht voor de langstlevende partner om van de andere te erven. Aangezien dit wetsvoorstel geen ingrijpende wijziging van de wettelijke orde van de erfopvolging beoogt, gaat het dus om een aan de langstlevende partner verleende elementaire bescherming. Daarbij is het de bedoeling dat de betrokkene ten hoogste, maar ook ten minste recht krijgt op het genot van het voor het samenleven bestemde onroerend goed, alsmede van het zich daarin bevindende huisraad en stoffering ervan.

De regels voor de bescherming van de partners die een samenlevingscontract aangaan, hebben ook betrekking op de sociale zekerheid. Verscheidene wetteksten bepalen nu al dat het buitenechtelijk samenwonen ook juridische consequenties heeft (werkloosheidsuitkering, kinderbijslag, enz.).

Drie sectoren van de sociale zekerheid hielden daar tot nog toe geen rekening mee, namelijk de rust- en overlevingspensioenen, de beroepsziekten en arbeidsongevallen en ten dele ook de sector van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Conform de geest van dit wetsvoorstel dient de gelijkstelling uiteraard te worden doorgetrokken en moeten partners die een samenlevingscontract sluiten, ook recht hebben op de uitkeringen welke door die drie sectoren worden toegekend, wat voor de betrokkenen trouwens zowel voor- als nadelen kan opleveren.

Een en ander heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de weduwnaar of weduwe die een samenlevingscontract sluit, het recht op overlevingspensioen verliest.

Het samenlevingscontract biedt een volwaardige rechtsbescherming voor een feitelijke toestand die voor ontwikkeling en abrupte wijzigingen vatbaar is.

Het contract kan uiteraard gemakkelijker worden verbroken, met dien verstande dat, ter voorkoming van misbruiken die één van beide partners schade kunnen berokkenen, nadere regels inzake elementaire bescherming worden opgelegd.

De geschillen betreffende de verbreking van het samenlevingscontract zullen hoofdzakelijk voor de vrederechter worden gebracht die daarvoor, gelet op zijn bevoegdheid om in dergelijke aangelegenheden uitspraak te doen, de aangewezen magistraat lijkt te zijn. Bovendien gaat het om een vrij snelle procedure. Om de proceskosten binnen de perken te houden, bepaalt het wetsvoorstel dat, net als bij de procedures inzake dringende en voorlopige maatregelen in het kader van een huwelijk, de vordering bij verzoekschrift wordt ingesteld.

In dit voorstel wordt ook het kiese vraagstuk aangesneden van het verblijfrecht dat op grond van een samenlevingscontract zou kunnen worden toegekend. Die eis is vooral van belang voor de homoseksuelen, aangezien de wet op de toegang tot het grondgebied het vestigingsrecht beperkt tot de buitenlandse echtgenoot(-ote) van een Belg. Het onderhavige wetsvoorstel heeft tot doel die discriminatie, die op menselijk vlak meermaals aanleiding heeft gegeven tot dramatische toestanden, gedeeltelijk uit de wereld te helpen door het recht om zich op het Belgisch grondgebied te vestigen toe te kennen aan de, met een EG-ingezetene gelijkgestelde, buitenlandse partner van een Belg. Gelet op de betrekkelijk onzekere aard van het samenlevingscontract dat vrijwel ad nutum herroepen kan worden, dient echter te worden voorkomen dat van dat vestigingsrecht misbruik zou worden gemaakt. Daarom wordt niet alleen geëist dat de vreemdeling gedurende twee jaar wettig op het Belgisch grondgebied zou hebben verbleven, maar ook dat hij twee jaar lang dezelfde hoofdverblijfplaats als zijn partner moet hebben gehad. Ten slotte moet hij op het tijdstip dat hij zijn vestigingsaanvraag indient, wettig in het land verblijven. Het feit dat iemand een samenlevingscontract aangaat, houdt uiteraard het risico in dat hij of zij vroeg of laat aan zijn partner een uitkering tot levensonderhoud verschuldigd is, maar dat kan dan ook weer beschouwd worden als een afschrikkingsmiddel voor degenen die van het samenlevingscontract misbruik zouden maken om gemakkelijker toegang tot het Belgisch grondgebied te krijgen.

Eddy BOUTMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Burgerlijk Wetboek worden in boek I, onder een titel Vbis (nieuw) « Samenlevingscontract », de artikelen 228bis tot 228decies (nieuw) ingevoegd, luidende :

« Art. 228bis . ­ Twee meerderjarige en handelingsbekwame natuurlijke personen kunnen, ongeacht hun geslacht, een samenlevingscontract sluiten, voor zover zij niet reeds door een huwelijk of een ander samenlevingscontract verbonden zijn. Bloedverwanten in de opgaande of in de nederdalende lijn kunnen met elkaar geen samenlevingscontract sluiten.

Art. 228ter . ­ Van het samenlevingscontract moet een gezamenlijke aangifte worden gedaan ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één der partners.

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan deze aangifte alleen in ontvangst nemen, wanneer ze vergezeld is van een overeenkomstig artikel 76bis door een notaris opgemaakte inventaris van de goederen van ieder van de partners.

Art. 228quater . ­ Tegen een samenlevingscontract waarin de in de artikelen 228bis en 228ter genoemde materiële of formele voorwaarden niet in acht worden genomen, kan een vordering tot nietigverklaring worden ingesteld door één der partners, door een ieder die daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft en door het openbaar ministerie.

Art. 228quinquies . ­ Het samenlevingscontract treedt in werking de dag waarop het door de ambtenaar van de burgerlijke stand in het daartoe bestemde register is ingeschreven; er komt een einde aan door het overlijden van één van de partners of door verbreking overeenkomstig het bepaalde in artikel 228novies.

Art. 228sexies . ­ § 1. De partners bij een samenlevingscontract zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd.

§ 2. Iedere partner draagt in de lasten van het samenleven bij naar zijn vermogen.

§ 3. Wanneer één der partners één van deze verplichtingen niet nakomt, kan de andere zich tot de vrederechter wenden om zich een uitkering tot levensonderhoud te doen toekennen dan wel om de inkomsten van zijn partner, alsook alle andere hem door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen onder de voorwaarden en binnen de perken die het vonnis bepaalt.

Art. 228septies . ­ § 1. Wanneer de partners bij een samenlevingscontract hebben besloten hun hoofdverblijfplaats op dezelfde plaats te vestigen, geeft zulks aan ieder van hen het recht aldaar te wonen.

§ 2. Het recht op de huur van het onroerend goed dat één der partners heeft gehuurd, zelfs vóór het sluiten van het samenlevingscontract, en dat de partners geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, behoort aan hen gezamenlijk, niettegenstaande enige hiermee strijdige overeenkomst.

De opzeggingen, kennisgevingen en exploten betreffende die huur moeten gezonden of betekend worden aan elk der partners afzonderlijk of uitgaan van beide partners gezamenlijk.

Elk van de partners kan evenwel de nietigheid van deze documenten, die aan de andere partner worden toegezonden of van deze laatste uitgaan, slechts inroepen indien de verhuurder kennis heeft van het bestaan van het samenlevingscontract.

Elk geschil tussen de partners omtrent de uitoefening van dat recht wordt beslist door de vrederechter. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op handelshuurovereenkomsten, noch op pachtcontracten.

Art. 228octies . ­ § 1. Elk der partners bij een samenlevingscontract behoudt zijn eigen vermogen, ongeacht of het gaat om goederen waarvan hij kan bewijzen dat hij er een recht van eigendom op heeft, om inkomsten uit deze goederen of om de opbrengst van zijn arbeid.

§ 2. De partners bij een samenlevingscontract worden geacht in onverdeeldheid medeëigenaar te zijn van de goederen waarop geen van hen een uitsluitend recht van eigendom kan aantonen.

§ 3. Iedere partner bij een samenlevingscontract kan de verdeling van de onverdeelde goederen vorderen, tenzij binnen de perken van artikel 815, tweede lid, anders is overeengekomen.

§ 4. Voor zover niet anders is overeengekomen, worden de onverdeelde goederen in gelijke delen verdeeld.

§ 5. Elk der partners bij een samenlevingscontract staat alleen in voor de door hem persoonlijk aangegane schulden. Iedere schuld die aangegaan wordt met het oog op het samenleven, zoals kosten aan de gemeenschappelijke woning of normale huishoudelijke uitgaven, verbindt de partners hoofdelijk.

Art. 228novies . ­ Iedere partner kan een einde maken aan het samenlevingscontract. De verbreking moet aan de andere partner bij aangetekende brief met ontvangstbewijs te zijner woonplaats ter kennis worden gebracht. Van de verbreking moet tevens aangifte worden gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die het samenlevingscontract heeft geregistreerd. De verbreking wordt van kracht een maand na de aangifte. Van de verbreking wordt melding gemaakt in het samenlevingsregister.

Art. 228decies . ­ § 1. Geschillen met betrekking tot de gevolgen van de verbreking van het samenlevingscontract behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter. Een vordering is slechts ontvankelijk indien ze binnen een maand na de verbreking van het samenlevingscontract is ingesteld.

De bevoegde vrederechter is die van de plaats waar het samenlevingscontract is ingeschreven dan wel die van de woonplaats van de gedaagde.

§ 2. Iedere partner bij een samenlevingscontract kan van de andere partner een uitkering tot levensonderhoud vorderen, voor zover hij behoeftig is.

De uitkering wordt naar billijkheid vastgesteld door de vrederechter voor de duur die hij bepaalt en die de duur van de samenleving niet mag te boven gaan.

§ 3. Wanneer de partners een gemeenschappelijke woning delen en geen van hen die na de verbreking van het contract wil verlaten, kunnen zij zich tot de vrederechter wenden om het recht van bewoning te doen vaststellen, onverminderd de rechten van derden.

Wanneer het onroerend goed aan de gewezen partner behoort, bepaalt de rechter naar billijkheid de duur van het recht van bewoning, die niet meer dan een jaar mag belopen, alsmede de vergoeding voor bewoning die over deze periode verschuldigd is.

§ 4. De vrederechter is bevoegd om de wederzijdse verplichtingen van de partners te bepalen in de terugbetaling van de schulden die klaarblijkelijk bestemd waren om in de behoeften van het samenleven te voorzien.

§ 5. Ter afwijking van artikel 228decies gelden de gewone bevoegdheidsregels inzake verdeling van onverdeelde goederen. De vrederechter is evenwel bevoegd om aan partijen akte te verlenen van hun akkoord daaromtrent, en hij verleent het uitvoerbare kracht. »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt in boek I, titel II, onder een hoofdstuk IIIbis « Akten van het samenlevingscontract » (nieuw), een artikel 76bis (nieuw) ingevoegd, luidende :

« Art. 76bis . ­ De ambtenaren van de burgerlijke stand houden een register betreffende het samenlevingscontract bij, waarin naast de verklaring van de partners dat zij in het samenlevingscontract toestemmen, het eensluidend afschrift van de notariële akte of akten met de inventaris van hun goederen, wordt vermeld.

Evenzo wordt in het register betreffende het samenlevingscontract melding gemaakt van iedere aangifte van verbreking overeenkomstig het bepaalde in artikel 228novies . »

Art. 4

In artikel 45, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « , zijn partner bij een samenlevingscontract, » ingevoegd tussen de woorden « overlevende echtgenoot, » en de woorden « of overlevende echtgenoot ».

Art. 5

Artikel 745bis van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een § 3, luidende :

« § 3. De langstlevende partner bij een samenlevingscontract heeft het vruchtgebruik van het onroerend goed dat de partners bij het samenleven tot hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hebben bestemd, alsmede van het daarin aanwezige huisraad.

De langstlevende partner heeft bovendien het vruchtgebruik van het huisraad in iedere plaats die de partners bij het openvallen van de nalatenschap tot gezamenlijke verblijfplaats diende. »

Art. 6

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 745octies ingevoegd, luidende :

« Art. 745octies . ­ De in de artikelen 745quater , 745quinquies en 745sexies vervatte voorschriften betreffende de omzetting van het vruchtgebruik zijn van toepassing op de langstlevende partner bij een samenlevingscontract. »

Art. 7

Artikel 915bis van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een § 5, luidende :

« § 5. Giften bij akte onder de levenden of bij testament mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende partner het vruchtgebruik verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap de partners tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, noch in voorkomend geval, het vruchtgebruik van het huisraad in de gemeenschappelijke woning van de partners. »

Art. 8

In tabel I opgenomen in artikel 48 van het Wetboek der Successierechten, worden de woorden « Tussen partners bij een samenlevingscontract » ingevoegd na de woorden « Rechte lijn ­ Tussen echtgenoten ».

Art. 9

In artikel 594, 19º, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het cijfer « 223 » vervangen door de cijfers « 223, 228decies ».

Art. 10

Artikel 628 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 17º, luidende :

« 17º de rechter van de plaats waar het samenlevingscontract is ingeschreven dan wel van de woonplaats van de gedaagde, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 228decies van het Burgerlijk Wetboek ».

Art. 11

In artikel 1412, eerste lid, 1º, van hetzelfde Wetboek worden de cijfers « 223, 301 » vervangen door de cijfers « 223, 228decies , 301 ».

Art. 12

In artikel 3, § 1, a) , van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn worden de woorden « 75 pct. voor de werknemers van wie de echtgenoot » vervangen door de woorden « 75 pct. voor de werknemers van wie de echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 13

In artikel 4 van dezelfde wet wordt het woord « echtgenoot » telkens vervangen door de woorden « echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 14

In artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt het woord « echtgenoot » telkens vervangen door de woorden « echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 15

In artikel 17, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden « gehuwd was » vervangen door de woorden « gehuwd was of de langstlevende partner bij een samenlevingscontract ten minste één jaar met de overleden werknemer samenleefde » en wordt het woord « huwelijk » telkens vervangen door de woorden « huwelijk of het samenleven ».

Art. 16

Artikel 19, 1º, van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld als volgt :

« of een samenlevingscontract sluit dan wel wanneer de partner bij een samenlevingscontract hertrouwt of een samenlevingscontract sluit; ».

Art. 17

In artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in limine worden de woorden « moet de langstlevende echtgenoot » vervangen door de woorden « moeten de langstlevende echtgenoot of partner bij een op het tijdstip van het overlijden bestaand samenlevingscontract »;

2º in § 1, 1º, worden de woorden « minstens één jaar gehuwd zijn » vervangen door de woorden « minstens één jaar gehuwd zijn of samenleven in het raam van een samenlevingscontract »;

3º in § 1, 2º, worden de woorden « de langstlevende echtgenoot » vervangen door de woorden « de langstlevende echtgenoot of partner bij een op het tijdstip van het overlijden bestaand samenlevingscontract »;

4º in § 2, worden de woorden « de echtgenoot » vervangen door de woorden « de echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 18

In artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in limine worden de woorden « verliest de langstlevende echtgenoot » vervangen door de woorden « verliest de langstlevende echtgenoot of partner bij een samenlevingscontract »;

2º in 1º worden de woorden « wanneer hij hertrouwt » vervangen door de woorden « wanneer hij hertrouwt of een samenlevingscontract sluit ».

Art. 19

In artikel 8, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden « De langstlevende echtgenoot die bij het overlijden van de echtgenoot » vervangen door de woorden « De langstlevende echtgenoot of partner bij een bestaand samenlevingscontract die bij het overlijden van de echtgenoot of de partner ».

Art. 20

In artikel 9, § 1, 1º, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden « gehuwd is » vervangen door de woorden « gehuwd is of samenleeft in het raam van een samenlevingscontract » en wordt het woord « echtgenoot » vervangen door de woorden « echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 21

In artikel 21, eerste lid, 1, 9º, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering worden de woorden « de weduwnaars en weduwen » vervangen door de woorden « de weduwnaars en weduwen dan wel de partners bij een samenlevingscontract ».

Art. 22

In artikel 165, § 1, 1º, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering worden de woorden « De echtgenoot of echtgenote » vervangen door de woorden « De echtgenoot of echtgenote dan wel de partner bij een samenlevingscontract ».

Art. 23

De Koning is belast met de uitvoering van deze wet en inzonderheid met de wijziging van de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de in de artikelen 11, 13, 16, 20, 23 en 24 bedoelde wetten en besluiten met het oog op de gelijkstelling, binnen de in deze wet beoogde grenzen, van personen die een samenlevingscontract hebben gesloten met gehuwden.

Art. 24

In artikel 12, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º een 1ºbis wordt ingevoegd, luidende :

« 1ºbis aan de partner bij een op het tijdstip van het overlijden bestaand samenlevingscontract »;

2º in het 2º worden de woorden « de echtgenoot » vervangen door de woorden « de echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract »;

3º in het 2º worden de woorden « het huwelijk » telkens vervangen door de woorden « het huwelijk of het samenlevingscontract ».

Art. 25

In artikel 33, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten gecoördineerd op 3 juni 1970 worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het 2º, 1º, worden de woorden « de echtgenoot » vervangen door de woorden « de echtgenoot of de partner bij een samenlevingscontract » en worden de woorden « het huwelijk » vervangen door de woorden « het huwelijk of het samenlevingscontract »;

2º in het 3º worden de woorden « het huwelijk » vervangen door de woorden « het huwelijk of het samenlevingscontract ».

Art. 26

Artikel 40, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt aangevuld met een 5º, luidende :

« 5º de partner van een Belg met wie deze een samenlevingscontract heeft gesloten, op voorwaarde dat de vreemdeling gedurende twee jaar wettig op het Belgisch grondgebied heeft verbleven, gedurende twee jaar zijn hoofdverblijf op dezelfde plaats als zijn partner heeft gehad en op het ogenblik van zijn verzoek tot vestiging wettig op het grondgebied verblijft. »

Eddy BOUTMANS.
Pierre JONCKHEER.