Landbouw - Belgische graslanden - Verrijking met stikstof - Vervuiling - Pollenproductie - Impact - Verergering van allergieën - Geplande maatregelen
allergie
ziekte van de luchtwegen
gezondheidsbeleid
stikstof
landbouwsector
| 6/6/2025 | Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 10/7/2025) |
| 17/9/2025 | Antwoord |
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 8-241
Uit een studie van onderzoekers van de Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven), de Universiteit Antwerpen (UAntwerpen) en het instituut voor volksgezondheid Sciensano blijkt dat met stikstof verrijkte graslanden tot zes keer meer pollen produceren dan graslanden zonder stikstofverrijking, wat voor mensen met hooikoorts een zwaardere impact heeft.
De onderzoekers wilden nagaan of stikstofvervuiling, afkomstig van onder meer het verkeer en de landbouw, een invloed heeft op de ernst van een pollenallergie, ook bekend als «hooikoorts». Daarvoor verzamelden ze pollen in verschillende graslanden in België, waarvan sommige met stikstof waren bemest en andere niet. In totaal werden een veertigtal Belgische graslanden onderzocht.
Vervolgens werden pollenstalen getest op twintig volwassenen met hooikoorts. De onderzoekers analyseerden onder meer hoe hun afweercellen reageerden op de pollen en hoeveel antistoffen ze in hun bloed hadden. Op die manier konden ze nauwkeurig bepalen welk type pollen de sterkste allergische reactie veroorzaakte, los van andere factoren.
Paulien Verscheure, onderzoekster aan de KU Leuven, verklaarde: «Met stikstof bemeste graslanden produceren niet alleen zes keer meer pollen, maar die pollen veroorzaken ook sterkere immuunreacties bij mensen met hooikoorts.»
Het is al langer geweten dat stikstof een negatieve impact heeft op de biodiversiteit, maar dit onderzoek toont voor het eerst aan dat die molecuul ook een rechtstreekse impact op de menselijke gezondheid kan hebben.
«De studie belicht een aspect van stikstofvervuiling dat tot nu toe onbekend was en toont nieuwe, negatieve gevolgen van stikstofverrijking», aldus Tobias Ceulemans, professor aan de Universiteit van Antwerpen en de KU Leuven.
Deze bevoegdheid is bij uitstek transversaal: gezondheid valt immers onder verschillende beleidsniveaus. Aangezien deze kwestie de hele bevolking aanbelangt, zijn er meerdere niveaus bij betrokken. De Franse Gemeenschap is bijvoorbeeld bevoegd voor «activiteiten en diensten inzake preventieve gezondheidszorg voor zuigelingen, kinderen, leerlingen en studenten».
Meer in het algemeen zijn het Waals Gewest en de drie Gemeenschappen bevoegd voor preventieve gezondheidszorg voor kinderen en tieners. Tot slot blijft volksgezondheid een gedeelde bevoegdheid die afzonderlijk wordt uitgeoefend door de drie Gewesten. Op federaal niveau is er eveneens een minister bevoegd voor Volksgezondheid, onder meer voor aangelegenheden die verband houden met gezondheid op het werk.
Voorts hebben de deelstaten bevoegdheden op het gebied van milieu. Deze kwestie valt vanwege haar transversale aard dus onder de bevoegdheid van de Senaat.
Hierbij mijn vragen:
1) Kunt u mij informeren over de stand van zaken op dit gebied in België?
2) Welke criteria zijn gebruikt om de Belgische graslanden te selecteren die in het kader van dit onderzoek zijn bestudeerd?
3) Welke maatregelen worden overwogen om de impact van stikstofverrijking op de pollenproductie en de ernst van allergieën bij personen met een verhoogde gevoeligheid te verminderen?
4) Zijn in deze studie precieze drempels voor stikstofverrijking vastgesteld waarboven de pollenproductie aanzienlijk problematischer wordt voor de menselijke gezondheid?
Wij danken u voor uw interesse in de mogelijke effecten van stikstofverrijking op de menselijke gezondheid, in verband met de recent gepubliceerde studie in «The Lancet Planetary Health» (Daelemans et al., 2025), uitgevoerd in het kader van het NITROPOL-BE-project, gecoördineerd door Sciensano (prof. Raf Aerts) en gefinancierd door Belspo. Het is belangrijk te benadrukken dat de Universiteit Antwerpen niet heeft deelgenomen aan deze studie. Dr. Ceulemans, recent aangesteld aan de Universiteit Antwerpen, was postdoctoraal onderzoeker binnen dit project aan de KU Leuven en onder meer verantwoordelijk voor het experimentele ontwerp van de graslandstudie.
1) De hoge stikstofniveaus hebben goed gedocumenteerde effecten op ecosystemen en biodiversiteit. Deze studie werpt nu een nieuw licht op een mogelijk effect op de menselijke gezondheid, via het pollen dat geproduceerd wordt in stikstofrijke omgevingen. Deze hypothese is gebaseerd op in vitro-observaties waaruit blijkt dat pollen afkomstig van stikstofverrijkte graslanden sterkere immuunreacties opwekt in bloedstalen van patiënten met een pollenallergie.
België kent een van de hoogste stikstofdepositieniveaus in Europa, met een overschot van naar schatting minstens 40 kg stikstof per hectare per jaar. Deze stikstofbelasting is het gevolg van een combinatie van bronnen: intensieve landbouw, wegverkeer, industrie en grensoverschrijdende aanvoer. De hoogste deposities worden vastgesteld in Vlaanderen, en binnen Vlaanderen vooral in West-Vlaanderen.
Het is belangrijk te verduidelijken dat deze studie niet bedoeld was om een representatief beeld te geven van alle Belgische graslanden. De onderzochte percelen vormen geen representatieve steekproef van de diversiteit aan graslanden in België. Daarom kunnen op basis van deze resultaten geen algemene uitspraken worden gedaan op nationaal niveau.
2) De studie maakte gebruik van een lokaal experimenteel model, met gepaarde graslanden in natuurgebieden in de regio Hageland, nabij Leuven. In elk paar was één grasland half-natuurlijk en niet bemest, terwijl het andere grasland recent uit landbouwgebruik was genomen en daardoor historisch jarenlang bemest was. De graslanden werden geografisch op elkaar afgestemd om verstorende factoren (lokaal klimaat, atmosferische depositie, bodemtype, enz.) zoveel mogelijk te minimaliseren. Dit ontwerp maakte een rigoureuze vergelijking mogelijk van het effect van de bemestingsgeschiedenis met stikstof.
3) Hoewel deze studie geen betrekking heeft op landbouwsystemen en geen uitspraken doet over pollenuitstoot door landbouwgewassen, opent ze wel perspectieven voor het beheer van bepaalde graslanden in (half)natuurlijke gebieden, met name:
– een langdurige stikstofsanering is noodzakelijk alvorens biodiversiteitsherstelmaatregelen te overwegen;
– dit kan bestaan uit vroege maaibeurten met afvoer van de biomassa, over meerdere jaren, om het stikstofgehalte van de bodem geleidelijk te verlagen;
– maatregelen zoals het inzaaien van bloemenmengsels of laattijdig maaien zijn weinig doeltreffend zolang de bodem oververzadigd is met stikstof;
– een herziening van de maaidata zoals bepaald in de bermdecreten zou overwogen kunnen worden voor sterk verrijkte zones, in een geïntegreerde aanpak. Het is echter belangrijk te onderstrepen dat landbouwgraslanden doorgaans vóór de bloei worden gemaaid, waardoor de pollenuitstoot van nature beperkt blijft. Specifieke maatregelen zijn in dat geval niet vereist.
4) De studie maakt het niet mogelijk om een precieze drempelwaarde voor stikstofverrijking vast te stellen waarboven de effecten op pollenproductie of -allergene eigenschappen significant problematisch worden.
Alle onderzochte locaties in de studie waren reeds sterk verrijkt met stikstof, inclusief de referentiegraslanden. De vergelijking vond dus plaats tussen reeds stikstofrijke en extreem stikstofrijke situaties. Om dergelijke drempelwaarden te kunnen vaststellen, is bijkomend onderzoek nodig, met name in gebieden met een lage stikstofbelasting (zoals in Scandinavië of Centraal-Frankrijk), om een vollediger dosis-responscurve op te bouwen.