Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 8-146

van Anne Lambelin (PS) d.d. 17 april 2025

aan de Eerste minister

Europese Unie- Cohesiebeleid - Model van het Europees Herstelplan (Herstel- en veerkrachtfaciliteit - HVF) - Uitvoering - Versnelling - Nieuwe prioriteiten van de fondsen - Overleg met de deelstaten

defensieuitgaven
Europees Comité van de Regio's
Europese Rekenkamer
Europese Unie
economische en sociale samenhang
Europese veiligheid
Europees Investeringsfonds

Chronologie

17/4/2025Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 22/5/2025)
27/5/2025Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 8-147

Vraag nr. 8-146 d.d. 17 april 2025 : (Vraag gesteld in het Frans)

Het cohesiebeleid is een van de fundamentele pijlers van de Europese Unie, (EU) die een groot deel van haar activiteiten en haar budget aan de vermindering van de verschillen tussen de regio's besteedt. Het cohesiebeleid waarborgt een hogere welvaart en een gelijklopend niveau van rijkdom in alle lidstaten. Het zorgt aldus voor voordelen voor alle regio's en steden in de Unie en ondersteunt de economische groei, jobcreatie, de competitiviteit van de ondernemingen, duurzame ontwikkeling en milieubescherming.

De cohesiefondsen van de Unie, ook structurele fondsen genoemd, vertegenwoordigen een derde van de globale EU-begroting. Het cohesiebeleid vormt historisch het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie.

De Commissie wil vandaag, in het kader van haar «ReArm Europe-plan» de programma's van het cohesiebeleid aanwenden om de uitgaven voor defensie en veiligheid te verhogen. Op 1 april 2025 vroeg de Commissie aan de lidstaten om een deel van de cohesiefondsen voor 2021-2027 te herbestemmen voor nieuwe investeringen in het kader van de tussentijdse evaluatie van het lopende cohesiebeleid. De Commissie wil de EU-lidstaten en hun regio's aanmoedigen om meer te investeren in de vijf nieuwe prioriteiten: defensie, de terugdringing van de koolstofuitstoot, wonen, water- en energiebeleid.

In het Europees Parlement groeit de bezorgdheid over die mogelijke heroriëntering van Europese fondsen naar defensie. Immers, in een context van toenemende ongelijkheid en sociale spanningen blijft het cohesiebeleid, als investerings- en solidariteitspijler, meer dan ooit nodig. De regionale en structurele benadering van dat beleid is een krachtige motor voor zowel de transitie als voor de veerkracht van onze democratieën binnen de Europese Unie.

Bovendien gaat het om een belangrijke trendbreuk op het vlak van het cohesiebeleid. In plaats van kleine ondernemingen te financieren in weinig performante economische regio's, zou het geld veeleer bestemd zijn voor grote actoren over heel Europa, liefst in de defensiesector.

Die bezorgdheid wordt ook gedeeld door het Comité van de Regio's. De voorzitster van het Comité, mevrouw Kata Tüttó, heeft trouwens onlangs verklaard dat een sterk Europa zowel extern als intern sterk moet zijn door ervoor te zorgen dat de Europese veiligheid niet ten koste gaat van de territoriale en sociale cohesie. Het is daarom essentieel nieuwe middelen te vinden voor defensie en veerkracht, veeleer dan de bestaande cohesiefondsen een andere bestemming te geven.

De bezorgdheid is des te groter daar die heroriëntering van de cohesiefondsen moet worden gelinkt aan dat andere debat dat is aangevat in de Commissie, en dat tot doel heeft het model van het Europees Herstelplan (Herstel- en veerkrachtfaciliteit - HVF) uit te breiden tot de structurele fondsen.

Ook met betrekking tot die intentie van de Commissie om de sociale cohesie uit te breiden met het HVF-model heeft de kritiek niet op zich laten wachten.

Volgens het Comité van de Regio's zou een hervorming waarbij de nationale en niet de regionale regeringen de fondsen verdelen «het cohesiebeleid vernietigen». De cohesiefondsen bovendien opnemen in de HVF zou een vergissing zijn omdat de praktijk heeft aangetoond dat de HVF er in de sleuteldomeinen niet in slaagt de uitdagingen territoriaal en lokaal te benaderen.

De Europese Rekenkamer (ERK) (zie doc. Senaat, nr. 8-76/1) had ook kritiek op de intentie om het HVF-model toe te passen op de globale begroting van de Unie en daarmee ook op de cohesiefondsen. De Belgische auditeur, Annemie Turtelboom heeft drie belangrijke problemen onder de aandacht gebracht. Ten eerste, het gebrek aan transparantie: in het model van de cohesiefondsen dat tot nu toe voor de EU-begroting wordt gebruikt, heeft de Commissie zicht op alle uitgaven. Dat is niet het geval voor het HVF-model waarin enkel de lidstaten kennis zullen hebben van alle uitgaven van dat model (zie Speciaal verslag 9/25 van de ERK «Systemen om te waarborgen dat de HVF-uitgaven aan de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun voldoen - Beter, maar nog ontoereikend»). Ten tweede is het HVF-model prestatiegericht. De performantie van projecten is echter moeilijk te beoordelen. Daarbij komt nog dat prestatie en output soms anders worden beoordeeld in de verschillende lidstaten.

Op het vlak van de absorptiegraad ten slotte heeft de Europese Rekenkamer vastgesteld dat deze bij het HVF niet beter is dan bij de cohesiefondsen. Dat is nu juist één van de belangrijkste punten van kritiek van de Commissie ten voordele van een hervorming van de structurele fondsen.

Aangezien de verschillende regeringen van onze deelstaten waken over de goede bestemming van de Europese cohesiefondsen, wil ik uw collega in het Waals Gewest, minister-president Dolimont, een vraag stellen. Echter, gezien de intenties van de Europese Commissie om de structurele fondsen te hervormen door de centralisatie van het HVF-model over te nemen, belangt de vraag eveneens de federale regering aan. De transversaliteit van de vraag staat dus voldoende vast.

1) In welke mate verandert het «ReArm Europe-plan» de situatie? Met andere woorden: gaat men in de richting van een versnelde inwerkingtreding van het HVF-model?

2) België heeft tijdens zijn hele voorzitterschap van de Europese Raad herhaald dat de kernprincipes van het cohesiebeleid behouden moeten blijven: het gedeelde beheer tussen Europese en regionale overheden, de territoriale strategie voor de ingezette fondsen en een gelaagd bestuur.

Wat is het standpunt van de regering over de toepassing van het HVF-model op de cohesiefondsen?

3) Tot slot, hebt u al contact opgenomen met uw collega's van de deelstaten over de vraag van de Commissie om de cohesiefondsen te heroriënteren naar de vijf nieuwe prioriteiten?

Antwoord ontvangen op 27 mei 2025 :

Ik verwijs voor deze vraag door naar het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.