Burgerlijk Wetboek - Nieuw goederenrecht - Afstanden van beplantingen - Overhangende takken - Doorschietende wortels - Openbaar domein - Toepassingsgebied
burgerlijk recht
eigendom van goederen
landweg
ruimtelijke ordening
milieubescherming
cultuurbos
aanplant
publiek eigendom
| 9/3/2022 | Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 7/4/2022) |
| 10/5/2022 | Antwoord |
Het nieuw goederenrecht (boek III Goederen van het Burgerlijk Wetboek) dat op 1 september 2021 in werking trad omvat nieuwe regelingen omtrent de minimale afstanden van beplantingen ten aanzien van de perceelsgrenzen, overhangende takken en doorschietende wortels. De voorgaande regeling in het Veldwetboek werd daarmee opgeheven. Die nieuwe regeling zou eveneens van toepassing zijn op het openbaar domein. Een aantal natuurorganisaties stelde bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging in tegen deze nieuwe regelgeving. Dit beroep werd echter op 21 oktober 2021 verworpen.
De argumentatie van de natuurorganisaties was gebaseerd op de schending van de bevoegdheidverdelende regels (omdat deze inwerkt op de gewestelijke bevoegdheid inzake de inrichting en het beheer van het openbaar domein), het ontbreken van een onderscheid naargelang de perceelsgrens zich bevindt tussen twee private percelen, dan wel één van die percelen tot het openbaar domein behoort en het ontbreken van een overgangsregeling. Met die laatste zouden buren onmiddellijk kunnen starten met snoeien van overhangende takken alsook de aanvraag tot rooiing van verkeerd op het openbaar domein geplaatste bomen.
De nieuwe regelgeving zorgt voor flexibiliteit bij de private nabuur aangezien deze niet meer hoeft aan te tonen in welke mate hij of zij verhinderd wordt door aanplantingen. Indien de openbare bestemming van het perceel niet in het gedrang komt en het verzoek tot rooiing of snoeiing geen rechtsmisbruik uitmaakt, kan men een vordering instellen van zodra de afstanden tot de perceelgrens niet gerespecteerd werden.
Voorheen wensten sommige openbare besturen in het kader van het burgemeestersconvenant en de klimaatadaptatie meer bomen te planten langsheen landbouwwegen en openbare wegen. Door het nieuwe wetboek Goederenrecht ontvangen zij nu dissonante signalen van zowel landbouwers, burgers en zelfs advocatenkantoren dat nieuwe aanplantingen langsheen landbouwwegen met bermen die kleiner zijn dan twee meter niet meer mogelijk zouden zijn. Een aantal openbare besturen hebben reeds bomen aangeplant op bermen die smaller zijn dan twee meter of hebben alleszins de intentie dat te doen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde eveneens dat de openbare bestemming niet in het gedrang mag komen. Een doorsnee landbouwweg is ongeveer drie meter breed, een gemiddelde dorsmachine drie en een halve meter. Op bermen smaller dan twee meter zal men dan bomen aanplanten die heel dicht bij de wegbedding staan en het vlot verkeer van landbouwmachines hinderen, dan wel gaat men de bomen aanplanten tegen de perceelsgrens van de landbouwer, waardoor die op termijn slagschaduw en hinder zal ondervinden.
Het Hof oordeelde dat de impact van de gewijzigde regelgeving zich in de toekomst zal moeten uitwijzen.
Transversaal karakter van de vraag: het Grondwettelijk Hof stelde dat de federale overheid erover moet waken dat zij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. De Gewesten kunnen nog steeds specifieke bepalingen aannemen die afwijken van de algemene regeling voorzien in het nieuwe boek III. Het betreft dus een transversale aangelegenheid met de Gewesten.
Ik heb hierover volgende vragen:
1) Hoe evalueert de geachte minister de aanpassingen van de regelgeving omtrent de minimale afstanden van beplantingen ten aanzien van de perceelsgrenzen en omtrent overhangende takken en doorschietende wortels? Kan hij een inschatting geven van de impact van de nieuwe regelgeving hierop?
2) Ontving hij reeds signalen met bezorgdheden omtrent het nieuwe goederenrecht? Zo ja, hoe zal hij voorzien in een duidelijke interpretatie van de regelgeving?
3) Kan een openbaar bestuur onder de nieuwe regelgeving bomen aanplanten op bermen langsheen landbouwwegen met een breedte van minder dan twee meter? Indien ja, komt de openbare bestemming volgens hem daarmee niet in het gedrang?
4) Werd hierover reeds overleg gepleegd met de betrokken collega's in de Vlaamse regering?
1) Het Grondwettelijk Hof heeft zich in haar arrest van 21 oktober 2021 uitgesproken over de impact van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de beplantingen die zich bevinden op openbare domeingoederen (zie in het bijzonder: Grondwettelijk Hof, 21 oktober 2021, nr. 148/2021, B.26.1 en B.26.2). Het zegt voor recht dat voornoemde bepalingen enkel kunnen worden toegepast op de beplantingen die zich bevinden op een openbaar domeingoed voor zover zulks de openbare bestemming van dat goed niet in de weg staat.
Voorts heeft het Hof eerder overwogen dat openbare wegen en hun bermbeplantingen een wezenlijk onderdeel uitmaken van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening. Zij verschillen door hun aard en bestemming van de beplantingen op private eigendommen ( Grondwettelijk Hof, 12 oktober 2017, nr. 115/2017, B.6).
Als gevolg zal de rechter bij de vraag tot rooiing of snoeiing van beplantingen of het wegsnijden van takken of wortels, steeds moeten onderzoeken of de toepassing van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek verenigbaar is met de openbare bestemming van het openbaar domeingoed en, in bevestigend geval, een mogelijk rechtsmisbruik moeten uitsluiten alvorens dit toe te kennen. Daarbij mag niet voorbij worden gegaan aan de functies die beplantingen vervullen in het algemeen, waaronder de belangen van het leefmilieu, de landschappelijke waarde en de erfgoedwaarde. Het Hof benadrukt aldus het belang van milieuoverwegingen in de toepassing van beide bepalingen.
2) Naar aanleiding van de inwerkintreding van het nieuwe goederenrecht ontving mijn administratie een aantal bezorgdheden van zowel verenigingen als steden betreffende de draagwijdte van de nieuwe bepalingen 3.133 en 3.134 Burgerlijk Wetboek inzake afstanden van beplantingen en overhangende takken en wortels. Aangezien deze bezorgdheden rechtstreeks samenhingen met de toen hangende procedure voor het Grondwettelijk Hof, diende ik mij op dat moment te onthouden van enige commentaar of positionering.
In antwoord op voorgaande vraag, is reeds verwezen naar de interpretatie die het Hof aan beide bepalingen heeft gegeven waarin de belangen van het leefmilieu en openbaar groen worden onderlijnt. De rechter wordt aldus duidelijk geïnstrueerd in zijn feitelijke beoordelingsvrijheid bij de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek.
3) Ook hier kan worden verwezen naar de interpretatie van de betrokken bepalingen, zoals onlangs door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld.
Het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek enkel kunnen worden toegepast op beplantingen die zich bevinden op een openbaar domeingoed, voor zover zulks de openbare bestemming van dat goed niet in de weg staat. Bij de beoordeling van dit vereiste moet bovendien rekening gehouden worden met het feit dat de aanwezigheid van beplantingen in veel gevallen essentieel is voor de verwezenlijking van de openbare bestemming van een openbaar domeingoed. Indien de toepassing van voornoemde bepalingen niet onverenigbaar is met de openbare bestemming van het openbaar domeingoed, zal de rechter, wanneer de snoeiing of rooiing van beplantingen of het wegsnijden van takken of wortels wordt gevraagd, nog steeds moeten nagaan of er sprake is van rechtsmisbruik, waarbij rekening dient te worden gehouden met «alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang». Eerder oordeelde het Hof reeds dat «De openbare wegen en hun bermbeplantingen verschillen door hun aard en bestemming van de beplantingen op private eigendommen. De openbare wegen en hun uitrusting zijn niet alleen bestemd voor het verkeer en vervoer van eenieder; zij maken daarnaast een wezenlijk onderdeel uit van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening» ( Grondwettelijk Hof, 12 oktober 2017, nr. 115/2017). Het is de bijzondere aard en bestemming van beplantingen naast openbare wegen die het niet zonder redelijke verantwoording maakt dat de gemeenrechtelijke regeling inzake de afstand voor beplanting niet op algemene wijze toepasselijk wordt geacht op de openbare wegen en hun uitrusting.
4) De interpretatie van het Grondwettelijk Hof heeft duidelijkheid verschaft over het toepassingsgebied van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek aangaande de beplantingen op het openbaar domein (zie in het bijzonder: Grondwettelijk Hof, 21 oktober 2021, nr. 148/2021, B.26.1 en B.26.2). De feitenrechters beschikken aldus over een duidelijk kader om het begrip openbaar domein te interpreteren in het licht van de bestemming van de beplantingen. Essentieel in de beoordeling van de openbare bestemming van openbare wegen en bermbeplantingen is het algemeen belang, met inbegrip van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening. Het is nu aan de rechterlijke macht om de bepalingen te interpreteren op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof, wat de reden is dat geen overleg is voorzien met het Vlaams Gewest. Ik blijf echter beschikbaar indien om een dergelijk overleg wordt verzocht.